direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Terras binnenterrein Doelensteeg 8
Status: vastgesteld
Plantype: omgevingsvergunning
IMRO-idn: NL.IMRO.0546.OV00105-0301

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op 28 december 2016 is er een aanvraag omgevingsvergunning ingediend ten behoeve van de realisatie van een terras ter plaatse van de binnentuin en de plaatsing van drie vaste parasols op het terras, ten behoeve van het restaurant van de onderneming Het Pakhuis, op de locatie Doelensteeg 8.

Dit bouwplan is in strijd met de regels uit het vigerende bestemmingsplan "Binnenstad II", waardoor het plan tevens gezien moet worden als een verzoek om afwijking van het bestemmingsplan. In dit geval kan alleen worden afgeweken van het bestemmingsplan met toepassing van de zogenaamde 'uitgebreide Wabo-procedure' (art. 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 Wabo).

Om te kunnen afwijken moet uit een zogenaamde 'ruimtelijke onderbouwing' blijken dat het project getuigt van een goede ruimtelijke ordening. Het college van Burgemeester en wethouders is voornemens mee te werken aan deze aanvraag. Dit boekwerk vormt die ruimtelijke onderbouwing.

1.2 Begrenzing projectgebied

Het projectgebied is gelegen aan de Doelensteeg 8 en ligt in de wijk Academiewijk. De locatie staat kadestraal bekend als sectie F, nummer 1180, te Leiden. De projectlocatie wordt omringd door bebouwing aan de Doelensteeg en Doelengracht alsmede tuinen behorende bij bebouwing aan het Rapenburg.

Op de onderstaande afbeelding is het terras grof weergegeven

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00105-0301_0001.png"

Het terras op het binnenterrein, behorende bij de locatie Doelensteeg 8

Voor een exacte weergave van het projectgebied (terrascontour) verwijzen wij u naar bijlage 1 (plancontour), behorende bij de ruimtelijke onderbouwing.

1.3 Vigerend bestemmingsplan 'Binnenstad II'

Voor het projectgebied, zoals aangegeven en toegelicht in paragraaf 1.2, vigeerde op het moment van indiening van de aanvraag de volgende bestemmingsplannen:

Naam bestemmingsplan   Vastgesteld   Raad van State  
Binnenstad II   16 januari 2007   13 augustus 2008  

Het projectgebied ligt op gronden met de bestemming 'Tuin' (artikel 15). Op deze gronden zijn de volgende functies toegestaan:

  • tuinen en hofjes met de daarbijbehorende toegangspaden.

Daarnaast is ook de medebestemming 'Beschermd Stadsgezicht' (artikel 21) van toepassing op het projectgebied.

Op de onderstaande afbeelding is de huidige bestemming Tuin van het terras te zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00105-0301_0002.png"

Uitsnede bestemmingsplankaart 'Binnenstad II'.

De gronden met de bestemming Tuin zijn, conform de doeleindenomschrijving, bestemd voor tuinen en hofjes. Het gebruik van de gronden ten behoeve van een terras is dan ook niet toegestaan. Het gebruik van de gronden als terras wordt in lid 2 (nadere bepalingen inzake bestemming en gebruik), nogmaals expliciet uitgesloten door te stellen dat: het niet is toegestaan de gronden te gebruiken voor een terras ten behoeve van een horecagelegenheid.

De drie vaste parasols worden gezien als vaste bouwwerken en zijn ook in strijd met de bestemming Tuin. De parasols staan qua gebruik niet ten dienste van het onder lid toegestane gebruik behorende bij artikel 15 (Tuin).

1.4 (nieuw) Bestemmingsplan 'Binnenstad'

Op 28 september 2017 is door de gemeenteraad van leiden het nieuwe bestemmingsplan 'Binnenstad' vastgesteld voor de Leidse binnenstad en daarmee ook de voor dit project van belangzijnde projectlocatie. Dit nieuwe bestemmingsplan is op 27 november 2017 in werking getreden. Naast het bestemmingsplan Binnenstad II is de aanvraag ook getoetst aan het (nieuwe) bestemmingsplan Binnenstad.

Het nieuwe bestemmingsplan heeft ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan een conserverend karakter. In het nieuwe bestemmingsplan zijn de gronden bestemd voor de doeleinden Tuin (artikel 12). Door het conserverende karakter van het nieuwe bestemmingsplan zijn de strijdigheden met het nieuwe bestemmingsplan hetzelfde zoals beschreven in de voorgaande paragraaf. Ter plaatse van de bestemming Tuin is het gebruik van de gronden als terras en het plaatsen van bouwwerken ten behoeve van een terras niet toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00105-0301_0003.png"

Uitsnede bestemmingsplankaart 'Binnenstad'.

Hoofdstuk 2 Beschrijving van de omgevingsvergunning

2.1 Beschrijving van het projectgebied

Het projectgebied waar deze omgevingsvergunning betrekking op heeft valt, zoals in paragraaf 1.2 aangegeven, in de wijk Academiewijk, in de Binnenstad van Leiden.

Het pand staat in het beschermd stadsgezicht Leiden binnen de Singels en is een gemeentelijk monument. De Academiewijk vormt een deel van de stadsuitbreiding van 1386. Het pand Doelensteeg 8 was oorspronkelijk een koetshuis, behorend bij het perceel Rapenburg 65, later is het in gebruik geweest als distilleerderij.

2.2 Beschrijving van het project

Het project omvat de realisatie van een terras in de binnentuin, en de plaatsing van drie vaste parasols op dit terras, ten behoeve van restaurant Het Pakhuis, achter het pand op de locatie Doelensteeg 8, te Leiden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00105-0301_0004.png"

Situering van het terras in de binnentuin.

Het terras wordt gesitueerd tegen de achtergevel van de Doelensteeg 8 en tegen de achtergevel van de Doelengracht 16. Op het terras worden verspreid drie vaste parasols neergezet. Het terras krijgt een oppervlakte van circa 92m2 en zal na 22:00 uur gesloten moeten zijn, dit laatste om overlast van stemgeluid in de avonduren te beperken.

Het project is verder weergegeven in bijlage 2 (bouwplan), behorende bij de ruimtelijke onderbouwing. In deze bijlage zijn alleen de tekeningen en bescheiden opgenomen die op enige wijze van belang zijn voor het besluit tot afwijking van het bestemmingsplan. De overige vergunningsstukken zijn separaat in te zien bij de balie Bouwen en Wonen of digitaal raadpleegbaar.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

3.1 Europees en nationaal beleid

Gezien de beperkte schaal van het bouwplan worden de beleidskaders op Europees en nationaal niveau niet geraakt.

3.2 Provinciaal en regionaal beleid

3.2.1 Provinciale Structuurvisie 'Visie Ruimte en Mobiliteit'

De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. De Visie ruimte en mobiliteit (VRM), vastgesteld op 9 juli 2014, geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer. Per 1 augustus 2014 is de Visie in werking getreden.

Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:

  • ruimte bieden aan ontwikkelingen;
  • aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit;
  • allianties aangaan met maatschappelijke partners;
  • minder toetsen op regels en meer sturen op doelen.

De 'Visie Ruimte en Mobiliteit' is zelfbindend voor de provincie. Het bindende toetsingskader voor de gemeenten is verder uitgewerkt in de provinciale Verordening Ruimte.

3.2.2 Provinciale Verordening 'Verordening Ruimte Provincie Zuid-Holland'

In de Verordening Ruimte 2014, gelijktijdig met de structuurvisie door de Provinciale Staten vastgesteld, zijn de provinciale belangen uit de structuurvisie verder uitgewerkt in regels. Aan deze regels moeten alle gemeentelijke ruimtelijke plannen voldoen, zo ook bestemmingsplannen, en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan.

De Verordening Ruimte bevat regels ten aanzien van het bouwen buiten bestaande stads- en dorpsgebieden en binnen de ecologische hoofdstructuur (EHS), glastuinbouwgebieden, boom- en sierteeltgebieden en bollenteeltgebieden, rijksbufferzones, kasteel- en landgoedbiotopen en provinciale en regionale waterkeringen. Met deze doorgaans rurale thema's heeft het bouwplan geen raakvlakken. Het projectgebied aan de Doelensteeg 8 maakt geen deel uit van de EHS of van agrarische teeltgebieden, ligt geheel binnen bestaand stedelijk gebied en bevat daarnaast ook geen provinciale of regionale waterkeringen. Dat geldt ook voor de directe omgeving van het projectgebied.

De Verordening Ruimte bevat verder regels over nieuwe kantorenlocaties en (perifere) detailhandel, telkens gericht op het voorkomen van een ongebalanceerde verdeling of overschot van kantoor- en detailhandelsruimte. Ook bevat de verordening in het verlengde van de in 2012 geïntroduceerde 'Ladder voor duurzame verstedelijking' regels om bij nieuwe stedelijke woningbouw ontwikkelingen inzichtelijk te maken of er een actuele behoefte bestaat voor het nieuwbouwprogramma en of die gerealiseerd kan worden binnen het bestaand stedelijk gebied. Het project aan de Doelensteeg 8 bevat echter geen kantoor- en/of detailhandelsruimte, alsmede woningbouw.

In artikel 2.3.3 van de Verordening Ruimte 2014 staan regels die zien op het beschermen van de vrije windvang en het zicht op traditionele windmolens. Daartoe moet bij elke omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan rekening worden gehouden met de molenbiotoop rondom die molens. De molenbiotoop heeft een radius van 400 meter vanaf het middenpunt van de molen. Het projectgebied ligt circa 440 meter van de dichtsbijzijnde traditionele windmolen, Molen de Put, gelegen aan de Park de Put en valt daarmee niet binnen de beschermende werking van een molenbiotoop.

Artikel 2.4.4 van de Verordening Ruimte 2014 tot slot, bevat regels gericht op de bescherming van de zogenaamde Limes, de vroegere grens van het Romeinse Rijk. Het projectgebied ligt binnen de beschermingszone van de Limes. Binnen deze beschermingszone mag ter bescherming van eventuele archeologische resten niet zomaar in de grond worden geroerd. Bij de uitvoering van het bouwplan wordt echter niet in de bodem geroerd tot meer dan 30 centimenter onder het maaiveld. Daarmee is het plan niet in strijd met de Verordening Ruimte 2014.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Leiden 2025
3.3.1.1 Beleidskader

Op 17 december 2009 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie 2025 vastgesteld (RV 09.0130). Deze structuurvisie is bij raadsbesluit van 1 december 2011 herzien (RV 11.0104). De structuurvisie bouwt voort op het Structuurplan Boomgaard van Kennis en de in 2004 vastgestelde Ontwikkelingsvisie: Leiden stad van ontdekkingen. Op de punten die niet in deze structuurvisie zijn opgenomen, is de Boomgaard van Kennis van toepassing. Voor de overige aspecten is de structuurvisie is hiervan de ruimtelijke vertaling. Daarnaast is bij het opstellen van de structuurvisie gebruik gemaakt van de Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland. De prioriteiten die in de Regionale Structuurvisie voor Leiden zijn benoemd, vormen het uitgangspunt van de structuurvisie.

De uitgangspunten van de structuurvisie zijn het bestaande beleid en de ambities en verwachtingen die in overleg met partijen en partners zijn geformuleerd. Dit heeft geleid tot een Structuurvisie met de volgende ambities:

  • de historische binnenstad wordt beter op de kaart gezet;
  • het Bio Science Park en de kenniseconomie worden verder ontwikkeld;
  • de bereikbaarheid wordt verbeterd;
  • de groene en blauwe structuren in en rondom de stad worden versterkt en verbonden;
  • de kansen die zich in het Stationsgebied, Transvaal/Vondellaan en op De Waard aanbieden worden benut om met wonen en werken een bijdrage te leveren aan de versterking van de kennisstad.

3.3.1.2 Onderzoeksresultaten

De doelstellingen voor de binnenstad zijn verder uitgewerkt in 'Verder met de Binnenstad'. Het plan is dan ook in de volgende paragraaf getoetst aan 'Verder met de Binnenstad'.

3.3.2 Verder met de Binnenstad
3.3.2.1 Beleidskader

Het Programma Binnenstad is uitgewerkt in de nota 'Verder met de binnenstad'. Deze nota is op 11 oktober 2012 door de gemeenteraad vastgesteld.

Het Programma Binnenstad heeft tot doel meer bezoekers naar de binnenstad van Leiden te trekken, meer bestedingen te genereren en een hogere waardering voor het aanbod van de binnenstad te krijgen. De doelen van het programma zijn daarmee in hoofdlijn economisch van aard.

De maatregelen van het programma Binnenstad zijn onder meer gericht op het ruimtelijk-economisch beleid. ‘Verder met de Binnenstad, Gebruikshandleiding voor ontwikkelingen in de binnenstad van Leiden’ stelt ontwikkelende partijen beter in staat om goede ontwikkelplannen op te stellen en uit te voeren. Daarmee levert zij een praktisch en hanteerbaar kader voor een brede doelgroep.

3.3.2.2 Onderzoeksresultaten

Het gebruik, de functie en bestemming zijn passend binnen de uitgangspunten van de Structuurvisie 'Verder met de Binnenstad'. De locatie Doelensteeg 8 valt binnen het sfeergebied Academische Cultuur. Kleine terrassen behoren tot het hoofdprogramma. De functies in het hoofdprogramma worden actief ondersteund.

3.3.3 Ruimtelijk-economische horecavisie Leiden
3.3.3.1 Beleidskader

Op 11 februari 2016 heeft de gemeenteraad van Leiden de Ruimtelijk-economische horecavisie Leiden vastgesteld. De gemeente Leiden wil met deze ruimtelijk-economische horecavisie een horeca-ontwikkling stimulueren die bijdraagt aan de kwaliteit en identiteit van de stad. De visie is tevens bedoeld als toetsingskader waardoor ondernemers, bewoners en andere belanghebbenden weten waar ze aan toe zijn. In de visie is het midden gezocht tussen flexibiliteit en zekerheid, door:

  • voor alle gebieden in de stad een kwaliteitsbeeld van de gewenste horeca te schetsen;
  • voor de meeste van deze gebieden ook kwantitatief te bepalen hoeveel extra horeca nog wenselijk is, rekening houdend met het leef- en ondernemersklimaat en een optimale mix van functies;
  • voor een aantal belangrijke ontwikkellocaties - Rijnsburgerblok, Bio Science Park en Lammenschansdriehoek - het belang van flexibiliteit en schuifruimte bij de planontwikkeling en -realisatie voorop te stellen en daarom in deze visie geen kwantitatieve beperkingen vast te leggen;
  • binnen de kaders van de Drank- en Horecawet ruimte te bieden voor horeca in winkels, omdat vervlechting van detailhandel, horeca en (culturele) voorzieningen een trend is die past bij de belevingseconomie en die de stad aantrekkelijk maakt voor bezoekers en bewoners;
  • de realisatie van ongeveer 290 nieuwe hotelkamers te faciliteren;
  • afwijking van de visie mogelijk te maken voor 'pareltjes', bedrijven die qua karakter, uitstraling, ligging of concept bijdragen aan een sterke uitstraling van een gebied en die vanwege uniciteit toevoegen aan het bestaande aanbod in de stad of regio.

Als onderlegger van de visie is een onderzoek verricht naar het uitbreidingspotentieel op basis van een vergelijking tussen potentiële vraag en huidig aanbod. Daarnaast is per gebied bekeken welke horeca-categorie in het gebied het meest kansrijk is en het beste past binnen het karakter van het gebied.

3.3.3.2 Onderzoeksresultaten

Het restaurant Het Pakhuis valt in het gebied dat in de ruimtelijk-economische horecavisie is aangeduid als 'Academische Cultuur' (Universiteitsbuurt). In dit gebied is de universiteit het meest vergroeid met de stad en vormen studenten en docenten een onlosmakelijk onderdeel van het straatbeeld. De musea in dit gebied zijn gerelateerd aan de universiteit en vormen een belangrijk bezoekmotief voor de stad. De cafés en restaurants zorgen voor levendigheid op straat.

De Academische Cultuur is opgesplitst in twee horecagebieden. Het Pakhuis (Doelensteeg 8) valt in het horecagebied Pieterskerk e.o. Dit cultuurhistorisch zeer authentieke en aantrekkelijke deel van de stad biedt voor de horeca behoorlijk wat potentie. Het gebied leent zich goed voor restaurants in het hogere segment.

3.3.4 Beleidsregels en nadere regels Terrassen 2016
3.3.4.1 Beleidskader

De vele terrassen in Leiden dragen bij aan een levendige en aantrekkelijke stad. Om de ruimtelijke kwaliteit en de uitstraling van de terrassen in Leiden te vergroten en te borgen zijn de bestaande 'Nadere regels Terrassen' geactualiseerd en aangevuld. De Burgemeester heeft de regels vastgesteld. tevens heeft het college van Burgemeester en wethouders de gemeenteraad voorgesteld om de Welstandsnota uit 2014 te wijzigen en aan te vullen. Dit naar aanleiding van de vaststelling in december 2015 van het Modellenboek gevelreclame en uitstallingen Leiden en de vertaling van de welstandregels voor bouwwerken op horecaterrassen.

3.3.4.2 Onderzoeksresultaten

In de 'Beleidsregels en nadere regels Terrassen 2016' is bepaald dat een terras op een binnenplaats of binnenterrein, dat wil zeggen een plaats of terrein dat omsloten is door woningen, niet is toegestaan, tenzij de burgemeester anders besluit, middels het verlenen van een Terrasvergunning. In dat laatste geval is het gebruik niet toegestaan tussen 23:00 en 09:00 uur. Het gebruik in de overige uren is slechts toegestaan indien de geluidsnormen uit de Wet Milieubeheer (Besluit algemene regels voor inrichtingen) zich daartegen niet verzetten. De huidige aanvraag is gedaan voor een binnenterrein dat (gedeeltelijk) omsloten wordt door woningen. Een besluit van de burgemeester voor een Terrasvergunning is dan ook naast deze omgevingsvergunning noodzakelijk.

Verder staat over de ruimtelijke kwaliteit van terrassen dat het verboden is de (straat)verharding tijdelijk dan wel permanent te bedekken. Uit de stukken bij de aanvraag blijkt dat de bestaande situatie (verhard/onverhard) wordt gehandhaafd en dat het terras gerealiseerd wordt op de huidige verharding van het binnenterrein. Voor het overige zijn in de 'Beleidsregels en nadere regels Terrassen 2016' geen bepalingen opgenomen waardoor een terras op deze locatie niet mogelijk zou zijn.

3.3.5 Algemene Plaatselijke Verordening
3.3.5.1 Beleidskader

De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is een gemeentelijke regeling die geldt voor iedereen binnen de gemeente, en die tot doel heeft de gemeente netjes en leefbaar te houden voor iedereen. Op grond van de APV kan de Burgemeester aan een bedrijf een terrasvergunning verlenen. De APV van de gemeente Leiden stelt in artikel 2:28 en artikel 2:28A regels ten aanzien van terrassen.

3.3.5.2 Onderzoeksresulaten

Artikel 2:28, lid 2, onder d bepaalt dat een terrasvergunning geweigerd dient te worden indien de aanvraag betrekking heeft op een terras op een binnenplaats of binnenterrein, dat wil zeggen een plaats of een terrein dat omsloten is door woningen, tenzij de burgemeester van oordeel is dat door het verbinden van voorschriften aan de vergunning overlast voor eigenaren en/of gebruikers van belendende percelen kan worden voorkomen.

De burgemeester is van oordeel dat door het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning, onaanvaardbare overlast voor eigenaren en/of gebruikers van belendende percelen kan worden voorkomen. De Algemene Plaatselijke Verordening staat het gebruik van het projectgebied als terras dan ook niet in de weg.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Cultuurhistorie

4.1.1 Beleidskader
4.1.1.1 Rijksbeleid

Erfgoedwet (2016)

Vanaf 2016 wordt een gedeelte van het cultureel erfgoed beschermd via de Erfgoedwet. In deze wet zijn deels de regels uit de voormalige Monumentenwet 1988 opgenomen, en deels zijn deze tijdelijk in de Erfgoedwet ondergebracht totdat de Omgevingswet in werking zal treden. Tot dat moment geeft de Erfgoedwet het Rijk de mogelijkheid om objecten aan te wijzen als rijksmonument en regelt de bescherming daarvan via een vergunningenstelsel, opgenomen in de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (Wabo). De Erfgoedwet geeft daarnaast de mogelijkheid tot aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten. Onder stads- en dorpsgezichten worden groepen van onroerende zaken bedoeld die een bijzondere cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen en in welke zich één of meer monumenten bevinden. De wet verplicht in het geval van een Rijksbeschermd stadsgezicht de betrokken gemeente een beschermend bestemmingsplan op te stellen voor het gebied.

De Erfgoedwet geeft aan gemeenten de mogelijkheid om zelf monumenten aan te wijzen.

4.1.1.2 Provinciaal beleid

Verordening Ruimte

In de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland zijn regels opgenomen waar ruimtelijke plannen van gemeenten aan moeten voldoen. Onder andere op het gebied van cultuurhistorie zijn er diverse regels opgenomen, bijvoorbeeld voor archeologie en molenbiotopen.

4.1.1.3 Gemeentelijk beleid

Erfgoednota 2014-2020

Op 19 december 2013 heeft de Leidse gemeenteraad de Erfgoednota 2014-2020 vastgesteld. De Erfgoednota benadert erfgoed integraal en gaat niet alleen over de historische stad zelf, maar ook over erfgoedkennis, onderwijs, ondernemerschap, collecties, verhalen en beleving. In Leiden, Stad van Ontdekkingen, zorgen professionals, betrokken burgers en de gemeente samen voor de uitvoering van de ambities in de Erfgoednota.

De Erfgoednota gaat uit van de volgende visie: Leiden heeft met haar (internationale) kennis en collecties, haar aantrekkelijke historische stad en de grote mate van betrokkenheid van bewoners een onderscheidende kracht in huis op het gebied van erfgoed. Een belangrijke ambitie uit de Erfgoednota is dat Leiden haar historische omgevingskwaliteit wil behouden en benutten en versterken door een aantrekkelijke, vitale en toekomstbestendige stad. Erfgoed inspireert in de ontwikkeling van de stad. Daarbij benut Leiden de inspiratie uit het verleden en zoekt waar mogelijk aansluiting bij bestaande historische karakteristieken en essenties


Beschermd stadsgezicht

Het projectgebied is gelegen binnen het beschermde stadsgezicht 'Leiden binnen de singels'. De aanwijzing van de binnenstad tot beschermd stadsgezicht in 1982 heeft als doel te waarborgen dat er in de toekomst zo zorgvuldig mogelijk wordt omgegaan met de Leidse binnenstad zoals die door de eeuwen heen tot stand is gekomen. Hieronder wordt een samenvatting gegeven van de beschrijving van het beschermd stadsgezicht die de basis heeft gevormd voor de aanwijzing, voorzover van toepassing op het projectgebied.

Als kenmerken van de Leidse binnenstad worden genoemd:

  • de zeer dichte verkaveling;
  • de aaneengesloten bebouwing van smalle panden met dwarskappen;
  • de weinige tuinen;
  • de ruimte op de stadswallen is op verschillende wijzen ingevuld;
  • het veelvuldig voorkomen van hofjes;
  • de beperkte ruimtelijke structurele relatie van de stad binnen de singel met de ontwikkelingen erbuiten;
  • de open ruimte in de stad wordt voornamelijk gevormd door het water in de vorm van grachten en singels, ook rond de kerken is open ruimte.

4.1.2 Onderzoeksresullaten

Het gebruik van de binnenplaats als terras heeft geen gevolgen voor aanwezige cultuurhistorische waarden, de binnenplaats blijft een open binnenterrein. De parasols hebben geen invloed op het straatbeeld en vormen geen permanente overkapping van de binnenplaats en daarmee zijn ook de gevolgen van de parasols acceptabel voor de cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht.

4.2 Ecologie

4.2.1 Beleidskader
4.2.1.1 Europees en nationaal beleid

Wet Natuurbescherming

Het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de ecologische soortenbescherming en de ecologische gebiedsbescherming wordt gevormd door de Wet Natuurbescherming, die op 1 januari 2017 in werking is getreden en de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet heeft vervangen.

Ter invulling van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan de Minister van Economische Zaken gebieden als natura 2000-gebied of als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen. Voor deze gebieden geldt op basis van de Wet Natuurbescherming een zorgplicht, en voor Natura 2000-gebieden geldt bovendien een vergunningsplicht voor het uitvoeren van projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

Daarnaast draagt de wet Gedeputeerde Staten op om te zorgen voor de instandhouding van het binnen de eigen provincie gelegen deel van het landelijk ecologisch netwerk, het zogenaamde Natuurnetwerk Nederland. De provincie regelt die bescherming bij provinciale verordening. In de verordening van de provincie Zuid-Holland draagt dit netwerk nog de naam Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De provincie kan in haar verordening ook andere gebieden met een bijzondere natuurwaarde beschermen, zoals weidevogelgebieden en ganzenfoerageergebieden.

Soortenbescherming is onder de nieuwe Wet Natuurbescherming geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden.

De bovengenoemde verboden zijn niet van toepassing wanneer Provinciale Staten in haar verordening een algemene vrijstelling heeft opgenomen voor specifieke soorten of wanneer wordt gehandeld volgens een goedgekeurde gedragscode. Wanneer een activiteit ziet op een verbod uit de Wet Natuurbescherming, niet wordt gehandeld volgens een goedgekeurde gedagscode en de betreffende activiteit niet is vrijgesteld in de provinciale verordening, is een ontheffing van Gedeputeerde Staten vereist. Een dergelijke ontheffing wordt in de regel uitsluitend verleend wanneer de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort voldoende wordt geborgd door middel van mitigerende en compenserende maatregelen. Voorbeelden daarvan zijn het zoveel mogelijk buiten het broed- of slaapseizoen laten plaatsvinden van de verstoringen, en het tijdig beschikbaar stellen van alternatieve, gelijkwaardige habitats of nesten.

4.2.1.2 Gemeentelijk beleid

Kaderstelling Bomenbeleid

De Bomennota heeft vier hoofddoelstellingen voor het ruimtelijk, beheersmatig en juridisch beleid: het aanvullen van structuurvormende bomenrijen, het beschermen van bomen (Bomenverordening), het verbeteren van groeiplaatsomstandigheden van bomen, het versterken van stad-land relatie door sortimentskeuze van bomen.


Gedragscode Ruimtelijke Ontwikkeling & Inrichting

De Flora- en Faunawet stelt gemeenten verplicht bij ruimtelijke ontwikkelingen na te gaan of er bedreigde plant- en diersoorten aanwezig zijn in het projectgebied. Een wijziging van deze wet in februari 2005 stelt gemeenten in staat een gemeentelijke gedragscode voor ecologisch beleid vast te stellen. Als één van de eerste gemeenten in Nederland heeft de gemeente Leiden een dergelijk document opgesteld. Dit document is door het Ministerie van LNV goedgekeurd. Dit document, de 'Gedragscode voor ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden' (vastgesteld door B en W op 1 november 2005), is bij B en W-besluit van 4 december 2012 komen te vervallen en vervangen door de gedragscode 'Ruimtelijke Ontwikkeling & Inrichting'. Deze gedragscode is opgesteld door Stadswerk en goedgekeurd per 1 januari 2011.

Deze gedragscode dient als leidraad voor ruimtelijke projecten waarbij sprake is van een functieverandering of werkzaamheden waarbij sprake is van een ruimtelijke verandering (zoals sloop, grondwerk of bouw). Het volgen van de gedragscode bij ruimtelijke ontwikkelingen minimaliseert de kans op conflicten met de Flora- en Faunawet.

4.2.2 Onderzoeksresultaten

Het terras is volledig verhard en daarmee ongeschikt voor de groei en/of plaatsing van bomen en andere plantensoorten.

4.3 Milieu

4.3.1 Bodem
4.3.1.1 Beleidskader

Onder het stramien van 'een goede ruimtelijke ordening' geldt dat het gebruik dat planologisch wordt toegestaan voor een bepaald stuk grond moet passen binnen het gebruik dat de bodemkundige staat van de grond toelaat. Zo gelden voor een speelplaats of tuin hogere eisen met betrekking tot de bodemkwaliteit dan voor bijvoorbeeld een bedrijventerrein. Of de bodemkwaliteit een planontwikkeling in de weg staat wordt beoordeeld door middel van een bureauonderzoek, eventueel aangevuld met een verkennend veldonderzoek. De resulaten van het historisch bureauonderzoek, het veldonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden met het planologische besluit bekend gemaakt.

Uit het onderzoeksrapport moet blijken of sprake is van ernstige verontreiniging van de bodem of het grondwater. in de Wet Bodembescherming zijn grenswaarden opgenomen, die bepalen wanneer voor een bepaald gebruik bodemsanering noodzakelijk is (de zogenaamde saneringscriteria) en hoe schoon de grond moet zijn na een saneringsoperatie (ook saneringsdoelstellingen genoemd).

Het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) geeft het lokale bevoegd gezag de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen haar gebied actief te beheren. Daarbij kan het bevoegd gezag ten aanzien van bodembeheer kiezen voor landelijk geldend generiek beleid of voor zelf opgestelde gebiedsspecifieke beleidsregels. Hangede die keuze geldt in het gebied dat valt onder de bevoegdheid van de Omgevingsdienst West-Holland (voor milieuzaken via mandaat gemachtigd door onder andere de gemeente Leiden) het overgangsbeleid uit het Besluit Bodemkwaliteit.

4.3.1.2 Onderzoeksresultaten

In de huidige situatie is het terras geheel verhard en daarmee is er geen direct contact mogelijk met de grond. Een verkennend bodemonderzoek is zodoende dan ook niet nodig. Indien het terrein aangepast wordt en verharding wordt weggehaald zal verkennend bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd naar eventuele bodemverontreining en eventuele saneringsmaatregelen.

4.3.2 Geluid

Een terras op een binnenterrein heeft tot gevolg dat er ter plaatse meer geluid zal worden geproduceerd. Op relatief korte afstand van het terras bevinden zich enkele woningen, waardoor het van belang is om te toetsen of de terrasgeluiden voldoen aan de geldende geluidsnormen zoals opgenomen in het 'Activitieitenbesluit milieubeheer' en aanvullende eisen uit het gemeentelijk geluidbeleid.

4.3.2.1 Beleidskader

Wet Milieubeheer en het Activiteitenbesluit

Volgens artikel 8.40 van de Wet Milieubeheer is het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing (hierna: Activiteitenbesluit)

In het Activiteitenbesluit zijn geluidsvoorschriften opgenomen voor inrichtingen. Het terras maakt onderdeel uit van de inrichting lunchroom Van de Leur. Voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximale geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen alsmede door de in de inrichting verrichtte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van de inrichting en in de onmiddelijke nabijheid van de inrichting geldt, dat de geluidsniveaus in onderstaande tabel niet mogen worden overschreden.

  07:00-19:00 u.   19:00-23:00 u.   23:00-07:00 u.  
Plaats   LAr,LT   LAmax   LAr,LT   LAmax   LAr,LT   LAmax  
Op de gevel van een geluidgevoelig gebouw   50   70   45   65   40   60  
In een geluidgevoelige ruimte van een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw   35   55   30   50   25   45  

Grenswaarden uit het Activiteitenbesluit, in dB(A)

Buiten beschouwing blijft het stemgeluid van bezoekers op een onverwarmd en onoverdekt terrein dat onderdeel is van de inrichting, tenzij het terrein een binnenterrein is. Bij het bepalen van de geluidniveaus wordt voor muziekgeluid geen bedrijfsduurcorrectie toegepast.

De grenswaarden zijn niet van toepassing op (delen van) dagen in verband met de viering van:

  • festiviteiten die bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor de verordening geldt;
  • andere festiviteiten of activiteiten die plaatsvinden binnen de inrichting, waarbij het aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen of delen van dagen niet meer mag bedragen dan twaalf keer per kalenderjaar.

Het bevoegd gezag mag voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximaal geluidniveau in een maatwerkvoorschrift (voorheen nadere eis genoemd) grenswaarden opnemen die lager of hoger zijn dan in de standaard voorschriften zijn opgenomen. Het bevoegd gezag mag de waarden alleen verhogen indien in inpandige en aanpandige geluidgevoelige ruimten een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 35 dB(A) wordt gewaarborgd.

Gemeentelijk geluidbeleid

De gemeente Leiden heeft op 28 juni 2005 gemeentelijk geluidbeleid vastgesteld. Uit de bij het besluit behorende Geluidnota Leiden blijkt dat de norm op de achtergevels van de omliggende woningen 45, 40 en 35 dB(A) geldend voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode bedraagt (voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau). Dit betekent dat het geluid dat op de achtergevels komt van woningen vanuit het terras aan een 5 dB(A) strengere norm moet voldoen dan het Activiteitenbesluit stelt aan terrassen gelegen op een binnenterrein.

 

Nota toetsingskader stemgeluid van horecaterrassen gemeente Leiden

Op 12 april 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders de 'nota toetsingskader stemgeluid van horecaterrassen' vastgesteld (collegebesluit 16.0331).

In de nota staat hoe de gemeente Leiden omgaat met het stemgeluid van mensen op bestaande en nieuwe horecaterrassen in de stad. In tegenstelling tot andere geluiden van horecabedrijven wordt het stemgeluid volgens het Activiteitenbesluit namelijk niet in alle gevallen beoordeeld. Het stemgeluid van onverwarmde en onoverdekte terrassen aan de straat of een andere openbare ruimte is uitgesloten van toetsing aan het Activiteitenbesluit. Er is echter in deze gevallen wel belang bij een eenduidig toetsingskader voor stemgeluid, hetgeen in deze nieuwe nota wordt geboden.

Het toetsingskader is gericht op zowel bestaande terrassen (met een terrasvergunning) als nieuwe terrassen. Voor nieuwe terrassen zijn aanvullende randvoorwaarden gesteld in de vorm van duidelijke grenswaarden ten aanzien van grensniveaus bij en in omliggende geluidsgevoelige gebouwen. Voor specifieke situaties waar, aan de hand van een bestuurlijke afweging, blijkt dat strengere of soepelere voorwaarden wenselijk en aanvaardbaar zijn, kan een maatwerkafweging worden gemaakt.

4.3.2.2 Onderzoeksresultaten

De Geluidsnota Leiden heeft stemgeluid op horecaterrassen niet specifiek benoemd, wel geeft zij aan dat in gebieden met een concentratie van horeca, hogere niveaus kunnen worden overwogen. De Nota toetsingskader stemgeluid van horecaterrassen gaat specifiek in op terrassen en neemt zodoende de plaats in van de Geluidsnota Leiden.

In het voorliggende plan betreft het een terras op een binnenterrein dat niet aan de openbare ruimte grenst. Hierdoor is het Activiteitenbesluit van toepassing op dit terras. De Nota toetsingskader stemgeluid van horecaterrassen voorziet alleen in een regeling voor terrassen waarbij toetsing aan het Activiteitenbesluit niet aan de orde is. Om die reden is toetsing bij deze aanvraag beperkt gebleven tot de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit.

Het plan (zie onderstaand figuur) is akoestisch onderzocht door de Omgevingsdienst West-Holland (kenmerk 2017041083 d.d. 7 april 2017). De Omgevingsdienst stelt in haar advies van 7 april 2017 dat het terras met de grenswaarden overschrijdt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00105-0301_0005.png"

Het onderzoek van de Omgevingsdienst richt zich op de belendende geluidsgevoelige objecten, de woningen, gelegen op de 1ste en 2de verdieping van Doelengracht 16 en de woning in de kap van Doelensteeg 8. De resulaten van de geluidsmetingen zijn schematisch weergegeven in tabel 1.

tabel 1: Rekenresultaten stemgeluid

Positie   Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (Lar,LT) in dB(A)   Etmaalwaarde in dB(A)   Maximale geluidniveau (LAmax) in dB(A)  
  07:00-19:00   19:00-23:00   23:00-07:00     07:00-07:00  
01 – 5.0m   52   57   -   62   81  
01 – 8.0m   50   54   -   59   77  
02 – 7.5m   47   51   -   56   72  

* Het terras is in de nachtperiode gesloten en om die reden niet meegenomen in het onderzoek.

Uit de resultaten volgt dat dat in de dagperiode het langtijdgemiddeld beoordelingsnivea met maximaal 2dB(A) wordt overschreden. In de avondperiode is deze overschrijding maximaal 12dB(A). Op basis van de Nota toetsingskader stemgeluid van horecaterrassen kan de maximale geluidnorm met 5dB(A) worden verhoogd. Ook met een norm van 50dB(A) in de avondperiode vind er nog steeds een overschrijding plaats van maximaal 7dB(A). De norm voor het maximale geluidniveau (LAmax) wordt in zowel de dag- als avondperiode ook ruim overschreden.

tabel 2: Rekenresultaten t.o.v. de norm

Positie   LAr,LT   norm   overschrijding   LAmax   norm   overschrijding  
dagperiode  
01 – 5.0m   52   50   2   81   70   11  
01 – 8.0m   50   50   -   77   70   7  
02 – 7.5m   47   50   -   72   70   2  
Avondperiode  
01 – 5.0m   57   45   12   81   65   16  
01 – 8.0m   54   45   9   77   65   12  
02 – 7.5m   51   45   6   72   65   7  

* alle eenheden zijn in dB(A)

Kijkend naar de mate van overschrijding is de overschrijding dermate hoog dat een hogere norm met maatwerkvoorschriften niet kan worden gesteld.

We zijn als gemeente echter van mening dat, ondanks de conclusies van de Omgevingsdienst het terras toch mogelijk is. Gelet op de economische waarde van het terras voor de onderneming, het ontbreken van klachten ten aanzien van geluidsoverlast van het betreffende terras en de restrictie dat het terras na 22:00 gesloten dient te zijn, maakt het aannemelijk dat ondanks de overschrijding van de geluidsnormen dit terras niet tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat zal leiden.

Om een goed woon- en leefklimaat te garanderen wordt de restrictie (het terras dient na 22:00 gesloten te zijn) als voorwaarden opgenomen in de beschikking. Bij eventuele overtreding van deze voorwaarden en/of aantasting van het woon- en leefklimaat zal er handhavend worden opgetreden.

4.4 Stedenbouwkundige inpassing

Het restaurant is gelegen aan de Doelensteeg, dat is tussen het Rapenburg en het Universiteitscomplex Witte Singel Doelencomplex. Het is onderdeel van het bouwblok Doelensteeg, Rapenburg, Doelengracht en Nonnensteeg en grenst aan het Parkcomplex van de Hortus met de universitaire gebouwen. Het binnengebied is open en groen.

De parasols zijn gelegen op een terras binnen het bouwblok zelf. Daarmee zijn het terras en de parasols niet zichtbaar vanuit de openbare ruimte. Ze zijn wel zichtbaar vanuit omliggende tuinen, maar door ligging in de hoek van het bouwblok zal de plaatsing van het terras en de parasols niet leiden tot een onevenredige verdichting van het open en groene binnengebied van het bouwblok.

Hoofdstuk 5 Procedurele aspecten

5.1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

In de Wabo is opgenomen voor welke activiteiten wel en geen vergunningplicht geldt en in het geval van een vergunningplicht, of de reguliere of de uigebreide Wabo-procedure van toepassing is.

Op grond van artikel 2.10, lid 1 onder c Wabo dient een omgevingsvergunning geweigerd te worden voor aanvragen die in strijd zijn met het bestemmingsplan en er geen vergunningverlening mogelijk is met toepassing van artikel 2.12 Wabo.

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend na het voeren van een procedure tot afwijking van het bestemmingsplan. Hierbij gelden drie mogelijkheden:

  • indien in het bestemmingsplan een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid wordt gegeven dan kan deze toegepast worden op grond van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 1º van de Wabo;
  • indien het bestemmingsplan geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid biedt, maar bij algemene maatregel van bestuur afgeweken kan worden dan kan deze toegepast worden op grond van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 2º van de Wabo;
  • indien aan geen van bovenstaande voldaan kan worden, de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat, dan kan de omgevinsgvergunning worden verleend met toepassing van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3º van de Wabo doorlopen worden. Dit is een procedure op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

5.2 Procedure

Het plan is strijdig met het bestemmingsplan. Voor dit bouwplan is in het Besluit omgevingsrecht geen mogelijkheid opgenomen voor een buitenplanse afwijking. Daarmee is de juiste juridisch-planologische procedure voor het mogelijk maken van het ingediende bouwplan, het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o Wabo.

Op de procedure behorend bij de bovenbedoelde afwijkingsbevoegdheid is afdeling 3:4 Awb van toepassing. Dit betekent dat een omgevingsvergunning alleen kan worden verleend, wanneer het ontwerp van de beschikking samen met deze ruimtelijke onderbouwing en andere bijlagen voor een periode van zes weken ter inzage wordt gelegd, waarbij eenieder een zienswijze op het plan kenbaar kan maken bij het college van Burgemeester en wethouders.

Na afloop van de zienswijzentermijn van zes weken worden alle ingediende zienswijzen verzameld en beantwoord in de paragraaf 'Maatschappelijke uitvoerbaarheid' (6.2) of in een aparte zienswijzennota. In sommige gevallen kunnen zienswijzen het college aanleiding geven het ontwerpbesluit of de bijbehorende ruimtelijke onderbouwing (al dan niet gedeeltelijk) te herzien.

Nadat de beantwoording van de zienswijzen en het definitieve besluit door het bevoegd gezag zijn vastgesteld, zal het besluit samen met de ruimtelijke onderbouwing en de overige bijlage(n) opnieuw voor een periode van zes weken ter inzage worden gelegd. Tijdens die termijn kan iedere belanghebbende die een zienswijze heeft ingediend of redelijkerwijs neit kan worden verweten geen zienswijze te hebben ingediend, een beroepsschrift indienen bij de rechtbank in Den Haag. Dit beroepschrift kan enkel betrekking hebben op de onderwerpen waarop de zienswijze ook betrekking had. Wanneer het uiteindelijke besluit afwijkt van het ontwerpbesluit, kunnen alle belanghebbenden daarnaast een beroepsschrift indienen met betrekking tot de punten waarop het besluit is gewijzigd.

5.3 Verklaring van geen bedenkingen

Op grond van artikel 6.5, eerste lid van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is een zogenaamde Verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist bij toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 Wabo. Met een dergelijke verklaring kan de gemeenteraad, alhoewel zij niet het bevoegd gezag is voor het nemen van een besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning, toch haar goedkeuring of afkeuring uitspreken over een plan. Een dergelijke instemming heeft een bindende status: het college kan een omgevingsvergunning niet verlenen zolang de gemeenteraad geen Verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven.

In Leiden is door de gemeenteraad op grond van artikel 6.5, derde lid Bor een lijst van categorieën vastgesteld waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist. De gemeenteraad heeft hiermee willen bewerkstelligen dat voor kleine en niet maatschappelijk gevoelige projecten geen tussenkomst van de gemeenteraad is vereist, en bij grote en wel maatschappelijk gevoelige projecten wel.

Een Verklaring van geen bedenkingen is in dit geval niet vereist, tenzij er tijdens de zienswijzentermijn zienswijzen worden ontvangen. Bij de ontwerp beschikking en de bijbehorende ruimtelijke onderbouwing wordt daarom ook een ontwerp van een 'Verklaring van geen bedenkingen' ter inzage gelegd.

Gedurende de zienswijzentermijn, die liep van 22 september 2017 tot en met 2 november 2017, zijn geen zienswijzen ingediend. Om die reden is er ook geen Verklaring van geen bedenkingen nodig.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

In artikel 6.12, lid 1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat de gemeenteraad een exploitaiteplan vaststelt voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Wat onder een bouwplan moet worden verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro. Het plan is niet aan te merken als een plan in de zin van artikel 6.2.1 Bro. Er hoeft derhalve geen exploitatieplan te worden opgesteld.

De aanvrager draagt alle kosten voor de realisering van het project. De gemeente Leiden doet geen investeringen. De plankosten worden in rekening gebracht op basis van de Legesverordening 2013. Via een planschadeovereenkomst worden eventuele (planschade) kosten verhaald. Hiermee is de financiële uitvoerbaarheid van het plan aangetoond.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Algemeen

Bij het opstellen van deze ontwerp omgevingsvergunning hoort een belangenafweging. In zo'n belangenafweging worden alle belangen tegen elkaar afgewogen om uiteindelijk tot een besluit te komen. Gedurende een zienswijzentermijn kan eenieder zijn of haar belang bij het college kenbaar maken alvorens de een besluit wordt genomen over verlening van de omgevingsvergunning.

6.2.2 Zienswijzen

Via publicaties in de Staatscourant en de Stadskrant is de termijn van ter inzage legging van de ontwerp omgevingsvergunning aangekondigd. Eén ieder is tijdens deze periode van zes weken in de gelegenheid gesteld om een zienswijze tegen het voorgenomen plan kenbaar te maken. Gedurende de zienswijzentermijn, die liep van 22 september tot en met 2 november 2017, zijn geen zienswijzen ingediend. Om die reden is er ook geen Verklaring van geen bedenkingen nodig.