direct naar inhoud van 2.2 Geschiedenis van het plangebied
Plan: De Nobel
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0546.BP00004-0202

2.2 Geschiedenis van het plangebied

2.2.1 Ontstaansgeschiedenis van Leiden

Het plangebied ligt binnen de singels, in de Leidse binnenstad. Leiden bezit de op één na grootste historische binnenstad van Nederland met daarin circa 2.500 geregistreerde monumenten. Voor de ontstaansgeschiedenis van deze stad zijn drie periodes van bijzonder belang: de Middeleeuwen, de 17e eeuw en de 19e eeuw.


De stedenbouwkundige structuur van het middeleeuwse deel van Leiden wordt bepaald door een, voor Hollandse steden, normale "organische" ontwikkeling. Dat betekent dat de stad op basis van de bestaande geografische situatie naar behoefte werd uitgebreid en ingevuld. Daarbij speelden de natuurlijke waterwegen als de Rijnarmen, de Mare en de Vliet een belangrijke rol. Minder opvallend, maar eveneens belangrijk zijn de waterwegen en straten/stegen die zijn gebaseerd op de vroegmiddeleeuwse ontginningsstructuur. De meeste straten en grachten werden aangelegd op basis van deze bestaande structuur. Het Rapenburg is de eerste grote infrastructurele ingreep die planmatig, met het oog op de beoogde uitbreiding van de stad, werd gedaan. De belangrijkste landwegen waren gerelateerd aan de waterwegen. De oost-westverbinding liep over de zuidelijke Rijndijk over de Breestraat en de Hogewoerd. De noord-zuidroute kwam vanuit het noorden langs de oostelijke Mareoever Leiden binnen en ging langs de burcht over de Hoogstraat en de Visbrug door de Maarsmansteeg naar het zuiden.


De vroegste bebouwing lag aan weerszijden van de twee Rijndijken: de Breestraat-Hogewoerd en de Haarlemmerstraat, rond de grafelijke hof bij de Pieterskerk en uiteraard bij de burcht. De belangrijkste koopmanshuizen en het stadhuis stonden aan de Breestraat. Achter de dijken lagen de drie grote parochiekerken. In de latere uitbreidingen in Maredorp, de Camp en Academiewijk stonden de meeste kloostercomplexen en daar was zelfs lange tijd nog ruimte voor kleine agrarische bedrijven. Over de vroegste stenen woonhuizen in Leiden is nog weinig bekend. In ieder geval in de 14e eeuw kregen de belangrijke huizen van de stad steeds meer stenen gevels.


Tegen het eind van de 16e en in de eerste helft van de 17e eeuw werd de bebouwing in het middeleeuwse stadsdeel sterk verdicht. Door overbevolking, verschuivingen in de sociale samenstelling van de bevolking en functieverandering van huizen en grachten, werden erven en binnenplaatsen volgebouwd met achtersteegjes; de zogenaamde poorten. De daaraan gelegen arbeiderswoningen waren zeer klein en vaak van slechte kwaliteit. Om te kunnen voorzien in het steeds nijpender gebrek aan ruimte, werd de stad in de eerste helft van de 17e eeuw in een aantal uitleggen fors uitgebreid. Deze uitleggen zijn niet volgens één alomvattend concept uitgevoerd zoals in Amsterdam. Voor een deel zijn het voor de hand liggende opvullingen van relatief kleine percelen tegen de oude stadsgrens aan. Van een helder en stedenbouwkundig consequent plan volgens Renaissanceprincipes is alleen sprake bij de bouw van Noordrijnevest (de huidige Havenwijk).


Bij al deze uitbreidingen heeft het stadsbestuur met wisselend succes geprobeerd de inrichting van de kavels en de bebouwing aan regels te onderwerpen. De uitgangspunten daarbij waren een mengsel van stedenbouwkundige, sociale, milieutechnische en welstandsargumenten. Door de grote aantallen arbeiders en kleine ambachtslui, werd er in de nieuwe wijken vooral voor hen gebouwd. Deze bouw was voornamelijk in handen van een aantal speculanten en investeerders. Doordat zij niet in opdracht bouwden, maar in voorraad en door de homogene samenstelling van de doelgroep, is de woonhuisarchitectuur uit deze periode opvallend eenvormig. De stad probeerde door de aanleg van brede, voorname grachten als de Oude Vest ook voornamere bebouwing te stimuleren, maar de eenvoudige en eenvormige kleine en middelgrote huizen beheersten het straatbeeld.


In de loop van de 18e eeuw liep het inwoneraantal van Leiden flink terug zodat de bevolkingsdichtheid afnam. Daardoor kon een deel van de zogenaamde poorten worden afgebroken en kwam er weer ruimte voor tuinen en binnenplaatsen. De afbraak betrof vaak de slechtste behuizingen, maar ook in de betere buurten vielen grote gaten doordat leegstaande huizen werden gesloopt. In het middeleeuwse stadsdeel bleef het straatbeeld grotendeels intact en werden de opengevallen ruimten vaak benut voor het aanleggen van tuinen en binnenplaatsen. In de 17e-eeuwse wijken werd echter vaak ook de bebouwing aan de straat doorbroken en kwamen aaneengesloten percelen braak te liggen.


Door deze leegstand was er in de 19e eeuw in eerste instantie genoeg ruimte in de stad om relatief kleinschalige industrie te vestigen. Al snel ging de groei van deze industrie met de nodige ruimtelijke problemen gepaard. Door de grote economische noodzaak en de verpaupering van de omringende buurten lukte het veel bedrijven echter toch om forse complexen te bouwen binnen de 17e-eeuwse stadsgrenzen. Daardoor ontstond in delen van de 17e-eeuwse uitbreidingen ) een gemengde bebouwing van relatief grootschalige fabrieksgebouwen en kleinschalige 17e-eeuwse woningbouw. Voor een deel werden ook de oude bolwerken gebruikt voor het vestigen van deze industrie. De omtovering van de stadswallen van nutteloze ouderwetse verdedigingswerken tot romantische parken, kwam in Leiden alleen tot stand aan de zuidzijde van de stad, waarmee een relatief groot deel voor industrieel gebruik bleef gereserveerd.

In de loop van de 20e eeuw raakten grote delen van de binnenstad ernstig verpauperd. De inmiddels verouderde industrie vertrok uit de binnenstad of ging failliet. Om deze situatie te veranderen werden er diverse plannen gemaakt om Leiden grondig te moderniseren. Dit gebeurde op relatief kleine schaal in de jaren '20 en '30. Daarbij was de doorbraak van de Breestraat via de Korevaarstraat naar het Levendaal en de Jan van Houtbrug nog de meest ingrijpende wijziging van het middeleeuwse stratenplan. Daarbij werden regelmatig grachten gedempt als rigoureuze oplossing voor de problemen van de slechte waterkwaliteit. Samen met eerdere dempingen in de 17e en 18e eeuw, heeft dit ervoor gezorgd dat het oorspronkelijke waterrijker karakter van Leiden sterk is verarmd.


In 1962 werd het Basis-Wegenplan vastgesteld dat voorzag in vergaande stedenbouwkundige ingrepen ten behoeve van het opkomende verkeer. Dit plan is maar gedeeltelijk uitgevoerd, maar het resultaat is toch een aantal grote doorbraken, waarbij het historische weefsel ernstig werd vernield en honderden gebouwen werden gesloopt die naar huidige maatstaven zeker monumentwaardig zouden zijn geweest. Na gewijzigde inzichten kwam er in het laatste kwart van de 20e eeuw een restauratiegolf op gang waarbij grote delen van de binnenstad zijn gerestaureerd en aangevuld met nieuwbouw. Voor het gebied rond de Oranjegracht en de Waardgracht kwam deze verandering te laat: na grootschalige sloop is deze wijk bijna volledig herbouwd. De aanwijzing van de binnenstad tot beschermd stadsgezicht in 1982 tenslotte, heeft als doel te waarborgen dat er in de toekomst zo zorgvuldig mogelijk wordt omgegaan met de Leidse binnenstad zoals die door de eeuwen heen tot stand is gekomen.


Ondanks en dankzij haar roerige geschiedenis heeft de Leidse binnenstad in grote lijnen relatief gaaf de opeenvolgende historische structuren bewaard. Daarbij heeft weliswaar vooral de waterstructuur geleden onder diverse ingrepen, maar de hoofdstructuur is, op de dempingen in de Mare na, nog volledig intact. De overige structuren zijn grotendeels gaaf bewaard. Latere ingrepen hebben wel de herkenbaarheid soms aangetast, maar in wezen is het historisch element nog wel aanwezig. Typerend is dat Leiden geen pleinen heeft, maar is opgebouwd langs het water. Daarbij is traditioneel juist de bedrijvigheid naar dit water gericht. Handel aan en op het water is een kenmerkend Leids gebeuren. De representatie van de stad was in eerste instantie gericht op de landwegen. De oude Rijndijken waren van oudsher belangrijke handelsroutes. De kostbare voorgevel van het stadhuis staat aan de, zeker voor middeleeuwse begrippen, opvallend brede Breestraat en de grootse kerkgebouwen zijn geen van alle gericht op een gracht. Daarin kwam pas verandering toen in de 17e en 18e eeuw de burgerij de bekende pronkgevels aan de belangrijkste grachten liet bouwen. Maar toch was de Breestraat tot in de 20e eeuw één van de voornaamste woonomgevingen van Leiden.


Samen met die gedeeltelijke heroriëntering van de burgerlijke pronkzin, bouwde ook de stad pas in de 17e eeuw de Lakenhal en de Marekerk met het "gezicht" naar de gracht.


De bebouwing in de Leidse binnenstad is in een grote gevarieerdheid relatief gaaf bewaard gebleven. Kenmerkend is de afwisseling, waarbij grote delen historische bebouwing zijn gecombineerd met relatief grote stukken nieuwbouw, vaak een gevolg van de geschetste 19e-eeuwse ontwikkelingen. Daarbij kan echter, zoals in veel oude steden, de schijn bedriegen. Veel gebouwen lijken vanaf de straat volkomen verbouwd en zonder historische waarde, maar in de interieurs, kappen en constructie is vaak verrassend veel bewaard gebleven. De historische bebouwing van Leiden is rijker, kostbaarder en kwetsbaarder dan het straatbeeld doet vermoeden.


Typerend voor Leiden is de duidelijke differentiatie tussen de diverse wijken met ieder hun specifieke bebouwingsgeschiedenis. Het middeleeuwse stadsdeel heeft, door de grote druk die het intensieve gebruik al eeuwen uitoefent, een zeer gecompliceerde bouwhistorie. Hierbij is het absoluut niet uitzonderlijk dat in één gebouw waardevolle bouwresten te vinden zijn van de 14e tot en met de 20e eeuw. De kennis over vooral de vroegste periodes is echter nog beperkt. Wel is bekend dat zowel boven de grond als in de grond bijzonder veel informatie over middeleeuws Leiden bewaard is gebleven.


De architectuur in de 17e-eeuwse uitbreidingen wordt weer grotendeels gekenmerkt door eenvoud en eenvormigheid waarbij tijdens de 18e en 19e eeuw een grotere verscheidenheid is ingebracht, maar soberheid overheerst. Juist de exterieurs en interieurs van relatief eenvoudige huizen verdienen aandacht, omdat de historische waarde niet zo evident is als bij de "paleisjes" aan het Rapenburg. Voor Leiden zijn juist ook de vroege arbeiderswoningen van groot sociaal-historisch belang. Daarnaast zijn de 17e-eeuwse wijken deels vanuit een duidelijk concept aangelegd, hetgeen een extra kwaliteit vormt die het waard is beschermd te worden.

2.2.2 Geschiedenis van het plangebied
2.2.2.1 Noordvest

Het Nobelcomplex ligt in de wijk Noordvest. Dit gebied bestond oorspronkelijk voor een groot deel uit weidegronden en werd met de uitleg van 1611 bij de stad gevoegd. De 'nieuwe stad' kreeg een afwisselende bebouwing: woonbebouwing en enkel grotere gebouwen voor het algemeen nut zoals de Lakenhal en de Bethlehemkerk. Daarnaast verschenen in de wijk in de loop van de jaren steeds meer industriële gebouwen. Ook het Nobelcomplex is een overblijfsel van dat industriële verleden.


Halverwege de vorige eeuw nam de leefbaarheid van deze wijk erg af. Door verkeersdoorbraken en dempingen van grachten waren rafelige randen in de bebouwing ontstaan. De fabrieksgebouwen stonden leeg of waren in gebruik als opslagruimte. Ook nam de woonfunctie sterk af.


Eind jaren '70 van de vorige eeuw is een structuurvisie voor de binnenstad opgesteld waarin onder andere werd bepaald dat er een nieuw bestemmingsplan voor Noordvest moest komen. Dit bestemmingsplan had tot doel de woonfunctie en daarmee de gehele leefbaarheid van de wijk te versterken. Bepaald werd dat sterk vervuilende bedrijven, zoals De Nobel in de Marktsteeg, geen plek meer mochten krijgen in de wijk.


De afgelopen jaren is de wijk sterk verbeterd door het opknappen van historische gebouwen, het toevoegen van (nieuwe) woningen en het vertrek van bedrijven.

2.2.2.2 Nobelcomplex

De panden van het Nobelcomplex aan de Marksteeg 4-8 werden in 1850 gebouwd voor en door de Tras- en Pleisterfabriek van Paternotte. In 1886 bouwde de dekenfabriek Scheltema Marktsteeg 10 op de plaats van twee smallere percelen en nam de panden Marktsteeg 4-8 over. Het pand aan de Marktsteeg is lange tijd ook verbonden geweest met het zustergebouw aan de overzijde van de steeg door middel van een inmiddels afgebroken luchtbrug. In 1893 kwam het verouderde bedrijf in handen van Cornelis Wassenaar. Hij gaf opdracht tot een grote renovatie. Vanaf 1913 maakte het bedrijf steeds meer gebruik van elektromotoren voor het spinnen, weven, ruwen, vollen, wassen en andere fases van het productieproces. Het einde van de fabriek kwam onverwacht in 1958. Orders bleven uit en het bedrijf was te klein om deze tijdelijke daling in de vraag op te vangen.

In 1960 werden onbewoonbare panden achter Marksteeg 10 afgebroken. De ontstane doorbraak liep tot aan de Lange Scheistraat. Hier werd een nieuwe hal gebouwd die eveneens in gebruik was door de firma De Nobel. In deze vorm bestaat het plangebied nu nog.
De firma De Nobel kocht de gebouwen en vestigde hier een handel in lompen en oude metalen. Op aandrang van de gemeente heeft dit bedrijf de gebouwen verlaten in 1987. Daarna heeft het gebouw nog gediend als opslagplaats voor een duivensportvereniging en als repetitieruimte voor een fanfarekorps. Een gedeelte is nog enige jaren in gebruik geweest als cultureel centrum annex café De Droomfabriek.