direct naar inhoud van Ruimtelijke onderbouwing
Plan: Corbuloweg
Status: ontwerp
Plantype: omgevingsvergunning
IMRO-idn: NL.IMRO.0546.OV00003-0201

Ruimtelijke onderbouwing

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Verzoek om omgevingsvergunning

Op 15 januari 2013 is een verzoek om omgevingsvergunning ingediend voor het neerleggen van een woonschip in de Trekvliet nabij de Corbuloweg te Leiden (BV 130067).

Dit verzoek is in strijd met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan 'Lammenschansdriehoek'. Ten tijde van de indiening van het verzoek was er sprake van strijdigheid met het voorheen geldende bestemmingsplan 'Zoeterwoudseweg'.

Voorgeschiedenis

In 2000 zijn de Woonschepenverordening en het Ligplaatsenplan Woonschepen vastgesteld. Dat Ligplaatsenplan bestaat uit 27 detailkaarten waarop de locaties in de gehele gemeente zijn aangegeven waar ligplaatsen voor woonschepen zijn toegestaan. Per locatie is vermeld hoeveel woonschepen er afgemeerd mogen worden en welke afmetingen toelaatbaar zijn.

Sinds het vaststellen van de verordening en het ligplaatsenplan zijn er wijzigingen opgetreden in de aantallen woonschepen en in bestemmingsplannen. Vanwege die wijzigingen heeft de raad op 21 april 2009 een partiële herziening van het ligplaatsenplan vastgesteld (RV 09.0003).

Eén van de wijzigingen betrof het laten vervallen van de ligplaatsen aan de westzijde van de Trekvliet. Deze ligplaatsen waren in het nieuwe bestemmingsplan Zuidwest wegbestemd. In verband hiermee moest ook een nieuwe detailkaart P13 worden vastgesteld. Ten aanzien van de ligplaatsen aan de oostzijde van de Trekvliet is bij genoemde herziening in april 2009 geen wijziging voorgesteld.

Bij het vaststellen van de nieuwe detailkaart P13 met datum september 2007 is aan de oostzijde van de Trekvliet een grotere strook opgenomen waar woonschepen zijn toegestaan dan in het oorspronkelijke ligplaatsenplan: ligplaats P13/1 is verlengd tot aan de Corbuloweg. Ten aanzien van het aantal ligplaatsen en de afmetingen van de woonschepen aan de oostzijde van de Trekvliet is geen wijziging aangebracht.

Op 16 december 2010 heeft de raad besloten om deze onjuiste detailkaart P13 met datum september 2007 in te trekken en de correcte detailkaart P13 met datum november 2009 vast te stellen.

Op 13 april 2009, toen kaart P13 met datum september 2007 geldig was, is een aanvraag om ligplaatsvergunning ingediend voor ligplaats P13/1. Bij besluit van 2 oktober 2009 heeft het college van B en W de ligplaatsvergunning geweigerd.

Tegen dit besluit is door indiener van de ligplaatsvergunning op 19 oktober 2009 bezwaar gemaakt. Het college heeft op 2 maart 2010 de bezwaren ongegrond verklaard.

Vervolgens is op 9 april 2010 beroep ingesteld door indiener van de ligplaatsvergunning. Op 28 juli 2010 heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard. B en W hebben naar aanleiding van deze uitspraak een nieuw besluit genomen. Hiertegen is opnieuw beroep aangetekend, op 5 oktober 2011 heeft de Rechtbank uitspraak gedaan. Tegen deze uitspraak is door indiener van de ligplaatsvergunning hoger beroep ingesteld bij de Raad van State.

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak d.d. 28 november 2012 het hoger berope gegrond verklaard. Dit betekent dat het college een nieuw besluit moet nemen op het bezwaarschrift dat is ingediend tegen de weigering om een ligplaatsvergunning te verlenen. Daarbij zal moeten worden uitgegaan van detailkaart P13 van september 2007.

Op 20 december 2012 heeft de gemeenteraad bij de vaststelling van bestemmingsplan 'Lammenschansdriehoek' (raadsvoorstel RV 12.0128) een motie aangenomen waarin de raad het college verzocht indien mogelijk zo snel als mogelijk de ligplaats in een bestemmingsplan en ligplaatsenplan op te nemen.

Het college van B en W heeft vervolgens op 7 januari 2013 een ligplaatsvergunning verleend voor ligplaats P13/1 overeenkomstig de detailkaart P13 met datum september 2007.

Nu dient de verleende ligplaatsvergunning alsnog in het bestemmingsplan opgenomen te worden. Dit gebeurt via een nieuw bestemmingsplan 'Corbuloweg'. Vooruitlopend op dit bestemmingsplan wordt nu een uitgebreide Wabo-procedure doorlopen.

1.2 Begrenzing plangebied

Het plangebied bestaat uit een deel van de Trekvliet nabij de Corbuloweg waarvoor een ligplaatsvergunning is verleend.

De verleende ligplaatsvergunning betreft de grond kadastraal bekend onder sectie O, nummers 2133 (gedeeltelijk) en 4871 (gedeeltelijk) 8928. Deze grond is in eigendom van de provincie Zuid-Holland (nummer 2133) en de gemeente Leiden (nummer 4871). De grond ligt in de Trekvliet ten westen van de Zoeterwoudseweg ter hoogte van de Corbuloweg.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Voor het plangebied, zoals aangegeven en toegelicht in paragraaf 1.2, vigeren op dit moment de volgende bestemmingsplannen:

Naam bestemmingsplan   Vastgesteld   Raad van State  
Lammenschansdriehoek   20-12-2013   n.n.b.  

Hoofdstuk 2 Beschrijving van de omgevingsvergunning

2.1 Beschrijving van het projectgebied

Het plangebied bestaat uit een gedeelte van de Trekvliet. De Trekvliet is een kanaal dat de verbinding vormt tussen het Rijn-Schiekanaal en de Rijn. De Trekvliet loopt vanaf het Lammenschansplein richting het noorden en gaat over in de Vliet in de Leidse binnenstad.

Vanaf de Schelpenkade is de Trekvliet verlengd tot aan de Rijn: de Rijn- en Schiekade. Hiermee ontstond een rechtstreekse en snelle verbinding tussen het Rijn-Schiekanaal en de Rijn.

De Trekvliet wordt tussen de Lammebrug en de Vijf Meibug aan weerszijden omsloten door bedrijventerrein, respectievelijk de Rooseveltstraat en de Zoeterwoudseweg. De oevers zijn in gebruik door de aangrenzende bedrijven. Het water is thans niet ingenomen door een vaartuig, wel bevinden zich enkele dukdalven in het plangebied.

Ter plaatse van het plangebied is een deel van de oever in particulier eigendom, een deel is in eigendom van de gemeente Leiden. Het water is deels eigendom van de provincie Zuid-Holland en deels van de gemeente Leiden.

De gemeentelijke oever is ingericht met openbaar groen. Dit groen grenst aan een parkeerterrein behorende bij het flatgebouw aan de Corbuloweg.

2.2 Beschrijving van het project

Het project

Het project waar deze omgevingsvergunning op ziet is het mogelijk maken van een ligplaats voor een woonschip in de Trekvliet nabij de Corbuloweg ter plaatse van ligplaatsnummer P13/1 volgens detailkaart P13 d.d. september 2007 van het ligplaatsenplan woonschepen.

Voor deze ligplaats is door het college van B en W op 7 januari 2013 een ligplaatsvergunning verleend. deze ligplaatsvergunning is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Om die reden is op 15 januari 2013 door de houder van een ligplaatsvergunning een verzoek om omgevingsvergunning ingediend voor de activiteit strijdigheid met bestemmingsplan.

In deze ruimtelijke onderbouwing wordt gemotiveerd waarom, vooruitlopend op een nieuw bestemmingsplan, afgeweken wordt van het vigerende bestemmingsplan.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

3.1 Europees en nationaal beleid

3.1.1 Nota Ruimte

De Nota Ruimte is een nota van het rijk, waarin de principes voor de ruimtelijke inrichting van Nederland vastgelegd worden. De nota is op 23 april 2004 door het kabinet vastgesteld en is tevens door de Tweede Kamer aangenomen.

In de Nota Ruimte gaat het om inrichtingsvraagstukken die spelen tussen nu en 2020, met een doorkijk naar 2030. In de nota worden de hoofdlijnen van beleid aangegeven, waarbij de ruimtelijke hoofdstructuur van Nederland een belangrijke rol zal spelen. Onderwerpen die aan bod komen zijn: wonen, woonlocaties en verstedelijking, natuur, landschap en waterbeheer, bereikbaarheid en het ruimtelijk accommoderen van de economie.

Hoofddoel van het nationaal ruimtelijk beleid is ruimte te scheppen voor de verschillende ruimtevragende functies op het beperkte oppervlak dat Nederland ter beschikking staat. Meer specifiek richt het kabinet zich hierbij op vier algemene doelen:

  • versterking van de internationale concurrentiepositie van Nederland;
  • bevordering van krachtige steden en een vitaal platteland;
  • borging en ontwikkeling van belangrijke (inter)nationale ruimtelijke waarden;
  • borging van de veiligheid.

Het rijk wil zich niet meer met alles bemoeien en wil strategisch op hoofdlijnen sturen. Decentrale overheden krijgen meer ruimte om hun eigen weg te gaan. Het gaat er uiteindelijk om dat de besluitvorming over de inrichting van de ruimte dichter bij de direct belanghebbenden komt te liggen. De Nota Ruimte kenmerkt zich dan ook door:

  • Ontwikkelingsplanologie: het ruimtelijk beleid moet beter gaan voldoen aan maatschappelijke wensen en sneller uitgevoerd worden. Het accent zal meer liggen op wat kan en minder op wat moet.
  • Decentralisatie: nationale prioriteiten en decentralisatie bepalen de inhoud. De nationale ruimtelijke hoofdstructuur is daarbij een belangrijk kader.
  • Deregulering: dit betekent minder rijkssturing. Provincies en gemeenten kunnen hun eigen verantwoordelijkheid verschillend gaan invullen.
  • Uitvoeringsgerichtheid: het kabinet legt het accent op uitvoering en financiële dekking.

Voor verstedelijking, infrastructuur en vestiging van bedrijven en economische activiteiten geldt een zogenaamd bundelingsbeleid: nieuwe woongebieden en bedrijvigheid moeten zoveel mogelijk worden aangesloten op bestaande bebouwing en infrastructuur. Hierbij moet bovendien rekening worden gehouden met recreatieve voorzieningen, groen en water.

Onder het overgangsrecht bij de Wro heeft de Nota Ruimte de status van structuurvisie gekregen. Hierin staat het beleid. Voor de belangen die juridisch moeten doorwerken in bestemmingsplannen is het besluit algemene regels ruimtelijke ordening (AMvB Ruimte) vastgesteld.

3.1.2 Structuurvisie Randstad 2040

In de Structuurvisie Randstad 2040 zet het kabinet de koers uit om de Randstad integraalte ontwikkelen tot een duurzame en concurrerende topregio in 2040. Lopende en nieuwe ontwikkelingen en opgaven vragen om een visionair en samenhangend antwoord. Klimaatverandering, internationale arbeidsmigratie, bereikbaarheidsproblemen, vergrijzing van de bevolking en toenemende internationale concurrentie brengen kansen en risico's met zich mee voor de toekomstige concurrentiepositie in de Randstad. De steden van de Randstad ontwikkelen zich in een economisch krachtenveld van verdere internationalisering. De unieke ligging in de delta, de diversiteit en onderlinge nabijheid van steden en landschappen zijn kwaliteiten die de Randstad onderscheidt van andere Europese stedelijke regio's.

Het kabinet wil keuzes maken vanuit vier leidende principes voor de langere termijn. Dezeleidende principes zijn:

  • 1. leven in een veilige klimaatbestendige en groenblauwe delta;
  • 2. kwaliteit maken door een sterkere wisselwerking groen, blauw en rood;
  • 3. wat internationaal sterk is, sterker maken;
  • 4. krachtige duurzame steden en regionale bereikbaarheid.

3.1.3 Duurzame verstedelijking


In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:

  • 1. voorziet de voorgenomen stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte;
  • 2. kan binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio in de behoefte worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins;
  • 3. wanneer blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld (m.a.w. zorgen voor optimale inpassing en bereikbaarheid).

3.2 Provinciaal en regionaal beleid

3.2.1 Provinciale Structuurvisie 'Visie op Zuid-Holland, Ontwikkelen met schaarse ruimte'

Op 2 juli 2010 is de 'Visie op Zuid-Holland' vastgesteld door PS. De kern van deze visie is het versterken van samenhang, herkenbaarheid en diversiteit binnen Zuid-Holland. Dit draagt bij aan een goede kwaliteit van leven en een sterke economische concurrentiepositie. Duurzame ontwikkeling en klimaatbestendigheid zijn belangrijke pijlers.

Gestreefd wordt naar een samenhangend stedelijk en landschappelijk netwerk. Goede bereikbaarheid, een divers aanbod van woon- en werkmilieus in een aantrekkelijk landschap met ruimte voor water, landbouw en natuur, zijn daarin kenmerkende kwaliteiten.

In de structuurvisie wordt aangegeven welke zaken de provincie Zuid-Holland van provinciaal belang vindt. Hiervoor zijn vijf integrale hoofdopgaven benoemd:

  • Aantrekkelijk en concurrerend internationaal profiel;
  • Duurzame en klimaatbestendige deltaprovincie;
  • Divers en samenhangend stedelijk netwerk;
  • Vitaal, divers en aantrekkelijk landschap;
  • Stad en land verbonden.

'Visie op Zuid-Holland' is zelfbindend voor de provincie. Het toetsingskader voor de gemeente is uitgewerkt in de provinciale verordening

3.2.2 Provinciale Verordening 'Verordening Ruimte Provincie Zuid-Holland'

In de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland, op 2 juli 2010 door Provincale Staten vastgesteld, zijn de provinciale belangen uit de structuurvisie verder uitgewerkt in regels. Aan deze regels moeten ruimtelijke plannen van de gemeenten voldoen.

Deze omgevingsvergunning is niet in strijd met de provinciale verordening.

3.2.3 Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020

Deze structuurvisie is op 25 juni 209 vastgesteld door het Algemeen Bestuur van het samenwerkingsorgaan Holland-Rijnland en vormt het gemeenschappelijke toetsingskader van alle regiogemeenten. Alle ruimtelijke ontwikkelingen in deze regio worden hieraan getoetst.

De visie bevat zeven kernbeslissingen die uitgaan van een evenwichtige ontwikkeling van wonen, recreatie, infrastructuur en intensief, meervoudig en duurzaam ruimtegebruik. De kernbeslissingen zijn:

1. Holland Rijnland is een top woonregio;

2. Leiden vervult een regionale centrumfunctie;

3. Concentratie stedelijke ontwikkeling;

4. Groenblauwe kwaliteit staat centraal;

5. De Bollenstreek en Veenweide en Plassen blijven open;

6. Speerpunt voor economische ontwikkeling: Kennis;

7. Speerpunt voor economische ontwikkeling: Greenport.

De Holland Rijnland gemeenten willen een aantrekkelijke regio, waar je niet alleen plezierig werkt en woont, maar ook prettig kunt recreëren. Ook moet Holland Rijnland goed bereikbaar zijn met het openbaar vervoer en de auto. Verder wil de regio zich onderscheiden in de Randstad en bijdragen aan de internationale positionering daarvan. Onder andere door de toegevoegde waarde op het gebied van landschap, wonen en economie. In het bijzonder voor economische sectoren als Greenport, Bio Sciences en ruimtevaarttechnologie.

Deze omgevingsvergunning is niet in strijd met regionaal beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Leiden 2025

Op 17 december 2009 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie 2025 vastgesteld. De structuurvisie bouwt voort op het Structuurplan Boomgaard van Kennis en de in 2004 vastgestelde Ontwikkelingsvisie: Leiden stad van ontdekkingen. Op de punten die niet in deze structuurvisie zijn opgenomen, is de Boomgaard van Kennis van toepassing. Voor de overige aspecten is de structuurvisie is hiervan de ruimtelijke vertaling. Daarnaast is bij het opstellen van de structuurvisie gebruik gemaakt van de Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland. De prioriteiten die in de Regionale Structuurvisie voor Leiden zijn benoemd, vormen het uitgangspunt van de structuurvisie.

De uitgangspunten van de structuurvisie zijn het bestaande beleid en de ambities en verwachtingen die in overleg met partijen en partners zijn geformuleerd. Dit heeft geleid tot een Structuurvisie met de volgende ambities:

  • de historische binnenstad wordt beter op de kaart gezet;
  • het Bio Science Park en de kenniseconomie worden verder ontwikkeld;
  • de bereikbaarheid wordt verbeterd;
  • de groene en blauwe structuren in en rondom de stad worden versterkt en verbonden;
  • de kansen die zich in het Stationsgebied, Transvaal/Vondellaan en op De Waard aanbieden worden benut om met wonen en werken een bijdragen te leveren aan de versterking van de kennisstad.

Deze omgevingsvergunning is niet in strijd met de structuurvisie.

3.3.2 Ontwikkelingsvisie 'Leiden, stad van ontdekkingen: profiel 2030'

In 2004 is een gemeentelijke ontwikkelingsvisie vastgesteld waarin een toekomstbeeld wordt geschetst van de stad Leiden. De nadruk ligt op twee pijlers. De eerste pijler is kwaliteit. De historie, de ligging en de levendigheid zijn duidelijke kwaliteiten. Daarnaast valt op dat de Leidse bevolking jong is en een goed opleidingsniveau heeft. De tweede pijler is inbreiding en herstructurering. De stad is nagenoeg volgebouwd, met als gevolg een spanning op de woningmarkt en beperkte ruimte voor wonen, werken en recreëren.

3.3.3 Structuurplan 'Boomgaard van Kennis'

Het Structuurplan van Leiden 'Boomgaard van Kennis' is vastgesteld in 1995 en beschrijft in hoofdlijnen de meest gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Leiden. Het is bedoeld als sturingskader voor op te stellen bestemmingsplannen. De drie pijlers zijn de versterking van de kennisintensieve werkgelegenheid, het gebruik van de monumentale binnenstad en het bieden van gevarieerde woonmilieus. Ook hier is geconstateerd dat in het stedelijk gebied van Leiden nagenoeg geen ruimte meer is voor geschikte bouwlocaties. Bij het binnenstedelijk realiseren van (woning)bouwopgaven wordt dus gestreefd naar doelmatig ruimtegebruik en een verbetering van de stedenbouwkundige vervlechting en ruimtelijke kwaliteit.

De pijlers worden uitgewerkt aan de hand van de volgende thema's:

  • de stedelijke contour;
  • de stadsgebieden;
  • de stedelijke zones;
  • de groenstructuur;
  • de schaalniveaus;
  • de intensivering van functies;
  • fietsverkeer;
  • openbaar vervoer;
  • autoverkeer.

In het structuurplan wordt aandacht geschonken aan de belangrijke functie van de binnenstad. Deze binnenstad wordt gekenmerkt door een middeleeuwse en 17e eeuwse stadsplattegrond, omgeven door een groene singel, met daarbinnen een stelsel van grachten en een groot aantal monumenten.

3.3.4 Woonschepenverordening en ligplaatsenplan

Op 18 februari 2010 heeft de raad de verordening woonschepen vastgesteld (RV 10.0016). Deze verordening bepaalt dat voor het innemen van een ligplaats voor een woonschip een vergunning vereist is en onder welke voorwaarden zo'n vergunning verleend wordt. De verordening bepaalt in artikel vijf voorts dat de raad een ligplaatsenplan vaststelt waarin de locaties opgenomen zijn waarvoor een ligplaatsvergunning verleend kan worden. Per locatie is vermeld hoeveel woonschepen er afgemeerd mogen worden en welke afmetingen toelaatbaar zijn.

Om het woonschip waarvoor ligplaatsvergunning verleend is niet in het thans vigerende ligplaatsenplan past dient het ligplaatsenplan aangepast te worden. Gelijktijdig met de procedure van dit ebstemmingsplan 'Corbuloweg' zal de aanpassing van het ligplaatsenplan in procedure worden gebracht. Deze partiële herziening van het ligplaatsenplan woonschepen wordt ook door de gemeenteraad vastgesteld.

De partiële herziening van het ligplaatsenplan betreft een wijziging van kaart P13. Ligplaats P13/1 wordt verlengd naar het zuiden toe, ter hoogte van de Corbuloweg. Het betreft het vervangen van kaart P13 d.d. november 2009 door kaart P13 d.d. september 2007.

Het voornemen tot gedeeltelijke wijziging van het ligplaatsenplan wordt op grond van de gemeentelijke inspraakverordening gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn kan eenieder een inspraakreactie indienen. Deze termijn van zes weken zal parallel lopen met de zienswijzentermijn van deze omgevingsvergunning.

Na vaststelling in de raad en de daarop volgende publicatie is de partiële herziening van kracht geworden. Tegen het besluit tot vaststelling van de partiële herziening is geen bezwaar mogelijk.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden de in dit bestemmingsplan gemaakte keuzes gemotiveerd. Per sectoraal onderwerp is een paragraaf opgenomen, waarin eerst kort het toetsingskader, bijvoorbeeld een wet of beleid, wordt aangegeven. Daarna worden de voor dit plan uitgevoerde onderzoeken besproken, gevolgd door een conclusie.

4.2 Archeologie

4.2.1 Beleidskader
4.2.1.1 Europees en nationaal beleid

In 1992 werd in Valetta door de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen het 'Europees Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed', beter bekend onder de naam 'Verdrag van Malta', ondertekend.

De wet tot goedkeuring van het verdrag is aangenomen door het Nederlands parlement en op 9 april 1998 in het Staatsblad gepubliceerd. Na enkele malen uitstel is het wetsvoorstel in april 2006 door de Tweede Kamer aangenomen en in december van dat jaar door de Eerste Kamer bekrachtigd. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is op 1 september 2007 in werking getreden. De nieuwe wet heeft zijn beslag gekregen via een wijziging van de Monumentenwet 1988, aanpassingen in de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en enkele andere wetten.

Met de nieuwe Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) is het accent komen te liggen op het streven naar het behoud en beheer van archeologische waarden in de bodem (in situ) en het beperken van (de noodzaak van) archeologische opgravingen. Uitgangspunt van het nieuwe beleid is tevens het principe 'de verstoorder betaalt'. Bij het voorbereiden van werkzaamheden die het bodemarchief kunnen verstoren (zoals de aanleg van een weg, een nieuwe woonwijk, een bedrijventerrein), dient onderzocht te worden of daardoor archeologische resten verstoord kunnen worden (dat kan bijvoorbeeld door booronderzoek of sleuvenonderzoek - beide na een gedegen bureauonderzoek).

Als uit het onderzoek blijkt dat er archeologische waarden aanwezig zijn en deze niet ter plaatse behouden kunnen blijven, dan dient de initiatiefnemer van het werk de kosten die gepaard gaan met het opgraven en conserveren van de plaats te dragen.

Met de introductie van de nieuwe wet zijn de kerntaken en bestuurlijke verantwoordelijkheden van gemeenten veranderd. Eén van de belangrijkste consequenties is, dat gemeenten een centrale rol is toegekend in de bescherming van archeologisch erfgoed. In de wet is bepaald, dat gemeenten door inzet van een planologisch instrumentarium het archeologisch belang dienen te waarborgen. Bescherming van het archeologisch erfgoed kan onder meer vorm krijgen door in bestemmingsplannen regels ter bescherming van bekende en te verwachten archeologische waarden op te nemen.

4.2.1.2 Provinciaal beleid

Het beleid van de Provincie Zuid-Holland richt zich, conform het Rijksbeleid en de WAMZ op het behouden van archeologische waarden op de plaats waar de waarden zijn aangetroffen.

Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient onderzoek te worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied. Het provinciale beleid aangaande archeologie staat vermeld in de Visie op Zuid-Holland.

4.2.1.3 Gemeentelijk beleid

Het archeologisch beleid van de gemeente Leiden - vastgelegd in de Nota Cultureel Erfgoed, vastgesteld door de raad op 20 december 2005 - is er op gericht de in de grond aanwezige archeologische waarden zoveel mogelijk te behouden. Wanneer dat niet mogelijk blijkt moet de aanwezige archeologie veilig worden gesteld door middel van opgravingen.

De Leidse bodem is rijk aan archeologische waarden. Veel daarvan zijn echter nog niet of maar ten dele bekend. Bij gebieden waar de waarden niet bekend zijn, maar waar de bodemopbouw de aanwezigheid van archeologische waarden mogelijk maakt, wordt gesproken van een archeologische verwachting. Indien in een in voorbereiding zijnde bestemmingsplan gebieden met archeologische waarden en/of verwachtingen aanwezig zijn dan staan deze gebieden aangegeven op de plankaart binnen de aanduiding “Waarde – Archeologie 1” tot en met “Waarde – Archeologie 7”. Voor werkzaamheden die in deze gebieden de grond verstoren, is een aanlegvergunning noodzakelijk, zoals aangegeven in de regels van het bestemmingsplan, met uitzondering van Waarde – Archeologie 1, daarvoor geldt de vergunningplicht van artikel 11 van de Monumentenwet 1988.

Initiatiefnemers dienen bij de aanvraag van bovengenoemde vergunningen een rapport te overleggen. Daarin moet de daadwerkelijke archeologische waarde van het terrein dat zal worden verstoord zijn vastgesteld.

Het vaststellen van de archeologische waarde vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Voor zover deze stappen gevolgd moeten worden, dienen deze in dat rapport opgenomen te worden met vermelding van de resultaten. Teneinde onnodige procedures te vermijden wordt initiatiefnemer verzocht vooraf contact op te nemen met de Unit Monumenten en Archeologie van de gemeente.

Uitvoering van archeologisch (voor)onderzoek is in Nederland voorbehouden aan daarvoor vergunninghoudende bedrijven of instanties.

4.2.2 Onderzoeksresultaten
4.2.2.1 Inleiding

De gemeente Leiden heeft een rijk bodemarchief. In de afgelopen decennia is bij tientallen opgravingen vastgesteld dat het onderzoek van de archeologische resten die in de bodem verborgen liggen een van de belangrijkste bronnen van kennis over de bewoningsgeschiedenis van de regio rondom Leiden vormt. De doelstelling van het gemeentelijk archeologiebeleid is om de archeologische bronnen zo verantwoord mogelijk te beschermen.

4.2.2.2 Melding toevalsvondst

Ingeval archeologische resten worden aangetroffen dient dit op grond van artikel 53 van de Monumentenwet onmiddellijk te worden gemeld aan de Minister van OC&W, door tussenkomst van de Unit Monumenten en Archeologie van de gemeente, tel. nr. 071-5167950.

De vondst dient gedurende 6 maanden, te rekenen vanaf de datum van de melding, ter beschikking te worden gesteld of gehouden voor wetenschappelijk onderzoek.

4.2.2.3 Waarneming archeologie

Indien in het plangebied de bodem wordt verstoord, kan het voorkomen dat tijdens of na de werkzaamheden een archeologische waarneming plaatsvindt. Deze waarneming wordt verricht als onderdeel van de gemeentelijke onderzoeksagenda en wordt uitgevoerd door een archeoloog van de gemeente Leiden. De kosten van dit onderzoek komen niet voor rekening van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer dient op grond van artikel 57 van de Monumentenwet wel de gelegenheid te bieden tot het uitvoeren van deze werkzaamheden. De initiatiefnemer meldt de aanvang van de werkzaamheden dientengevolge uiterlijk drie weken van tevoren aan de gemeente Leiden.

4.3 Cultuurhistorie

4.3.1 Beleidskader
4.3.1.1 Rijksbeleid

Nota Belvedère (1999)

Beleidsnota over de relatie cultuurhistorie en ruimtelijke ordening.

Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in deze nota beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland.

Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken.

Monumentenwet (1988)

Een deel van het culturele erfgoed wordt beschermd via de Monumentenwet (1988). Deze wet geeft het Rijk de mogelijkheid om objecten met een leeftijd hoger dan 50 jaar aan te wijzen als rijksmonument. Rijksmonumenten worden wettelijk beschermd via het vergunningenstelsel en bij restauratie zijn financiële middelen beschikbaar. De 'Monumentenwet' geeft daarnaast de mogelijkheid tot aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten. Onder stads- en dorpsgezicht worden groepen van onroerende zaken bedoeld die een bijzondere eigenschap hebben en in welke zich een of meer monumenten bevinden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen de cultuurhistorische waarden binnen het geschermd stadsgezicht als belangrijk toetsingscriterium te worden gehanteerd. Dit krijgt ondermeer vorm door bescherming via aangepaste bestemmingsplannen en het daarbij horende vergunningenstelsel.

De Monumentenwet richt zich vooralsnog voornamelijk op bescherming. Wijzigingen in het monumentenstelsel zijn aangekondigd door het Rijk maar zijn nog niet omgezet in wetgeving.

Wel is duidelijk dat verankering van cultuurhistorie in ruimtelijke ontwikkelingen doormiddel van de ruimtelijke ordening een belangrijke rol zal gaan spelen. Wanneer het gewenst is dat monumenten gebruikt worden voor het stimuleren van ontwikkelingen, zal de gemeente andere instrumenten een rol moeten laten spelen. De Monumentenwet geeft aan gemeenten de vrijheid om zelf monumenten aan te wijzen en een monumentenlijst op te stellen. Een gemeentelijk monument mag jonger zijn dat 50 jaar.


Modernisering Monumentenzorg

In 2009 heeft de minister van OC&W de modernisering van de monumentenzorg in gang gezet. Dit beleidsprogramma omvat een drietal pijlers: cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, vereenvoudiging regelgeving en herbestemming. De rode draad door het beleid is om de monumentenzorg om te vormen tot een meer gebiedsgericht instrument dat cultuurhistorie in het ruimtelijk domein in den brede zin onderzoekt, borgt en hergebruikt. Concreet betekent dit voor bestemmingsplannen dat er, doormiddel van een wijziging in het Besluit Ruimtelijke Ordening, met ingang van 01-01-2012 in bestemmingsplannen moet worden aangegeven wat de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden zijn en op welke wijze hiermee rekening wordt gehouden.

Ook de tweede pijler, vereenvoudiging van de regelgeving, is per 01-01-2012 gerealiseerd doormiddel van een wetswijzing. Hierbij geldt geen vergunningplicht vanuit de monumentenwet meer voor nader omschreven ondergeschikte wijzigingen van een rijksmonument en voor bepaalde bouwactiviteiten binnen een beschermd stadsgezicht. Een en ander wordt via een wijziging van het Besluit Omgevingsrecht toegepast. De laatste pijler zal vooral gestalte krijgen door het financieel stimuleren van onderzoek naar herbestemmingmogelijkheden en het wind-en waterdicht houden van leegstaande gebouwen.

Een overkoepelend beleidsuitgangspunt binnen de Modernisering Monumentenzorg is de grotere rol van de burger bij het waarderen van en de omgang met erfgoed. Van oudsher bepalen de overheid en inhoudelijk deskundigen wat de cultuurhistorische waarden inhouden en wat en hoe zaken worden beschermd. Het beleid is er op gericht om burgers daar meer bij te betrekken maar ook een grotere stem daarin te geven.
 

4.3.1.2 Provinciaal beleid

Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland

In de Provinciale Structuurvisie Zuid-Holland 2010 is het behoud van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) als provinciaal belang omschreven. In de CHS is een aantal gebieden aangewezen als topgebieden. De daadwerkelijke beleidsmatige aandacht van de provincie Zuid-Holland voor de diverse gebieden in in de CHS beperkt zich tot de zogenaamde topgebieden, molenbiotopen, landgoedbiotopen en archeologie. In de regioprofielen zijn de cultuurhistorische waarden binnen deze topgebieden nader omschreven en worden richtlijnen gegeven voor het behoud van deze waarden. Het volledige grondgebied van de gemeente Leiden ligt buiten deze topgebieden waardoor dit beleidsinstrument niet van toepassing is op de gemeente Leiden.

4.3.1.3 Gemeentelijk beleid

Nota Cultureel Erfgoed Leiden 2005-2015 (2005)

De nota Cultureel Erfgoed Leiden is in 2005 vastgesteld en vervangt twee oudere nota's: de Leidse Monumentennota uit 1991 en de beleidsnota Archeologie 1996-2000, Toekomst voor Leids verleden uit 1996. Daarin is in 43 beleidsvoornemens het Leids erfgoedbeleid vastgelegd voor de periode 2005-2015.

De nieuwe nota pakt de beleidsterreinen Monumentenzorg en Archeologie gezamenlijk op. Dit is nodig om een integraal beleid te ontwikkelen ten aanzien van het cultureel erfgoed van Leiden, een ontwikkeling die landelijk al werd ingezet door de Belvedèrenota van 1999. Hierin werd vooral de nadruk gelegd op de integratie van cultuurhistorie in ruimtelijke ontwikkelingen, een aandachtspunt dat ook in deze nieuwe nota duidelijk naar voren komt. Ook andere ontwikkelingen die plaatsvinden binnen de monumentenzorg en archeologie komen tot uiting in deze nota; van de nieuwe archeologiewetgeving (Malta) tot de tegenwoordig veel grotere belangstelling voor het monument achter de gevel (bouwhistorie).


Monumentenverordening en monumentenlijst (2009)

De gemeente Leiden hanteert de Monumentenverordening 2009. Deze verordening geeft regels over hoe om te gaan met gemeentelijke monumenten. De bescherming van de monumenten is geregeld in de Monumentenwet of de gemeentelijke verordening.


Karakteristieke panden

Naast de aanwijzing van gemeentelijke monumenten hanteert de gemeente Leiden nog het instrument van karakteristieke panden. Doel daarvan is de bijdrage aan de beeldkwaliteit van de openbare ruimte door de aanwezige historische bebouwing te borgen. De aanduiding en bescherming van de karakteristieke panden wordt, indien relevant, geregeld in het betreffende bestemmingsplan. De bescherming sterkt zich niet uit tot het interieur van de betreffende panden maar heeft alleen betrekking op het volume, de hoofdvorm en het aanzicht. In de welstandsnota zijn aanvullende criteria opgenomen die toezien op de kwaliteit van materiaal en detaillering van de straatgevels en het dak.

4.3.2 Onderzoeksresullaten
4.3.2.1 Beschermd stads- of dorpsgezicht

Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht.

4.3.2.2 Landgoederenbiotoop

Het projectgebied ligt niet in een landgoederenbiotoop.

4.3.2.3 Molenbiotoop

Het projectgebied ligt niet binnen de invloedssfeer van een molenbiotoop.

4.3.2.4 Rijksmonumenten

In het projectgebied zijn geen Rijksmonumenten aanwezig.

4.3.2.5 Gemeentelijke monumenten

In het projectgebied zijn geen gemeentelijke monumenten aanwezig.

4.3.2.6 Karakteristieke panden

In het projectgebied zijn geen karakteristieke panden aanwezig.

4.4 Kabels en leidingen

Op de locatie van het bouwplan zijn kabels en leidingen aanwezig welke een belemmering kunnen vormen. geadviseerd wordt om bij de uitvoering van het plan hier rekening mee te houden en te overleggen met de verschillende nutsbedrijven voor eventuele verleggingen van de kabels en leidingen.

4.5 Milieuaspecten

4.5.1 Bedrijven en milieuzonering

De Corbuloweg is een (doodlopende) zijstraat van de Zoeterwoudseweg. Het plangebied (water) ligt precies tussen de westzijde van de Zoeterwoudseweg (1) , de oostzijde van de Rooseveltstraat (2), de noordwestzijde van het Lammenschansplein (3) en de noordzijde van de Voorschoterweg (4) in. De gebieden 1 en 2 zijn een bedrijventerrein; gebied 3 is gemengd gebied en gebied 4 is een drukke verkeersweg. Het plangebied kan worden getypeerd als gemengd gebied (bron: VNG uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', 2009). Dit houdt in, dat de door de VNG aanbevolen afstand voor een milieucategorie één klasse lager mogen worden gesteld. De daarbij behorende afstanden worden in onderstaande tabel vermeld.

De volgende bedrijven en/of activiteiten zijn aanwezig in de buurt van het plangebied (VI is de Verkeersintensiteit):

Bedrijf/activiteit   Adres   SBI-2008   Milieu cat.   Minimale gewenste afstand in gemengd gebied   Huidige afstand tot het plangebied  
Cementbouw Bouwstoffen   Zoeterwoudseweg 29   4752   2   10m, geluid;
VI=3@  
3 à 5 m  
Hogerheide Bedrijfswagens   Rooseveltstraat 74a   451, 452, 454   2   10m, geluid;
VI=2  
40 m  
Flatgebouw, diverse bedrijfjes   Lammenschansweg 6 t/m 32   Kleinschalig   1 of geen Wm-inrichtingen   0m   15 à 18 m  

Gelet op bovenstaande vormt de omgeving van het plangebied, met name dus het bedrijf Cementbouw Bouwstoffen, een belemmering aangezien de afstand tussen dit bedrijf en de nieuwe ligplaats van het woonschip kleiner is dan de richtafstand uit de VNG uitgave.

Het aspect geluid vormt hierbij mogelijk een belemmering. Onder het aspect geluid zal hierop dieper worden ingegaan.

4.5.2 Bodem

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het realiseren van dit plan.

4.5.3 Externe veiligheid

Het plan ligt niet in het invloedsgebied van een bedrijf waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of geproduceerd. Ook ligt het niet in een invloedsgebied van een spoorlijn, waterweg of buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen.

De locatie ligt in het effectgebied van de A4, maar wel een op ruime afstand van 1 km. Vanwege het transport van toxische vloeistoffen van categorie LT3 heeft de A4 een effectgebied van meer dan 4 kilometer. Een enkele nieuwe woonboot heeft geen effect op de hoogte van het groepsrisico of op andere externe veiligheidsaspecten zoals bereikbaarheid, capaciteit hulpverleningsdiensten of zelfredzaamheid.

De locatie ligt op circa 50 meter van de N206 (Lammenschandplein, Voorschoterweg). Een enkele woonboot heeft geen effect op de hoogte van het groepsrisico of op andere externe veiligheidsaspecten zoals bereikbaarheid, capaciteit hulpverleningsdiensten of zelfredzaamheid.

Externe veiligheid is geen belemmering voor het realiseren van het plan.

4.5.4 Geluid

Ligplaats voor woonschepen

Bestemde ligplaatsen voor woonschepen worden sinds 1 juli 2012 in het Besluit geluidhinder als geluidsgevoelig terreinen genoemd. Er is voor toepassing van de Wet geluidhinder (Wgh) in het ruimtelijk spoor (Wro, afwijken bestemmingsplan Wabo) specifiek overgangsrecht opgenomen. Ligplaatsen in het water die tot uiterlijk 1 juli 2012 in een gemeentelijke verordening zijn aangewezen om door een woonschip te worden ingenomen kunnen tot 1 juli 2022 bij de eerste toepassing van een aantal procedures van rechtswege worden opgenomen in het bestemmingsplan zonder dat ze worden getoetst als geluidsgevoelig terrein

Uit de aangeleverde informatie van de gemeente Leiden (ligplaatsvergunning van 7 januari 2013, kenmerk BV 091055/LP 13-01) blijkt dat het overgangsrecht in deze van toepassing is. In de vergunning wordt namelijk verwezen naar een ligplaatsenplan van 21 april 2009. Dit ligplaatsenplan is een algemeen verbindend voorschrift en volgt uit de gemeentelijke woonschepenverordening. Toetsing aan de Wgh is niet aan de orde.


Bedrijfslawaai

De geluidsbelasting van de omgeving op de locatie kan aanzienlijk zijn omdat er verschillende bedrijven direct naast het plangebied zijn gelegen (zie ook aspect bedrijven en milieuzonering). Voor deze bedrijven kan de beoogde woonbestemming belemmeringen opleveren voor de nu ontplooide activiteiten. Gezien het feit dat het woonschip in dit geval niet als een geluidgevoelig object beschouwd wordt, zijn de geluidnormen uit activiteitenbesluit niet van toepassing.


Goede ruimtelijke ordening

Gelet op de nabij ligging van enkele geluidsbronnen (wegen en bedrijven) blijft de vraag in hoeverre de geplande locatie van het woonschip op grond van een goede ruimtelijke ordening gewenst is. Op basis van akoestisch onderzoek kan worden nagegaan in hoeverre hiervan sprake is en kan worden bepaald in hoeverre (isolerende) maatregelen gewenst zijn om een vanuit akoestisch oogpunt beter leefmilieu te creëren.


Conclusie

Gelet op het overgangsrecht voor woonschepen is geen sprake van een geluidgevoelige bestemming en is de Wgh niet van toepassing. De geluidnormen uit het activiteitenbesluit vormen hierdoor evenmin toetsingskader. Het aspect geluid vormt dus formeel geen belemmering.

4.5.5 Luchtkwaliteit

Er worden minder dan 1.500 woningen gerealiseerd. Het plan bestaat uit de realisatie van 1 ligplaats voor een woonschip in de Trekvliet. Volgens bijlage 3B van de Regeling "niet in betekenende mate" zal het plan hierdoor "niet in betekenende mate" bijdragen. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden. In dit geval is er geen sprake van een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen.

Om inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging, kunnen de concentraties uit de digitale monitoringstool, die behoort bij het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) worden gebruikt. Uit de monitoringstool blijkt dat de concentraties stikstofdioxide en fijn stof ter plaatse van de dichts bijgelegen doorgaande weg de Lammenschansweg ter hoogte van de kruising met de Zoeterwoudseweg, in 2011 respectievelijk 34,3 µg/m3 en 26,5 µg/m3 (zonder zeezoutaftrek) bedragen. Hiermee wordt voldaan aan de ambitie uit de duurzaamheidsagenda 2011-2014.

Er zijn geen belemmeringen voor het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit.

4.6 Milieueffectrapportage

In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling uitgevoerd moet worden als een project belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Het gaat dan om een project dat genoemd is in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r. In dit geval wordt het plan niet genoemd in deze bijlage (categorie D 11.2 , stedelijk ontwikkelingsproject). Een m.e.r. beoordeling of plan M.E.R. is niet nodig.

4.7 Stedenbouwkundige inpassing

Omschrijving bouwplan

Aanleggen van een woonboot aan de oever van de Trekvliet oostzijde ter hoogte van de Corbuloweg


Stedenbouwkundige context

De Trekvliet is één van de historische watergangen die bepalend zijn geweest voor de ruimtelijke structuur. Het is de scheiding tussen Leiden Zuidwest en Lammenschans. De Trekvliet ter hoogte van de Corbuloweg scheidt de bedrijventerrein van de Roosevelstraat en langs de Zoeterwoudseweg. De bedrijven liggen met hun achterkanten van gebouwen en percelen naar het water toe. De bedrijvenstrook langs de Zoeterwoudseweg is een geleidelijke gegroeide lint aan bedrijfsgebouwen waar soms tot aan het water is gebouwd en soms bedrijfspercelen nog direct aan het water grenzen. De Roosevelstraat is een projectmatig ontwikkkeld bedrijventerrein met diepe kavels tot aan het water of voor- en achterkavels tot aan het water. Aan de zuidzijde grenst bedrijventerrein Rooseveltstraat aan de Voorschoterweg met een brede groenstrook, de Zoeterwoudseweg eindigt met een appartementenblok aan het Lammenschansplein. De achterzijde van dit appartementenblok is de Corbuloweg, een doodlopende weg die het appartementenblok ook met de winkel- en dienstenfuncties en privégarages van de appartementen ontsluit. De Corbuloweg is de oude route van de Zoeterwoudseweg richting Zoeterwoude maar vanaf creatie van het Lammenschansplein in de jaren '60 loopt de Corbuloweg hier dood tot aan het water. Perceel wordt begrensd door een ongedefinieerde groenstrook, een rommelige oever en het terrein van een industrieel bedrijf aan de Zoeterwoudseweg. Tussen Zuidwest en Lammenschans loopt de Voorschoterweg over een brug heen die uitkomt op het Lammenschansplein. Vanaf de brug is goed uitzicht op de Trekvliet met beide achterkanten van de bedrijventerreinen. Het ligt aan de achterzijde van het appartementengebouw aan het Lammenschansplein en bij één van de toegangswege naar een aansluitend bedrijfsterrein.


Stedenbouwkundige beoordeling

Beleid voor ligging van woonschepen is geregeld in het Ligplaatsenplan. Daarin wordt aangegeven waar locatie mogelijk woonschepen kunnen komen, welke afmetingen ze mogen hebben. In het bestemmingsplan worden deze locaties overgenomen en aangevuld met ruimtelijke inrichtings- en bebouwingsnormen voor bijgebouwen aan kade of tuin en gebruik van gedeelten van de oever.

Op het ogenblik liggen er geen woonschepen aan de locatie.

In het voorgaande bestemmingsplan Zoeterwoudseweg zijn geen ligplaatsen opgenomen. De bestemming is Water maar die bepaald dat er geen woonschepen aangelegd mogen worden.In het nieuwe bestemmingsplan Lammenschansdriehoek heeft de locatie Water en ligt deels in een wijzigingsgebied 3. De oever heeft de bestemming Groenvoorzieningen.

Woonschepen zijn uitsluitend toegestaan in zone met aanduiding Woonschepenligplaats 1 of 2. Het wijzigingsgebied 3 staat toe dat er 2 ligplaatsen voor woonschepen mogelijk te zijn met de voorwaarden:

  • a. onderlinge afstand tussen woonschepen met bijbehorende voorzieningen minimaal 2m is en dat onderlinge afstand tussen opbouwen minimaal 5m is;
  • b. afmetingen woonschip: ligplaats maximaal 20m lang en 8m breed;
  • c. afmetingen opbouw maximaal 18m lang en 7m breed; hoogte opbouw maximaal 4m;
  • d. maximale toegestane afstand van de verst verwijderde gevel van de opbouw tot aan de wal is 7.50m;
  • e. belangen van derden mogen niet geschaad worden;
  • f. milieuhygiënisch inpasbaar zijn binnen milieuhindercontouren van bedrijven.

Erfbebouwing in bestemming Groen voor woonschepen is niet toegestaan.

In het Ligplaatsenplan woonschepen uit 1997 en aangepast in 2007 en 2009 is de locatie in een zone aangegeven, bekend als P13. Voor het woonschip is een ligplaatsvergunning afgegeven en dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd.

De locatie aan de oostzijde van de Trekvliet is geen projectgebied of ontwikkelingszone. Ligging van een woonschip aan deze zijde is geen belemmering voor een ruimtelijke ontwikkeling, aan de westzijde zou dat wel geval zijn waar in Gebiedsvisie Zuidwest en bestemmingsplan Zuidwest een zone wordt vrijgehouden om een recreatieve verbinding langs het water te kunnen aanleggen. Ruimtelijke visievorming is onder ander opgenomen in Bedrijventerreinenbeleid: van bedrijventerreinen naar werklandschappen. Voor het zuidelijke deel van de Zoeterwoudseweg wordt een groene inrichting nagestreefd en transformatie naar een gemengd woonwerkmilieu. Langs de Trekvliet een vrije groene zone open houden van 5m. Dit is geprojecteerd op het aangrenzende bedrijfskavel dat in het nieuwe bestemmingsplan een positieve bedrijfsbestemming krijgt. Vooralsnog is deze ruimtelijke visie niet van kracht. Ligging van het woonschip is dan ook geen ruimtelijke belemmering.

Voor het gebied Lammenschansdriehoek is een ruimtelijke en planologische visie vastgesteld. Deze geldt alleen voor het gebied tussen Lammenschansweg, spoorlijn, Kanaalweg en het Lammenschansplein. Aanleg van het woonschip is ten westen van de Lammenschansweg en dan ook geen ruimtelijke belemmering voor de Ontwikkelingsstratgie


Zichtbaarheid en zichtlijnen

Het woonschip zal vanaf de brug van de Voorschoterweg zichtbaar zijn omdat de brug 3m hoog is. Vanaf de brug is een zichtlijn over het water van de Trekvliet.

Doordat de Trekvliet hier schuin ligt op de brug is het woonschip wel zichtbaar, maar wordt de zichtlijn op het water niet belemmert. De openheid van het water vanaf de brug zichtbaar blijft in stand.

Vanaf de Corbuloweg is woonboot ook zichtbaar maar omdat deze ligt tegen de perceelsgrens van het bedrijfsterrein zal aan deze zijde het zicht op het water niet onevenredig afnemen. Het terrein achter het appartementengebouw is vooral ontsluiting naar het bedrijfsperceel en het parkeren voor de appartementen en bedrijven in de plint. Er loop geen doorgaande recreatieve fiets- en wandelroute. Een deel van het jaar is door bosschages langs de oever minder zicht op het woonschip.


Verschijningsvorm

Bij de aanvraag is een globale schets gegeven en de afmetingen. Ligging en afmetingen zijn opgenomen in de ligplaatsvergunning. Locatie geschikt om een architectonisch representatief woonschip te laten innemen. Echter geveltekeningen ontbreken zodat geen inzicht is hoe de uitstraling en presentatie van de woonboot naar de omgeving zal zijn. Dit is wel van belang omdat het woonschip zichtbaar is vanaf de Trekvlietbrug en de Trekvliet een recreatieve vaarroute is. De achterkanten van de bedrijfspanden naar het water toe zijn vaak achterkanten met gesloten gevels, rommelige opslag en oude hekwerken en elke verbetering van gevelfront langs het water naar het water toe is welkom Inzicht in verschijningsvorm is wenselijk. In beginsel wordt de verchijningsvorm getoetst aan het Welstandsbeleid. Aspecten zijn onder meer:

  • g. woonschip moet een positieve bijdrage leveren aan de sfeer op het water
  • h. bij woonschip dienen voorzieningen ten bate van het woonschip op de wal erbij betrokken woren
  • i. duidelijke vorm, of een woonark of een voormalig vaartuig
  • j. eenvoudige hoofdvorm, de woonfunctie is afleesbaar, hoofdmassa 1 soms 2 bouwlagen met plat dak of licht hellend ekap
  • k. eenvoudige geleding van de gevel; beëindiging hoofdvolume te benadrukken met overstek, eenvoudige materialisatie in houten beschot, daken gedekt met bitumen, kleuren donker en afgestemd op omgeving


Bijkomende omgevingsaspecten zijn de hoeveelheid woonschepen langs een oever, gebruik van de oevers, ruimtelijke eenheid van kade en water en de beleving van het water vanaf de oevers. Uitgangspunt is inpassing in de omgeving, aanhouden van minimale afstanden en behoud van doorzichten op het water. Plaatsing bij voorkeur parallel aan de oever.


Erfbebouwing en gebruik oevers/buitenruimte

De woonboot komt langs de oever dat nu een groenstrook is. Niet duidelijk is hoe de locatie wordt ontsloten en wat voorzieningen er in de groenstrook als verharding aangelegd worden. Moeten er bomen verwijderd worden? Veranderd het groene karakter van de bosschages? In principe mag er in groenstroken geen erfbebouwing komen en geen perceelscheidingen. Bij woonschepen is vaak te zien dat de strook langs het schip aan de landkant wordt gebruikt voor buitenruimte en bergingen.Er is dan sprake van privatisering van de oevers, zowel voor buitenruimte als voor erfbebouwing. De verschijningsvorm daarvan is heel wisselend: van groene hagen tot hoge schuttingen en een variateit aan schuren en bergingen. Inzicht in hoe de strook aan de landzijde van het woonschip gebruikt zal worden en of er erfbebouwing geplaats zal worden is wenselijk. Vooralsnog zijn hoge erfafscheidingen en bebouwingen aan de walkant niet toegestaan.


Sociale controle en toezicht

Corbuloweg is een doodlopende straat die enerzijds toegang is tot een bedrijfsperceel en anderzijds ontsluiting naar parkeren van de woningen en bedrijven van het gebouw aan het Lammenschansplein. Buiten de bedrijfsttijden zal dit een wat stil en verlaten plek zijn. Ligging van een woonschip aan het einde betekent verbetering van sociale veiligheid en toezicht.


Invloed op belendingen

Het woonschip ligt op voldoende afstand van de appartementen aan het Lammenschansplein om geen vermindering van privacy,uitzicht, dag- en zonlichttoetreding tot gevolg te hebben. Deze afstand is ongeveer 20m

Milieuzonering bedrijfsterrein

De ligplaats is direct naast een bedrijfsperceel van een bedrijf aan de Zoeterwoudseweg. . Aandachtspunt is dat het woonschip op voldoende afstand van het bedrijf ligt om conflict met toegestane milieucategorie te voorkomen. Dit betreft dan bijvoorbeeld eisen over trillingen, geluid, geur en risico. Aan de overzijde ligt het bedrijfsterrein Roosevelststraat dat mogelijk ook een milieuzonering heeft richting de overzijde, dus deze zijde van de Trekvliet.


Historische situatie

|In het verleden hebben op de locatie al woonschepen gelegen, maar dat betrof een tijdelijke situatie. Het betrof toen alleen aanleg van een kleiner woonschip, geen voorzieningen op de walkant. Dit is rond 2006-2008 geweest.


Stedenbouwkundig advies

Stedenbouwkundig is de ligplaats akkoord.

4.8 Verkeer en vervoer

4.8.1 Beleidskader
4.8.1.1 Nota Mobiliteit

De Nota Mobiliteit geeft de visie van het rijk op het verkeer en vervoersbeleid weer tot en met 2020. De Nota is in samenwerking met de provincies, gemeenten, kaderwetgebieden en waterschappen tot stand gekomen. De Nota Mobiliteit is een zogenaamde planologische kernbeslissing (pkb), een planfiguur die wordt beschreven in de Wet op de Ruimtelijke Ordening en die de nota zijn wettelijke status geeft. Dit betekent dat eerst een beleidsvoornemen wordt gemaakt, waarna inspraak en advies volgen en tot slot een kabinetsstandpunt met parlementaire behandeling. De ruimtelijke aspecten van het verkeers- en vervoersbeleid komen terug in de Nota Ruimte van het ministerie van VROM.

De minister van Verkeer en Waterstaat heeft op 28 mei 2004 de hoofdlijnennotitie voor de Nota Mobiliteit aan de Tweede Kamer aangeboden. In de hoofdlijnennotitie worden de volgende beleidsdoelen aangegeven:

  • het verbeteren van de internationale bereikbaarheid;
  • het verbeteren van de interne en onderlinge bereikbaarheid van de nationale stedelijke netwerken en economische kerngebieden;
  • een goed functionerend systeem voor het vervoer van personen en goederen als essentiële voorwaarde voor economische ontwikkeling;
  • het inzetten op proces- en technologie-innovatie ter realisering van de beleidsdoelen.

De uitgangspunten bij het realiseren van deze beleidsdoelen zijn betrouwbare reistijden, vlotte en veilige verkeersafwikkeling binnen de (inter)nationale wettelijke en beleidsmatige kaders van milieu en leefomgeving. Een goede bereikbaarheid is een voorwaarde voor de sociale en economische ontwikkeling in Nederland. Op zijn beurt creëert die ontwikkeling weer nieuwe mobiliteit. Mobiliteit mag, maar niet altijd en overal. Mensen moeten mobiel kunnen zijn om maatschappelijk te kunnen participeren.

4.8.1.2 Regionaal verkeer- en vervoerplan (RVVP)

Begin juli 2002 is het ontwerp Regionaal Verkeer- en Vervoerplan verschenen. In dit RVVP met de titel 'De Regio's Verbonden' wordt aangegeven wat de komende jaren het beleid zal zijn voor de Leidse Regio, de Duin en Bollenstreek en de Provincie Zuid-Holland. Met het plan wil men vraagstukken aanpakken die op het gebied van mobiliteit een bijdrage leveren aan een goed klimaat om te wonen, werken en ondernemen in de regio.

Ten aanzien van het plangebied zijn de volgende aandachtsvelden van belang:

  • Mobiliteit en ruimte; dit aandachtsveld stelt de volgende doelen:
  • a. betere afstemming van de ruimtelijke ontwikkelingen en de vervoersnetwerken;
  • b. bundeling van activiteiten op locaties die goed bereikbaar zijn met de vervoermiddelen die daarbij horen; in dit geval het openbaar vervoer;
  • c. een uitgekiende ruimtelijke ordening, zodat gebruik van fiets en openbaar vervoer gestimuleerd worden.
  • De fiets; dit aandachtsveld stelt de volgende doelen:
  • a. meer gebruik van de fiets in stedelijke gebieden;
  • b. gebruik van fiets als voor- en natransport bij het openbaar vervoer.
  • Openbaar vervoer; dit aandachtsveld stelt de volgende doelen:
  • a. een snel en hoogwaardig verbindend regionaal hoofdnet (RijnGouwe-Lijn);
  • b. het hoofdnet en het onderliggend netwerk moeten afzonderlijk en eenduidig herkenbaar zijn.

4.8.1.3 Gemeentelijk verkeer- en vervoerplan (GVVP) 'Leiden, stad in beweging'

Leiden is strategisch gelegen als schakelpunt tussen de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad. Dat blijkt ook uit de mobiliteitscijfers. De gemiddelde Leidenaar maakt 10% meer verplaatsingen dan personen in vergelijkbare sterk stedelijke gemeenten. Om dit zowel nu en in de toekomst vlot en veilig te kunnen blijven doen zijn er diverse inspanningen nodig.

Omdat het verkeers- en vervoersbeleid in Leiden nu nog verwerkt is in een scala aan deelplannen is dit integraal verkeers- en vervoersplan opgesteld. Hierin is de onderliggende visie verwoord, wordt de samenhang met andere vakdisciplines aangeven, komen alle vervoerwijzen aan bod en is een actieplan opgesteld voor uitwerking van het beleid. Nadrukkelijk is daarbij gekeken naar de verwachtingen voor de toekomst.

Centraal binnen het plan staat het stimuleren van duurzame mobiliteit. Dat wil zeggen dat door de te nemen maatregelen én de noodzakelijke bereikbaarheid van voorzieningen met verschillende vervoerswijzen is gewaarborgd én een bijdrage wordt geleverd aan een kwalitatief goede leefomgeving. De mobiliteitsvraag wordt gefaciliteerd uit oogpunt van vitaliteit en economie. Echter, Leiden als historische stad en verblijfsplaats, waar de netwerkstructuur en de openbare ruimte niet optimaal zijn ontwikkeld op het massale autogebruik van de nieuwe tijd, noodzaakt wel tot een beheerste groei van die mobiliteit.

Er wordt sterk ingezet op behoud en verbetering van het aandeel langzaam verkeer in de verplaatsingen in de stad en toekomstige mobiliteitsgroei wordt zo veel mogelijk gekoppeld aan adequaat openbaar vervoer (RGL). De parkeerstrategie zet in op ontlasting van de (binnen)stad en opvang aan de stadsrand (P&R, transferia), gekoppeld aan de RijnGouweLijn, zoals dat ook geldt voor de realisering van ontbrekende schakels in het rand- (A4-A44) en ring- (Kanalenroute, via Zijldijk) wegenstelsel op langere termijn.

Zowel op korte als langere termijn leveren vervoers- en verkeersmanagementmaatregelen een bijdrage aan de oplossing. De strategie is uitgewerkt in een vijftal samenhangende thema's: mobiliteit, ruimtelijke ordening, bereikbaarheid, leefbaarheid en randvoorwaarden.

4.8.1.4 Kadernota bereikbaarheid

Op 26 mei 2009 heeft de raad de Kadernota Bereikbaarheid vastgesteld. In deze kadernota is beleid vastgesteld omtrent de thema's verkeerscirculatie, parkeren, milieu, verkeersveiligheid, openbaar vervoer en fietsverkeer.

De kadernota noemt een aantal knelpunten op het gebied van bereikbaarheid en stelt enkele concrete projecten voor.

4.8.1.5 Parkeerbeleidsplan

In januari 2002 is het Parkeerbeleidsplan Leiden vastgesteld door de gemeenteraad. De gemeente stelt voor haar gehele grondgebied een parkeerbeleid vast.

Daarin wordt onder andere bepaald waar in de gemeente betaald moet worden voor parkeren, waar een vergunning vereist is en welke normen worden gehanteerd voor de benodigde hoeveelheid parkeerplaatsen.

4.8.2 Onderzoeksresultaten
4.8.2.1 Ontsluiting

De ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de Corbuloweg. De toevoeging van 1 extra woonschip levert geen problemen op op deze locatie.

De ontsluiting van het woonschip zelf zal via een steiger of vlonder moeten plaats vinden. Hiervoor moet een constructie worden gemaakt vanaf de gemeentelijke wal tot aan het woonschip.

4.8.2.2 Parkeren

Inleiding

De gemeente Leiden hanteert de kencijfers van kennisorgaan CROW als leidraad voor het bepalen van parkeereisen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Deze kencijfers worden landelijk geaccepteerd als leidende adviesnormen voor parkeersituaties.

De CROW-kencijfers bieden adviesnormen voor verschillende functies, en met verschillende bandbreedtes. De gemeente Leiden hanteert in beginsel de maximale bandbreedte met de strengste norm, behalve in gebieden die buitengewoon goed ontsloten zijn met openbaar vervoer, zoals gebieden in de directe omgeving van NS-station Leiden Centraal of NS-station Lammenschans.

Parkeerberekening

Bij de berekening van de parkeereis wordt altijd van de bestaande situatie uitgegaan als zijnde de nulsituatie, waarbij het uitgangspunt geldt dat de parkeersituatie niet mag verslechteren. Ook in gebieden waar de parkeersituatie reeds slecht is kunnen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden, zolang aan dit uitgangspunt wordt voldaan. Daarom is het verschil in de parkeerbehoefte in de oude situatie vergeleken met de parkeerbehoefte in de toekomstige situatie, en is dit verschil als parkeereis aan de ontwikkelaar voorgelegd. Deze heeft het bouwplan aangepast, om te voldoen aan de parkeereis.

De aanvraag betreft het maken van een ligplaats voor een woonschip. Deze ligplaats komt in de Trekvliet nabij de Corbuloweg. Het betreft het gebied 'schil van Leiden'.

Het woonschip krijgt een oppervlakte b.v.o. van circa 90 m2.

Er is geen bestaande functie aanwezig. De parkeervraag van de nieuwe situatie is dan ook de parkeereis. Voor een koopwoning tussen 65 m2 en 100 m2 in het gebied schil geldt 1,4 p.p. per woning. De parkeereis is dus 1,4 p.p., afgerond 1 p.p.

De woonboot komt gedeeltelijk te liggen achter een bedrijventerrein. Op dit bedrijventerrein zijn openbare parkeerplaatsen aanwezig. De parkeervraag van bedrijven is vooral aanwezig op werkdagen overdag. Dat van woningen vooral 's avonds en in het weekend. Het is aannemelijk dat de parkeervraag dus eventueel opgelost kan worden binnen een straal van 400 meter door te parkeren op één van de openbare parkeerplaatsen. 's Avonds en in het weekend laat de parkeerdruk dit toe.

4.9 Water

4.9.1 Beleidskader
4.9.1.1 Europees en nationaal beleid

Nationaal Waterplan 2009-2015

In de aard en omvang van de nationale waterproblematiek doen zich structurele veranderingen voor. Klimaatveranderingen, zeespiegelstijging, bodemdaling en verstedelijking maken een nieuwe aanpak in het waterbeleid noodzakelijk. In februari 2001 sloten daarom het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en Vereniging van Nederlandse Gemeenten de 'Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw'. Daarmee werd de eerste stap gezet in het tot stand brengen van de noodzakelijke gemeenschappelijke aanpak. Twee jaar later werden de resultaten van die samenwerking en van voortschrijdende kennis en inzicht neergelegd in het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Dit akkoord heeft een bijdrage geleverd aan het Nationaal Waterplan.


Het Nationaal Waterplan beschrijft het nationale beleid ten aanzien van water en is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998. Het beschrijft manieren waarop Nederland kan anticiperen op klimaatverandering en andere uitdagingen met betrekking tot de waterkwaliteit, waterhuishouding en grondwaterstand. In dit kader zijn projecten als Ruimte voor de Rivier en de Maaswerken uitgerold, en worden zwakke plekken in de Nederlandse waterlinie gerepareerd. Het Nationaal Waterplan bevat een uitvoeringsprogramma voor de periode 2009-2015 en een langetermijnvisie tot 2040.

Watertoets en waterparagraaf (2003)

Om mogelijke complicaties met wateroverlast bij ruimtelijke ontwikkelingen te voorkomen, om een goede waterkwaliteit te kunnen waarborgen én om de beleving van water voor burgers te vergroten, is het nationale Watertoetsproces in het leven geroepen. De Watertoets is een sinds 2003 verplichte procedure die er voor zorgt dat de waterbeheerder (het Hoogheemraadschap) in een zo vroeg mogelijk moment bij de planvorming worden betrokken. De Watertoets bevat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. De vertaling van de resultaten van de Watertoets moet in een wettelijke vereiste waterparagraaf worden beschreven in elk bestemmingsplan.

De 'Handleiding Watertoets Leiden. Praktisch omgaan met Watertoets en waterbeleid bij ruimtelijke plannen' (2008) geeft alle betrokkenen bij ruimtelijke plannen in Leiden meer duidelijkheid hoe praktisch om te gaan is met de Watertoets en de watereisen, wensen en kansen. Het is opgesteld in samenwerking met het Hoogheemraadschap van Rijnland. Gebruik van deze handleiding en met name het stappenplan inclusief de invullijst versnelt het planproces. Door vroegtijdig de watereisen in kaart te brengen en hiermee rekening te houden, wordt de goedkeuring van het plan en het verkrijgen van de ontheffing van de keur van het Hoogheemraadschap van Rijnland vergemakkelijkt.

4.9.1.2 Provinciaal beleid

Provinciaal Waterplan 2010-2015

De provincie legt haar waterbeleid vast in het Provinciaal Waterplan 2010-2015. Dit plan treedt op 1 januari 2010 in werking en gaat het huidige provinciale Waterhuishoudingplan vervangen, dat nu is opgenomen in het 'Beleidsplan Groen, Water en Milieu' (2006) en in het 'Grondwaterplan 2007-2013'. In het Provinciaal Waterplan zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationale Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Zuid-Holland.

4.9.1.3 Beleid waterschap

Waterbeheerplan

Voor de planperiode 2010-2015 zal het Waterbeheerplan (WBP) van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen Het nieuwe WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De drie hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water.

Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen.

Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen.


Keur en Beleidsregels

Per 22 december 2009 is een nieuwe Keur in werking getreden, alsmede nieuwe Beleidsregels. Een nieuwe Keur is nodig vanwege de totstandkoming van de Waterwet en daarmee verschuivende bevoegdheden in onderdelen van het waterbeheer. Verder zijn aan deze Keur bepalingen toegevoegd over het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem.

De "Keur en Beleidsregels" maken het mogelijk dat het Hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor:

  • Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden),
  • Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken),
  • Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).


De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Keurvergunning. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Beleidsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt.

4.9.1.4 Gemeentelijk beleid

Waterplan Leiden (2007)

Met het Waterplan Leiden hebben de gemeente Leiden en het Hoogheemraadschap van Rijnland afgesproken om gezamenlijk knelpunten in het watersysteem efficiënter op te lossen, kansen te benutten en andere te inspireren om 'Leiden Waterstad' nog beter op de kaart te zetten. In het Waterplan Leiden wordt aan de hand van de volgende vier thema's een visie op het water gegeven: Ruimte voor water, Water als trekpleister, Schoon en gezond water, Water in de wijk. Deze visie is vertaald in een uitvoeringsprogramma 2007-2010 met gezamenlijke maatregelen. Het Waterplan Leiden is de vertaling van het Waterbeheerplan 'Waterwerk Rijnland 2006-2009' voor het grootste deel van het grondgebied van de gemeente Leiden, met specifiekere richtlijnen.

Omdat het Europese, nationale, provinciale en regionale waterbeleid zijn vertaald in beleid toegespitst op de unieke watersituatie in de gemeente Leiden vormt het Waterplan Leiden het belangrijkste en meest concrete beleidskader voor alles gerelateerd aan waterbeheer. Daarnaast zijn doelstellingen uit eerder gemeentelijk beleid, zoals het Gemeentelijk RioleringsPlan, in het kader verwerkt. Naast algemene doelstellingen, zoals het streven naar schoner en gezonder water, een grotere veiligheid rondom water en een werkend afwaterings- en wateropvangsysteem, zijn in het document boezemgebieden en boezemwatergangen benoemd. Voor de boezemgebieden, waaronder het Haagwegterrein, geldt de zogenaamde 15%-compensatie regeling voor het verharden van onverhard terrein over oppervlaktes groter dan 500m2. Voor boezemwatergangen geldt een instandhoudingsbeleid, en opgestelde regels ten behoeve van het onderhoud van de watergangen.

Gemeentelijk RioleringsPlan (GRP)

Het gemeentelijke rioleringsplan (GRP) is een beleidsmatig en strategisch plan voor de aanleg en beheer van de gemeentelijke riolering. De technische uitwerking vindt plaats in operationele plannen. Elke 5 jaar wordt door de gemeente een nieuw GRP gemaakt. Het GRP wordt vastgesteld door de gemeenteraad. In het GRP tot aan 2013 ligt het accent onder meer op milieuhygiënische verbeteringen (terugdringen overstort) en aanleg van een verbeterd gescheiden rioolstelsel, dat voorziet in de scheiding van hemelwater en afvalwater.

4.9.2 Watertoets
4.9.2.1 Algemeen

Water in Leiden

Leiden en water zijn al eeuwenlang onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zo is de Rijn al van oudsher een belangrijke motor van de Leidse economie: het vormde reeds in de middeleeuwen een belangrijke handelsweg voor goederen vanuit andere plaatsen, en is in die zin voor een groot deel verantwoordelijk voor de groei van Leiden in de late middeleeuwen. Maar water heeft naast een vervoersfunctie ook andere kwaliteiten die van groot belang zijn voor Leiden. Zo is water een belangrijk onderdeel van de ecologische hoofdstructuur en biedt het onderdak aan een veelvoud aan plant- en diersoorten. Water wordt door veel bewoners en bezoekers gezien als een kwaliteit die de stad aantrekkelijker maakt. En water heeft een belangrijke functie voor de waterhuishouding in de stad.

Vanwege haar veelvoud aan functies in de stad houden verschillende vakdisciplines zich binnen het planproces bezig met water. De loop van water in inrichtingsplannen en bestemmingsplannen is dan ook het resultaat van intensief overleg tussen deze verschillende vakgroepen. Zo hebben de stedenbouwkundigen en architecten (verantwoordelijk voor het inrichtingsplan Haagwegterrein) en de planologen van de gemeente (verantwoordelijk voor het bestemmingsplan) nadrukkelijk rekening moeten houden met de wensen van de waterbeheerder, het Hoogheemraadschap van Rijnland. Vooroverleg tussen deze partijen is niet alleen gewenst voor een goede afstemming van waterbelangen, het is in het kader van de watertoets ook wettelijk verplicht. De watertoets is een vastgesteld proces waarbij de waterbeheerder wordt betrokken bij het vooroverleg voor het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen, om te waarborgen dat er in het plan voldoende rekening wordt gehouden met een goede waterhuishouding.

Leiden bestaat uit een netwerk met doorgaande waterstructuren en verbindingen met de regio. Deze structuren hebben veelal de ruimtelijke structuur van de stad bepaald. De verschillende waterstructuren zijn opgebouwd uit verschillende elementen: de Rijn, stadsgrachten, singels, vaarten, kanalen en waterwegen.


Functies water in de stad

Het oppervlaktewater heeft tegenwoordig in het stedelijk gebied meerdere functies: de belangrijkste (fysieke) functie is de afvoer en berging van water en daarmee het voorkomen van wateroverlast in het stedelijk gebied. Dat is een waarborg voor een veilige woon- en werkomgeving.

Andere functies zijn: de recreatieve functie: water zorgt voor beleving in de stad. Het is mogelijk om er op verschillende manieren op en langs te recreëren; de economische functie: water zorgt voor een hogere waardering van de omgeving, vastgoed in de nabijheid heeft bijvoorbeeld een hogere waarde; ecologische functie: water is een belangrijk onderdeel van de ecologische structuur van een stad; historische functie: Leiden is ontstaan door het water en dat is te zien aan de structuur.

Water en ruimtelijke ordening

Water en ruimtelijke ordening, het lijken twee werelden. Maar intussen weten we dat ze alles met elkaar te maken hebben. Het aanwezige watersysteem vormt een belangrijke randvoorwaarde voor wat in een bepaald gebied wel of juist niet mogelijk is en stelt daarmee eisen aan de omgang en inrichting van de beperkte ruimte. Bouwen langs het water kan enorm bijdragen aan het woongenot. Bouwen op de verkeerde plek kan veel ellende geven door wateroverlast. Terecht wordt steeds meer erkend dat water mede sturend dient te zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is inmiddels voor iedereen duidelijk dat het watersysteem meer ruimte nodig heeft om de effecten van klimaatverandering, zeespiegelrijzing en bodemdaling het hoofd te kunnen bieden. Een goede afstemming tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening is daarom noodzakelijk.


Extra aandacht voor water in ruimtelijke plannen in een vroeg stadium van de planvorming is blijvend vereist met het oog op de toekomst en het naleven en uitvoering van de Watertoets, de Kaderrichtlijn Water (KRW), Waterplan Leiden en eisen vanuit waterbeheer.

Watertoets

Om problemen met wateroverlast te voorkomen, om een goede waterkwaliteit te waarborgen én om de beleving van water voor burgers te vergroten, is de watertoets in het leven geroepen. De watertoets is een sinds 2003 verplichte procedure die er voor zorgt dat water en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk moment bij de planvorming worden betrokken. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten.

4.9.2.2 Uitgangspunten

Handleiding Watertoets

De "Handleiding Watertoets Leiden: Praktisch omgaan met Watertoets en waterbeleid bij ruimtelijke plannen" geeft alle betrokkenen meer duidelijkheid hoe praktisch moet worden omgegaan met de Watertoets en de watereisen, wensen en kansen. Het is opgesteld in samenspraak met het Hoogheemraadschap van Rijnland. De handleiding, en met name het daarin opgenomen stappenplan met invullijst, is bedoeld om het planproces te verduidelijken en te versnellen. Door vroegtijdig de watereisen in kaart te brengen en hiermee rekening te houden wordt de goedkeuring van het plan en het verkrijgen van de ontheffing van de keur van het Hoogheemraadschap van Rijnland vergemakkelijkt.


Uitgangspunten duurzaam stedelijk waterbeheer in Leiden

De gemeente streeft samen met het Hoogheemraadschap van Rijnland naar een duurzaam stedelijk waterbeheer. Het behouden en creëren van een 'goed woon en leefklimaat' is uitgangspunt.
In het kader van het Waterplan Leiden zijn concrete maatregelen voor verbetering van het watersysteem van Leiden uitgewerkt. Maatregelen die in het kader van duurzaam stedelijk waterbeheer getroffen moeten worden, zijn onder andere:

  • De inrichting van de watergangen: zo min mogelijk duikers, bevorderen van watercirculatie en het vermijden van doodlopende watergangen. Vooral de grote lengte van een duiker heeft slechte invloed op de waterkwaliteit (weinig daglicht) en de ecologie; de duiker kan ook verstopt zijn met bagger waardoor er geen goede doorstroming van het oppervlaktewater is;
  • Het voorkomen van aantasting van het aquatisch ecosysteem;
  • De gemeente is doende (zoals verwoord in het Gemeentelijke Riolerings Plan (GRP)) bij rioolvervanging over te stappen op een verbeterd gescheiden stelsel, ten behoeve van het scheiden van hemelwater en afvalwater. Ook wordt gestreefd naar het zoveel mogelijk afkoppelen van hemelwater naar oppervlaktewater.
  • Het 'duurzaam bouwen' en het 'duurzaam inrichten en beheren van de openbare ruimte' staat bij de gemeente hoog in het vaandel, met name wat betreft het gebruik van (bouw)materialen. De handhaving op deze regels is een belangrijke voorwaarde voor het uiteindelijke succes. Bij vernieuwing van de beschoeiingen en bij nieuwbouw voor bouwmaterialen en straatmeubilair zullen zoveel mogelijk duurzame en, met uitzondering van de klassieke Leidse straatlantaarns met koperen kap, niet uitloogbare materialen gebruikt worden (dus geen koper, zink en lood). De gemeente heeft in 2004 het Regionale Dubo-pluspakket vastgesteld waarin onder andere de problematiek van 'uitlogen' aan de orde komt.
  • Bruggen en steigers worden gezien als overkluizingen die het wateroppervlak afdekken en de lichttoetreding belemmeren. Overkluizingen zijn daarom van invloed op de ecologische waterkwaliteit. De aanleg van overkluizingen en het creëren van ligplaatsen moeten voldoen aan het overkluizingenbeleid. Voor het aanbrengen van alle overkluizingen is een ontheffing van de keur noodzakelijk.
  • Ook zal op plaatsen waar dat mogelijk is beschoeiing vervangen worden door natuurlijke oevers. Hoewel de mogelijkheden in het stedelijke grachtenstelsel hiertoe beperkt zijn, wordt wel een natuurvriendelijke oeverinrichting nagestreefd ter verbetering van de algemene waterkwaliteit daar waar mogelijk. Een andere mogelijkheid is het inrichten van zogenaamde floatlands (drijvende natuurvriendelijke oevers), die ook zelfreinigend vermogen hebben en de ecologische potenties ten goede komen.

Taakverdeling waterschap - gemeente

Het grootste deel van de wateren in Leiden staan in open verbinding met elkaar en hebben een(boezem)peil van Normaal Amsterdams Peil (NAP) - 0.62 meter. Het beheer van de waterkwantiteit in de boezemwatergangen - ofwel het regelen van de waterhoeveelheden in de boezem(vakken) via aanvoer, doorvoer en afvoer - ligt bij het Hoogheemraadschap van Rijnland. In haar zorg voor de waterhuishouding heeft het hoogheemraadschap van Rijnland daarnaast het waterkwaliteitsbeheer van alle watergangen en bestrijdt zij de verzilting van de oppervlaktewateren. Het hoogheemraadschap van Rijnland onderhoudt niet zelf alle boezemwatergangen. In het kader van de schouw worden alle boezemwatergangen, die bij de gemeente in eigendom en derhalve in onderhoud zijn, één maal per jaar schoongemaakt (het verwijderen uit de watergangen van plantengroei). Tot het onderhoud van de watergangen behoren ook de baggerwerkzaamheden en het verwijderen van drijvend vuil.


Waterkeringen

Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft de zorg voor de waterkeringen (zowel primaire als secundaire) en de instandhouding van de landscheidingen met de aangrenzende waterschappen.


Verharding onbebouwde gronden

Binnen het beheersgebied van het hoogheemraadschap van Rijnland is het verboden om onbebouwde grond te verharden. Bij toename van verharding van de gronden is altijd een ontheffing van het Keur van het hoogheemraadschap van Rijnland noodzakelijk. Bij toename van verharding is compensatie in de vorm van extra oppervlaktewater noodzakelijk.

Samenwerking gemeente - waterschap

De gemeente en het hoogheemraadschap van Rijnland werken sinds lange tijd samen op het gebied van riool en waterbeheer. De laatste jaren is die coöperatie intenser en breder geworden getuige de samenwerking in het kader van het Waterplan Leiden.

In het kader van het Waterplan Leiden zal het beheer en onderhoud van water in Leiden in de toekomst overgedragen worden van de gemeente Leiden aan het Hoogheemraadschap van Rijnland.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen zal de Watertoets gevolgd moeten worden, het proces waarbij de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken wordt bij de planvorming.

4.9.2.3 Watertoets

Vooroverleg

In het kader van deze Watertoets is het plan besproken met het Hoogheemraadschap van Rijnland.

Beschrijving van het watersysteem

Het water van de Trekvliet is primair boezemwater.

Watertoets

Op 6 februari 2013 heeft het Hoogheemraadschap Rijnland een positief wateradvies uitgebracht.

4.10 Wonen

4.10.1 Beleidskader

Beleidsvisie Wonen Leidse Regio 2002

De Beleidsvisie Wonen Leidse regio (2002) geeft een beeld van de trends en een kwantitatieve analyse van de Leidse woningmarkt. Enkele genoemde trends zijn: regionalisering van de woningmarkt, stijgende ruimtebehoefte, verschuiving van een aanbodnaar een vraagmarkt, vergrijzing, gewenste aandacht voor duurzaamheid en een grotere keuzevrijheid van woonconsumenten.

De kwantitatieve analyse leert dat er ultimo 2001 bijna 88.700 woningen waren in de Leidse regio, waarvan bijna 58% (51.280) in Leiden (bron: WBO 2002). In de beleidsvisie is geraamd dat de voorraad in de regio in de periode 2000 2010 met 12.000 woningen zou moeten groeien om in de behoefte te voorzien.

In de periode 2000-2003 zijn circa 2.200 woningen gerealiseerd. De actualisering Vinexbouwscenario van 2004 laat zien dat in dit jaar ruim 1.100 woningen zijn geprogrammeerd (inclusief Voorhout), waarvan 89 in Leiden. In de periode 2005-2010 zal dus nog veel moeten worden gebouwd om het geraamde tekort terug te brengen. Het merendeel (62%) van de uitbreiding zal door verdichting worden gerealiseerd. In 2004 is dat aandeel nog 29%. Verder blijkt dat Leiden relatief veel sociale huurwoningen (45% tegen 37% in de totale regio) en weinig koopwoningen (43% tegen 52%) heeft.

In de woonvisie zijn afspraken gemaakt om die verhouding meer in evenwicht te brengen.

De visie concludeert dat een flink deel van de woningen binnenstedelijk gerealiseerd moet worden, bijvoorbeeld door middel van herstructurering en verdichting. De visie concludeert tevens dat de verhouding tussen vraag en aanbod van de woningmarkt uit balans is. Transformatie van bestaande wijken en nieuwbouw moeten deze discrepantie verhelpen.

Nota Wonen 2020

Op 14 februari 2013 wordt de nota Wonen 2020 behandeld in de gemeenteraad.

Leiden wil een aantrekkelijke woonstad, een stad van ontdekkingen zijn. Belangrijk daarvoor zijn een betere balans tussen vraag en aanbod, versterking van de kwaliteit en voldoende aanbod voor hen die niet op de particuliere markt terecht kunnen, dat ziet Leiden als de drie hoofdopgaven voor het woonbeleid. Dit is nodig om:

  • het tekort aan (studenten)woningen in te lopen;
  • te zorgen voor een betere benutting van de sociale voorraad;
  • ruimte te bieden aan huishoudens met een middeninkomen;
  • de kwaliteit van de woningvoorraad en leefomgeving te verbeteren;
  • te anticiperen op voortschrijdende vergrijzing en extramuralisering van de zorg.


Met deze opgaven wil Leiden bereiken dat ze ook in de toekomst een aantrekkelijke internationale kennisstad blijft met ruimte voor de daarbij bijhorende diversiteit aan inwoners en leefstijlen. Er is in de nota geen specifieke aandacht aan de woonvorm op het water, aan woonschepen dus. Wel is in alle regelgeving de bewoning op een woonboot gelijk gesteld aan wonen in een woning.

4.10.2 Onderzoeksresultaten

In de aanvraag is geen tekening opgenomen over de indeling. De hoofdmaten van de boot zijn ca. 17,8x 4/4,5 m. In dit oppervlak kan een woning met een redelijk oppervlak worden gerealiseerd, mogelijk zelfs met fietsenberging op het schip. In het woonbeleid zijn geen eisen meer geformuleerd ten aanzien van de grootte van een woning. Wat de sociale veiligheid betreft wordt opgemerkt dat de ligging nabij een appartementengebouw (met winkelstrip op de begane grond) is, dus niet overmatig onveilig te achten is. Het is niet bekend of de brug in de Voorschoterweg over de Trekvliet 'klapt' door autoverkeer en daarmee overlast veroorzaakt voor rustig wonen op het water. Wellicht is door de constructie van de brug of door de afstand tussen brug en boot geen hinderlijk geluid voor het wonen aanwezig.

Er is geen bezwaar tegen dit bouwplan vanuit oogpunt van wonen.

Hoofdstuk 5 Procedurele aspecten

5.1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Per 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Op grond van artikel 2.10, lid 1 onder c Wabo dient een omgevingsvergunning geweigerd te worden indien deze in strijd is met het bestemmingsplan en er geen vergunningverlening mogelijk is met toepassing van artikel 2.12 Wabo.

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend na het voeren van een procedure tot afwijking van het bestemmingsplan. Hierbij gelden drie mogelijkheden:

  • indien in het bestemmingsplan een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid wordt gegeven dan kan deze toegepast worden op grond van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 1º van de Wabo;
  • indien het bestemmingsplan geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid biedt, maar bij algemene maatregel van bestuur afgeweken kan worden dan kan deze toegepast worden op grond van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 2º van de Wabo;
  • indien aan geen van bovenstaande voldaan kan worden, de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat, dan kan de omgevinsgvergunning worden verleend met toepassing van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3º van de Wabo doorlopen worden. Dit is een procedure op grond van afdeling 3.4 van de Algemene Wet Bestuursrecht.

5.2 Procedure

Het plan is strijdig met het bestemmingsplan. Voor dit bouwplan is in het Bor geen mogelijkheid opgenomen voor een buitenplanse afwijking.

Daarmee is de juiste juridisch-planologische procedure voor het mogelijk maken van het ingediende bouwplan, het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o Wabo.

Het betreft een uitgebreide procedure. Dit houdt in dat het ontwerpbesluit met deze ruimtelijke onderbouwing zes weken ter inzage wordt gelegd voor het indienen van zienswijzen. Eenieder kan gedurende die termijn een zienswijze indienen. De zienswijzen worden beantwoord in een zienswijzennota. Als gevolg van ingediende zienswijzen kan een omgevingsvergunning worden geweigerd. De aanvrager kan dan een aangepaste aanvraag indienen.

Geven de zienswijzen geen aanleiding de omgevingsvergunning te weigeren, dan kunnen de indieners van de zienswijzen door de raadscommissie worden gehoord. De raadscommissie neemt een besluit op de zienswijzen en in voorkomende gevallen over het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen. Indien geen zienswijzen ingediend worden, kan direct na de ter inzage legging van het ontwerpbesluit een omgevingsvergunning verleend worden.

De omgevingsvergunning treedt in werking nadat deze langs elektronische weg kenbaar is gemaakt. Tegen het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning kan rechtstreeks beroep worden aangetekend bij de rechtbank gedurende een termijn van zes weken na publicatie van de vergunning.

5.3 Verklaring van geen bedenkingen

Bij de toepassing van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3º is in sommige gevallen een verklaring van geen bedenkingen vereist.

De Wabo biedt de raad op grond van artikel 6.5, derde lid Bor de mogelijkheid om een lijst van categorieën van gevallen vast te stellen, waarvoor een verklaring van geen bedenkingen van de raad niet is vereist. Met een dergelijke lijst kan de raad er voor zorgen dat het geen verklaring hoeft af te geven voor strijdige ruimtelijke activiteiten met een zeer beperkt planologisch belang, of activiteiten waarover de raad reeds eerder heeft besloten in de vorm van een gebiedsvisie, wijkontwikkelingsplan, stedenbouwkundig masterplan of soortgelijk ruimtelijk kader.
Op 2 december 2010 heeft de raad van Leiden besloten (RV 10.0122) een lijst met categorieën van gevallen vast te stellen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist.

Daarnaast heeft de raad ervoor gekozen de verklaring niet vereist te laten zijn wanneer geen zienswijzen zijn binnengekomen op het ontwerpbesluit, of wanneer het college op grond van bestaand beleid niet mee wenst te werken aan een afwijking van het bestemmingsplan.

Voor dit project is wellicht een verklaring van geen bedenkingen vereist, afhankelijk of er al dan niet zienswijzen worden ingediend op het ontwerpbesluit. Bij het ter inzage leggen van het ontwerpbesluit en de ruimtelijke onderbouwing voor dit plan, is als bijlage daarom een ontwerp verklaring van geen bedenkingen gevoegd.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Het neerleggen van het woonschip alsmede de daarmee gemoeide kosten zijn voor rekening van de houder van de ligplaatsvergunning.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Algemeen

Belangen

Bij het opstellen van deze ontwerp omgevingsvergunning hoort een belangenafweging. In zo'n belangenafweging worden alle belangen tegen elkaar afgewogen om uiteindelijk tot een besluit te komen. Gedurende een zienswijzentermijn kan eenieder zijn of haar belang bij het college kenbaar maken alvorens de een besluit wordt genomen over verlening van de omgevingsvergunning.


Belangenafweging

De belangen die in dit geval zijn meegewogen zijn in willekeurige volgorde: het belang van de houder van een ligplaatsvergunning, het belang van de eigenaren van het water (zijnde de gemeente Leiden en de provincie Zuid-Holland), het belang van de eigenaren van de betreffende walkant (zijnde Cementbouw en de gemeente Leiden), het belang van omwonenden en van overige watergebruikers.

De houder van de ligplaatsvergunning heeft een belang bij dit bestemmingsplan. Van deze
verleende vergunning kan slechts gebruik worden gemaakt indien de planologische strijdigheid is opgeheven. Dit gebeurt via het opstellen van een nieuw bestemmingsplan.

Cementbouw heeft een belang als zijnde de eigenaar van de walkant van een deel van het water waar de ligplaats mogelijk wordt gemaakt. De aanwezigheid van een ligplaats kan de sociale veiligheid vergroten, anderzijds kan het ook de bedrijfsvoering hinderen. Hetzelfde geldt in mindere mate voor de bedrijven in de onmiddelijke omgeving.

De provincie Zuid-Holland heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen een woonschip in een deel van het water dat tot haar grondeigendom behoort.

Voor omwonenden wordt geen grote hinder verwacht, de effecten van het woonschip op de woonomgeving worden beperkt geacht.

Voor watergebruikers wordt geen hinder verwacht: het woonschip ligt dermate uit de hoofdvaarroute dat scheepvaartverkeer ongehinderd plaats kan blijven vinden.


Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er op dit moment geen belangen zijn die zich dermate verzetten tegen de ligplaats dat deze niet in procedure kan worden gebracht.

6.2.2 Vooroverleg

De gemeente is conform artikel 3.1.1 Bro jo artikel 3.19 Wabo in overleg getreden met het Hoogheemraadschap van Rijnland.

Op grond van artikel 6.12 Wabo zal de ontwerp omgevingsvergunning naar Gedeputeerde Staten en de Inspecteur worden gezonden.

6.2.3 Zienswijzen

Via publicaties in de Staatscourant en de Stadskrant zal de termijn van terinzage legging van de ontwerp omgevingsverguning worden aangekondigd. Een ieder wordt tijdens deze periode van zes weken in de gelegenheid gesteld om een zienswijze tegen het voorgenomen plan kenbaar te maken.

De ontwerp omgevingsvergunning alsmede de ontwerp verklaring van geen bedenkingen zal gedurende een termijn van zes weken voor zienswijzen ter visie worden gelegd. In die termijn kan eenieder een zienswijze met betrekking tot het ontwerp indienen. Op deze manier kunnen belangen die bij de uiteindelijke besluitvorming betrokken moeten worden ingebracht worden.

De beantwoording van eventuele zienswijzen vindt plaats in een zienswijzennota. Deze zienswijzennota vormt een onderdeel van het uiteindelijke besluit tot al dan niet verlening van de omgevingsvergunning.