direct naar inhoud van Ruimtelijke onderbouwing
Plan: Bijenstallen Oostvlietpolder (ten oosten van tuinvereniging Roomburg)
Status: vastgesteld
Plantype: omgevingsvergunning
IMRO-idn: NL.IMRO.0546.OV00069-0301

Ruimtelijke onderbouwing

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op 17 december 2009 heeft de gemeenteraad van Leiden de Structuurvisie Leiden 2025 vastgesteld. In die tijd werd nog ingezet op het realiseren van een nieuw bedrijventerrein in de Oostvlietpolder. Die koers is inmiddels verlaten: in het collegeakkoord van 2010-2014 staat dat de gehele Oostvlietpolder duurzaam groen moet blijven. Op 1 december 2011 is een herziening van de structuurvisie door de gemeenteraad vastgesteld waarin een groene invulling wordt gewaarborgd van het onderdeel bedrijventerrein Oostvlietpolder. Bij deze herziening is aangegeven dat een gebiedsuitwerking voor de Oostvlietpolder zou worden voorbereid, waarin onder andere langzaam verkeersverbindingen zijn voorzien die het gebied ontsluiten op de omringende gebieden en waarin aandacht wordt besteed aan het behoud en versterken van het groene en duurzame karakter van de Oostvlietpolder bij het inpassen van deze nieuwe infrastructuur

De gemeenteraad heeft vervolgens op 10 oktober 2013 de 'Structuurvisie Leiden 2025' verder uitgewerkt voor het onderdeel Oostvlietpolder. De uitwerking is vastgelegd in het document 'Toetsingskader: Oostvlietpolder Duurzaam Groen'. Dit toetsingskader geeft de toekomstige ontwikkelrichting aan van de Oostvlietpolder en wordt gebruikt als toets voor komende initiatieven in het gebied.

Een van de maatregelen om te komen tot een duurzaam groene Oostvlietpolder is het inrichten van weidevogelgebied 't Vogelhoff, waarbij ook nieuwe verbindingen voor voetgangers en fietsers worden aangelegd. Tot op heden was de Oostvlietpolder vooral 'kijkgroen', maar dat verandert met de nieuwe inrichting. In de nieuwe inrichting zijn wandel- en struinpaden te betreden en is een ideaal gebied voor weidevogels gerealiseerd. 't Vogelhoff wordt in twee fasen ontwikkeld, waarbij de tweede fase in 2015 is opgeleverd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00069-0301_0001.png"

In de groenontwikkeling van de Oostvlietpolder is ook het plan voor de realisatie van twee bijenstallen opgenomen. Een daarvan is feitelijk al aanwezig en wordt gelegaliseerd. Deze bijenstal bevindt zich in de 1e fase van 't Vogelhoff, nabij de nieuwe gerealiseerde hoofdentree. Bezoekers van het gebied kunnen hierdoor bij de ingang van het gebied imkers aan het werk zien en de bijenvolken bewonderen. Daarnaast bestuiven de bijen een nabijgelegen boomgaard met 97 hoogstamfruitbomen voor diverse fruitsoorten. De andere bijenstal moet nog gebouwd worden en komt te liggen in het entreegebied van de 2e fase van 't Vogelhoff. Deze bijenstal is groter dan de andere bijenstal en bevat een naast de bijenplanken een educatieve ruimte. Professionele imkers kunnen hierin bezoekers van informatie voorzien over het houden van bijen.

Voor beide bijenstallen is een (afzonderlijke) aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. Beide verzoeken om een omgevingsvergunning zijn in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan Oostvlietpolder. Het college van de gemeente Leiden heeft aangegeven aan deze ontwikkeling te willen meewerken. Dit plan moet met een uitgebreide procedure (met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° Wabo) mogelijk worden gemaakt.

Dit stuk vormt de ruimtelijke onderbouwing zoals bedoeld in artikel 5.20 Besluit omgevingsrecht (Bor). In deze ruimtelijke onderbouwing is gemotiveerd waarom wordt meegewerkt aan het verzoek tot het verlenen van de omgevingsvergunning.

NB: Deze ruimtelijke onderbouwing behoort bij zowel vergunningaanvraag 140476 (OLO nummer 1214157 - te handhaven bijenstal) als bij vergunningaanvraag 150355 (OLO nummer 1662335).  

1.2 Begrenzing projectgebied

De bijenstallen liggen in de Oostvlietpolder, nabij de de Vlietweg en Tuinvereniging Roomburg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00069-0301_0002.png"

Projectgebied in de Oostvlietpolder

De bijenstallen liggen direct ten westen en oosten van de tuinvereniging Roomburg, ter hoogte van het verenigingsgebouw op het adres Vlietweg 68a.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00069-0301_0003.png"

De te legaliseren bijenstal (met een oranje ster aangegeven op bovenstaande afbeelding), ligt op 20 meter afstand van de Vlietweg en op ongeveer 7 meter afstand van het verenigingsgebouw van tuinvereniging Roomburg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00069-0301_0004.png"

De nieuw te bouwen bijenstal (met een blauwe ster aangegeven op de afbeelding) ligt tussen de kavels van de de tuinbouwvereniging en een zijweg van de Vlietweg (de zijweg begint ter hoogte van het adres Vlietweg 9)

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00069-0301_0005.png"

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Voor het projectgebied, zoals aangegeven en toegelicht in paragraaf 1.2, geldt op dit moment het bestemmingsplan Oostvlietpolder. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad vastgesteld op 20 januari 2004 en is vervolgens behandeld door de Raad van State op 19 november 2008. Een dag na de uitspraak is het bestemmingsplan voor het grootste deel onherroepelijk geworden.

In onderstaande afbeelding is te zien waar de bijenstallen op de verbeelding van het bestemmingsplan worden geprojecteerd:

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00069-0301_0006.png"

De te legaliseren bijenstal (oranje ster), ligt op gronden met de bestemming 'Natuurgebied' (artikel 6). In artikel 6, lid 2 staat dat uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van en passend binnen de bestemming mogen worden opgericht met dien verstande dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer mag bedragen dan 1,5 m.

De bijenstal heeft een maximale hoogte van 2,6 meter, waardoor de maximaal toelaatbare hoogte uit het bestemmingsplan wordt overschreden. Daarnaast is het bouwwerk, als de regels uit de begripsbepalingen uit het bestemmingsplan strikt worden toegepast, aan te merken als een gebouw.

De nieuw te bouwen bijenstal (blauwe ster), ligt op gronden met de bestemming "Groenzone" (artikel 12). In artikel 12, lid 2 staat dat uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van en passend in de bestemming mogen worden opgericht, met dien verstande dat de hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde niet meer dan 2,5 meter mag bedragen en dat de hoogte van erfafscheidingen niet meer dan 2 meter mag bedragen. De nieuw te bouwen bijenstal is een gebouw, wat volgens de regels uit het bestemmingsplan niet is toegestaan.

Het bestemmingsplan Archeologie is tevens van kracht in het plangebied. Beide bijenstallen staan op een locatie met de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00069-0301_0007.png"

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Archeologie'

In artikel 4, lid 2 onder 1 staat dat op deze gronden ten behoeve van het behoud en de bescherming van archeologische waarden uitsluitend gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd die voor aanvullend of definitief archeologisch onderzoek (opgraven) noodzakelijk zijn, mits de bepalingen van artikel 4.3 vooraf in acht zijn genomen.

In artikel 4, lid 3 staat dat het verboden is om op of in de gronden met de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3 zonder of in afwijking van een schriftelijke aanlegvergunning van burgemeester en wethouders een aantal werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, dieper dan 30 cm en over een (totale) oppervlakte groter dan 30 m²:

  • grondwerkzaamheden, waartoe wordt gerekend het ophogen, afgraven, verwijderen van oude funderingen, woelen en mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  • het aanleggen of rooien van bomen en diepwortelende struiken waarbij stobben worden verwijderd;
  • het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • het verlagen van het waterpeil;
  • het werken met opsporingsapparatuur (waaronder vallen metaaldetectoren, grondradar en ander detectieapparatuur), gevolgd door het opgraven van archeologische vondsten en relicten;
  • het heien van palen en slaan van damwanden;

Dit plan heeft tot gevolg dat er grondwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd dieper dan 30 cm en met een oppervlakte van 32 m2. Dit betekent dat voor het plan een aanlegvergunning (nu: omgevingsvergunning) moet worden aangevraagd voor dit onderdeel. In paragraaf 4.1 wordt daarom nader ingegaan op het aspect archeologie.

Hoofdstuk 2 Beschrijving van de omgevingsvergunning

2.1 Beschrijving van het projectgebied

Het plangebied maakt onderdeel uit van het slagenlandschap dat aan de westzijde wordt begrensd door de Vliet en zich in oostelijke richting uitstrekt tot ver in het Groene Hart. Kenmerkend voor dit typisch Hollandse slagenlandschap is het graslandkarakter, de daarmee samenhangende openheid en het patroon van smalle, evenwijdige kavels, gescheiden door sloten.

Het bebouwingslint van de Vlietweg is de oorspronkelijke ontginningsas waarvan uit het landschap is ontgonnen. Het is een historisch gegroeide bebouwingslint langs de zuidelijke dijk van de Vliet. De ruimtelijke structuur is bepaald door de landschappelijke ondergrond. De bestaande bebouwing volgt de landschappelijke lijnen gevormd door het water van de Vliet en de dijk. Structuur en verkaveling vallen samen in het bebouwingslint en bestaat uit losstaande op de Vlietweg georiënteerde bebouwing op of direct achter de dijk staande op diepe achtererven die direct grenzen aan het open veenweidegebied. Het bebouwingslint wordt regelmatig onderbroken met doorzichten de polder in.

De Oostvlietpolder is nu de laatste groene polder op het Leidse grondgebied en ligt op de overgang van de stad naar het groene Hart. De Oostvlietpolder maakt ook deel uit van de Vlietzone, een groene en recreatieve zone tussen Leiden en Den Haag. Fietsers, wandelaars en recreanten per boot hebben vanaf hier een fraai uitzicht op het buitengebied met polders en plassen. Hoewel de A4 vlakbij ligt, is deze vanaf de Vlietweg nauwelijks op te merken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00069-0301_0008.png"

Zicht op het slagenlandschap van de Oostvlietpolder

Naar het zuiden toe grenst de Oostvlietpolder aan landschappelijke en ecologische waardevolle veenweidegebieden in het groene Hart. Daarnaast vormt de Oostvlietpolder een belangrijke schakel tussen Vlietland in het westen en polderpark Cronesteyn in het Oosten. Door de belangrijke regionale groenstructuur en het halfopen landschap is de Oostvlietpolder opgenomen in verschillende nota's, die er op gericht zijn (delen van) de groene structuur te behouden en waar mogelijk te versterken. Onderdeel van die versterking is dat nieuwe noord-zuid en oost-west verbindingsroutes aan het gebied worden toegevoegd voor wandelaars en fietsers. Deze nieuwe stedelijke en regionale infrastructuur wordt zorgvuldig in het gebied ingepast.

2.2 Beschrijving van het project

Te legaliseren bijenstal ten westen van tuinvereniging Roomburg (Bijenstal 't Vogelhoff):

Al meerdere jaren beoefenen imkers van Stichting de Bijkerij hun hobby in de Oostvlietpolder. deze stichting heeft als doelstelling om het houden van bijen te bevorderen en mensen te betrekken in de wereld van een bijenvolk. De stichting wil graag mensen betrekken bij het vak van imker door zichtbaar te zijn. De gronden waarop de bijenstal staat zijn in eigendom van de gemeente Leiden en worden sinds april 2012 beheerd door Het Zuid-Hollands landschap. De Bijkerij heeft toestemming van het Zuid-Hollands landschap om met een bijenstal op de gronden te staan.

De nu al aanwezige en te legaliseren bijenstal 't Vogelhoff is in het weekend van 22 maart 2014 geopend. De stal is via crowdfunding tot stand gekomen en bestaat uit daarzaam gewonnen hout. De stal biedt beschutting aan tienduizenden bijen, zodat deze bestuivers hier veilig kunnen overwinteren. Het initiatief om een nieuwe bijenstal te bouwen kwam van de twee verantwoordelijke imkers, die merkten dat het steeds moeilijker werd om bijen te houden in het gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00069-0301_0009.png"

Huidige bijenstal 't Vogelhoff

In de omgeving van bijenstal 't Vogelhoff wordt het voedselaanbod voor de bijen vergroot door heesters, kruiden en bomen aan te planten. Recreanten kunnen dan in 't Vogelhoff door een kleurrijke en bijvriendelijke tuin wandelen. De bijen worden ingezet voor bestuiving ter plaatse.

Bijenstal 't Vogelhoff heeft een grondoppervlakte van 8 m2 en een maximale hoogte van 2,6 meter. De afstand tot de Vlietweg bedraagt 20 meter en de afstand tot het verenigingsgebouw van tuinvereniging Roomburg ongeveer 7 meter. De uitvliegopening van de bijenstal is gericht naar het zuiden, zoals aangegeven op onderstaande afbeelding:

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00069-0301_0010.png"

Nieuw te bouwen bijenstal ten oosten van tuinvereniging Roomburg ('t Bijenhoff)

De nieuw te bouwen bijenstal vormt onderdeel van het te ontwikkelen gebied 't Bijenhoff, dat ongeveer 0,5 hectare groot wordt. Het Bijenhoff wordt een ideale plek voor bijen, vlinders en andere insecten door de aanleg van een bloemrijke tuin. In dit gebied wordt de nieuwe bijenstal gebouwd zodat er voldoende beschutting is voor deze bestuivers. Tijdens excursies kunnen bezoekers de stal in om de honingbijen te bekijken. Er wordt ook een beleefpad aangelegd, waar je als bezoeker kunt leren hoe de bijendans gaat. 't Bijenhoff komt tot stand door een samenwerking van het ROC Leiden, GAAGA architecten, de gemeente Leiden en het Zuid-Hollands landschap en is onderdeel van de 2e fase van de ontwikkeling van 't Vogelhoff.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00069-0301_0011.png"

Toekomstige situatie van 't Bijenhoff

De nieuw te bouwen bijenstal heeft een grondoppervlakte van 32 m2 en bestaat uit een grote ruimte met bijenplanken waarop maximaal 20 bijenkasten kunnen staan, een opslagruimte voor de imkers en een educatieve ruimte. Het gebouw is maximaal 2,5 meter hoog. Het gebouw wordt afgewerkt met een groen dak.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00069-0301_0012.png"

Impressie nieuwe bijenstal

Bijenvolken in de bijenstallen

Een bijenvolk bestaat in de zomer uit ongeveer 50.000 bijen, voor ongeveer de helft bestaande uit werkbijen. Deze bijen hebben verschillende taken, waaronder het vliegen naar plekken waar stuifmeel en/of nectar te vinden is. Dit gebeurt in een gebied tot ongeveer 3 km rondom de bijenkast. Werkbijen worden ongeveer 6 weken oud. In de winter is een bijenvolk veel kleiner en zijn de bijen vooral bezig met het overleven van de winter.

Bijen zijn zeer belangrijk voor de bestuiving van gewassen in de land- en tuinbouw en in de natuur. De imkers van de Bijkerij hebben in de praktijk uitgevonden dat in het voorjaar en de zomer met 5 volken een goede honingoogst gehaald kan worden uit het gebied. Bij meer volken wordt men een concurrent voor andere insecten (bijv. solitaire bijen). In de winter kunnen er meer volken gestald worden, want de bijen vliegen dan niet en zijn dan geen voedselconcurrent voor andere insecten. Behoud en bescherming van wilde bijen vindt in de regel plaats door meer plekken te realiseren waar bijen voedsel kunnen verzamelen, bijvoorbeeld op bloemrijke akkerranden of bloemrijke tuinen. In het plan 't Bijenhoff wordt een bloemrijke tuin gerealiseerd en worden bomen geplaats waar bijen hun nectar kunnen verzamelen. Ook solitaire bijen kunnen hiervan profiteren.

De 20 bijenkasten in de nieuwe te bouwen bijenstal zullen geheel of gedeeltelijk gebruikt worden in de winter, wanneer de bijen niet actief zijn. In de zomer zal er een verdeling plaatsvinden van de nu reeds aanwezige bijen in het gebied over de kleine stal en de grote stal.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

3.1 Europees en nationaal beleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit van de rijksoverheid beschreven. Het kabinet schetst in de SVIR hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig, waarbij het rijk zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten gaat zitten. Het uitgangspunt hierbij is dat provincies, regio's en gemeenten beter op de hoogte zijn van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Door provincies en gemeenten de ruimte te geven, kan het Rijk zich richten op het behartigen van ruimtelijke belangen die van nationale en internationale betekenis zijn.

Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, door middel van een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Om dit doel te bereiken, werkt het Rijk samen met andere overheden. In de SVIR zijn ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028 geformuleerd. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd:

  • 1. het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur;
  • 2. het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat;
  • 3. het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Er zijn 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd, die bijdragen aan het realiseren van de drie hoofddoelen. Het betreft onder meer het borgen van ruimte voor de hoofdnetwerken (weg, spoor, vaarwegen, energievoorziening, buisleidingen), het verbeteren van de milieukwaliteit, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke ontwikkeling, ruimte voor behoud van unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten en ruimte voor een nationaal netwerk voor natuur.

De Oostvlietpolder is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte aangewezen als onderdeel van de ecologische hoofdstructuur. De provincie Zuid-Holland is verantwoordelijk voor de uitwerking hiervan. Doelstelling hierbij is om ruimte te bieden voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora en fauna soorten. Om flora en fauna soorten in staat te stellen om op lange termijn te overleven en zich te ontwikkelen zijn het behoud van leefgebieden en de mogelijkheden om zich te kunnen verplaatsen tussen leefgebieden essentieel.

De bijenstallen dragen bij aan het overleven en de verdere ontwikkeling van bijensoorten, wat passend is binnen het nationaal belang van een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011)

Voor de doorwerking van de rijksbelangen in plannen van lagere overheden, is het Barro opgesteld. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 (grotendeels) in werking getreden en omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee.

Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen.

Ook de bescherming van erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden, zoals de Limes, is in het Barro vastgelegd. Dit is inmiddels doorvertaald in de provinciale structuurvisie en verordening.

Er zijn vanuit het Barro geen specifieke regels dan wel specifieke projecten in het plangebied die bij het opstellen van deze ruimtelijke onderbouwing in acht moeten worden genomen.Het plan voor de bijenstallen voldoet aan de kaders zoals die gesteld zijn in het Barro.

3.1.3 Duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:

  • 1. voorziet de voorgenomen stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte;
  • 2. kan binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio in de behoefte worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins;
  • 3. wanneer blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld (m.a.w. zorgen voor optimale inpassing en bereikbaarheid).

Een stedelijke ontwikkeling is volgens de definitie in artikel 1.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.

De bijenstallen vervullen een functie voor het buitengebied van Leiden en zijn dermate klein in omvang dat in dit geval niet gesproken kan worden van een stedelijke ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarom hier niet van toepassing.

3.2 Provinciaal en regionaal beleid

3.2.1 Provinciale Visie Ruimte en Mobiliteit en Verordening Ruimte

Op 9 juli 2014 hebben Provinciale Staten van de Provincie Zuid-Holland de Visie Ruimte en Mobiliteit, het Programma Ruimte, het Programma Mobiliteit en de Verordening Ruimte vastgesteld. Het beleid is op 1 augustus 2014 in werking getreden.

Deze tijd vraag om maatwerk, flexibiliteit en aanpassingsvermogen, onder andere omdat ontwikkelingen minder voorspelbaar zijn en demografische ontwikkelingen in de diverse regio’s verschillen. Maatwerk, flexibiliteit, aanpassingsvermogen en samenwerking zijn sleutelbegrippen in de Visie Ruimte en Mobiliteit.

De provincie stelt de behoefte van de gebruiker centraal; het aanbod moet afgestemd zijn op de vraag. Daarbij zet de provincie in op een efficiënte benutting van de ruimte en de netwerken, met aandacht voor de (ruimtelijk) kwaliteit. De provincie heeft hierbij vier rode draden benoemd:

  • 1. beter benutten van wat er is;
  • 2. vergroten van de agglomeratiekracht;
  • 3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  • 4. bevorderen van de transitie naar water- en energie efficiënte samenleving.

De vier rode draden zijn uitgewerkt in regelgeving, door het toepassen van:

  • A. de ladder voor duurzame verstedelijking
  • B. de integrale kwaliteitskaart
  • C. het categoriseren van alle gebieden naar kwaliteiten gekoppeld met de aard en schaal van ontwikkelingen.

Ad A.

De provincie Zuid-Holland past de ladder voor duurzame verstedelijking uit het Bro toe en heeft deze aangevuld (artikel 2.1.1. stap 1Verordening Ruimte):

Stap 1 Ladder voor duurzame verstedelijking

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:

  • a. de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd;
  • b. in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, of
  • c. indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die,
    • 1. gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld,
    • 2. passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit, waarbij artikel 2.2.1. van toepassing is, en zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare.

Zoals bij het Europees en Nationaal beleid al aangegeven is in dit geval geen sprake van een zogenaamde ' stedelijke ontwikkeling'. De bijenstallen hebben een klein oppervlak en vervullen een functie voor het buitengebied.

Ad B.

De integrale kwaliteitskaart is opgebouwd uit vier lagen: de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving. De kwaliteitskaart is uitgewerkt in een aantal specifieke richtpunten per laag. Ontwikkelingen moeten rekening houden met deze richtpunten. De kwaliteiten zijn uitgewerkt in de gebiedsprofielen.

Laag van de ondergrond

In de Oostvlietpolder is de laag van de ondergrond, ter hoogte van de bijenstallen, te typeren als veencomplex, bestaande uit oude zeeklei en veengebied. Een groot deel van Zuid-Holland bestaat uit veengronden met een hoge waterstand. Het veen kent een geringe draagkracht. Daarnaast vinden we hier een groot aantal bestaande en voormalige plassen. De voormalige plassen zijn drooggemalen en staan bekend als droogmakerijen. De ondergrond in deze droogmakerijen varieert van venig tot (oude zee)klei.

Binnen het veengebied is een aantal plekken waar in de ondergrond nog grote veenpakketten aanwezig zijn. Niet alleen zijn deze veenpakketten van bijzondere waarde, ook zijn deze gebieden zeer gevoelig voor bodemdaling. Richtpunt is daarom dat ontwikkelingen in het veenlandschap zorgdragen voor behoud van het veen en gericht zijn op een beperking van bodemdaling.

De bijenstallen hebben geen gevolgen voor het veenlandschap, er wordt ook geen veen afgegraven.

Langs de Vlietweg maakt de ondergrond ook nog deel uit van een oeverwal. De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied, zo ook bij de Vlietweg. Richtpunt voor deze specifieke ondergrond is (onder andere) dat ontwikkelingen in het rivierengebied de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand houden en dat ontwikkelingen in het rivierengebied het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar houden.

Bij de plaatsing van de bijenstallen blijft het natuurlijke reliëf intact.

Tot slot is er nog specifiek aandacht voor water als structuurdrager van gebieden en het watersysteem. Het watersysteem beslaat zowel het oppervlakte- als het grondwater en is daarmee zeer bepalend voor het functioneren van de provincie in al haar facetten. Daarmee is het watersysteem ook medebepalend voor de ruimtelijke kwaliteit en vormt het een structuurdrager van de Zuid-Hollandse identiteit. Water vertelt in een gebied vaak veel over de geschiedenis en de kunde op het gebied van waterbeheersing. Wonen of recreëren op of langs dit water is een waarde voor veel inwoners en bezoekers. Over de belangrijkste vaarwegen worden mensen en goederen vervoerd. Ook natuurwaarden hangen nauw samen met de kwaliteit en kwantiteit van water. Richtpunten op dit vlak zijn dan ook dat ontwikkelingen rekening houden met hun invloed op het watersysteem als geheel en bijdragen bij aan een duurzame en zo eenvoudig mogelijke werking van dit systeem, dat ontwikkelingen de samenhang en continuïteit in het watersysteem als dragende ecologische en recreatieve structuur van Zuid-Holland versterken en dat ontwikkelingen bijdragen aan het verbeteren van de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het oppervlaktewater.

Bij de plaatsing van de bijenstallen worden de bestaande waterstructuren in de Oostvlietpolder niet aangetast. Het huidige verkavelingspatroon ter plekke wordt gerespecteerd en waar nodig zelfs versterkt. Dit is met name het geval bij het te realiseren gebied 't Bijenhoff.

Laag van de cultuur- en natuurlandschappen

De laag van de cultuur- en natuurlandschappen is in te typeren als ‘veen(weide)landschap’. Kenmerken zijn regelmatige verkavelingspatronen, weidse landschappen met lange zichtlijnen, smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en veel grasland / agrarisch gebruik. Richtlijnen voor dit cultuur- en natuurlandschap zijn het bewaren van de diversiteit aan verkavelingspatronen en het behouden van lengtesloten, het rekening houden met het behoud van kenmerkende landschapselementen en het plaatsen van nieuwe bebouwing en bouwwerken binnen de bestaande structuren / linten (dus niet in de veenweidepolders).

De bijenstallen hebben geen gevolgen voor het verkavelingspatroon ter plekke. Ook de lengtesloten blijven intact. Weliswaar worden de bijenstallen in de veenweidepolder geplaatst, maar omdat het het gaat om kleine gebouwtjes die juist bijdragen aan het versterken van het landschap (door middel van bestuiving van de omringende gebieden en door de versterking van de natuurwaarden ter plekke), is dat in dit geval toegestaan.

Laag van stedelijke occupatie

De laag van de stedelijke occupatie is te typeren als ' stads- of dorpsrand'. Dit geldt voor het gebied aan weerzijden van de Vlietweg. Dit is de grens van bebouwd gebied en landschap met een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, vanwege de nabijheid van voorzieningen en het directe contact met het buitengebied.

De provincie onderscheidt drie typen ‘overgangskwaliteiten’ voor de overgangszones tussen dorp en omgeving: het front (contrast), het contact en de overlap (contract). Bij het front is er sprake van een scherpe rand tussen bebouwing en land, terwijl bij het contract de bebouwing meer geleidelijk overloopt in het landelijk gebied.

De overgangskwaliteit in is de Oostvlietpolder te typeren als ‘overlap (contract)’. Deze kwaliteit komt vaak voor in gebieden waar recreatiegebieden voorkomen langs stads- of dorpsrand. Tussen bebouwd gebied en landschap is sprake een geleidelijke overgang. Stedelijke en landelijke programma’s vloeien in elkaar over. Het zijn gebieden met een hybride uitstraling en betekenis: recreatiegebieden, sportvelden, volkstuincomplexen, golfbanen, enzovoorts. Er wordt een geïntegreerde ontwikkeling ontworpen van woon-, werk-, productie- en vrijetijdslandschappen die zoveel mogelijk aansluiten bij de ruimtelijke kwaliteiten van het omringende landschap en met een goede dooradering van recreatieve routes.

De ontwikkeling van de bijenstallen past binnen de hiervoor opgenomen omschrijving: niet alleen is het passend binnen de ontwikkeling van een vrijetijds- en natuurlandschap in de Oostvlietpolder , het biedt ook recreanten uit de stad een interessante inkijk in een typische functie van het buitengebied, namelijk het werk van een imker. Stad en platteland worden hierdoor meer met elkaar verbonden.

Laag van de beleving

De laag van de beleving is te typeren als 'Romeinse Limes'. De Limes is de aanduiding van de noordgrens van het voormalige Romeinse rijk, die zich in Europa uitstrekt van de Balkan tot in Engeland. In Nederland vormt de Rijn de noordgrens. Rond de Oostvlietpolder wordt de Limes gevormd door een zone langs het Rijn-Schiekanaal, vanaf Leiden naar Voorburg. De kernwaarden betreffen: verspreide, losse militaire complexen en infrastructuur (forten, wachttorens, militaire kampementen, havens, scheepswrakken en aanlegplaatsen); steden, grafvelden en (water)infrastructuur die redelijkerwijs behoren tot de militaire centra; verbindende structurerende elementen als de rivier (gereconstrueerde bedding van Beneden-, Kromme en Oude Rijn in de Romeinse tijd), de Limesweg en enkele andere stukken infrastructuur. De Limes kan gebruikt worden als inspiratiebron voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen deze zone, waar mogelijk door een koppeling te leggen met (nieuwe) recreatieve routes. Richtpunt bij ontwikkelingen is dan ook dat deze bijdragen aan het behoud en de herkenbaarheid van de Limes en de elementen die daar deel van uitmaken.

De Limes wordt in dit gebied gevormd door Het Rijn-Schiekanaal en de Vlietweg. Hier lopen al recreatieve routes doorheen. De ontwikkeling van de bijenkasten heeft hierop geen invloed.

Ad C.

De provincie heeft gebieden ingedeeld in drie beschermingscategorieën:

  • Beschermingscategorie 1: gebieden met topkwaliteit (bv. EHS en Natura2000 en cultuurhistorische kroonjuwelen). Ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden zijn in beginsel alleen mogelijk voor zover ze bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de specifieke waarden.
  • Beschermingscategorie 2: gebieden met bijzondere kwaliteit (weidevogelgebieden buiten EHS, groene buffers, graslanden in Bollenstreek en openbare recreatiegebieden). Ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden zijn mogelijk, maar met inachtneming van het instandhouden van de specifieke waarden.
  • Beschermingscategorie 3: overige gebieden.

Afhankelijk van de aard en de schaal van de ontwikkeling is er sprake van inpassing (gebiedseigen ontwikkeling, passend bij aard en schaal landschap), aanpassing (gebiedsvreemde ontwikkeling, met maatregelen passend te maken aan aard en schaal van het landschap) en transformatie (niet passend bij aard en schaal van het landschap). Voor ruimtelijke ontwikkelingen die (in eerste instantie) niet passen bij de aard en/of de schaal van het gebied zijn ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.

Het gaat dan om:

  • Duurzame sanering van leegstaande bebouwing, kassen en/of boom- en/of sierteelt;
  • Wegnemen van verharding;
  • Toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen
  • Andere maatregelen waarbij de ruimtelijke kwaliteit verbetert.

Bij aanvullende ruimtelijke maatregelen gaat het onder andere om de maatregelen uit de bestaande regelingen Ruimte-voor-Ruimte en ‘nieuwe landgoederen’. Vooralsnog blijft de provincie de regel hanteren dat in ruil voor de sloop van 1.000 m2 bebouwing of 5.000 m2 kassen een woning buiten het bestaande stedelijke gebied kan worden toegevoegd.

De bijenstallen worden gerealiseerd in een gebied met beschermingscategorie 2. Het betreft een gebiedseigen ontwikkeling, dat de natuurwaarden van de Oostvlietpolder verder kan versterken, onder andere door bestuiving. De specifieke waarden van het landschap, waaronder de slotenstructuur, blijven gehandhaafd.

3.2.2 Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020

Deze structuurvisie is op 25 juni 2009 vastgesteld door het Algemeen Bestuur van het samenwerkingsorgaan Holland-Rijnland en vormt het gemeenschappelijke toetsingskader van alle regiogemeenten. Alle ruimtelijke ontwikkelingen in deze regio worden hieraan getoetst.

De Holland Rijnland gemeenten willen een aantrekkelijke regio, waar je niet alleen plezierig werkt en woont, maar ook prettig kunt recreëren. Ook moet Holland Rijnland goed bereikbaar zijn met het openbaar vervoer en de auto. Verder wil de regio zich onderscheiden in de Randstad en bijdragen aan de internationale positionering daarvan. Onder andere door de toegevoegde waarde op het gebied van landschap, wonen en economie. In het bijzonder voor economische sectoren als Greenport, Bio Sciences en ruimtevaarttechnologie.

De visie bevat zeven kernbeslissingen die uitgaan van een evenwichtige ontwikkeling van wonen, recreatie, infrastructuur en intensief, meervoudig en duurzaam ruimtegebruik. De kernbeslissingen zijn:

  • 1. Holland Rijnland is een top woonregio;
  • 2. Leiden vervult een regionale centrumfunctie;
  • 3. Concentratie stedelijke ontwikkeling;
  • 4. Groenblauwe kwaliteit staat centraal;
  • 5. De Bollenstreek en Veenweide en Plassen blijven open;
  • 6. Speerpunt voor economische ontwikkeling: Kennis;
  • 7. Speerpunt voor economische ontwikkeling: Greenport.

In de regionale structuurvisie is de Oostvlietpolder aangegeven als recreatie/natuurgebied met een (groene) verbinding naar de Vlietlanden. De realisatie van de bijenkasten past binnen dit toekomstbeeld.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Leiden 2025
3.3.1.1 Beleidskader

Op 17 december 2009 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie 2025 vastgesteld (RV 09.0130). Deze structuurvisie is bij raadsbesluit van 1 december 2011 herzien (RV 11.0104). De structuurvisie bouwt voort op het Structuurplan Boomgaard van Kennis en de in 2004 vastgestelde Ontwikkelingsvisie: Leiden stad van ontdekkingen. Op de punten die niet in deze structuurvisie zijn opgenomen, is de Boomgaard van Kennis nog van toepassing. Voor de overige aspecten is de structuurvisie is hiervan de ruimtelijke vertaling. Daarnaast is bij het opstellen van de structuurvisie gebruik gemaakt van de Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland. De prioriteiten die in de Regionale Structuurvisie voor Leiden zijn benoemd, vormen het uitgangspunt van de structuurvisie.

De uitgangspunten van de structuurvisie zijn het bestaande beleid en de ambities en verwachtingen die in overleg met partijen en partners zijn geformuleerd. Dit heeft geleid tot een Structuurvisie met de volgende ambities:

  • de historische binnenstad wordt beter op de kaart gezet;
  • het Bio Science Park en de kenniseconomie worden verder ontwikkeld;
  • de bereikbaarheid wordt verbeterd;
  • de groene en blauwe structuren in en rondom de stad worden versterkt en verbonden;
  • de kansen die zich in het Stationsgebied, Transvaal/Vondellaan en op De Waard aanbieden worden benut om met wonen en werken een bijdrage te leveren aan de versterking van de kennisstad.

Bij het besluit van de gemeenteraad om de structuurvisie vast te stellen, zijn de volgende deelbesluiten genomen die direct gevolg hebben voor de Oostvlietpolder:

  • 1. de Oostvlietpolder wordt aangewezen (samen met de Waard) als een zoekgebied voor extra waterberging;
  • 2. er wordt een gebiedsuitwerking voorbereid voor de Groen/blauwe Oostflank, waarin (onder andere) aandacht is voor een duurzaam groene Oostvlietpolder waar de ontwikkeling van stadslandbouw en een beperkt recreatief programma wordt bevorderd en waarin aandacht is voor langzaamverkeersverbindingen in noord-zuid richting en oost-westrichting die als onderdeel van het dragende casco de Oostvlietpolder op aantrekkelijke wijze verbinden met de omliggende groengebieden. Tevens moet er aandacht worden gegeven aan het behoud en het versterken van het groene en duurzame karakter van de Oostvlietpolder bij het inpassen van infrastructuur. In de gebiedsuitwerking wordt ook de vestigingsvoorwaarde opgenomen dat partijen zich alleen in de Oostvlietpolder mogen vestigen indien zij passen binnen het merkencompas en de aantrekkelijkheid van Oostvlietpolder voor anderen vergroten.

Als toelichting op de nieuw te realiseren verbindingen is in de structuurvisie aangegeven dat de Vliet en de Vlietweg de enige verbindingen in het gebied zijn voor langzaam verkeer, wat het geheel te kwetsbaar maakt. Daarom wordt de Oostvlietpolder verbonden met de grotere regionale groenstructuren, waarbij ook nieuwe verbindingen worden aangelegd. Voor wandelaars en fietsers worden nieuwe routes aan het gebied toegevoegd, waardoor de belevingswaarde van het gebied wordt versterkt.

De bijenstallen passen binnen de doelstelling om de belevingswaarde van de Oostvlietpolder verder te versterken. Bijenstal 't Vogelhoff ligt nabij de nieuwe entree van gebied 't Vogelhoff en kan door recreanten daardoor van dichtbij bewonderd worden. Bijenstal 't Bijenhoff komt te staan in het nog te ontwikkelen gebied 't Bijenhoff, dat grotendeels voor wandelaars toegankelijk wordt. Door de beperkte oppervlaktes van de bijenstallen wordt de open en groene structuur van de Oostvlietpolder nauwelijks aangetast.

 

3.3.2 Toetsingskader Oostvlietpolder (uitwerking structuurvisie Oostvlietpolder)

De gemeenteraad heeft op 10 oktober 2013 de Structuurvisie Leiden 2025 verder uitgewerkt voor het onderdeel Oostvlietpolder. De uitwerking is vastgelegd in het document 'Toetsingskader: Oostvlietpolder Duurzaam Groen'. Dit toetsingskader geeft de toekomstige ontwikkelrichting aan van de Oostvlietpolder en wordt gebruikt als toets voor komende initiatieven in het gebied. Het toetsingskader is ook een voorwaarde om het aantal belanghebbende (markt)partijen in het gebied actief te kunnen vergroten. Ondernemers en partijen wiens activiteiten het duurzaam groene karakter van de Oostvlietpolder helpen behouden en versterken worden actief uitgenodigd om zich in het gebied te vestigen.

In het toetsingskader zijn meerdere ambities verwoord, waarvoor allereerst wordt ingaan op enkele algemene uitgangspunten. Kern hiervan is dat de Oostvlietpolder zich in de regionale (groen)structuur moet voegen zonder daarbij het eigen landelijke karakter te verloochenen. Daarbij moet het gebied zelf goed toegankelijk zijn voor wandelaars, fietsers, skeelers, fietsers en ruiters, waarbij deze doelgroepen de beeldbepalende elementen van de Oostvlietpolder kunnen ervaren.

In het toetsingskader wordt de toekomstige invulling van de uitgangspunten voor de Oostvlietpolder beschreven aan de hand van het Casco, Lijnen, gebieden en Plekken.

Voor het Casco is het aanwezige slagenlandschap met zijn groen/blauwe lijnen in noord-zuidelijke richting beeldbepalend. Deze lange lijnen dragen in hoge mate bij aan de ruimtewerking van het landschap en zijn essentieel voor de ecologische structuur van het gebied.

De belangrijkste dragers van het casco in oost-west richting zijn de doorgaande groen/blauwe lijnen van de Vliet, de ecologische hoofdstructuur en aan de oostelijke grens de infrastructuur van de A4 en Hofvlietweg. De belangrijkste noord-zuid lijnen worden vervolgens gevormd door de Rijnlandroute, het fietspad langs het weidevogelgebied, de Europaweg en de slagenverdeling van sloten en grasland in het polderland. Om het gebied open te houden is de afstand tussen de verschillende dragende lijnen niet kleiner dan 250 meter. In het toetsingskader is vervolgens per lijn een beschrijving opgenomen met specifieke uitgangspunten voor die lijn.

Binnen het casco van slootjes, hagen, bomen en ontsluitingswegen is een aantal uitsparingen, de kamers, gesitueerd, Hier kunnen telkens een of meerdere ondernemers gevestigd worden die passen in de duurzaam groene ambities van het toetsingskader. Randvoorwaarde voor de ontwikkeling van deze ruimtes is dat partijen zich alleen in de Oostvlietpolder vestigen als zij het gebied iets te bieden hebben. In het toetsingskader is vervolgens per gebied/kamer een beschrijving opgenomen met specifieke uitgangspunten voor die kamer.

Tot slot gaat het toetsingskader in op verschillende plekken binnen het geheel, waarbij het vooral gaat om knooppunten aan de rand van het gebied en de diverse zichtlijnen het gebied in. Ook hierbij zijn specifieke uitgangspunten opgenomen per plek.

Bijenstal 't Vogelhoff komt te staan bij de entree van gebied 't Vogelhoff, waar volgens het toetsingskader een mooie zichtlijn aanwezig is naar het zuiden, parallel aan de slotenstructuur. Doordat deze bijenstal vlakbij de volkstuinen is geplaatst, is er geen sprake van het blokkeren van aanwezige zichtlijnen in het gebied.

Beide bijenstallen staan bij de 'plek' die is aangeduid als de westelijke knoop. Hier staat vooral het versterken van de verbinding tussen het stadsgroen en de buitenruimte centraal. Op beide locaties worden ook nieuwe fiets- en wandelpaden aangelegd.

De realisatie van de bijenstallen past binnen de ambitie om ruimte te bieden aan een ontwikkeling als dit iets toevoegt aan een duurzaam en groene Oostvlietpolder.

3.3.3 Motie 'geen verdere aantasting van de Oostvlietpolder'

Op 13 maart 2014 heeft de gemeenteraad een motie aangenomen (M14-003, Gubbens D66) met de oproep aan het college om te formuleren hoe verdere aantasting van het weidevogelgebied (gebied gelegen tussen Vlietweg 68a en Vlietweg 80) kan worden voorkomen. Deze motie is van belang, omdat de te handhaven bijenstal gelegen is in dit gebied.

Het college heeft de motie via twee brieven afgedaan.

In de eerste brief (15 juli 2014) stelt het college voor om de bestaande (bouw)rechten voor gebouwen in de zone Vlietweg 68a tot en met Vlietweg 80 conserverend te bestemmen in het nieuwe bestemmingsplan voor het deel van de Oostvlietpolder dat nog geactualiseerd moet worden en anderzijds deze rechten als maximale bouwmogelijkheden te beschouwen voor veranderingen in functies zoals genoemd in bijlage 1 van het Toetsingskader, exclusief nieuwe woningbouw. De al aanwezige bijenstal komt niet voort uit bestaande (bouw)rechten, het is in strijd met het geldende bestemmingsplan gebouwd. De bijenstal is ook geen functie zoals genoemd in bijlage 1 van het toetsingskader.

In de tweede brief (30 september 2014) gaat het college met name in op woningbouw, wat voor de al aanwezige bijenstal niet direct relevant is. Echter, in de brief is ook een passage over het weidevogelgebied opgenomen: wenselijke functies in het weidevogelgebied 'zijn beperkt tot de hoofdbestemmingen agrarisch, agrarisch met waarden, natuur, recreatie, tuin en water. Deze strikte formulering heeft tot gevolg dat een gewenst initiatief zoals de bijenstal in zijn huidige vorm als gebouw niet binnen de bestemming past en aangepast moet worden'. Deze brief is destijds in de gemeenteraad als hamerstuk behandeld, waardoor over deze passage niet verder gediscussieerd is. De al aanwezige bijenstal, waarvoor nu een omgevingsvergunning is aangevraagd, is nog altijd een gebouw dat niet past binnen de bestemming.

Vanwege het bovenstaande heeft de verantwoordelijk wethouder op op 24 maart 2015 aan de raadscommissie Stedelijke Ontwikkeling gevraagd om een uitspraak te doen of men de motie 'geen verdere aantasting Oostvlietpolder' strikt wil handhaven ten aanzien van de bijenstal in het weidevogelgebied. Bij strikte handhaving van de motie kan er geen omgevingsvergunning voor de bijenstal worden verleend. De commissie heeft op 23 april 2015 (uitgezonderd de fractie van de VVD) aangegeven dat de motie op dit punt niet strikt gehandhaafd hoeft te worden en dat kan worden ingestemd met het verlenen van de omgevingsvergunning. Dit is vervolgens ook medegedeeld aan alle leden van de gemeenteraad. 

3.3.4 Definitief ontwerp 'Oostvlietpolder tweede fase'

Voor het gebied ten oosten van tuinvereniging Roomburg is een definitief ontwerp gemaakt, genaamd 'Oostvlietpolder tweede fase'. In dit definitieve ontwerp is gesteld dat de Vlietweg een 'etalagefunctie' zou moeten krijgen, waarbij stopplekken langs de Vlietweg aanwezig zijn om de bezoeker te verleiden de polder in te gaan. Een bijenstal geldt als een activiteit die vorm kan geven aan deze etalagefunctie.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Archeologie

4.1.1 Beleidskader

Europees en nationaal beleid

In 1992 werd in Valetta door de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen het 'Europees Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed, beter bekend onder de naam 'Verdrag van Malta', ondertekend.

In vervolg hierop is op 1 september 2007 de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) in werking getreden.

Met de introductie van de nieuwe wet zijn de kerntaken en bestuurlijke verantwoordelijkheden van gemeenten veranderd. In de wet is bepaald, dat gemeenten door inzet van een planologisch instrumentarium het archeologisch belang dienen te waarborgen.

Provinciaal beleid

Het beleid van de Provincie Zuid-Holland richt zich, conform het Rijksbeleid en de WAMZ op het behouden van archeologische waarden op de plaats waar de waarden zijn aangetroffen.

Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient onderzoek te worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden in het projectgebied. Het provinciale beleid aangaande archeologie staat vermeld in de Visie op Zuid-Holland.

Gemeentelijk beleid

Het archeologisch beleid van de gemeente Leiden - vastgelegd in de Nota Cultureel Erfgoed - vastgesteld door de raad op 20 december 2005 - en in het bestemmingsplan Archeologie is er op gericht de in de grond aanwezige archeologische waarden zoveel mogelijk te behouden. Wanneer dat niet mogelijk blijkt moet de aanwezige archeologie veilig worden gesteld door middel van opgravingen.

Het vaststellen van de archeologische waarde vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Voor zover deze stappen gevolgd moeten worden, dienen deze in dat rapport opgenomen te worden met vermelding van de resultaten.

Uitvoering van archeologisch (voor)onderzoek is in Nederland voorbehouden aan daarvoor vergunninghoudende bedrijven of instanties.

4.1.2 Archeologie in de Oostvlietpolder

Landschappelijk maakt de Oostvlietpolder deel uit van de kuststrook van West-Nederland en de delta van West-Nederland en de delta van de Oude Rijn. Het landschap is gevormd door de zeespiegelstijging tijdens het Holoceen, de ontwikkeling van de Oude Rijn en de uitbreiding van de kustbarrière in westelijke richting. In tegenstelling tot Cronesteyn en Voorschoten zijn in het gebied geen strandwallen aanwezig. Wel zijn er in de polder sporen van getijdenkreken die ontstaan zijn uit de vanuit het veen afwaterende stroompjes.

In en om de Oostvlietpolder is een groot aantal archeologische vindplaatsen bekend. Op de kreekruggen en nabij de Vliet zijn in de Oostvlietpolder zijn sporen van gebruik gevonden die teruggaan tot de IJzertijd en de Romeinen. De vondsten van Romeinse sporen hangt waarschijnlijk samen met de nabijheid van het Romeinse castellum Matilo en de bijhorende vicus en het kanaal van Corbulo: de scheepsvaartroute tussen Rijn en Maas die de loop van het huidige Rijn-Schiekanaal volgt. Daarom wordt dit gebied gezien als onderdeel van een archeologische zone; een samenhangend in cultuur gebracht agrarisch landschap dat dateert uit de IJzertijd/Romeinse tijd. In een dergelijk landschap zijn vindplaatsen te verwachten zoals grafvelden, infrastructuur en perceleringsgreppels, maar ook kortstondige bewoonde nederzettingen en alleenstaande boerderijtjes.

Archeologische resten uit de Middeleeuwen worden meer langs de Vliet verwacht. Aangenomen wordt dat enkele 17e eeuwse boerderijen mogelijk op Middeleeuwse voorgangers zijn gebouwd. Het zijn de Middeleeuwers die de polder het zo kenmerkende cope-ontginningslandschap hebben gegeven met zijn langgerekte strokenverkaveling. Dergelijke ontginningen vonden plaats vanaf de 10e eeuw. Het ontginningslint van de Oostvlietpolder valt samen met oostelijke dijk van de Vliet. Vanaf de Gouden Eeuw tot ongeveer 1960 stonden op dit land de voor Leiden en de Bollenstreek eens zo kenmerkende Blaarkoppen.

Langs de Vliet zijn de overblijfselen van de historische lintbebouwing nog zichtbaar net als de trekvaart en het jaagpad. Vanuit Leiden komende liep het jaagpad op de westelijke oever. Ter hoogte van het Commissarishuis van de Heren van de Trekvaart wisselde het jaagpad van oever. Bij het Commissarishuis was, in elk geval nog in 1912, een pontveer om de paarden over te zetten. Vandaar liep de voormalige Hofweg die de Vliet met Zoeterwoude verbond.

Behalve het Commissarishuis staan er nog 3 andere gebouwde Rijksmonumenten langs de Vlietweg, waaronder de voormalige Buitenplaats Oostvliet (Vlietweg 7). Het gaat om boerderijen waarvan de gebouwen zelf teruggaan tot de 17e eeuw, maar die mogelijk oudere voorgangers hebben. Daarnaast is in het centrum van de Oostvlietpolder nog het fundament aanwezig van de Oostvlietmolen (1748).

4.1.2.1 Archeologisch onderzoek ter hoogte van de bijenstallen

Om het archeologisch erfgoed zoals hiervoor beschreven te beschermen heeft de gemeenteraad op 2 december 2010 het bestemmingsplan Archeologie vastgesteld. Dit bestemmingsplan is op 22 februari 2011 onherroepelijk geworden. In dit bestemmingsplan is te lezen in welke gevallen en in welke gebieden archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

Ter plaatse van de te realiseren bijenstallen geldt de bestemming Waarde-Archeologie 3. Op deze gronden mogen, ten behoeve van het behoud en de bescherming van archeologische waarden, uitsluitend gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd die voor aanvullend of definitief archeologisch onderzoek (opgraven) noodzakelijk zijn, mits de bepalingen van artikel 4.3 uit het bestemmingsplan vooraf in acht zijn genomen. In artikel 4.3 lid 1 staat dat het verboden is om op of in de gronden met de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3 zonder of in afwijking van een schriftelijke aanlegvergunning van burgemeester en wethouders een aantal werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, dieper dan 30 cm en over een (totale) oppervlakte groter dan 30 m²:

  • grondwerkzaamheden, waartoe wordt gerekend het ophogen, afgraven, verwijderen van oude funderingen, woelen en mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  • het aanleggen of rooien van bomen en diepwortelende struiken waarbij stobben worden verwijderd;
  • het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • het verlagen van het waterpeil;
  • het werken met opsporingsapparatuur (waaronder vallen metaaldetectoren, grondradar en ander detectieapparatuur), gevolgd door het opgraven van archeologische vondsten en relicten;
  • het heien van palen en slaan van damwanden.

Voor bijenstal 't Vogelhoff hoeven geen grondwerkzaamheden meer verricht te worden, omdat het hier gaat om een te legaliseren bouwwerk en de grondwerkzaamheden hiervoor al zijn uitgevoerd. Archeologisch onderzoek voor deze bijenstal is dan ook niet meer zinvol.

Bijenstal 't Bijenhoff moet nog gebouwd worden. Dit plan heeft tot gevolg dat er grondwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd dieper dan 30 cm en met een oppervlakte van 32 m2. Dit betekent dat voor het plan een aanlegvergunning (nu: omgevingsvergunning) moet worden aangevraagd voor dit onderdeel en dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

4.1.2.2 Opzet en uitkomsten archeologisch onderzoek

Sinds de vaststelling van het Bestemmingsplan Archeologie is in het plangebied meermaals archeologisch onderzoek uitgevoerd. In 2010 is door RAAP archeologisch adviesbureau B.V. een booronderzoek uitgevoerd in een groter gebied in de Oostvlietpolder:

'Boer, G.H. de, C.F.H. Coppens & J.H.M. van Eijck, 2011: Oostvlietpolder & Cronesteynse polder, Gemeente Leiden, Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek, Weesp (Raap-rapport 2147)'

Dit rapport is als bijlage 6, 7 en 8 opgenomen bij deze ruimtelijke onderbouwing.

De conclusie van dit onderzoek was dat een mogelijke archeologische vindplaats in het huidige plangebied aanwezig was. Deze vindplaats is in datzelfde jaar door de gemeente Leiden nader onderzocht middels een sleuvenonderzoek:

'Brandenburgh, C.R., 2010: Evaluatierapport Oostvlietpolder (10OVP) Inventariserend veldonderzoek proefsleuven'.

Hierbij werd een aantal vondsten en sporen uit de ijzertijd en Romeinse tijd gedocumenteerd. Het rapport is als bijlage 9 opgenomen bij deze ruimtelijke onderbouwing.

Omdat de locatie van de nieuw te bouwen bijenstal reeds in 2010 volledig is onderzocht en hierdoor nu geen archeologische resten meer bevat, kan de aanlegvergunning voor de nieuw te bouwen bijenstal zonder voorwaarden worden verleend.

4.2 Cultuurhistorie

In 2010 is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen dat gemeenten bij het maken van nieuwe bestemmingsplannen, maar ook bij het afwijken van bestemmingsplannen door toepassing van de zogenaamde uitgebreide afwijkingsbevoegdheid uit de Wabo, rekening moeten houden met de in en rondom het projectgebied aanwezige cultuurhistorische waarden. Onder cultuurhistorische waarden vallen naast archeologische waarden ook monumenten, beeldbepalende panden en beschermde stads- en dorpsgezichten, die op basis van de Monumentenwet zijn aangewezen.

Om te bepalen wat de belangrijkste cultuurhistorische waarden in het plangebied zijn, kan - naast de provinciale visie ruimte en mobiliteit - gebruik worden gemaakt van de cultuurhistorische atlas van de provincie Zuid-Holland. In onderstaande afbeelding zijn de cultuurhistorische elementen in de omgeving van het plangebied weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00069-0301_0013.png"

Cultuurhistorie rond de te plaatsen bijenstallen (ter plaatse van de cursor)

Op de afbeelding is het gedeelte van de Oostvlietpolder waar de bijenstallen geplaatst worden aangegeven als een gebied gelegen binnen de invloedzone De Limes, binnen de invloedzone Trekvaarten en gelegen binnen de invloedzone van een landgoederenzone.

De te plaatsen bijenstallen worden buiten de dijkzone van de Vliet neergezet en hebben een dermate kleine omvang dat er geen sprake is van een negatief effect op de Limes en/of de dijkzone langs de Vliet. Ten noordwesten van het plangebied ligt buitenplaats Berbice. De bijenstallen zijn dermate kleinschalig van omvang en hoogte dat er geen sprake kan zijn van invloed op deze landgoederenzone.

4.3 Ecologie

4.3.1 Beleidskader
4.3.1.1 Europees en nationaal beleid

Flora- en faunawet

Werkzaamheden die worden uitgevoerd om ontwikkelingen mogelijk te maken, kunnen mogelijk aanwezige natuurwaarden verstoren of aantasten. Om deze reden dient, in het kader van de Flora- en faunawet, een ecologische toets uit te worden gevoerd om het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de aanwezige natuurwaarden inzichtelijk te kunnen maken. In het kort komen verplichtingen in het kader van de Flora- en faunawet op het volgende neer:

  • onderzoeken of er beschermde planten of dieren voorkomen in het te ontwikkelen gebied;
  • voorkómen van verstoring van deze beschermde planten en dieren;
  • eventueel vóóraf bieden van een alternatief voor de gevonden soorten (bijvoorbeeld in de vorm van vervangende verblijfplaatsen);
  • eventueel aanvragen van een ontheffing met een gedegen ecologische onderlegger en/of compensatieplan.

De flora- en faunawetgeving is sinds februari 2005 gewijzigd. Hierbij is het beschermingsregime voor algemeen voorkomende soorten verlicht en kan het aanvragen van ontheffingen voor een aantal beschermde soorten worden voorkomend als gewerkt wordt volgens een gedragscode. De gemeentelijke Gedragscode voor ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden en het daarbij horende ecologische toetsingskader geeft inzicht in de diverse verplichtingen die dit met zich meebrengt en kan op elk stedelijk project worden toegepast.

De Flora- en faunawet beschermt een groot aantal bijzondere en minder bijzondere inheemse plant- en diersoorten. De verstoring van (vaste rust- en verblijfsplaatsen van) deze soorten is in beginsel verboden. Er kan een ontheffing van zulke verboden worden gegeven wanneer de gunstige staat van instandhouding van de soort(en) niet in gevaar komt.

Voor algemene soorten is een vrijstelling van kracht van deze ontheffingsplicht voor ruimtelijke ontwikkelingen. De zorgplicht uit de Wet blijft voor deze soorten wel van kracht: bij werkzaamheden moet zoveel mogelijk voorkomen worden dat schade toegebracht wordt aan beschermde soorten.

Voorzover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische zaken, Landbouw en Innovatie (ELI). Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:

  • er sprake is van een wettelijk geregeld belang (waaronder het belang van land- en bosbouw, bestendig gebruik en ruimtelijke inrichting en ontwikkeling);
  • er geen alternatief is;
  • geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.


Ecologische hoofdstructuur

Het beschermingsregime voor gebieden die vallen onder de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) vloeit voort uit het Natuurbeleidsplan uit 1991 en de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Het is in de Nota Ruimte op nationaal niveau en vervolgens door de provincies op provinciaal niveau nader uitgewerkt. Bescherming van deze gebieden is op planologische basis en er wordt van uitgegaan van het "Nee, tenzij"-regime en compensatiebeginsel. Het ruimtelijk beleid voor de EHS is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden. Daarom geldt in de EHS het "nee, tenzij"- regime. Indien een voorgenomen ingreep de "nee, tenzij"-afweging met positief gevolg doorloopt kan de ingreep plaatsvinden, mits de eventuele nadelige gevolgen worden gemitigeerd en resterende schade wordt gecompenseerd. Indien een voorgenomen ingreep niet voldoet aan de voorwaarden uit het "nee, tenzij"-regime dan kan de ingreep niet plaatsvinden.

Natuurbeschermingswet 1998

De gebiedsbescherming is geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998 en de Nota Ruimte. Onder deze bescherming vallen de volgende gebiedsoorten: Natura 2000-gebieden (dit zijn gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn), Beschermde Natuurmonumenten en gebieden ter uitvoering van verdragen en andere internationale verplichtingen (zoals wetlands), worden ook beschermd op basis van de Natuurbeschermingswet 1998.

De uitgevoerde toetsing betreft het vaststellen of het projectgebied in of in de omgeving van een beschermd natuurgebied ligt en of er sprake is van een negatief effect op de beschermde natuurwaarden.

4.3.1.2 Provinciaal en regionaal beleid

Landschapsbeleidsplan Leidse regio en Warmond 2002

Het regionale landschapsbeleidsplan heeft meerdere doelstellingen. Aangegeven moet worden hoe de agrarische, ecologische, recreatieve, cultuurhistorische en visueel - ruimtelijke kwaliteiten van het landschap behouden, versterkt of ontwikkeld kunnen worden op een zodanige manier, dat een meerwaarde ontstaat op regionaal niveau. Daarnaast moet er een landschappelijk raamwerk worden ontworpen, waarin functies als landbouw, natuur, waterbeheer, recreatie en mogelijkheden voor verstedelijking duidelijk zijn gepositioneerd. Ook een optimale wisselwerking tussen stedelijke en landelijke gebieden moet worden aangegeven. De relatie stadland, de voedingsaders voor natuur in de stad, moet worden geoptimaliseerd en worden beschermd.

4.3.1.3 Gemeentelijk beleid

Kaderstelling Bomenbeleid (2004 - 2014; actualisatie Bomennota 1993)

De Bomennota heeft vier hoofddoelstellingen voor het ruimtelijk, beheersmatig en juridisch beleid:

  • 1. het aanvullen van structuurvormende bomenrijen,
  • 2. het beschermen van bomen (Bomenverordening),
  • 3. het verbeteren van groeiplaatsomstandigheden van bomen,
  • 4. het versterken van stad-land relatie door sortimentskeuze van bomen.


Ecologisch Beleidsplan Leiden (1998)

Het uitgangspunt van het Ecologisch Beleidsplan Leiden (EBL) is om de natuur mee te laten tellen als bewoner van de stad. Hierbij moeten de kansen om de natuur de stad in te halen optimaal worden benut en bedreigingen voor die natuur zoveel mogelijk worden beperkt, rekening houdend met de multifunctionaliteit van de stad en haar stedelijk groen.

De hoofddoelstellingen van het ecologisch beleidsplan zijn:

  • Het complementeren dan wel opstellen van een gebiedsdekkend plan voor een duurzame ecologische groenstructuur van 'groene' en 'blauwe' verbindingen vanuit het buitengebied de stad in.
  • Door middel van inrichting, communicatie en regelgeving de Leidse Ecologische Structuur (LES) versterken.
  • Profielen, beheermethoden en sortimentskeuze koppelen aan de LES.


Gedragscode Ruimtelijke Ontwikkeling & Inrichting

De Flora- en faunawet stelt gemeenten verplicht bij ruimtelijke ontwikkelingen na te gaan of er bedreigde plant- en diersoorten aanwezig zijn in het projectgebied. Een wijziging van deze wet in februari 2005 stelt gemeenten in staat een gemeentelijke gedragscode voor ecologisch beleid vast te stellen. Als één van de eerste gemeenten in Nederland heeft de gemeente Leiden een dergelijk document opgesteld. Dit document is door het Ministerie van LNV goedgekeurd. Dit document, de 'Gedragscode voor ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden' (vastgesteld door B en W op 1 november 2005), is bij B en W-besluit van 4 december 2012 komen te vervallen en vervangen door de gedragscode 'Ruimtelijke Ontwikkeling & Inrichting'. Deze gedragscode is opgesteld door Stadswerk, goedgekeurd per 1 januari 2011 en geldig tot en met 2015.

Deze gedragscode dient als leidraad voor ruimtelijke projecten waarbij sprake is van een functieverandering of werkzaamheden waarbij sprake is van een ruimtelijke verandering (zoals sloop, grondwerk of bouw). Het volgen van de gedragscode bij ruimtelijke ontwikkelingen minimaliseert de kans op conflicten met de Flora- en faunawet.

4.3.2 Onderzoeksresultaten

De Oostvlietpolder is aangewezen als onderdeel van de ecologische hoofdstructuur. Het vervult de rol van een ecologische verbinding. Op kaart 8 ('ecologische hoofdsturctuur') van de provinciale ruimtelijke verordening is te zien welke gebieden zijn aangewezen als onderdeel van de ecologische hoofdstructuur:

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00069-0301_0014.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00069-0301_0015.png"

De dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden, de Wilck en Meijendel & Berkheide, liggen op respectievelijk 4,5 en 6,2 kilometer afstand van de planlocatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00069-0301_0016.png"

Zoals te zien is op bovenstaande afbeeldingen maakt de directe omgeving van de Vlietweg geen onderdeel uit van de ecologische hoofdstructuur of van een Natura 2000 gebied.

Vanuit de Flora- en faunawet geldt dat activiteiten die mogelijk leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten in principe verboden zijn, tenzij maatregelen kunnen worden genomen om dit te voorkomen. De bijenstallen zijn gesitueerd op grasland, waarbij geen sloten gedempt of bomen gekapt hoeven te worden. Negatieve effecten op beschermde soorten zijn hierdoor niet te verwachten. Een extern onderzoek naar flora en fauna is in dit geval dan ook niet noodzakelijk.

In het kader van de zorgplicht uit de Flora- en faunawet, moeten de initiatiefnemers of (onder)aannemers bij de uitvoering van het plan wél alert blijven op aanwezigheid van beschermde en niet-beschermde flora en fauna ter plekke, en hier zorgvuldig mee omgaan, door bijvoorbeeld padden en salamanders naar een veilige locatie over te brengen. Ook moeten zij bij de dichtstbijzijnde volkstuin informeren of er gewoonlijk weidevogels broeden in de buurt van de locatie. In dat geval moeten de werkzaamheden plaats vinden buiten het broedseizoen (15 maart – 15 juli). Zodra initiatiefnemers onverwachte fauna aantreffen, moeten zij contact opnemen met de gemeente om de te nemen vervolgstappen te bespreken.

De verplichtingen voor de initiatiefnemer worden als voorwaarden opgenomen bij de te verlenen omgevingsvergunning.

4.4 Kabels en leidingen

Zowel ter hoogte van de al bestaande als de nog nieuw te bouwen bijenstal zijn geen (planologisch relevante) kabels en leidingen aanwezig die de beoogde ontwikkeling in de weg staan.

4.5 Milieu

4.5.1 Bedrijven en milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies zoals woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Voor de beoordeling wordt gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast.

Beoordeling

De bijenstallen zijn geen gevoelige bestemmingen, waardoor het niet noodzakelijk is om te beoordelen welke bedrijven in de omgeving voorkomen. Wel is een bijenstal een functie die mogelijk hinder naar de omgeving kan veroorzaken.

De richtafstanden uit de Handreiking Bedrijven en Milieuzonering zijn gericht op de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Voor het fokken en houden van bijen is een richtafstand van 10 meter aangegeven voor het aspect ' geur', een richtafstand van 30 meter voor het aspect 'geluid' en een richtafstand van 10 meter voor het aspect ' gevaar'. Deze richtafstanden gelden voor gevoelige bestemmingen, zoals woningen.

De nieuw te bouwen bijenstal komt op een afstand van ongeveer 30 meter te staan van de tuinen van de Tuinvereniging Roomburg. Ook de afstand tot de dichtstbijzijnde wegen bedraagt ongeveer 30 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00069-0301_0017.png"

De afstand tot de dichstbijzijnde woning (Vlietweg 9) bedraagt ongeveer 35 tot 40 meter. Ook hiermee wordt voldaan aan de richtafstand van 30 meter. Daarnaast worden de bijenkasten zodanig geplaatst, dat de uitvliegroute richting het zuidoosten en noordwesten gericht is (en dus niet richting de woning). Op bovenstaande afbeelding zijn de bijenkasten in het rood aangegeven, de lange zijden zijn de uitvliegopeningen.

Er zijn op het gebied van bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen om het plan te realiseren.

4.5.2 Bodem

In het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' moet het gebruik dat planologisch wordt toegestaan voor een bepaald stuk grond passen binnen het gebruik dat de bodemkundige staat van de grond toelaat. Zo gelden voor een speelplaats of tuin hogere eisen met betrekking tot de bodemkwaliteit dan voor bijvoorbeeld een bedrijventerrein. Of de bodemkwaliteit een planontwikkeling in de weg staat, wordt bepaald door middel van een bureauonderzoek, eventueel aangevuld met een verkennend veldonderzoek. De resultaten van het historisch bureauonderzoek, het veldonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden met het planologische besluit bekendgemaakt.

De planontwikkeling betreft in dit geval de realisatie van twee bijenstallen. Aangezien deze bestemming geen hoge eisen stelt aan de bodemkwaliteit ter plekke, is een bodemonderzoek in dit geval niet noodzakelijk.

4.5.3 Externe veiligheid

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit plan, aangezien er geen ruimtes worden gecreeerd waar personen langere tijd kunnen verblijven. Slechts sporadisch zullen imkers en/of bezoekers de bijenstallen bezoeken, waarbij het vooral zal gaan om recreanten op de fiets of wandelaars.

Binnen een straal van 500 meter rondom de bijenstallen zijn geen instellingen aanwezig met een risicocontour die over de locaties heen valt. De enige inrichting binnen deze straal is de rioolwaterzuiveringsinstallatie Leiden Zuidwest, dat direct ten noorden van het Rijn-Schiekanaal ligt. Deze rioolwaterzuiveringsinstallatie heeft een plaatgebonden risicocontour PR 10-6 van 50 meter, zoals aangegeven op onderstaande afbeelding:

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00069-0301_0018.png"

Deze inrichting heeft geen invloed op de locaties van de bijenstallen. Op het gebied van externe veiligheid zijn dan ook geen belemmeringen te verwachten.

4.5.4 Geluid

Een bijenstal is geen gevoelige bestemming zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. Dit aspect hoeft dan ook niet te worden meegewogen in de beoordeling. Geluid vormt geen belemmering voor het realiseren van het plan.

4.5.5 Luchtkwaliteit

Dit plan heeft geen gevolgen voor de luchtkwaliteit ter plekke. De bezoekfunctie van de nieuw te bouwen bijenstal is gericht op recreanten die op de fiets of wandelend dit gebied bezoeken.

4.6 Milieueffectrapportage

In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling uitgevoerd moet worden als een project belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Het gaat dan om een project dat genoemd is in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r. In dit geval wordt het plan niet genoemd in deze bijlage. Een m.e.r. beoordeling of plan M.E.R. is niet nodig.

4.7 Stedenbouwkundige inpassing

Stedenbouwkundige inpassing van de te legaliseren bijenstal:

Het ruimtelijke toetsingskader is in dit gebied het Toetsingskader Oostvlietpolder Duurzaam Groen uit 2013, een uitwerking van de Structuurvisie. Het heeft de ambitie de Oostvlietpolder een duurzame en groene inrichting en gebruik te geven. Beoordeeld zijn de aspecten:


1. functie, bestemming en gebruik
2. zichtlijnen en zichtbaarheid
3. materialisatie en verschijningsvorm

De bijenstal is geplaatst bij de boomgaard bij de kop van het natuurreservaat 't Vogelhoff aan de Vlietweg. Dit is het entreegebied naar de polder voor recreatief gebruik vanaf de Vlietweg. Een bijenstal als object bij de boomgaard is passend binnen deze functie als entreegebied. In het Toetsingskader Oostvlietpolder is aangegeven dat functies mogelijk zijn als ze bijdragen aan een groene en duurzame Oostvlietpolder. Functies zijn onder andere groen, natuur en recreatie, waar een bijenstal passend in is.

De Oostvlietpolder wordt vooral beleefd door passanten over de Vlietweg. Dat is zeker het geval in de strook tussen de zuidelijke volkstuinen en Vlietweg 70, waar zicht is op het weidevogelgebied 't Vogelhoff. Langs het fietspad, op de grens van de zuidelijke volkstuinen en het weidevogelgebied, is een aantal zichtplekken voorzien voor fietsers, vogelaars en wandelaars. De Oostvlietpolder wordt vooral beleefd door passanten die zich over de Vlietweg of de Vliet verplaatsen. Dat maakt de zichtrelaties tussen de weg, het water en het poldergebied belangrijk. Als de passant zich vanuit het zuiden naar het noorden verplaatst zijn er verschillende zichtlijnen over de polder, maar ook over de Vliet. In het zuiden vallen de zichtlijnen vaak samen met het slagenlandschap. Het zicht op de achterliggende polder wordt mogelijk gemaakt door de sloten die tot aan de Vlietweg doorlopen. Om het historische polderland herkenbaar te houden zijn die doorkijkjes in de stroken lintbebouwing waardevol en moeten bewaard blijven. Het mooiste uitzicht de passant in de strook tussen Vlietweg 70 en de zuidelijke volkstuinen met aan de ene kant het zicht over het weidevogelgebied 't Vogelhoff en aan de andere kant het zicht op de plek waar de Vliet, de Korte Vliet en het Rijn- Schiekanaal samenvloeien en westelijke oever van de Vliet met de bossages rond de waterzuivering en de sportvelden.

Door plaatsing op 20m uit de Vlietweg en 2m uit de watergang langs het zuidelijke volkstuinencomplex is de bijenstal een ruimtelijk ondergeschikt element in de boomgaard. De zichtlijnenstructuur op het open polder landschap en natuurgebied van het vogelreservaat wordt er niet door belemmerd, mede door de plaatsing vanaf de Vlietweg en direct tegen de strook met volkstuinen.


Door de geringe oppervlakte van 9m2 en de maximale hoogte van 2.6 meter is de bijenstal een ruimtelijk ondergeschikt element in de boomgaard. Het buitengebied van Leiden bestaat voornamelijk uit polderlandschap met gevarieerde bebouwing, voor een groot deel gegroepeerd in het lint langs het Rijn-Schiekanaal. De grootste ruimtelijke en functionele waarden zijn de recreatieve functie en de openheid van met name het buitengebied. Het buitengebied van Leiden bestaat voornamelijk uit polderlandschap met gevarieerde bebouwing, voor een groot deel gegroepeerd in het lint langs het Rijn-Schiekanaal. De materialiatie in hout met een pannendak is passend als bouwwerk in een boomgaard. Op de agrarische erfpercelen is vaak te zien dat schuren en bijgebouwen in hout gematerialiseerd worden. Het object is te zien als een ondergeschikt bijgebouw op het erfperceel van de boomgaard.


Stedenbouwkundige inpassing van de nieuw te bouwen bijenstal

Nieuwe functies moeten bijdragen aan een duurzame en groene Oostvlietpolder. Dat is de ambitie van het Toetsingskader Oostvlietpolder Duurzaam Groen, wat een uitwerking is van de Structuurvisie 2025. Kerndoelstelling is om in de Oostvlietpolder een robuust groen casco te realiseren waarbinnen gewenste initiatieven kunnen worden ontwikkeld die bijdragen aan de versterking van het duurzaam groene karakter ter plaatse. In het toetsingskader zijn functies benoemd die bijdragen aan de ambitie van duurzaam en groen, dat is onder andere natuur. Het bijenhof als initiatief is passend binnen de functie natuur, omdat het gebruik voor het houden van bijen met daaromheen een tuinachtige inrichting bijdraagt aan behoud en versterking van soortenrijkdom van planten. De bij is daar een essentiele schakel in. Ook is de bijenstal passend binnen de functies recreatie, tuin en cultuur en ontspanning. Deel van de tuin is toegankelijk voor recreanten en zijn er objecten voor publieksvoorlichting, cultuur en ontspanning vanwege het educatieve karakter. Daarmee akkoord met functietoevoeging aan het perceel waar alleen Groenvoorzieningen toegestaan zijn. Het eductieve en informatieve karakter onder ander door te laten zien hoe de bijenhouderij werkt, als het ware een voorlichtend karakter in etalage.

Bouwen in de groenzone is op zichzelf niet toegestaan. De bijenstal is duidelijk te zien. Het ligt echter op voldoende afstand van de Vlietweg zodat er geen sprake is van uitbreiding van het bebouwingslint. Door plaatsing in het midden van het kavel blijven de zichtlijnen over de polderwatergangen in stand. Achter de bijentuin en het groene hof ligt het nieuwe volkstuinencomplex, het gebouw markeert daarmee de kop van de strook met het nieuwe volkstuinencomplex.

De Oostvlietpolder wordt vooral beleefd door passanten over de Vlietweg. Dat is ook het geval in de strook tussen de zuidelijke volkstuinen van OTV en Roomburg en de noordelijke volkstuinen van Oostvliet, waar zicht is op het weilandgebied tusen de 2 complexen. Een ander belangrijk zichtpunt bevindt zich ter hoogte van Vliet 7, waar de passant aan de ene kant een boerderij en aan de andere kant een onbelemmerd uitzicht heeft op de strook tussen de volkstuincomplexen: het centrum van de Oostvlietpolder. Door de plaatsing van de nieuwe bijenstal in de hoek van het gebied en de geringe hoogte zal er voldoende openheid vanaf de Vlietweg en zicht op het polderlandschap in stand blijven. Doordat het gebouw weinig gesloten delen kent is er een transparant gebouw ontstaan.

Het gebouw is ontworpen in samenhang met de inrichting van de tuin. Het is een kleinschalig gebouw en in zijn paviljoentypologie ondergeschikt aan het perceel. Stedenbouwkundig uitgangspunt is geweest om een niet te groot gebouw (in relatie tot omvang perceel) te bouwen dat op kan gaan in de omgeving. De voetprint van het gebouw is bepaald door de landschappelijke lijnen van de weilandpercelen en watergangen. In de stroken van de voetprint is de landschappelijke lijnenstructuur terug te zien. Door verspringingen in deze stroken wordt een visueel te groot oppervlakte voorkomen. De uitvoering bestaat uit lange, smalle en evenwijdige lijnen.

Het gebouw is ondergeschikt qua oppervlakte en bouwhoogte en heeft een paviljoenachtig karakter door de alzijdige uitstraling en individuele plaatsing op het terrein. De ondergeschiktheid van het gebouw wordt ook bevorderd door de sterk horizontale opbouw en de uitstekende dakvlakken, waarmee het gebouw zich voegt in het open landschap (bepaald door de horizon waar het weidelandschap naar toe loopt). Ondergeschiktheid is er ook door de uitvoering in 1 bouwlaag, met een beperkte bouwhoogte van maximaal 2,5 meter. Verder is het gebouw relatief open, waardoor transparantie ontstaat en zicht op het achterliggende groene kavel in stand blijft. In de vorm is gekozen voor inpassing in het rechthoekige patroon van het slagenlandschap, in materialisatie is aangesloten op de beeldvorming passend bij het buitengebied: informaliteit, vergroening met sedumdak en hout. Het object is alzijdig en niet alleen met voorgevel naar de weg geplaatst. Ook vanuit aangrenzende ontsluitingspad en de volkstuinen is de voorgevel te zien. De voorgevel staat in een versprongen rooilijn van de Vlietweg af.

4.8 Verkeer en vervoer

Voor een bijenstal bestaat er geen parkeernormering. Wel zal de betrokken imker voor beide bijenstallen een auto ter plekke moeten kunnen parkeren in verband met het meenemen van zijn spullen en transport van bijenvolken.

De parkeervoorziening voor de imkers is in dit geval voorzien ten zuiden van Vlietweg 9. Daar zijn reeds parkeerplaatsen aanwezig die gerealiseerd zijn in verband met de toekomstige recreatieve invulling van de Oostvlietpolder. Daar is het ook voor de imkers mogelijk om te parkeren wanneer zij bij de bijenstallen moeten zijn.

In het plan voor de bijenstallen is geen ruimte voor parkeren van auto's op de Vlietweg of in de smalle berm ernaast. De Vlietweg is namelijk vrij smal en ter plekke wordt vrij veel gefietst.

In de nieuw te bouwen bijenstal is een klein educatiecentrum met opslagruimte aanwezig. Recreanten komen hier voornamelijk op de fiets, waardoor voorzien moet worden in enkele fietsenrekken voor de bezoekers aan het educatiecentrum. Dit is als voorwaarde opgenomen in de omgevingsvergunning.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00069-0301_0019.png"

4.9 Water

Met het Waterplan Leiden (2007) hebben de gemeente Leiden en het Hoogheemraadschap van Rijnland afgesproken om gezamenlijk knelpunten in het watersysteem efficiënter op te lossen, kansen te benutten en andere te inspireren om 'Leiden Waterstad' nog beter op de kaart te zetten.

Het Hoogheemraadschap van Rijnland is de waterbeheerder van onder andere de gemeente Leiden en is belast met het waarborgen van de kwaliteit van het water en met de bescherming van waterbouwkundige werken. Zij toetst aanvragen voor een omgevingsvergunning aan hun verordening, de Keur. De Keur bevat regels voor de bescherming van o.a. waterkeringen, dijken en geeft het criterium voor watercompensatie.

Het Hoogheemraadschap hanteert bij nieuw ingediende plannen een oppervlaktecriterium van 500 m². Dit houdt in dat watercompensatie is vereist als sprake is van een nieuwe verharding van 500 m² of meer. Het verharde oppervlak dient dan binnen het plangebied of elders te worden gecompenseerd.

De beoogde ontwikkeling van de bijenstallen betreft een toename van de verharding van in totaal 41 m2 (9 m2 voor de al aanwezige bijenstal en 32 m2 voor de nieuw te bouwen bijenstal). Watercompensatie is daarom in dit geval niet aan de orde.

Het plan is op 31 maart 2015 besproken in het periodieke wateroverleg tussen de gemeente Leiden en het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het aspect water vormt geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

Hoofdstuk 5 Procedurele aspecten

5.1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, onder c van de Wabo dient een aanvraag om omgevingsvergunning geweigerd te worden wanneer deze strijdig is met het bestemmingsplan, tenzij het bevoegd gezag toepassing geeft aan één van de drie verschillende bevoegdheden tot afwijking van het bestemmingsplan. Deze mogelijkheden zijn:

  • 1. de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid (art. 2.12, lid 1, onder a, onder 1° Wabo), alleen te gebruiken wanneer het bestemmingsplan zelf een mogelijkheid biedt om van een artikel in dat plan af te wijken;
  • 2. de buitenplanse afwijkingsbevoegdheid (art. 2.12, lid 1, onder a, onder 2° Wabo), wanneer de strijdigheid met het bestemmingsplan valt onder een bij algemene maatregel van bestuur genoemde categorie;
  • 3. de uitgebreide afwijkingsbevoegdheid (art. 2.12, lid 1, onder a, onder 3° Wabo), zo lang de motivering van het besluit een ruimtelijke onderbouwing bevat, waaruit blijkt dat het bouwplan getuigt van een 'goede ruimtelijke ordening'.

Voor beide bijenstallen geldt dat deze strijdig zijn met het huidige bestemmingsplan (zie ook paragraaf 1.3) en dat in het bestemmingsplan geen binnenplanse afwijkingsbevoegdheden zijn opgenomen om de strijdigheid weg te nemen. De bijenstallen vallen ook niet onder één van de gevallen in de limitatieve lijst van categorieën in artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, waarbij de buitenplanse afwijkingsbevoegdheid toegepast mag worden. Vergunning voor de beide bijenstallen kan daarom alleen plaatsvinden door toepassing van de uitgebreide afwijkingsbevoegdheid, zoals bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3° Wabo.

5.2 Procedure

Vooroverleg

Op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening moet een bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht is daarbij van overeenkomstige toepassing.

In dit geval is er echter geen sprake van een bestemmingsplan, maar van een een omgevingsvergunning waarmee middels uitgebreide afwijkingsbevoegdheid (art. 2.12, lid 1, onder a, onder 3° Wabo) wordt afgeweken van het huidige bestemmingsplan. Op grond van artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht is artikel 3.1.1 van het besluit ruimtelijke ordening dan van overeenkomstige toepassing.

Gezien het bovenstaande heeft voor dit plan een vooroverleg plaatsgevonden met het Hoogheemraadschap van Rijnland en de provincie Zuid-Holland.

Het vooroverleg met het Hoogheemraadschaop heeft plaatsgevonden in de vorm van een ambtelijk overleg op 31 maart 2015. Tijdens dit overleg is vanuit het Hoogheemraadschap aangegeven dat voor dit plan geen vooroverlegreactie zal worden ingediend, aangezien het plan niet tot gevolg heeft dat er meer dan 500 m2 extra verharding wordt aangebracht.

Het vooroverleg met de provincie Zuid-Holland heeft plaatsgevonden door middel van het invullen van een zogenaamd e-formulier, waarmee door middel van het beantwoorden van gerichte vragen kan worden bepaald of een ruimtelijk plan strijdig is met het provinciaal beleid en dus naar de provincie moet worden toegezonden ter beoordeling. Voor dit plan is op 30 maart 2015 een e-formulier ingevuld. Uit de door de gemeente ingevulde antwoorden blijkt dat het ruimtelijke plan niet hoeft te worden toegezonden. Voor de volledigheid is een samenvatting van de vragen en antwoorden uit het e-formulier toegevoegd als bijlage aan deze ruimtelijke onderbouwing (zie bijlage 5).

Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure (afdeling 3:4 Awb)

Op de procedure behorend bij de bovenbedoelde afwijkingsbevoegdheid is afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dat betekent dat een omgevingsvergunning alleen kan worden verleend, wanneer het ontwerp van de beschikking samen met deze ruimtelijke onderbouwing en andere bijlagen voor een periode van zes weken ter inzage wordt gelegd, waarbij een ieder een zienswijze op het plan kenbaar kan maken bij het College van Burgemeester & Wethouders van de gemeente Leiden.

Na afloop van de zienswijzentermijn van zes weken worden alle ingediende zienswijzen verzameld en beantwoord in de paragraaf 'Maatschappelijke uitvoerbaarheid' (6.2) of in een aparte zienswijzennota, afhankelijk van het ontvangen aantal zienswijzen. In sommige gevallen kunnen zienswijzen het College aanleiding geven het ontwerpbesluit of de bijbehorende ruimtelijke onderbouwing (al dan niet gedeeltelijk) te herzien.

Nadat de beantwoording van de zienswijzen en het definitieve besluit door het bevoegd gezag zijn vastgesteld, zal het besluit samen met de ruimtelijke onderbouwing en overige bijlagen opnieuw voor een periode van zes weken ter inzage worden gelegd. Tijdens die termijn kan iedere belanghebbende die een zienswijze heeft ingediend of redelijkerwijs niet kan worden verweten geen zienswijze te hebben ingediend, een beroepschrift indienen bij de rechtbank in Den Haag. Dit beroepschrift kan enkel betrekking hebben op onderwerpen waarop de zienswijze ook betrekking had. Wanneer het uiteindelijke besluit afwijkt van het ontwerpbesluit, kunnen alle belanghebbenden daarnaast een beroepschrift indienen met betrekking tot de punten waarop het besluit is gewijzigd.

5.3 Verklaring van geen bedenkingen

Op grond van artikel 6.5, eerste lid van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is een zogenaamde verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist bij toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° Wabo. Met een dergelijke verklaring kan de gemeenteraad haar goedkeuring of afkeuring uitspreken over een plan. Een dergelijke instemming heeft een bindende status: het college kan een omgevingsvergunning niet verlenen zolang de gemeenteraad geen verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven.

In Leiden is door de gemeenteraad op grond van artikel 6.5, derde lid Besluit omgevingsrecht een lijst van categorieën vastgesteld waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist. De gemeenteraad heeft hiermee willen bewerkstelligen dat voor kleine en niet maatschappelijk gevoelige projecten geen tussenkomst van de gemeenteraad is vereist, en bij grote en wel maatschappelijk gevoelige projecten wel. De onderstaande matrix geeft aan voor welke projecten een verklaring van geen bedenkingen al dan niet is vereist.


 
geen zienswijzen ingediend op het ontwerp besluit   wel zienswijzen ingediend op het ontwerp besluit  
1.
Het project past binnen eerder door de raad vastgestelde ruimtelijke kaders en is groter dan 50 woningen of 5.000 m² bvo kantoor-, bedrijfs- of commerciële ruimte

2.
Het project past niet in eerder door de raad vastgestelde ruimtelijke kaders en is groter dan of gelijk aan 10 woningen of 1.000 m² bvo kantoor-, bedrijfs- of commerciële ruimte.

3.
Het project heeft betrekking op bovenlokale infrastructuur, water- en groenprojecten.

4.
Het project heeft betrekking op lokaal gerichte infrastructuur-, water- en groenprojecten in strijd met lokaal beleid.

5.
Het project is gelegen binnen beschermd stads- gezicht en de uiterlijke kenmerken van een pand wijzigen.

6.
Naar aanleiding van de publicatie van de aanvraag om omgevingsvergunning is door of namens vijf belanghebbenden een negatieve reactie ingediend.
 
geen verklaring van geen bedenkingen vereist   verklaring van geen bedenkingen wel vereist  
1. Het project past binnen eerder door de raad vastgestelde ruimtelijke kaders en is kleiner dan of gelijk aan 50 woningen of 5.000 m² bvo kantoor-, bedrijfs- of commerciële ruimte.

2. Het project past niet in eerder door de raad vastgestelde ruimtelijke kaders en is kleiner dan 10 woningen of 1.000 m² bvo kantoor-, bedrijfs- of commerciële ruimte.

3.
Het project heeft betrekking op lokaal gerichte infrastructuur-, water- en groenprojecten passend binnen lokaal beleid.

4.
Het project is gelegen buiten beschermd stads- gezicht, of is gelegen binnen beschermd stadsgezicht en de uiterlijke kenmerken van de betrokken panden wijzigen niet.

5.
Het project betreft 'bouwwerk geen gebouw zijnde'.  
geen verklaring van geen bedenkingen vereist   geen verklaring van geen bedenkingen vereist  

In dit geval is er sprake van een door de raad vastgesteld ruimtelijk kader, namelijk het op 10 oktober 2013 vastgestelde toetsingskader Oostvlietpolder duurzaam groen. De bijenstallen dragen weliswaar bij aan de doelstelling van een duurzaam en groene Oostvlietpolder, maar ze zijn niet direct passend binnen het toetsingskader. Verder zijn de bijnenstallen aan te merken als gebouwen, omdat ze in beide gevallen toegankelijk zijn voor de imkers en omdat in een geval ook een bezoekersruimte aanwezig is. Voor dit project is daarom een verklaring van geen bedenkingen van de raad vereist. Deze is als bijlage 4 toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

In artikel 6.12 lid 1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Wat onder een bouwplan moet worden verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro.

Verder is in artikel 6.12 lid 2 Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaald dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij (buitenplans) van het bestemmingsplan wordt afgeweken, kan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien (onder andere) het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het het plan of de vergunning begrepen gronden anderszins verzekerd is.

Het plan voor de twee bijenstallen is aan te merken als een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro. De al aanwezige bijenstal is door middel van een crowdfunding actie tot stand gekomen. De bijenstal staat op grond van de gemeente Leiden, dat sinds april 2012 in beheer is door het Zuid-Hollands landschap. De Bijkerij heeft toestemming van het Zuid-Hollands landschap (en de gemeente Leiden) om met een bijenstal op deze gronden te staan. De plankosten naar aanleiding van de aanvraag voor een omgevingsvergunning worden in rekening gebracht op basis van de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschadekosten zijn hier, gezien de beperkte oppervlakte, hoogte en de afstand tot omringende bebouwing niet voorzienbaar.

Het plan voor de nieuw te bouwen bijenstal is afkomstig van de gemeente zelf en wordt ook geplaatst op gemeentegrond. In dit geval zijn de kosten dus anderszins verzekerd.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Algemeen

Onder een 'goede ruimtelijke ordening' wordt mede verstaan dat een gedegen belangenafweging heeft plaatsgevonden tussen de (ruimtelijke) belangen van alle belanghebbenden. Het verkrijgen van een goed beeld van die belangen is daarbij cruciaal. Om die reden wordt het ontwerp van de omgevingsvergunning, samen met deze ruimtelijke onderbouwing, voor een termijn van zes weken ter inzage gelegd. Tijdens die termijn kan iedereen zijn of haar zienswijzen kenbaar maken bij het College van B&W van de gemeente Leiden. Hoe en wanneer die zienswijzen precies kunnen worden geuit, wordt via publicaties in het gemeentelijke huis-aan-huisblad van Leiden en Leiderdorp en via de website van beide gemeenten toegelicht.

6.2.2 Reacties op aanvraag

Zodra een aanvraag voor een omgevingsvergunning is ontvangen door de gemeente, wordt deze aanvraag gepubliceerd in de (digitale) stadskrant. De ontvangen aanvragen kunnen vervolgens gedurende twee weken digitaal worden ingezien door een ieder. Desgewenst kan een ieder een reactie indienen op het plan nadat zij de stukken hebben gezien. Indien er vijf of meer negatieve reacties zijn ingediend op het plan, moet een verklaring van geen bedenkingen voor het plan worden afgegeven door de gemeenteraad. Deze verplichting vervalt als tijdens ter inzagelegging van het ontwerpbesluit met de bijbehorende stukken geen zienswijzen worden ingediend.

In dit geval is er één negatieve reactie ingediend op de aanvraag. De indiener van deze reactie krijgt een persoonlijk bericht wanneer de ontwerpstukken ter inzage worden gelegd, zodat diegene op de hoogte is van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen.

Ingekomen reacties worden betrokken bij de beoordeling van de bouwplannen. De nu voorliggende ruimtelijke onderbouwing is opgesteld met inachtneming van de ingekomen reacties. In de volgende tabel is aangegeven welke opmerkingen zijn gemaakt op het bouwplan en waar de beoordeling van dit aspect in de ruimtelijke onderbouwing terug te vinden is:

Reactie op bouwplan   Beoordeling van dit aspect in de ruimtelijke onderbouwing  
In een straal van 300 meter om mijn huis staan al 10 bijenkasten. De tuinverenigingen hebben al hun eigen bijenkasten. Daar heb ik last van wanneer ik aan het tuinieren ben en deze bijenstal komt op 50 meter van mijn huis te staan.   Paragraaf 4.5.1, Bedrijven en Milieuzonering.  
Door plaatsing van de bijenstal en bomen daar omheen zal het uitzicht alsmede het polderlandschap drastisch veranderen. Verder vrees ik dat door het planten van de bomen in de schaduw kom te zitten.   Het planten van bomen vormt geen onderdeel van deze aanvraag. Voor het overige: zie paragraaf 4.7, stedenbouwkundige inpassing.
 
Bij de komst van de bijenstal zal het zo geprezen slagenlandschap verdwijnen, terwijl dat een van de speerpunten is in het bestemmingsplan.   Paragraaf 4.7, stedenbouwkundige inpassing.  
In de bouwaanvraag van mijn huis stond dat buiten de bestaande lintbebouwing niet gebouwd mag worden, dus ook geen bijenstal. Als u de Oostvlietpolder in ere wilt houden hoort hier geen bebouwing.   De bijenstal is een bouwwerk dat passend is binnen de ambitie om de Oostvlietpolder een duurzaam en groen karakter te geven. Aangezien vanuit deze locatie bijen zorgdragen voor bestuiving van bloemen en planten in de Oostvlietpolder, staat dit bouwwerk vooral ten dienste van het groen en niet zozeer van een andere functie. Dit is anders bij woningen, omdat die niet direct ten dienste staan van een groene en duurzame Oostvlietpolder en ook 24 uur per dag in gebruik kunnen zijn door bewoners. Aangezien de nieuwe bijenstal niet beschikt over elektriciteit, is het bezoek door mensen beperkt tot de periode tussen zonsopkomst en zonsondergang.

Zie verder paragraaf 3.3.3, motie geen verdere aantasting Oostvlietpolder.  

6.2.3 Zienswijzen

Via publicaties in de Staatscourant en de Stadskrant is de termijn van ter inzage legging van de ontwerp omgevingsverguningen aangekondigd.

De ontwerp omgevingsvergunningen alsmede de ontwerp verklaringen van geen bedenkingen zijn gedurende een termijn van zes weken voor zienswijzen ter visie gelegd. De inzagetermijn liep van 20 augustus 2015 tot en met 30 september 2015.

In die termijn kon een ieder een zienswijze met betrekking tot het ontwerp indienen. Gedurende de termijn zijn twee zienswijzen ingediend. De beantwoording van deze zienswijzen staat in een zienswijzennota, dat als bijlage 10 is opgenomen bij deze toelichting. Deze zienswijzennota vormt een onderdeel van het uiteindelijke besluit tot al dan niet verlening van de omgevingsvergunning.

In de zienswijzennota wordt geconcludeerd dat de ingediende zienswijzen er niet toe hebben geleid dat een ander standpunt wordt ingenomen ten aanzien van het verlenen van de omgevingsvergunningen. Wel wordt naar aanleiding van de zienswijzen in de toelichting van het bestemmingsplan duidelijker aangegeven dat de bijen in de zomer worden verspreid tussn de twee bijenstallen en dat in de winter de bijen in de nieuwbouwstal verblijven.