direct naar inhoud van Ruimtelijke onderbouwing
Plan: Parkeerterrein Yours Leiden
Status: ontwerp
Plantype: omgevingsvergunning
IMRO-idn: NL.IMRO.0546.OV00041-0201

Ruimtelijke onderbouwing

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op 10 juli 2013 begon de bouw van studentencampus De Leidse Schans (ook wel Yours Leiden genoemd) in het hart van de Lammenschansdriehoek, tussen de Lammenschansweg, de Kanaalweg en de spoorlijn Leiden-Utrecht. Met een programma dat bestaat uit circa 1800 studenteneenheden en 208 starterwoningen, moet de campus een significante bijdrage leveren aan het oplossen van het tekort aan studentenhuisvesting in de Leidse regio.


De zes bouwblokken op het campusterrein, aangeduid als blokken A tot en met F, worden gefaseerd ontwikkeld. Blok B (583 studenteneenheden) en blok C (117 starterwoningen in het huur- en koopsegment) zijn inmiddels in aanbouw genomen, en de bouw van blok D (91 starterwoningen in het koopsegment) zal in mei of juni 2014 van start gaan. Blokken B en C worden begin 2015 opgeleverd en blok D naar verwachting in het derde kwartaal van 2015.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00041-0201_0001.png"

Figuur 1: Indeling studentencampus in de definitieve situatie, met de verschillende blokken.

Het autoparkeren ten behoeve van de studenteneenheden en commerciele voorzieningen in blok B is in de definitieve situatie voorzien op een parkeerterrein achter blok A. Een deel van het bezoekersparkeren voor de starterwoningen in blokken C en D is voorzien achter blokken E en F. Dit maakt dat, zolang blokken A, E en F nog niet zijn opgeleverd, voor de bovengenoemde gebruikersgroepen een tijdelijke parkeervoorziening nodig is. Die tijdelijke parkeervoorziening is beoogd op het plot waar blok A uiteindelijk zal worden gebouwd.

Op een deel van het bovengenoemde plot zijn op grond van bestemmingsplan 'De Leidse Schans' uitsluitend 'gebouwde parkeervoorzieningen' toegestaan, met een overkapping. Het parkeerveld dat in de tijdelijkheid nu is beoogd heeft geen overkapping, kwalificeert daarom niet als een 'gebouwde parkeervoorziening' en past zodoende niet in het geldende planologische regime. Om gebruik van het plot ten behoeve van een niet overkapt parkeerterrein toch planologisch toe te staan, wordt een omgevingsvergunning verleend voor 'het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan' (art. 2.1, eerste lid, onder c Wabo). Een dergelijke omgevingsvergunning dient vergezeld te gaan door een ruimtelijke onderbouwing, waaruit blijkt dat het project voldoet aan 'een goede ruimtelijke ordening'. Deze notitie vormt die ruimtelijke onderbouwing.

1.2 Begrenzing projectgebied

Het project omvat het grootste deel van bouwkavel A op het campusterrein De Leidse Schans. Het gebied wordt begrensd door de noordelijke, oostelijke en zuidelijke bouwcontouren uit het bestemmingsplan De Leidse Schans en de grens van de bestaande ontsluitingsweg tussen de ondergrondse garage Lammenschans en de Lammenschansweg. Eén en ander is weergegeven in figuur 2.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Op het projectgebied is het bestemmingsplan 'De Leidse Schans' van toepassing, dat op 6 november 2012 is vastgesteld, en op 12 juni 2013 onherroepelijk is geworden. Het projectgebied omvat vier verschillende bestemmingen, namelijk 'Verkeer - Verblijfsgebied' (aangeduid in grijs in figuur 2), 'Wonen' met functieaanduiding 'studentenhuisvesting' (aangeduid met een gele kleur), 'Gemengd 2' (beige kleur aan de noordzijde van het bouwblok) en 'Gemengd 3' (beige kleur ten zuiden van de dikkere bestemmingslijn).

Op gronden met de bestemming 'Wonen', 'Gemengd 2' en 'Gemengd 3' geldt dat in hoofdzaak studentenwoningen zijn toegestaan. Binnen de bestemming 'Gemengd 2' en 'Gemengd 3' is daarnaast eveneens een studentenhotel toegestaan, met bijbehorende voorzieningen als een fitnessruimte, een wasserette, een lobby met receptie, een ontbijtzaal en lunchroom, en gezamenlijke studieruimten. Op gronden met bestemming 'Gemengd 2' geldt daarnaast ook dat allerlei commerciele voorzieningen op de begane grond zijn toegestaan, waaronder dienstverlenende bedrijven, culturele instellingen, buurtgebonden detailhandel en horecagelegenheden. Binnen alle drie bovengenoemde bestemmingen zijn parkeervoorzieningen toegestaan, ten behoeve van de functies op de campus.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00041-0201_0002.png"

Figuur 2: Projectcontour in rood op onderliggende bestemmingsplannen.

Het plan voor de studentencampus voorziet in het parkeren door middel van overkapte parkeervelden, achter de verschillende bouwblokken. Omdat de overkappingen boven de parkeervelden het plan in stedenbouwkundige zin sterk verbeteren, is de bouw ervan als voorwaarde opgenomen in het bestemmingsplan door op de betreffende gronden (met de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied') alleen 'gebouwde parkeervoorzieningen' toe te staan. Aan die kwalificatie voldoen de voorzieningen alleen wanneer zij zijn overdekt met een overkapping.

De aangevraagde parkeervoorziening bevat geen overkapping en is daarom in strijd met de regels behorend bij de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'. De gemeente Leiden vergunt de aanleg van de niet overkapte paarkeervoorziening gelet op de tijdelijke noodzaak daarvan echter wel graag, ondanks de strijdigheid van het project met het bestemmingsplan. Als bouwblokken A, E en F zijn gerealiseerd zullen de definitieve parkeervelden wél moeten worden overkapt, net zoals dat reeds bij blokken C en D wordt uitgevoerd. Een verdere motivering en onderbouwing van die keuze, en een toelichting op de procedurele implicaties daarvan volgen in de volgende hoofdstukken, nadat het projectgebied en het project eerst nader wordt toegelicht.

Hoofdstuk 2 Beschrijving van de omgevingsvergunning

2.1 Geschiedenis van het projectgebied

De Lammenschansdriehoek ligt van oudsher relatief hoog in het landschap, door de afzetting van zand en klei in het kreek- en geulsysteem achter de rivierbedding van de Vliet. Dit maakte het gebied relatief aantrekkelijk voor bewoning. Desondanks bestaan geen aanwijzingen dat de omgeving van het projectgebied tijdens of voor de middeleeuwen bewoond is geweest. De eerste beschikbare kaarten van Leiden laten geen sporen van nederzettingen of bebouwing zien in het projectgebied en ook de archeologische booronderzoeken, die voor de verschillende ontwikkelingen in de omgeving zijn uitgevoerd, laten geen archeologische waarden zien. Aangenomen wordt daarom dat het terrein een agrarisch gebruik kende tot de bouw van de textielfabriek van Van Wijk en Heringa, die in 1945 werd geopend. Begin jaren '50 werd vervolgens begonnen met de bouw van de eerste bedrijfspanden aan de Lammenschansweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00041-0201_0003.png" Figuur 3: Fragment van een kaart van Braun en Hogenberg uit 1575. met daarop het plangebied met directe omgeving indicatief weergegeven.

In 1974 begon de ontwikkeling van het Lammenschanspark tot een cluster van vijf schoolgebouwen. Het park werd omsingeld door sloten en werd voor auto's uitsluitend bereikbaar gemaakt via een enkele verbinding met de Lammenschansweg, waardoor een geïsoleerde entiteit ontstond, zonder enige relatie met de omgeving. Vanaf 1986 begon de realisatie van het Kanaalpark, een kantorenpark tussen het Lammenschanspark, de Kanaalweg en de spoorlijn Leiden-Utrecht. Ook het Kanaalpark was in opzet een afgezonderde stedenbouwkundige eenheid, waarbij verbindingen met de rest van de Lammenschansdriehoek ontbraken. Zodoende bestond de Lammenschansdriehoek tot het midden van de jaren '00 uit drie van elkaar afgezonderde stedenbouwkundige entiteiten: de Lammenschansstrip (bedrijfspanden langs de Lammenschansweg), het Lammenschanspark (scholencluster in het hart van het gebied) en het Kanaalpark (kantorenlocatie aan de Kanaalweg).

Dat veranderde toen in 2008 het nieuwe ROC-Lammenschanscomplex werd gebouwd. In het 200 meter lange gebouw langs de spoorlijn Leiden-Utrecht werden onder andere de ROC-afdelingen opgenomen, die voorheen in een viertal gebouwen in het Lammenschanspark waren gehuisvest, evenals de daar gevestigde locatie van het Da Vinci College Leiden. Met het vrijkomen van het Lammenschanspark in het verschiet, begon de gemeente in 2010 met de aanbesteding van de ontwikkeling van een grootschalige studentencampus in het gebied. De winnaar van die aanbesteding was het plan 'De Leidse Schans', van ontwikkelcombinatie Vorm Ontwikkeling BV en Ballast Nedam Ontwikkelingsmaatschappij (Vorm/BNO). Het plan ziet op de bouw van ca. 1800 studenteneenheden en ca. 200 starterwoningen, rondom een groen en autovrij middengebied. Met de bouw van de eerste fasen van de campus is in de zomer van 2013 begonnen. De campus is zodanig van opzet, dat het verbindingen legt tussen de verschillende deelgebieden in de Lammenschansdriehoek.

De campus is te omvangrijk om in één keer te kunnen realiseren, en wordt daarom in fasen gebouwd. Zoals toegelicht in paragraaf 1.1 zijn momenteel blokken B en C in aanbouw, en op korte termijn start de bouw van blok D. Het grootste deel van de rest van het toekomstige campusterrein is tijdens de bouw van de eerste blokken ingericht als bouwterrein, met een bouwkeet, een parkeerterrein voor de bouwvakkers, opslagruimte voor bouwmaterialen en een puindepot.

2.2 Beschrijving van het projectgebied

Het in paragraaf 2.1 genoemde puindepot ligt, samen met een deel van het terrein waarop bouwmaterialen zijn opgeslagen, binnen de grenzen van het projectgebied voor de onderhavige aanvraag. Het overige deel van het projectgebied ligt momenteel braak en kan worden getypeerd als een kale zandvlakte. In het projectgebied is geen vegetatie aanwezig.

Het projectgebied omvat momenteel één gebouw, namelijk een trafohuisje in gebruik door Liander, dat dienst doet als verdeelstation voor de levering van electriciteit. Het bakstenen gebouwtje staat aan de westzijde van het projectgebied, naast de ontsluitingsweg naar de ondergrondse parkeergarage Lammenschans, en is ongeveer 2,80m hoog, 4,20m breed en 5,60m lang.

Tussen het bouwterrein en ontsluitingsweg, die net buiten het projectgebied is gelegen, is een bouwhek geplaatst. Dit om te voorkomen dat onbevoegden het bouwterrein kunnen betreden.

2.3 Beschrijving van het project

Wanneer bouwblokken B en C in ruwbouw gereed zijn bestaat niet langer behoefte aan het puindepot en kan de beperkte ruimte die nog benodigd is voor de opslag van bouwmaterialen voor de afbouw elders op het bouwterrein worden gevonden. Het volledige projectgebied zal zodoende in het vierde kwartaal van 2014 volledig vrij komen van functies, met uitzondering van het in paragraaf 2.2 omschreven trafohuisje. Die zal voorlopig blijven staan.

Het project ziet op de aanleg van een parkeerterrein, ten behoeve van een aantal gebruikersgroepen:

  • de bewoners van de studenteneenheden in blok B van de campus en diens bezoekers;
  • de gebruikers van de commerciële ruimten in de plint van blok B, en;
  • een deel van de bezoekers van de bewoners van blokken C en D.

Het parkeerterrein krijgt een afgesloten karakter en zal uitsluitend toegankelijk worden voor de bovengenoemde groepen, door middel van een slagboom met intercom. Bezoekers van bewoners in de bewuste bouwblokken en bezoekers van de commerciële ruimten kunnen zich via de intercom melden, waarna de slagboom op afstand kan worden geopend.

Voor deze gebruikersgroepen zijn volgens de parkeernormen in de 'Beleidsregels parkeernormen Leiden' op het maatgevende moment (doordeweeks 's avonds) in totaal 143 parkeerplaatsen noodzakelijk. Een nadere onderbouwing van dat aantal volgt in paragraaf 4.8. Op het beoogde parkeerterrein zijn echter 210 parkeerplaatsen voorzien, zodat het parkeerterrein ook ruimte biedt voor de bouwvakkers en aannemers die betrokken zijn bij de bouw van blokken D, E en F. Met name tijdens de realisatie van die laatste twee blokken zal het bouwterrein dermate krap zijn, dat alle ruimte nodig is voor de bouw en materiaalopslag.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00041-0201_0004.png"

Figuur 4: Inrichtingstekening voor het parkeerterrein. De groene ruimte tussen het parkeer- terrein en blok B (rechts) wordt vergunningsvrij aangelegd en valt buiten deze aanvraag.

Tussen het beoogde parkeerterrein en de bestaande ontsluitingsweg naar de ondergrondse parkeergarage onder het Bétaplein wordt een greppel gegraven, met een beperkte diepte, om te voorkomen dat auto's de slagbomen kunnen omzeilen. In het project is bewust gekozen voor een greppel in plaats van een hekwerk, omdat een greppel het passeren van voetgangers beter toestaat en gepaard gaat met een minder gesloten karakter.

De parkeerplaatsen zijn zodanig gepositioneerd, dat er voldoende ruimte bestaat voor de draaicirkels van verhuiswagens, vuilniswagen en brandweerauto's. De gemeentelijke vuilnisdienst en alarmdiensten krijgen eveneens toegang tot het controlesysteem op de slagbomen, en kunnen via het parkeerterrein de in aanbouw zijnde campusblokken bereiken.

Het parkeerterrein zal worden verlicht door middel van een drietal grote lichtmasten, die zodanig zijn vormgegeven dat het licht uitsluitend uitstraalt op het parkeerterrein zelf, en niet op omliggende gebouwen.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

Het in paragraaf 2.3 geschetste plan is strijdig met het vigerende bestemmingsplan 'De Leidse Schans', dat, zoals toegelicht in paragraaf 1.2, geen niet-gebouwde parkeervoorzieningen toestaat op gronden met bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Het verlenen van een zogenaamde 'omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan' vormt de meest directe manier om het project toch juridisch-planologisch toe te staan. Een dergelijke omgevingsvergunning kan in dit geval alleen worden verleend wanneer uit een ruimtelijke onderbouwing blijkt dat het project getuigt van een 'goede ruimtelijke ordening'.

Wat al dan niet moet worden verstaan onder een goede ruimtelijke ordening wordt deels bepaald door de (wettelijke) kaders op gebieden als wateropvang, geluidhinder, luchtkwaliteit, bodemkwaliteit en parkeermogelijkheden. Daarnaast komt de gemeente als bevoegd gezag een bepaalde mate van beleidsvrijheid toe bij het formuleren van ruimtelijk beleid voor aspecten waarvoor geen wettelijke kaders van hogere overheden gelden.

In dit hoofdstuk worden de van belang zijnde beleidskaders voor het project behandeld en wordt kort toegelicht hoe zich het project met deze beleidskaders en wettelijke kaders verhoudt. Beleidskaders op Europees of nationaal niveau, waarvan de daarin genoemde Europese- of rijksbelangen vanwege de beperkte schaal van het project niet worden geraakt, zijn niet in deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen.

3.1 Provinciaal en regionaal beleid

3.1.1 Provinciale Structuurvisie 'Visie op Zuid-Holland'

Op 30 januari 2013 is de 'Visie op Zuid-Holland' vastgesteld door Provinciale Staten. De kern van de structuurvisie is het versterken van samenhang, herkenbaarheid en diversiteit in Zuid-Holland. Die aspecten dragen volgens de provincie bij aan een goede kwaliteit van leven en een sterke economische concurrentiepositie. Duurzame ontwikkeling en klimaatbestendigheid zijn belangrijke pijlers. Gestreefd wordt naar een samenhangend stedelijk en landschappelijk netwerk. Een goede bereikbaarheid en een divers aanbod van woon- en werkmilieus in een aantrekkelijk landschap met ruimte voor water, landbouw en natuur, zijn daarin kenmerkende kwaliteiten.

In de structuurvisie wordt aangegeven welke zaken de provincie Zuid-Holland van provinciaal belang vindt. Hierdoor zijn vijf integrale hoofdopgaven benoemd:

  • een aantrekkelijk en concurrerend internationaal profiel;
  • een duurzame en klimaatbestendige deltaprovincie;
  • een divers en samenhangend stedelijk netwerk;
  • een vitaal, divers en aantrekkelijk landschap;
  • stad en land verbonden.

'Visie op Zuid-Holland' is zelfbindend voor de provincie. Het bindende toetsingskader voor de gemeenten is uitgewerkt in de provinciale Verordening Ruimte.

3.1.2 Verordening Ruimte Provincie Zuid-Holland

In de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland, gelijktijdig met de structuurvisie door Provinciale Staten vastgesteld, zijn de provinciale belangen uit de structuurvisie verder uitgewerkt in regels. Aan deze regels moeten ook omgevingsvergunningen voldoen, waarmee op basis van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o Wabo, van het geldende bestemmingsplan wordt afgeweken.

De Verordening Ruimte bevat regels ten aanzien van het bouwen buiten de zogenaamde 'rode contouren', en binnen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), nationale en provinciale landschappen, rijksbufferzones, landgoedbiotopen en primaire en regionale waterkeringen. Met deze doorgaans rurale thema's heeft het project geen raakvlakken. Het projectgebied en haar omgeving maken geen onderdeel uit van regionale of landelijke landschappen, liggen geheel binnen de rode contour en bevatten geen primaire of regionale waterkeringen.

De Verordening Ruimte bevat verder regels over nieuwe kantorenlocaties en (perifere) detailhandel, telkens gericht op het voorkomen van een ongebalanceerde verdeling van deze functies in de provincie en de vorming van een overschot van kantoor- en detailhandelruimte. Met deze omgevingsvergunning wordt geen nieuwe kantoorruimte en geen detailhandel toegestaan.

In artikel 16 van de Verordening Ruimte staan regels die zien op het beschermen van de vrije windvang en het zicht op traditionele windmolens. De regels zien erop dat nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen ter afwijking van een bestemmingsplan rekening houden met zogenaamde molenbiotopen, die in een straal van 400 meter rondom het middelpunt van iedere traditionele windmolen is gelegen, en beperkingen oplegt aan de maximale bouwhoogte van omliggende nieuwe gebouwen. Het projectgebied ligt op ca. 700 meter afstand van de dichtstbijzijnde windmolen (de Rodenburgermolen langs de Kanaalweg) en valt dus niet binnen de molenbiotoop van een beschermde molen.

Artikel 19 van de Verordening Ruimte tot slot, bevat regels gericht op de bescherming van de zogenaamde Limes. Die beschermingszone rondom de vroegere grens van het Romeinse Rijk ligt ruim een kilometer ten noorden van het projectgebied, ter hoogte van de Hogewoerd. Ook hiermee heeft de vergunning zodoende geen raakvlakken.

3.2 Gemeentelijk beleid

3.2.1 Structuurvisie Leiden 2025

De Structuurvisie Leiden 2025 is op 1 december 2011 vastgesteld en schetst de gewenste ruimtelijke ontwikkeling en structuur van de stad tot 2025. Het document wijst ontwikkelingslocaties aan met het beoogde type woonmilieu per locatie en het benoemt belangrijke infrastructurele projecten en andere ruimtelijke ontwikkelingen, zoals de vorming van een groen singelpark rondom de binnenstad en ecologische verbindingszones tussen de bestaande parken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00041-0201_0005.png"

Figuur 7: Uitsnede uit de verbeelding van de Structuurvisie Leiden 2025.

De hele oostelijke Lammenschansdriehoek heeft de aanduiding 'nieuw gemengd stedelijk milieu' gekregen, met een aanduiding 'studentenhuisvesting'. Daarmee is het gebied aangewezen als herontwikkelingslocatie met een brede mix aan verschillende functies, waaronder woningen, in een stedelijke dichtheid. Aan de aanwijzing van het gebied als zoeklocatie voor de ontwikkeling van een grootschalige studentencampus is inmiddels gehoor gegeven door de selectie van ontwikkelcombinatie VORM/BNO, om de komende jaren gefaseerd haar plan 'De Leidse Schans' tot uitvoering te brengen. Het projectgebied is onderdeel van dat campusterrein, en de beoogde parkeervoorziening staat volledig ten dienste van de woningen en voorzieningen op de campus.

De structuurvisie gaat niet in op het detailniveau van afzonderlijke percelen en wijst dus ook geen specifieke locatie aan voor parkeervoorzieningen, maar gelet op de passendheid van de in aanbouw zijnde studentencampus in de structuurvisie, moet geconcludeerd worden dat ook afzonderlijke onderdelen van de campus (waaronder het parkeerterrein) in de structuurvisie passen.

3.2.2 Ontwikkelstrategie Lammenschansdriehoek

Om, ondanks het abstractieniveau van de bovengenoemde structuurvisie, toch sturing te kunnen geven aan de ontwikkeling van het gebied op operationeel niveau, is in december 2012 de 'Ontwikkelstrategie Lammenschansdriehoek' vastgesteld door de Leidse gemeenteraad. De ontwikkelstrategie vormt een nadere uitwerking van de structuurvisie.

De ontwikkelstrategie is geen traditioneel stedenbouwkundig masterplan of gebiedsvisie, omdat de gemeente niet een vooraf vastgesteld eindbeeld van het gebied nastreeft door toepassing van een actief grondbeleid. Het document schetst slechts de maximale ontwikkelmogelijkheden voor de verschillende eigenaren in het gebied, evenals de bijbehorende randvoorwaarden op het gebied van ontsluiting, groenstructuur, waterhuishouding, parkeeroplossingen en stedenbouwkundige samenhang. Dat doet de ontwikkelstrategie door ruimtelijke bouwenveloppen met bijbehorende bestemmingen te definiëren, die zoveel mogelijk de bestaande eigendomssituatie respecteren.

De bouwenveloppen bieden voor vrijwel alle eigenaren ruimere ontwikkelmogelijkheden dan dat het bestaande planologische kader doet, zowel in bouwvolumes als functies. De ruimere mogelijkheden bieden kansen tot waardecreatie, hetgeen de verschillende eigenaren moet motiveren tot herontwikkeling. Voor concrete plannen die passen in de ontwikkelstrategie wordt vervolgens het planologisch instrumentarium aangepast, bijvoorbeeld door vaststelling van een postzegelbestemmingsplan. De markt is dus aan zet.

Ter plaatse van het projectgebied biedt de ontwikkelstrategie, in aansluiting op het beeldkwaliteitplan De Leidse Schans, de mogelijkheid tot het oprichten van één van de zes campusblokken met bijbehorende parkeervoorziening. Ook de andere campusblokken zijn overeenkomstig het beeldkwaliteitplan in de strategie opgenomen. Het beeldkwaliteitplan vormt op haar beurt een bijlage bij de onderlinge ontwikkelovereenkomst tussen ontwikkelcombinatie Vorm/BNO en de gemeente. De partijen hebben zich dus van beide zijden aan het plan gecommiteerd.

Het nu beoogde parkeerterrein is noodzakelijk om in de periode voorafgaand aan de gefaseerde realisatie van blokken A, E en F toch over de noodzakelijke parkeervoorzieningen te beschikken voor de wel al in aanbouw zijnde blokken. Het project vormt op die manier een noodzakelijke stap in de gefaseerde ontwikkeling van de hele Lammenschansdriehoek, zoals voorzien in de Ontwikkelstrategie.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Inleiding

In hoofdstuk 3 is het relevante ruimtelijke beleid van de gemeente en van hogere overheden uiteengezet. De beoogde aanleg van een parkeerterrein ter plaatse van campusblok A vormt een noodzakelijke stap in de gewenste, verdere herontwikkeling van de Lammenschansdriehoek, zoals voorzien in de gemeentelijke structuurvisie en de Ontwikkelstrategie Lammenschansdriehoek. Het project raakt geen provinciale belangen.

Onder een 'goede ruimtelijke ordening' valt naast de passendheid van een ontwikkeling binnen het ruimtelijke beleid echter ook de passendheid binnen allerlei wettelijke normen en grenswaarden voor verschillende ruimtelijke aspecten, die zijn vastgesteld in verschillende wetten, verordeningen, NEN-maatstaven of andere harde toetsingskaders. Voorbeelden daarvan zijn de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, het Besluit bodemkwaliteit en de Keur van Rijnland.

In dit vierde hoofdstuk is per relevant ruimtelijk aspect telkens eerst het geldende wettelijke of beleidsmatige kader samengevat weergegeven en is vervolgens de passendheid van het project binnen die kaders beschreven.

4.2 Archeologie

De bescherming van archeologische waarden is juridisch verankerd in het paraplubestemmingsplan Archeologie en de archeologische waardebepalingen in het bestemmingsplan 'De Leidse Schans'. Op basis van de uitkomsten uit het 'Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (karterende boringen) Leidse Schans, Leiden', d.d. 14 maart 2012, van bureau Oranjewoud, is het gehele campusterrein vrijgegeven van archeologische waarde. Een omgevingsvergunning voor de activiteit 'het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden' is op basis van het bestemmingsplan daarom niet vereist. Uit het onderzoek bleek immers dat de grond dermate zwaar is verstoord tot aan een relatief grote diepte, dat intacte archeologische waarden niet zijn te verwachten.

Voor de aanleg van het beoogde parkeerterrein is overigens slechts een zeer beperkt grondverzet noodzakelijk, waarbij uitsluitend lichte egalisatiewerkzaamheden worden uitgevoerd, die niet dieper reiken dan enkele tientallen centimeters onder maaiveld. Uit alle boringen ter plaatse van het projectgebied, namelijk boringen 049, 051, 058, 060, 067 en 087, blijkt dat de grond is voorzien van een ophooglaag / deklaag tot 1,4 - 2,0 meter onder maaiveld. Die ophooglaag is opgebracht voorafgaand aan de bouw van het scholencluster Lammenschanspark in de jaren '70. Archeologische waarden hoeven daarin dus per definitie niet te worden verwacht.

4.3 Cultuurhistorie

In 2010 is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat gemeenten bij het maken van nieuwe bestemmingsplannen, maar ook bij het afwijken van bestemmingsplannen door toepassing van de uitgebreide afwijkingsbevoegdheid uit de Wabo, rekening moeten houden met de in het projectgebied aanwezige cultuurhistorische waarden. Onder cultuurhistorische waarden vallen naast archeologische waarden (zie paragraaf 4.2) ook monumenten, beeldbepalende panden en beschermde stads- en dorpsgezichten, die op basis van de Monumentenwet zijn aangewezen.

In het projectgebied zijn geen historische bouwwerken, monumentale panden of structuren met een cultuurhistorische of beeldbepalende waarde te benoemen: er zijn afgezien van een trafohuisje immers helemaal geen bouwwerken aanwezig. Ook buiten de plangrenzen zijn geen cultuurhistorisch relevante bouwwerken aanwezig die een beperkende invloed hebben op de aanleg van het beoogde parkeerterrein, zoals traditionele windmolens met een molenbiotoop. Het projectgebied is geen onderdeel van een landgoed, Rijksbufferzone of anderzins cultuurhistorisch beschermd landschap. Er valt dan ook te stellen dat er geen cultuurhistorische waarden zijn, die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Ecologie

4.4.1 Beleidskader

Het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de soortenbescherming wordt gevormd door de Flora- en Faunawet, die voortborduurt op de Europese habitat- en vogelrichtlijnen en voorziet in de bescherming van bedreigde en van nature in Nederland voorkomende flora- en faunasoorten. In tegenstelling tot gebiedsbeschermende kaders als de Natuurbeschermingswet 1998 is soortenbescherming op grond van de Flora- en Faunawet niet beperkt tot aangewezen Natura 2000-gebieden en gebieden die vallen onder de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Op basis van de Flora- en Faunawet is het onder andere verboden de habitat van bepaalde bedreigde dier- en plantensoorten te verstoren. Van een verstoring van dergelijke habitats kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden.

Het bevoegd gezag is in eerste instantie zelf verantwoordelijk vast te stellen of bij het uitvoeren van een project sprake is van de verstoring van bedreigde dier- en plantensoorten. Wanneer dit het geval is dient te worden vastgesteld of de verstoring in voldoende mate kan worden gemitigeerd (bijvoorbeeld door verstoring buiten het broed- of slaapseizoen van de bedreigde diersoorten te laten plaatsvinden) of gecompenseerd (bijvoorbeeld door alternatieve, gelijkwaardige locaties beschikbaar te stellen als habitats van bedreigde soorten). Hoe precies met eventueel aanwezige natuurwaarden moet worden omgegaan is omschreven in de gemeentelijke 'Gedragscode voor ruimtelijke ontwikkelingen'.

Wanneer de nadelige effecten op bedreigde natuurwaarden niet voldoende kunnen worden opgevangen, kan sprake zijn van de noodzaak ontheffing aan te vragen van de Flora- en Faunawet bij het Ministerie van ELenI. In plaats van een ontheffing van de Flora- en Faunawet bij bestemmingsplannen kan een zogenaamde 'verklaring van geen bedenkingen' worden aangevraagd bij het ministerie, in het kader van de voorbereiding van de verlening van een omgevingsvergunning onder het figeur van de Wabo. Zonder een dergelijke verklaring kan geen omgevingsvergunning worden verleend.

In de toelichting van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen die ontwikkelingen planologisch toestaan moeten de gevolgen voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de bovengenoemde regels. Als bij voorbaat vaststaat dat een ontwikkeling niet kan voldoen aan de Flora- en Faunawet, komt deze ook niet in aanmerking voor een omgevingsvergunning. In dat geval is immers geen sprake van 'een goede ruimtelijke ordening'.

4.4.2 Onderzoeksresultaten

Door bureau Stadsnatuur Rotterdam (bSR) is in 2011 een ecologisch onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde soorten in het projectgebied en diens omgeving, ten behoeve van het bestemmingsplan 'De Leidse Schans'. Het onderzoek omvatte een viertal bezoeken door ecologen, namelijk op 31 mei, 26 juli, 1 september en 20 september 2011. Uit het onderzoek bleken in het gehele Lammenschanspark geen vaste groei- of verblijfsplaatsen van beschermde soorten aanwezig te zijn. Wel bleek dat de bomen langs de Kanaalweg onderdeel waren van een foerageergebied van vleermuizen.

Sinds de afronding van het onderzoek zijn alle oorspronkelijk in het Lammenschanspark aanwezige gebouwen gesloopt, met uitzondering van het in paragraaf 2.2 omschreven trafohuisje in het projectgebied. De gebouwen zijn op basis van de uitkomsten uit het onderzoek bewust buiten het broedseizoen van de aanwezige meeuwen gesloopt. Daarnaast zijn ten behoeve van de ontwikkeling van studentencampus 'De Leidse Schans' vrijwel alle bomen in het gebied gekapt, met uitzondering van een aantal bomen aan de zuidoostzijde van het campusterrein.

Na de sloop is op de projectkavels B en C begonnen met de bouw van de eerste woonblokken. Het projectgebied behorend bij de onderhavige omgevingsvergunning is sindsdien in gebruik als puindepot en ligt verder braak. Door dit gebruik hebben zich geen pionierende florasoorten kunnen ontwikkelen en is het gebied volstrekt onaantrekkelijk voor beschermde diersoorten. In het projectgebied zijn geen bomen of struikgewassen aanwezig en het gebied bevat afgezien van het trafohuisje geen bouwwerken. Het trafohuisje zelf is hermetisch afgesloten, en bevat geen stootvoegen of andere openingen, waardoor vleermuizen het gebouw kunnen betreden. Dat maakt dat het voorkomen van verblijfsplaatsen van vleermuizen en andere beschermde soorten in het gebied op voorhand kan worden uitgesloten.

Met betrekking tot gebiedsbeschermende kaders uit de Natuurbeschermingswet 1998 geldt dat het projectgebied niet in of nabij een Natura 2000-gebied ligt en evenmin onderdeel is van de Ecologische hoofdstructuur. De vervoersbewegingen die op het beoogde parkeerterrein afkomen zijn reeds planologisch toegestaan: met de bouwvergunningen voor de bouwblokken B, C en D zijn immers al parkeervoorzieningen op een iets andere locatie in het Lammenschanspark toegestaan (zie bijlage 1 bij deze onderbouwing). Het project leidt zodoende niet tot extra verkeersbewegingen of een andere routering van die verkeersbewegingen op bovenlokaal niveau.

4.5 Kabels en leidingen

Op basis van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) geldt een verplichting om voor een zone van enkele meters aan weerszijden van gasleidingen met een werkdruk van 16 bar of meer en voor brandstofleidingen een beschermende regeling in ieder bestemmingsplan op te nemen. Voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden in die zone, of het bebouwen ervan, is vanuit die beschermende regeling een aanvullende omgevingsvergunning vereist, zodat een te zware belasting van de leiding of het raken van de leiding bij grondwerkzaamheden kan worden voorkomen. Naast deze leidingen kunnen ook andere kabels en leidingen planologisch relevant zijn. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan hoogspanningsverbindingen en rioolpersleidingen. Ook voor dergelijke leidingen kunnen bestemmingsplannen passende regelingen bieden.

In het projectgebied zijn geen buisleidingen aanwezig die onder het Bevb vallen, en in het bestemmingsplan 'De Leidse Schans' zijn dan ook geen dubbelbestemmingen 'Leiding' opgenomen, die met een aanvullende vergunningsplicht gepaard gaan. In het gebied was voorheen wel een gasleiding met een werkdruk van 8 bar aanwezig, maar deze is in de bouwvoorbereiding van de campus reeds omgelegd. De fysieke leidingen zijn nog wel in de grond aanwezig, maar zij zijn niet meer in gebruik. Andere kabels en leidingen zijn inmiddels verwijderd.

Het project ziet niet op de uitvoering van grondwerkzaamheden, anders dan lichte egalisatiewerkzaamheden. De fysiek aanwezige en in onbruik geraakte gasleiding ligt op een grotere diepte en staat de ongehinderde projectuitvoering zodoende niet in de weg.

4.6 Milieu

4.6.1 Bedrijven en milieuzonering

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verplicht, in samenhang met het Besluit ruimtelijke ordening, om in het kader van 'een goede ruimtelijke ordening' aan te tonen dat toekomstige en bestaande bewoners en gebruikers bij ruimtelijke ontwikkelingen een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, maar ook dat eventuele aanwezige bedrijven niet in hun belangen worden geschaad. Hiertoe kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelige functie noodzakelijk zijn. Die afstand wordt 'milieuruimte' genoemd. Milieuzonering omvat het stelsel van verschillende gradaties van milieuruimte, die rondom verschillende typen bedrijven noodzakelijk is, ingedeeld in zogenaamde milieucategorieën.

In het geval van de onderhavige aanvraag is milieuzonering niet relevant, omdat het beoogde parkeerterrein geen milieuinrichting vormt, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit. Het parkeerterrein is daarnaast ook geen gevoelige functie, zoals woningen, onderwijsvoorzieningen, zorgvoorzieningen en kinderdagverblijven dat wel zijn. Dat betekent dat het parkeerterrein niet als milieubelastend kan worden getypeerd, en dus ook niet op een bepaalde afstand tot gevoelige functies moeten worden gebouwd, en daarnaast ook niet hindergevoelig is, waardoor het terrein een bepaalde afstand van belastende functies moet aanhouden.

4.6.2 Bodem

Beleidskader

Onder het stramien van 'een goede ruimtelijke ordening' geldt dat het gebruik dat planologisch wordt toegestaan voor een bepaald stuk grond moet passen binnen het gebruik dat de bodemkundige staat van de grond toelaat. Zo gelden voor een speelplaats of tuin hogere eisen met betrekking tot de bodemkwaliteit dan voor bijvoorbeeld een bedrijventerrein. Of de bodemkwaliteit een planontwikkeling in de weg staat, wordt bepaald door middel van een bureauonderzoek, eventueel aangevuld met een verkennend veldonderzoek. De resultaten van het historisch bureauonderzoek, het veldonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden met het planologische besluit bekendgemaakt.

Uit het onderzoeksrapport moet blijken of sprake is van ernstige verontreinigingen van de bodem of het grondwater. In de Wet bodembescherming zijn grenswaarden opgenomen, die bepalen wanneer voor een bepaald gebruik een grondsanering noodzakelijk is (de zogenaamde saneringscriteria) en hoe schoon de grond moet zijn na een saneringsoperatie (ook saneringsdoelstelling genoemd).

Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft het lokale bevoegd gezag de mogelijkheid om bodemkwaliteit binnen haar gebied actief te beheren. Daarbij kan het bevoegd gezag ten aanzien van bodembeheer kiezen voor landelijk geldend generiek beleid of voor zelf opgestelde gebiedsspecifieke beleidsregels. Hangende die keuze geldt in het gebied dat valt onder de bevoegdheid van de Omgevingsdienst West-Holland (voor milieuzaken via mandaat gemachtigd door onder andere de gemeente Leiden) het overgangsbeleid uit het Besluit bodemkwaliteit. Dat betekent dat voorlopig het nu geldende bodembeheerbeleid van kracht is, waarbij geldt dat grondverzet is toegestaan:

  • als de toe te passen grond beter of gelijk in kwaliteit is als de ontvangende bodem;
  • als de toe te passen grond beter of gelijk in kwaliteit is dan de op de betreffende plek geldende bodemfunctieklasse.

Onderzoeksresultaten

In het kader van het bestemmingsplan 'De Leidse Schans' is de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied onderzocht door bureau UDM West BV. Uit het onderzoeksrapport, getiteld 'Verkennend milieukundig bodemonderzoek en verhardingsonderzoek ter plaatse van Lammenschanspark te Leiden' (kenmerk 11050259, d.d. 27 september 2011), blijkt een deel van de zwak puinhoudende grond licht verontreinigd met kobalt en lood. De plaatselijk sterk baksteen- en kolengruishoudende zandige ondergrond is licht verontreinigd met barium, kobalt, koper en zink en matig verontreinigd met nikkel. De gemeten concentraties zijn echter zodanig dat de grond over het gehele Lammenschanspark valt binnen de grenswaarden voor de klasse 'Wonen met tuin' en zodoende voldoende schoon is voor gebruik als woongebied. Omdat het gebruik van de grond ten behoeve van een parkeerterrein met minder strenge eisen aan de bodemkwaliteit gepaard gaat, dan die voor het gebruik 'Wonen met tuin', kan automatisch ook worden gesteld dat de grond voldoende schoon is voor gebruik als parkeerterrein.

4.6.3 Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op het gebruik, de productie, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen. De overheid stelt grenzen aan de risico's die rondom inrichtingen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen toelaatbaar zijn. Die normen zijn voor inrichtingen (bedrijven) opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor transport van gevaarlijke stoffen in de circulaire 'Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen' (cRvgs) en voor het transport in leidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen deze beleidskaders staat vooral het begrip groepsrisico (GR) centraal. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang.

De beoogde aanleg van een parkeerterrein ter plaatse van blok A is feitelijk al planologisch toegestaan, zij het dat in het bestemmingsplan 'De Leidse Schans' is bepaald dat over dat parkeerterrein een dek moet worden gebouwd. Niet overkapte parkeerterreinen zijn met de gunning van de bouw van bouwblokken B, C en D ook reeds toegestaan op een iets andere locatie op het campusterrein (zie bijlage 1). Het al dan niet verplaatsen van reeds vergunde parkeerterreinen met enkele tientallen meters, of het al dan niet overkappen van een reeds toegestaan parkeerterrein, leiden niet tot een wijziging van het groepsrisico dat uit de bestaande planologische situatie voortvloeit. Het aantal personen in het gebied verandert door de beoogde inpassing van het parkeerterrein immers niet.

Daarnaast geldt dat ook de bouw van de campus zelf, en daarmee de toevoeging van ca. 1800 studentenwoningen, 200 starterwoningen en ca. 1100m2 BVO aan commerciele voorzieningen ten opzichte van de feitelijke situatie (zonder programma), niet tot een waarneembare toename van het groepsrisico leidt. Dat is gebleken uit het onderzoek naar externe veiligheid, dat door bureau Oranjewoud is uitgevoerd in het kader van het bestemmingsplan 'De Leidse Schans'. Op de bijbehorende risicocurve zijn zowel het oude groepsrisico (zonder campus) en het nieuwe groepsrisico (met campus) weergegeven. Omdat de curves (rood en lichtblauw) zo dicht bij elkaar liggen en elkaar overlappen, zijn ze op de grafiek nauwelijks afzonderlijk waarneembaar. Het groepsrisico blijkt daarnaast ruimschoots onder de door de gemeente gestelde acceptabele letaliteitsgrens (stippellijn) te liggen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00041-0201_0006.png"

Figuur 8: Het groepsrisico ten gevolge van het transport van LT2 over de N206 ter hoogte van het Lammenschanspark, in de situatie zonder campus (rood) en mét campus (lichtblauw).

4.6.4 Geluid

De op 1 januari 2007 vastgestelde Wet geluidhinder (Wgh) schrijft voor dat elke planologische maatregel waarmee nieuwe gevoelige functies worden toegestaan binnen de geluidszone van een weg of spoorweg, een akoestisch onderzoek bevat, zodat kan worden getoetst of er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarden uit het Besluit geluidhinder. Ook het planologisch toestaan van voorzieningen die gepaard gaan met wegreconstructies dienen te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Een parkeerterrein is echter geen gevoelige functie in de zin van de Wet geluidhinder en er is in het project evenmin sprake van een wegreconstructie.

Op basis van de Wet milieubeheer en het bijbehorende Activiteitenbesluit geldt daarnaast dat belastende milieuinrichtingen zich hebben te houden aan maximale geluidvolumes op omliggende gevoelige functies, uitgedrukt in zogenaamde langetijdgemiddelde beoordelingsniveaus over de relevante dagdelen en maximale piekniveaus. Een niet-gebouwde parkeergarage is echter geen milieuinrichting. Ook het Activiteitenbesluit is dus niet relevant voor de onderhavige aanvraag.

Het derde en laatste toetsingskader op het gebied van geluid is verankerd in de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, en is niet gebaseerd op formele normen, maar op een beleidsvrije afweging van 'een goede ruimtelijke ordening'. In dat kader is van belang dat het beoogde parkeerterrein auto's aantrekt, en die auto's op de aanrijroutes verkeerslawaai produceren. Met dat geluid is echter al rekening gehouden in de m.e.r.-beoordeling van bureau Oranjewoud, die in het kader van het bestemmingsplan 'De Leidse Schans' heeft plaatsgevonden, en waaruit blijkt dat de toename van de geluidbelasting vanwege de Lammenschansweg niet waarneembaar zal zijn.

Het extra verkeer waarmee in de beoordeling is gerekend wordt bovendien niet zozeer beïnvloed door de beoogde uitwerking van het parkeerterrein, maar door het bouwprogramma op het campusterrein. Het bouwprogramma verandert niet, en door een kleine verplaatsing van het toegestane parkeerterrein binnen het Lammenschanspark veranderen ook de intensiteiten op de toevoerroutes niet. Er kan dus worden gesteld dat de beoogde vormgeving van het parkeerterrein geen gevolgen heeft voor de intensiteiten op de Lammenschansweg en de ontsluitingsroute naar de ondergrondse garage onder het Bètaplein. Van een verandering van het akoestisch klimaat is ten opzichte van de planologisch toegestane situatie dus geen sprake.

4.6.5 Luchtkwaliteit

Eisen met betrekking tot de luchtkwaliteit in Nederland zijn opgenomen in titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Van alle in de lucht voorkomende stoffen waarvoor grenswaarden gelden, zijn in de omgeving van het projectgebied alleen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) relevant.

Ook voor het aspect luchtkwaliteit geldt dat de invloed van de gewijzigde aanleg van het parkeerterrein, ten opzichte van de planologisch toegestane situatie, nihil is. Het aantal verkeersbewegingen van en naar het Lammenschanspark wordt immers niet of nauwelijks beïnvloed door de vormgeving van de parkeerplaats, het bouwprogramma is daarvoor maatgevend. Dat maakt dat de uitkomsten uit het luchtkwaliteitsonderzoek in het kader van bestemmingsplan 'De Leidse Schans' van bureau Oranjewoud, getiteld 'Luchtkwaliteitsonderzoek Leidse Schans, Rapportage in het kader van Titel 5.2 Wm, 14 maart 2012' actueel blijven. Die uitkomsten laten zien dat de concentraties NO2 en PM10 ten gevolge van de ontwikkeling van de campus onder de grenswaarden van 40µg/m3 blijven.

4.7 Milieueffectrapportage

De nationale m.e.r.-regelgeving is een uitvloeisel van een tweetal Europese richtlijnen: de m.e.r.-richtlijn en de smb-richtlijn (Strategische milieubeoordeling). De implementatie van deze Europese richtlijnen is aan te treffen in:

  • paragraaf 2.2, hoofdstuk 7 en paragraaf 14.2 van de Wet milieubeheer;
  • het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.)

Deze wetgeving tezamen bepaalt of voor een project of plan een MER (Milieueffectrapport) moet worden opgesteld. Daarbij is het allereerst van belang te kijken of in de betreffende ontwikkeling een activiteit is opgenomen als genoemd in de bijlage van het Besluit m.e.r.

De realisatie van het beoogde parkeerterrein, zoals in de voorgaande paragrafen beschreven, kan worden gekwalificeerd als "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen", zoals bedoeld in onderdeel D.11.2 van bijlage van het Besluit m.e.r. Bij die activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk:

  • een oppervlakte van 100 hectare of meer;
  • een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen;
  • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000m2 of meer.

Met een oppervlakte van nog geen halve hectare valt het project ruimschoots binnen de gestelde drempelwaarden, zodat een formele m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk is. Omdat het daarnaast gaat om een andere inrichting van een reeds eerder aangevraagd en vergund parkeerterrein leidt de aanvraag in planologische zin ook niet tot een toename van het aantal verkeersbewegingen en een daaruit voortvloeiende extra belasting van het milieu op het gebied van geluidhinder of luchtkwaliteit. De door Oranjewoud uitgevoerde m.e.r.-beoordeling in het kader van het bestemmingsplan 'De Leidse Schans' blijft dan ook relevant. In de daarbij behorende aanmeldingsnotitie is geconcludeerd dat de totale realisatie van de campus geen significante negatieve gevolgen heeft voor het milieu. Losse onderdelen van dat project gaan dan logischerwijs ook niet gepaard met negatieve effecten voor het milieu.

4.8 Verkeer en vervoer

4.8.1 Beleidskader

Kadernota Bereikbaarheid

De Kadernota bereikbaarheid is op 29 mei 2009 door de gemeenteraad van Leiden vastgesteld. In het beleidstuk is een set aan maatregelen voorgesteld ter verbetering van het vervoersnetwerk in Leiden. Naast het schetsen van de beoogde verkeerscirculatiestructuur is in de Kadernota Bereikbaarheid uitspraak gedaan over de ambitie tot het bouwen van twee ondergrondse parkeergarages in de Leidse binnenstad. De Kadernota ziet verder op de tijdelijke invoering van een blauwe zone in grote delen van de 19e-eeuwse schil voor een periode van twee jaar, waarna moet worden beoordeeld of tot definitieve invoering van de blauwe zone wordt overgegaan. Ook de parkeerplaatsen langs de ventweg aan de zuidzijde van de Lammenschansweg behoren tot die blauwe zone. Daarnaast voorziet de Kadernota onder andere in het optuigen van een parkeermonitor, waarin de bezettingsgraad van parkeervoorzieningen in de binnenstad driejaarlijks wordt bijgehouden, het opstellen van beleidsregels met betrekking tot parkeren, gericht op het toetsen van nieuwe bouwinitiatieven aan de bouwverordening (onder omschreven) en het verbeteren van het Parkeerroute Informatiesysteem (PRIS), voor een betere verwijzing van verkeer naar parkeervoorzieningen.

Nota Beleidsregels Parkeernormen Leiden

Op 28 februari 2012 is door het College van B&W een set beleidsregels vastgesteld, die voorschrijven hoe de gemeente toepassing geeft aan de parkeerbepalingen in de bouwverordening. De beleidsregels bevatten parkeernormen voor allerlei verschillende functies, met bijbehorende bezettingspercentages per dagdeel, en stellen plantoetsers op die manier in staat te bepalen wat de parkeerbehoefte vanuit een ontwikkeling precies is. In beginsel dient elke ontwikkeling op of onder eigen terrein te voorzien in de toename van de parkeerbehoefte. Een eventueel parkeertekort in de bestaande situatie hoeft niet te worden opgelost. Het beleid borgt zodoende dat ontwikkelingen kunnen plaatsvinden wanneer reeds sprake is van een hoge parkeerdruk, zolang de ontwikkeling die parkeerdruk maar niet doet toenemen.

Het bevoegd gezag kan afwijken van de bepaling dat de toename van de parkeerbehoefte op of onder eigen terrein moet worden opgelost, wanneer er op of onder de ontwikkelingslocatie niet voldoende ruimte bestaat, maar binnen een straal van 400 meter wel voldoende parkeergelegenheid aanwezig is of aangebracht kan worden.

4.8.2 Onderzoeksresultaten

Parkeren

De bovengenoemde 'Nota Beleidsregels Parkeernormen Leiden' is relevant voor de onderhavige aanvraag tot realisatie van een parkeerterrein in het Lammenschanspark, omdat het de parkeernormen aanreikt, op basis waarvan kan worden berekend of het aangevraagde parkeerterrein voldoende parkeerplaatsen biedt om te voorzien in de parkeerbehoefte van de bouwblokken die het bedient. In een eerder stadium is reeds een parkeervoorziening vergund bij elk van de afzonderlijk aangevraagde en in aanbouw zijnde bouwblokken. Nu voor een deel van de gebruikers van een aantal van die bouwblokken in één gezamenlijke parkeeroplossing wordt voorzien, is het goed opnieuw te kijken of die parkeervoorziening voldoende ruim is. De parkeerbalans in bijlage 2 geeft daarover uitsluitsel.

Voor de bewoners van blokken C en D is op het binnenhof achter beide blokken één eigen parkeerplaats per woning beschikbaar. De ventweg langs de Kanaalweg zal 23 parkeerplaatsen bieden voor bezoekers. Blok B beschikt niet over eigen parkeerplaatsen. Tot de oplevering van blokken E en F wordt daarom aangestuurd op een situatie, waarbij het parkeren van alle gebruikers van blok B en de bezoekers van de bewoners in blokken C en D (minus 23 parkeerplaatsen) gebruik maken van een parkeervoorziening ter plaatse van blok A.

Die groep bestaat uit 638 studenten in blok B, de gebruikers en bezoekers van de commerciële ruimten in blok B en een groot deel van de bezoekers van de woningen in blok B, C en D. Voor die gebruikers samen zijn, rekening houdend met dubbelgebruik, volgens de parkeerbalans 143 parkeerplaatsen noodzakelijk. Het beoogde parkeerterrein omvat 210 parkeerplaatsen. Het overschot daarin zal tijdens de bouw van blokken E en F worden gebruikt voor het parkeren door bouwvakkers en aannemers. Ook in die situatie is het parkeerterrein voldoende ruim bemeten.

Ontsluiting

Het parkeerterrein is aangetakt op de bestaande ontsluitingsweg tussen de Lammenschansweg en de parkeergarage onder het Bètaplein. Ten opzichte van de reeds vergunde situatie schuift de in- en uitrit iets op in noordelijke richting, om een overzichtelijkere situatie te creëren, verder van de bocht om het gebouw van de Kwikfit.

Het parkeerterrein wordt afgesloten door middel van een slagboom, waarmee wordt voorkomen dat het gebruik van de bestaande, ondergrondse garage onder het Bètaplein door bezoekers die niet onder de bovengenoemde campusgebruikers vallen, wordt ontmoedigd. De slagboom is door campusbewoners te bedienen vanuit de woningen, door de uitbaters van de commerciële ruimten op de campus, en door medewerkers van stedelijk beheer en de lokale hulpdiensten.

De rijbanen en bochtstralen op het parkeerterrein zijn zodanig bemeten dat brandweerauto's en vuilniswagens via de parkeerplaats het achterliggende campusterrein kunnen bereiken, om bij de daar aan te leggen opstelplaatsen en ondergrondse vuilcontainers te kunnen komen.

4.9 Water

4.9.1 Beleidskader

Voor de borging van een goed functionerend en veilig watersysteem is een groot aantal beleidskaders op het niveau van verschillende overheden vastgesteld. Met beleidskaders op Rijks- en provinciaal niveau, zoals de structuurvisie 'Nationaal Waterplan 2009-2015' en het 'Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015', heeft het onderhavige project geen relatie. Het projectgebied herbergt geen bovenlokale watersystemen, is geen onderdeel van uiterwaarden en bevat geen primaire of regionale waterkeringen.

Het projectgebied valt geheel binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Dat betekent dat het Hoogheemraadschap verantwoordelijk is voor het beheer van een deel van de watergangen en de bijbehorende kunstwerken in de Rodenburgerpolder. Om die taak op een transparante wijze te kunnen uitvoeren heeft het waterschap beleidsregels vastgesteld in het zogenaamde Waterbeheerplan. Onder het motto 'droge voeten en schoon water' staat het werk van het hoogheemraadschap in het teken van drie hoofddoelen: veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water, inclusief goed beheer van de afvalwaterketen. Het zwaartepunt ligt bij de verbetering van regionale keringen, implementatie van de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Bestuursakkoord Water, renovatie van boezem- en poldergemalen en het uitvoeren van het reguliere baggerprogramma voor polder en boezem.

Per 22 december 2009 is een nieuwe Keur in werking getreden, evenals nieuwe Beleidsregels, die in 2011 geactualiseerd zijn. De beleidsmatige uitgangspunten en ambities uit het bovengenoemde Waterbeheerplan 2010-2015 zijn in de Keur vertaald in bindende regels voor burgers en gemeenten, om het hoogheemraadschap gereedschap te geven de beleidsdoelstellingen te kunnen naleven, laten naleven en handhaven.

De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor:

  • waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden),
  • watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten en beken),
  • andere waterstaatswerken (onder andere bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).

De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als het hoogheemraadschap daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Watervergunning op grond van de Keur. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de bijbehorende 'Beleidsregels en Algemene Regels Inrichting Watersysteem 2011 Keur' is onder andere bepaald in welke gevallen een Watervergunning wordt afgegeven, om ontheffing te verlenen van een verbodsbepaling in de Keur.


Om te kunnen borgen dat gemeenten bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen of het verlenen van omgevingsvergunningen ter afwijking van een bestemmingsplan worden gehouden aan de regels uit de Keur, is in artikel 3.1.1 Bro de verplichting opgenomen voor gemeenten om nieuwe bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen ter toetsing aan het waterschap voor te leggen. Deze toets wordt ook wel de 'watertoets' genoemd. De Handreiking Watertoets, die in december 2011 door het hoogheemraadschap is vastgesteld, bevat richtlijnen over de waterparagraaf in ruimtelijke besluiten en de manier waarop deze wordt getoetst door het waterschap.

Het Hoogheemraadschap van Rijnland biedt gemeenten de gelegenheid de planeigenschappen op een digitaal formulier in te vullen, waarna een digitale watertoets moet uitwijzen of het bestemmingsplan, het wijzigingsplan of de omgevingsvergunning een 'groot waterbelang' omvat en ook feitelijk contact met de afdeling plantoetsing van het hoogheemraadschap dient te worden opgenomen.

4.9.2 Onderzoeksresultaten

Het projectgebied is onderdeel van de zogenaamde Rodenburgerpolder, een kleine polder gelegen tussen de Lammenschansweg, de Kanaalweg en de spoorlijn Leiden-Utrecht. Eventuele compensatieopgaven, die voortvloeien uit het verharden van onverhard terrein of het dempen van bestaand water, zullen binnen hetzelfde peilgebied moeten worden opgelost. Watercompensatie kan daarom niet plaatsvinden buiten de polder.

Het project ziet op het verharden van ca. 5800m2 momenteel onverhard terrein. Samen met de verharding van de in aanbouw zijnde bouwblokken B, C en D en de tussenliggende voetpaden telt het verhard oppervlak op tot ca. 19.450m2. In de uitgangssituatie (2010) was in het Lammenschanspark ruim 30.000m2 verhard oppervlak aanwezig. In de fase na realisatie van de bovengenoemde blokken en het parkeerterrein en voor realisatie van blokken E en F is zodoende nog sprake van een positieve waterbalans.

Wanneer ook blokken E en F zijn ontwikkeld, de boezemsloot tussen het Lammenschanspark en de Lammenschansstrip wordt gedempt en de compensatie van een restopgave uit het ROC-project op de ontwikkeling van de campus drukt, zal het graven een een grote plas in het hart van het campusterrein noodzakelijk worden. Daarover zijn in het kader van het bestemmingsplan 'De Leidse Schans' reeds afspraken gemaakt met het Hoogheemraadschap van Rijnland.

Hoofdstuk 5 Procedurele aspecten

5.1 Toetsing aan het bestemmingsplan

Zoals al toegelicht in paragraaf 1.3 is het project op één punt strijdig met het vigerende bestemmingsplan 'De Leidse Schans'. Op gronden met de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' zijn uitsluitend gebouwde parkeervoorzieningen toegestaan, met een dak of overkapping. De nu beoogde parkeervoorziening wordt niet overkapt en vormt zodoende geen 'gebouwde parkeervoorziening'.

5.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, onder c van de Wabo dient een aanvraag om omgevingsvergunning geweigerd te worden wanneer deze strijdig is met het bestemmingsplan, tenzij het bevoegd gezag toepassing geeft aan één van vier verschillende bevoegdheden tot afwijking van het bestemmingsplan. Deze mogelijkheden zijn toepassing van:

  • 1. een tijdelijke afwijkingsbevoegdheid (art. 2.12, tweede lid Wabo), van toepassing voor afwijkingen van het bestemmingsplan met een maximale duur van vijf jaar en uitsluitend ter voorziening in een tijdelijke behoefte;
  • 2. de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid (art. 2.12, lid 1, onder a, onder 1° Wabo), alleen te gebruiken wanneer het bestemmingsplan zelf een mogelijkheid biedt om van een artikel in dat plan af te wijken;
  • 3. de buitenplanse afwijkingsbevoegdheid (art. 2.12, lid 1, onder a, onder 2° Wabo), wanneer de strijdigheid met het bestemmingsplan valt onder een bij algemene maatregel van bestuur genoemde categorie;
  • 4. de uitgebreide afwijkingsbevoegdheid (art. 2.12, lid 1, onder a, onder 3° Wabo), zo lang de motivering van het besluit een ruimtelijke onderbouwing bevat, waaruit blijkt dat het bouwplan getuigt van een 'goede ruimtelijke ordening'.

Alhoewel het beoogde parkeerterrein een tijdelijk karakter zal hebben, en voorafgaand aan de start van de bouw van blok A weer tijdelijk naar een andere locatie zal moeten verhuizen, kan geen gebruik worden gemaakt van de bovengenoemde tijdelijke afwijkingsbevoegdheid. Daarvoor is het immers noodzakelijk dat aannemelijk is dat binnen een termijn van vijf jaar na vergunning geen behoefte meer zal bestaan aan het parkeerterrein. Dat valt nu echter niet aannemelijk te maken, omdat de realisatie van blok A nog afhankelijk is van de afzet van de studentenwoningen aan externe partijen. Het is dus nog ongewis of de bouw van het blok ook daadwerkelijk binnen vijf jaar zal starten. Tot die tijd blijft de behoefte aan het parkeerterrein bestaan.

Bestemmingsplannen 'De Leidse Schans' biedt geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheden om het project planologisch toe te staan. Het wijzigen van de toegestane functie ter plaatse van de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' naar een regulier parkeerterrein valt evenmin onder de categorieën genoemd in artikel 4 van bijlage II, Besluit omgevingsrecht (Bor). Het project valt zodoende alleen te vergunnen door toepassing van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3° Wabo, oftewel de zogenaamde uitgebreide afwijkingsprocedure.

5.3 Procedure

Op de procedure behorend bij de bovenbedoelde afwijkingsbevoegdheid is afdeling 3:4 Awb van toepassing. Dat betekent dat een omgevingsvergunning alleen kan worden verleend, wanneer het ontwerp van de beschikking samen met deze ruimtelijke onderbouwing en andere bijlagen voor een periode van zes weken ter inzage wordt gelegd, waarbij eenieder een zienswijze op het plan kenbaar kan maken bij het College van B&W.

Na afloop van de zienswijzentermijn van zes weken worden alle ingediende zienswijzen verzameld en beantwoord in de paragraaf 'Maatschappelijke uitvoerbaarheid' (6.2). In sommige gevallen kunnen zienswijzen het College aanleiding geven het ontwerpbesluit of de bijbehorende ruimtelijke onderbouwing (al dan niet gedeeltelijk) te herzien.

Nadat de beantwoording van de zienswijzen en het definitieve besluit door het bevoegd gezag zijn vastgesteld, zal het besluit samen met de ruimtelijke onderbouwing en overige bijlagen opnieuw voor een periode van zes weken ter inzage worden gelegd. Tijdens die termijn kan iedere belanghebbende die een zienswijze heeft ingediend of redelijkerwijs niet kan worden verweten geen zienswijze te hebben ingediend, een beroepschrift indienen bij de rechtbank in Den-Haag. Dit beroepschrift kan enkel betrekking hebben op onderwerpen waarop de zienswijze ook betrekking had. Wanneer het uiteindelijke besluit afwijkt van het ontwerpbesluit, kunnen alle belanghebbenden daarnaast een beroepschrift indienen met betrekking tot de punten waarop het besluit is gewijzigd.

5.4 Verklaring van geen bedenkingen

Op grond van artikel 6.5, eerste lid van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is een zogenaamde verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist bij toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° Wabo. Met een dergelijke verklaring kan de gemeenteraad, alhoewel zij niet het bevoegd gezag is voor het nemen van een besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning, toch haar goedkeuring of afkeuring uitspreken over een plan. Een dergelijke instemming heeft een bindende status: het college kan een omgevingsvergunning niet verlenen zolang de gemeenteraad geen verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven.

In Leiden is door de gemeenteraad op grond van artikel 6.5, derde lid Bor een lijst van categorieën vastgesteld waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist. De gemeenteraad heeft hiermee willen bewerkstelligen dat voor kleine en niet maatschappelijk gevoelige projecten geen tussenkomst van de gemeenteraad is vereist, en bij grote en wel maatschappelijk gevoelige projecten wel. De onderstaande matrix geeft aan voor welke projecten een verklaring van geen bedenkingen al dan niet is vereist.


 
geen zienswijzen ingediend op het ontwerp besluit   wel zienswijzen ingediend op het ontwerp besluit  
1) Het project past binnen eerder door de raad vastgestelde ruimtelijke kaders en is groter dan 50 woningen of 5.000 m² bvo kantoor-, bedrijfs- of commerciële ruimte.
2) Het project past niet in eerder door de raad vastgestelde ruimtelijke kaders en is groter dan of gelijk aan 10 woningen of 1.000 m² bvo kantoor-, bedrijfs- of commerciële ruimte.
3) Het project heeft betrekking op bovenlokale infrastructuur, water- en groenprojecten.
4) Het project heeft betrekking op lokaal gerichte infrastruc- tuur-, water- en groenprojecten in strijd met lokaal beleid.
5) Het project is gelegen binnen beschermd stads- gezicht en de uiterlijke kenmerken van een pand wijzigen.
6) Naar aanleiding van de publicatie van de aanvraag om omgevingsvergunning is door of namens vijf belanghebbenden een negatieve reactie ingediend.  
geen verklaring van geen bedenkingen vereist   verklaring van geen bedenkingen wel vereist  
1) Het project past binnen eerder door de raad vastgestelde ruimtelijke kaders en is kleiner dan of gelijk aan 50 woningen of 5.000 m² bvo kantoor-, bedrijfs- of commerciële ruimte.
2) Het project past niet in eerder door de raad vastgestelde ruimtelijke kaders en is kleiner dan 10 woningen of 1.000 m² bvo kantoor-, bedrijfs- of commerciële ruimte.
3) Het project heeft betrekking op lokaal gerichte infrastructuur-, water- en groenprojecten passend binnen lokaal beleid.
4) Het project is gelegen buiten beschermd stads- gezicht, of is gelegen binnen beschermd stadsgezicht en de uiterlijke kenmerken van de betrokken panden wijzigen niet.
5) Het project betreft 'bouwwerk geen gebouw zijnde'.  
geen verklaring van geen bedenkingen vereist   geen verklaring van geen bedenkingen vereist  

In het project is sprake van "lokaal gerichte infrastructuurprojecten en projecten met betrekking tot groen, water en verblijfsgebieden die niet in strijd zijn met lokaal beleid". Het project vormt immers een noodzakelijke stap om uitvoering te geven aan de op 18 december 2012 door de raad vastgestelde 'Ontwikkelstrategie Lammenschansdriehoek' (RV 12.0133) en het 'Kaderbesluit herontwikkeling Lammenschanspark' (RV 11.0069) . Tegen de publicatie van de ontvangst van de aanvraag om omgevingsvergunning zijn daarnaast geen negatieve reacties ontvangen. Een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is daarom niet vereist.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Het project omvat de gebruikswijziging van een bestaand bouwterrein, waar uitsluitend gebouwde parkeervoorzieningen zijn toegestaan, naar een tijdelijk regulier parkeerterrein zonder overkapping. Het project heeft geen betrekking op de bouw van nieuwe gebouwen of de functiewijziging van bestaande gebouwen, en valt daarom niet onder de gevallen genoemd in artikel 6.2.1 Bro. Het project is daarmee niet grexwetplichtig en het opstellen van een exploitatieplan is niet vereist. Het project wordt volledig uitgevoerd op risico en kosten van ontwikkelcombinatie VORM/BNO.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Onder een 'goede ruimtelijke ordening' wordt mede verstaan dat een gedegen belangenafweging heeft plaatsgevonden tussen de (ruimtelijke) belangen van alle relevante belanghebbenden. Het verkrijgen van een goed beeld van die belangen is daarbij cruciaal. Daarom wordt het ontwerp van de omgevingsvergunning, tezamen met deze ruimtelijke onderbouwing en andere relevante bijlagen, gedurende een termijn van zes weken ter inzage gelegd. Tijdens die termijn kan eenieder een zienswijze kenbaar maken tegen het voorgenomen plan. Via publicaties in de Staatscourant en de stadskrant zal de termijn van terinzagelegging van de ontwerp omgevingsvergunning worden aangekondigd.

De beantwoording van eventueel ontvangen zienswijzen vindt plaats in deze paragraaf, of wanneer het aantal zienswijzen dat noodzakelijk maakt, in een aparte zienswijzennota. Na verlening (of weigering) van de aangevraagde vergunning, staat het indieners van een zienswijze vrij een beroepschrift in te dienen tijdens een zes weken durende beroepstermijn, die kort na verlening of weigering van de vergunning start. Ook de start van de beroepstermijn wordt gepubliceerd in de Staatscourant en stadskrant.