direct naar inhoud van 4.6 Water en Ecologie
Plan: Morsweg Rijnoever
Status: ontwerp
Plantype: projectbesluit
IMRO-idn: NL.IMRO.0546.PB00003-0201

4.6 Water en Ecologie

Het bouwplan dat middels het te nemen projectbesluit mogelijk wordt gemaakt, kent geen grote gevolgen voor natuur en de opvang van water.

Watercompensatie

In de huidige situatie is het totaal bebouwde oppervlak 1474,3 m2. In de nieuwe situatie zal het bebouwde oppervlak 1469,1 m2 zijn.Het totaal bebouwde oppervlak neemt dus door het realiseren van het bouwplan af met 5,2 m2 in plaats van toe, zie ook de bijgevoegde tekeningen met het verhard oppervlakte in de bestaande situatie en in de nieuwe situatie. Indien door de uitvoering van het bouwplan meer dan 500 m2 extra oppervlak wordt verhard ten opzichte van de huidige situatie dient volgens de regels van het Hoogheemraadschap van Rijnland watercompensatie plaats te vinden. Aangezien het verhard oppervlakte in dit geval zelfs afneemt, is watercompensatie niet aan de orde.

Op genoemd plan is een positief wateradvies gegeven door het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het plan geeft echter wel aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen.
Het Hoogheemraadschap wijst erop dat voor aanpassing van de waterhuishouding een vergunning moet worden aangevraagd op grond van Rijnlands Keur en in sommige gevallen op grond van de Wet Verontreiniging oppervlaktewateren. Dempingen moeten mogelijk ook in het kader van het Besluit Bodemkwaliteit worden gemeld.

Bomen

Bomen die gekapt moeten worden, zullen ten behoeve van het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het het kappen (vorheen: kapvergunning) moeten worden gecompenseerd. Compensatie kan geschieden door het verplaatsen of herplanten van gelijke bomen in de directe omgeving van de ontwikkeling, of door de te kappen bomen te laten taxeren door een onafhankelijk bureau, en het bedrag te storten in het gemeentelijke bomenfonds. Vanuit dit fonds worden door de gemeente elders nieuwe bomen aangeplant.

Flora en fauna

Om het ingediende bouwplan te kunnen uitvoeren, dient het bestaande garagebedrijf en het transformatorhuisje eerst gesloopt te worden. Bij de verlening van de daartoe benodigde sloopvergunning moeten deze gebouwen eerst onderzocht worden op de aanwezigheid van bedreigde soorten, zoals bedoeld in de Flora- en Faunawet. Eén van de soorten in deze wet, de vleermuis, staat erom bekend in holle ruimtes onder dakconstructies te nesten. Wanneer vleermuizen worden aangetroffen zullen de richtlijnen uit de Gedragscode voor Ruimtelijke Ontwikkelingen gevolgd moeten worden om conflicten met de Flora- en Faunawet te voorkomen.

Op 19 januari 2010 is ter plaatse van het plangebied een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd door IDDS. De briefrapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage. Uit het onderzoek is gebleken dat in het plangebied geen soorten aanwezig of te verwachten zijn, die in de Flora- en Faunawet zijn aangemerkt als overige en streng beschermde inheemse soorten en door het uitvoeren van het bouwplan mogelijk schade ondervinden. Annvullende onderzoek en een eventuele ontheffingsaanvraag in het kader van de Flora- en Faunawet is dan ook niet nodig.