direct naar inhoud van 2.5 Milieu
Plan: Verlengde Wassenaarseweg
Status: ontwerp
Plantype: projectbesluit
IMRO-idn: NL.IMRO.0546.PB00001-0201

2.5 Milieu

2.5.1 Nationaal beleid

Nationaal Milieubeleidsplan 4 (2001)

Het Nationale Milieubeleidsplan 4 is een beleidsnota. In deze beleidsnota schetst het kabinet het gevoerde of te voeren beleid. Het NMP4 verscheen in 2001 onder de titel 'Een wereld en een wil: werken aan duurzaamheid'. Het NMP4 wil een eind maken aan het afwentelen van milieulasten op de generaties na ons en op mensen in arme landen. Want met de huidige manier van produceren en consumeren schuiven we nog steeds onze milieulasten door naar anderen.

2.5.2 Provinciaal en regionaal beleid

Regionaal Milieubeleidsplan (2003-2010)

De landelijke doelstelling uit het NMP 4 is ook de doelstelling voor de bij de Milieudienst aangesloten gemeenten. De doelstelling is: 'een gezond en veilig leven, in een aantrekkelijke leefomgeving, te midden van een vitale natuur, zonder de mondiale diversiteit aan te tasten of natuurlijke hulpbronnen uit te putten, hier en nu en elders en later'. Enkele relevante beleidsuitgangspunten uit het concept Milieubeleidsplan zijn:

  • Water, natuur, groen, energie en openbaar vervoer zijn sturende elementen bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. De landschappelijke onderlegger, inclusief bodemtypologie, het watersysteem, en natuur- en landschappelijke waarden vormen het hoofduitgangspunt voor de inrichting van de ruimte. Zo wordt er niet gebouwd in waardevolle gebieden zoals de ecologische structuur en juist wel op locaties waar veel mensen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer.
  • Herstructureren van woon- en werkgebieden heeft voorrang op uitbreiden.
  • Waar mogelijk worden intensief- en meervoudig ruimtegebruik sterk bevorderd. In stedelijke gebieden wordt gedacht aan gestapelde bouw, in randmilieus kan worden gedacht aan 'compacte buurten in het groen'.
  • Bestaande bedrijventerreinen worden zo duurzaam mogelijk (her)ingericht. Tenminste is er sprake van parkmanagement, aandacht voor energie, water en inpassing natuur- en cultuurwaarden.

2.5.3 Gemeentelijk beleid

Geluidsnota Leiden 2004

Met de vaststelling van de geluidsnota in 2004 heeft het gemeentebestuur van Leiden het beleid ten aanzien van geluidhinder vastgesteld. Geluid wordt sinds die vaststelling als speerpunt voor het milieubeleidsplan beschouwd, integraal aangepakt en het beleid wordt gebiedsgericht ingevuld. Uitgangspunt van die geluidsnota uit 2004 is, dat er voor ieder gebiedstype een passend geluidsniveau is vastgesteld. In het drukke, levendige centrum is dit vanzelfsprekend een ander geluidsniveau dan in een rustige woonwijk. Per gebiedstype is er in de geluidsnota een bovengrens vastgesteld, die de gemeente niet wil overschrijden. Daarmee legt de geluidsnota vooral vast, hoe de gemeente in toekomstige situaties met geluid wil omgaan en biedt de geluidsnota een beoordelingskader voor de bestaande situaties in de stad.

Geluidskaart en actieplan Leiden 2007

In het kader van de EU-richtlijn Omgevingslawaai heeft Leiden een geluidskaart en actieplan gemaakt om de geluidssituatie in beeld te brengen. De richtlijn richt zich vooral op het vaststellen, beheersen en waar nodig gewenst verlagen van geluidsniveaus in de leefomgeving. Het toepassingsgebied beperkt zich tot een aantal gedefinieerde brontypen, te weten schadelijke en hinderlijke effecten door weg- en railverkeer en luchtvaart van een zekere omvang, alsmede specifieke vastgelegde industriële activiteiten. Uit de geluidskaarten blijkt dat er in Leiden een relatief beperkt deel van de bevolking blootgesteld is aan ernstige geluidhinder. Het binnenstedelijk wegverkeer vormt verreweg de belangrijkste bron en leidt bij circa 3.300 woningen tot geluidsbelastingen met een gezondheidsrisico. In het actieplan worden de acties beschreven die de gemeente wil uitvoeren in de planperiode 2008 - 2013, om deze situatie te verbeteren. Leiden wil de geluidbelasting terugbrengen door in de eerste plaats maatregelen aan de bron te nemen. Dat zijn maatregelen die leiden tot minder verkeer én tot verkeer dat minder geluid produceert. Zulke maatregelen worden ook in het kader van de luchtkwaliteit al overwogen. Voor geluid denkt de gemeente aan toepassing van stille wegdekken op knelpuntsituaties. Als zo'n stil wegdek wordt aangelegd op het moment dat een wegdek tóch al aan vervanging toe is, zijn de kosten beperkt.

Spoorweglawaai leidt in Leiden ook tot ernstige geluidhinder, maar de prioriteit daarvan is duidelijk ondergeschikt aan die van wegverkeer. Het geluid van bedrijven vormt in Leiden geen knelpunt. Vliegtuiglawaai wordt in Leiden wel als bron van geluidhinder ervaren, veroorzaakt door vliegverkeer van en naar de luchthaven Schiphol. De maatregelen om deze hinder te reduceren vallen buiten de competentie van de gemeente. Daarom komen deze maatregelen in het actieplan niet aan de orde.

Bodemkwaliteitskaart (2002)

In 1998 is door de gemeenten Alkemade, Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest en Voorschoten besloten tot het gezamenlijk opstellen van bodemkwaliteitskaarten en beleid voor hergebruik van licht verontreinigde grond. Per 1 januari 2001 is de Milieudienst West-Holland (MDWH) van start gegaan. Daarin namen de gemeenten Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Zoeterwoude deel. Sinds 1 januari 2006 geldt zijn ook de gemeenten Rijnwoude en Teylingen toegetreden.

Sinds medio 2006 is het in deze nota beschreven beleid voor alle gemeenten binnen de MDWH van kracht. De wettelijke basis van grondverzet ligt, als onderdeel van het Bouwstoffenbesluit, in de Ministeriële vrijstellingsregeling Grondverzet. Voor specifieke invullingen speelt het provinciaal beleid een belangrijke rol. Het bodembeheerbeleid heeft betrekking op grondstromen van schone of licht verontreinigde grond. Ernstig verontreinigde grond valt onder de Saneringsregeling Wet Bodembescherming en valt buiten de reikwijdte van deze nota.

De Vrijstellingsregeling Grondverzet houdt in dat van een aantal eisen uit het Bouwstoffenbesluit, zoals de verwijderplicht en het verbod op menging met de ontvangende bodem, vrijstelling wordt verleend. Het effect is dat lichtverontreinigde grond dan niet alleen "als bouwstof" toepasbaar is, maar in daartoe geëigende situaties ook "als bodem". Om gebruik te mogen maken van de Vrijstellingsregeling Grondverzet dient men te beschikken over:

  • Bodembeheerbeleid
  • Bodemkwaliteitskaarten (bodemzonering)
  • Grondstromenplan

Het project is regionaal aangepakt, met als doel het bereiken van één regionaal bodembeheer- en grondstromenbeleid. Een belangrijk aspect is daarbij uiteraard ook het nuttig en verantwoord hergebruik van grond tussen de deelnemende gemeenten onderling te bevorderen. Voor het toestaan van grondverzet geldt een aantal uitgangspunten:

  • Toegepaste grond moet van vergelijkbare of betere kwaliteit zijn dan de ontvangende bodem (het stand still-beginsel).
  • Toegepaste grond moet kwalitatief passen bij de bestemming of functie van de ontvangende.

Tijdens het opstellen van de bodemkwaliteitskaarten en het bodembeheerbeleid heeft over de aanpak regelmatig terugkoppeling naar de provincie Zuid-Holland plaatsgevonden.

Luchtkwaliteitsplan 2005-2010

Naar aanleiding van de jaarlijkse rapportages luchtkwaliteit van de gemeente Leiden is een Luchtkwaliteitplan 2005-2010 opgesteld. In dit plan, dat 23 mei 2006 door de gemeenteraad is vastgesteld, zijn maatregelen opgenomen die reeds ingezet zijn met een positief effect op de luchtkwaliteit. Tevens zijn aanvullende maatregelen in het plan opgenomen. Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leiden heeft bij de behandeling van het Luchtkwaliteitplan 2005-2010 besloten het onderwerp luchtkwaliteit vanuit de integrale, gemeentebrede verantwoordelijkheid op te pakken. De ernst van de situatie, zowel voor de volksgezondheid als voor de ruimtelijke ontwikkelingen, rechtvaardigt snel en daadkrachtig optreden. Dit heeft geleid tot het besluit een "Taskforce Luchtkwaliteit Leiden" in te stellen.

Duurzame stedenbouw

Duurzame stedenbouw is vooral het inspelen op de kansen van de nieuwe bouwlocatie. Juist door in een vroegtijdig stadium aandacht te besteden aan de specifieke kenmerken en mogelijkheden van de bouwlocatie kan er voor gezorgd worden dat een aantrekkelijke woon- en voorzieningenomgeving ontstaat. De gemeente Leiden hanteert hiertoe het Regionaal Beleidskader Duurzame Stedenbouw (RBDS). In het RBDS staat het beleid van de gemeente Leiden voor duurzame stedenbouw. Dit instrument is bedoeld om de milieuambities en andere duurzaamheidaspecten een volwaardige plaats te geven in de ontwikkeling van ruimtelijke plannen voor gebieden > 1 hectare. Duurzaamheid is hierbij ruim gedefinieerd als 'People, Planet, Profit' (PPP). Dit betekent dat naast ambities op het gebied van milieu ook maatschappelijke/sociale en economische ambities een plek hebben gekregen in het beleid. Een ambitietabel maakt deel uit van het RBDS.

Duurzaam bouwen
De gemeente Leiden hanteert als uitgangspunt bij bouwprojecten (woningbouw, utiliteitsbouw en de grond-, weg- en waterbouw voor zowel nieuwbouw als renovatie) de Regionale DuBoPlus Richtlijn 2008 als duurzaam bouwenmaatlat. De nagestreefde kwaliteit en duurzaamheid van het project dienen op basis van een overeenkomst tussen de gemeente en de ontwikkelaar geborgd te worden. Voor de woning- en utiliteitsbouw worden de duurzame prestaties berekend met het instrument de GPR-Gebouw en de resultaten gepresenteerd in een schoolcijfer (1 -10). Een 7 is de regionale norm.

Voor de grond-, weg- en waterbouw geldt een maatregelenchecklist met vaste- en keuzemaatregelen. Aan de hand van deze maatregelenchecklist wordt de projectambitie samengesteld, geconcretiseerd en getoetst.

Klimaatbeleid
In 2008 heeft de gemeente Leiden in samenwerking met de Milieudienst het Plan van aanpak regionaal Klimaatprogramma 2008-2012 Holland Rijnland en Rijnstreek vastgesteld. Voor het Klimaatprogramma Holland Rijnland en Rijnstreek wordt de klimaatambitie van het kabinet als uitgangspunt genomen. In de CO2-kansenkaart is berekend, dat de kabinetsambitie een concrete CO2-reductiedoelstelling van 600 kiloton in 2030 voor onze regio betekent. Dit klimaatbeleid is breed opgezet en bestrijkt onder meer de volgende doelgroepen: 'Woningen'; 'Bedrijven'; 'Duurzame energieproductie'; 'Bouwers en projectontwikkelaars' en 'Mobiliteit'. Dit programma kent onder meer een relatie met ruimtelijke ordening, doordat bij ontwikkelingen vanaf 50 woningen de kansen voor CO2-reductie in aanmerking genomen dienen te worden en vanaf 200 woningen een energievisie ontwikkeld dient te worden. Doel hierbij is om te komen tot 18 -100 % reductie van de CO2-uitstoot, afhankelijk van de schaal van de ruimtelijke ontwikkeling.