direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Stationsbuurt
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0546.BP00134-0201

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Algemeen

Voor het gehele gemeentelijke grondgebied dienen actuele, digitale bestemmingsplannen te gelden. Het doel van de nieuwe digitale bestemmingsplannen is om een adequate, up-to-date juridische regeling voor de stad te garanderen. Ook wordt zo voldaan aan de landelijke standaarden die voor bestemmingsplannen zijn opgesteld en kunnen de plannen digitaal, via internet, door iedereen gemakkelijk worden geraadpleegd.


Stationsbuurt

Voor het plangebied van dit bestemmingsplan 'Stationsbuurt' vigeert op dit moment het bestemmingsplan 'Stationsgebied Stadszijde deel 1'. Dat bestemmingsplan is, gezien leeftijd en systematiek, inmiddels onvoldoende toegesneden op de actuele situatie. Het plan is niet volgens de landelijke standaarden, de SVBP, opgesteld en kent dan ook geen gestandaardiseerde regels en verbeelding. Ook is dit oude bestemmingsplan niet digitaal beschikbaar.

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een adequate juridische regeling voor het bestemmingsplangebied 'Stationsgebied' en vervangt daarmee het oude bestemmingsplan 'Stationsgebied Stadszijde deel 1'.

Het bestemmingsplan is primair gericht op beheer en behoud van de bestaande situatie. Nieuwe ontwikkelingen worden in beginsel niet meegenomen, tenzij deze tijdens het opstellen van voorliggend bestemmingsplan reeds in procedure waren of de procedure hebben doorlopen. Uiteraard dient het plan wel voor de komende tien jaar actueel te zijn, zodat bekeken moet worden of huidige functies nog uitvoerbaar zijn binnen de looptijd van het bestemmingsplan.

Projecten in het Stationsgebied

Dit bestemmingsplan 'Stationsbuurt' vervangt niet het gehele bestemmingsplan 'Stationsgebied Stadszijde deel 1'. In verband met de uitvoering van het project 'Stationsgebied en omgeving' worden delen van het stationsgebied de komende jaren herontwikkeld. Zo is begin 2016 het bestemmingsplan 'Rijnsburgerblok deel 1' vastgesteld door de gemeenteraad. Dat bestemmingsplan maakt de bouw van het multifunctionele gebouw 'De Lorentz' mogelijk op de hoek van Stationsplein en Stationsweg.

Ook een bestemmingsplan 'Rijnsburgerblok deel 2' zal apart in procedure worden gebracht: dat plan zal nieuwbouw mogelijk maken op de locatie van het huidige ABN AMRO-gebouw aan de Stationsweg en de school aan het Ballonpad.

Tenslotte zal voor het YNS-gebouw, het pand waar thans op de begane grond een supermarkt van de Jumbo is gevestigd, binnenkort een nieuw bestemmingsplan 'De Geus' in procedure gaan om ook daar nieuwbouw mogelijk te maken. Dat plan zal voorzien in een bioscoop, horeca en woningen.

Genoemde drie plangebieden worden buiten dit conserverende bestemmingsplan gelaten omdat het aparte ontwikkelingen betreft die niet gericht zijn op behoud van de bestaande situatie maar juist op herontwikkeling in de vorm van sloop en nieuwbouw.

1.2 Begrenzing plangebied

Het plangebied van dit bestemmingsplan 'Stationsbuurt' wordt ruwweg begrensd door het Schuttersveld, Rijnsburgersingel, Morssingel en Stationsplein.

Binnen deze gebieden vallen enkele in het kader van het Stationsgebied te herontwikkelen kavels buiten het nieuwe bestemmingsplan: het gaat dan om het gebied 'Rijnsburgerblok deel 2' (Ballonpad) en het YNS-pand waar thans de Jumbo is gehuisvest en het nieuwe gebouw 'De Geus' gebouwd zal worden. Voor deze twee gebieden zal een apart bestemmingsplan worden opgesteld om nieuwbouw mogelijk te maken.

Ook het plangebied van bestemmingsplan 'Rijnsburgerblok deel 1' valt buiten het plangebied van dit bestemmingsplan. Voor deze herontwikkeling, genaamd 'De Lorentz', is begin 2016 door de raad al een nieuw bestemmingsplan vastgesteld.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Voor het plangebied, zoals aangegeven en toegelicht in paragraaf 1.2, vigeren op dit moment de volgende bestemmingsplannen:

Naam bestemmingsplan   Vastgesteld   Raad van State  
Stationsgebied Stadszijde deel 1   28 februari 2006   1 augustus 2007  

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het bestemmingsplan

2.1 Geschiedenis van het plangebied

2.1.1 Ontstaansgeschiedenis van Leiden

Na de vorming van de strandwallen en een geleidelijke zeespiegelstijging, vanaf circa 5.000 jaar geleden, werd het Hollandse landschap steeds meer afgezonderd van de directe invloeden van de zee. Na het steeds verder dichtslibben van riviermondingen in de strandwallen, verzoette het milieu en ontstond langzaam een dik veenpakket: het Holland Laagpakket. Rondom Leiden bleef de Oude Rijn een grote rol spelen in de vorming van de ondergrond. De rivier verlegde haar oevers regelmatig, en zette aan weerszijden grote hoeveelheiden klei en zand af. Achter deze oeverafzettingen ontstonden relatief hoog gelegen kreek- en geulsystemen, waar eveneens klei en zand werd afgezet.

Deze oeverafzettingen langs de Oude Rijn en aangetakte kreken vormden vanwege de hogere ligging en stevigere ondergrond van oudsher ideale vestigingsplaatsen voor ijzertijdnederzettingen.

De oudst bekende vermelding van bewoning stamt uit het jaar 860 na Christus. De dijknederzetting werd destijds aangeduid als Leithon. De eerste bebouwing werd opgericht aan de voet van de dijk op de zuidelijke oever van de Rijn, ter plaatse van de huidige Breestraat. Op het punt waar de twee Rijntakken samenvloeiden werd in dezelfde tijd een verdedigingsheuvel, een zogenaamde "motte", opgeworpen. Op de heuvel werd rond het jaar 1200 de nu nog bestaande burcht gebouwd.

De stad ontstond op een kruispunt van een aantal belangrijke water- en landwegen. De Nieuwe en de Oude Rijn voegden zich hier samen tot één rivier. De Leidse Vliet en de Mare stroomden hier in de Rijn uit. De stad had een centrale functie voor het omliggende platteland als markt- en handelscentrum.

Al snel kreeg men te maken met ruimtegebrek in de stad. In de middeleeuwen zouden uiteindelijk vier stadsvergrotingen plaatsvinden: de Hoge Woerd, de uitleg in de Waard, de uitleg in de Mare en tenslotte de uitleg van het Nieuwland en Rapenburg in 1386.

Aan de oostzijde van de Mare (nu Lange Mare) lag een zelfstandige woonkern. Aan de westzijde van de Mare lag verspreide bebouwing langs de Maredijk en de weg over de Mors. Deze bebouwing werd in 1355 gedeeltelijk binnen de stadsgrenzen gebracht. Om de stadsuitbreidingen aan te laten sluiten op de oude stad werden nieuwe bruggen tussen de stadsdelen aangelegd.

Als gevolg van de bevolkingsgroei begon men tegen het einde van de 17de eeuw de raamlanden in het Nieuwland te bebouwen. Door de groeiende welvaart van de stad was dit echter niet voldoende. De stad werd in de daaropvolgende periode verder uitgebreid. Na enkele kleinere uitbreidingen volgde in 1611 een grotere uitbreiding, ten noorden van de bestaande stad, gevolgd door meerdere stadsuitbreidingen. Na deze uitbreidingen was het gebied binnen de singels grotendeels voltooid.

In de 18de eeuw liep de welvaart sterk terug. Leiden bleef echter zijn functie als streekcentrum vervullen. Tot het laatste kwart van de 19e eeuw kwam het niet tot grote uitbreidingen buiten de singels. Langs de uitvalswegen, de Rijnoevers, De Maredijk en de Singels werden in de eerste helft van de 19e eeuw vooral buitenhuizen en bedrijven als houtzagerijen gebouwd. Tegen het eind van de eeuw werden vooral de zuidelijke singels steeds meer bebouwd met losse villa's of aaneengeschakelde huizen voor de rijkere standen. De eerste stedenbouwkundig geordende uitbreiding van Leiden buiten de singels was de wijk Vreewijk vanaf 1882.

Na de opkomst van de sociale woningbouwverenigingen breidde Leiden zich verder uit. Vanaf de jaren '10 van de vorige eeuw kwamen verschillende uitbreidingen tot stand in de Kooi, in Noord, in de Tuinstadwijk, in het Haagwegkwartier en in de Rijndijkbuurt. De wijken in het noorden waren veelal bedoeld voor de arbeiders, terwijl de uitbreidingen in het zuiden veelal werden gebouwd voor de middenklasse en de welgestelden. Pas in de periode van de Wederopbouw volgden ook aan de zuidzijde uitbreidingen met sociale woningbouw.

De uitbreidingen in de Vogelwijk en het Poelgeest- en Houtkwartier waren een direct gevolg van de grenswijziging van 1920 die dit gebied bij de gemeente Leiden trok. De tramlijn die langs de Rijnsburgerweg liep zorgde voor een goede verbinding met het centrum van de stad.

2.1.2 Geschiedenis van het plangebied

Geschiedenis tot 1945

De Leidse Stationsbuurt, zoals opgenomen in dit bestemmingsplan, kent een lange geschiedenis. De Stationsweg, die het plangebied doormidden snijdt, is de oude route van de stad Leiden naar Oegstgeest en sloot, voor de bouw van het nieuwe Leidse treinstation en het omhoog brengen van het spoor, naadloos aan op de Rijnsburgerweg. Deze straat lag temidden van grotendeels onbebouwde gronden.

Sinds de aanleg van de spoorlijn Haarlem - Leiden in 1842 wordt het stationsgebied gekenmerkt door een hogere dynamiek: met de bouw van een stationsgebouw wordt Leiden aangesloten op het spoorwegnet en ontstaat een hardere overgang tussen het gebied ten oosten en westen van de spoorbaan. Hiermee ontstaat feitelijk de huidige Stationsweg: het gedeelte van de Rijnsburgerweg ten oosten van de spoorbaan krijgt deze nieuwe naam.

Deze Stationsweg was nog grotendeels onbebouwd, met uitzondering van een tolhuisje op het huidige Stationsplein en een horeca-uitspanning ("Zomerzorg"). De achtergelegen gronden waren eerst onbebouwd en later, aan de oostzijde, deels bebouwd met onder andere blekerijen ("de Oranjeboom" en "het Bonte Paard") of aangelegd als fraaie tuin. De westzijde had een meer open karakter; hier liep evenwijdig aan het huidige spoor de Haverzaklaan. De plaats waar deze straat uitkwam op de Stationsweg is nog steeds herkenbaar aan de zijramen in het pand met adres Stationsweg 32. De huidige steeg alhier heet nog toepasselijk Haverzakgang. Verder waren op deze gronden bloemisterijen gevestigd ("de Floralusthof"). Het plangebied is pas in 1896 binnen de gemeentegrenzen van Leiden gekomen.

Vanaf 1878 ontwikkelt het gebied zich van een gebied met een open karakter naar een dichtbebouwd gebied: dit begint met de bouw van 24 arbeiderswoningen aan de Rijnsburgersingel (thans nog aanwezig) door de Leidse Bouwvereniging. Hierna wordt ook het gebied tussen Morssingel en Haverzaklaan volgebouwd met in totaal 110 arbeiderswoningen, ook van de Leidse Bouwvereniging (nu niet meer aanwezig). De sloot die ten westen van de Stationsweg liep werd gedempt en langs deze Stationsweg verschenen statige herenhuizen. Ook langs de Morssingel werden statige herenhuizen gebouwd. Nabij het spoor werd een spoorweghaven aangelegd, het binnengebied (huidige parkeerterrein in het Morssingelblok) stond helemaal vol met de genoemde kleine arbeidershuizen, vaak rug-aan-rug gebouwd. De Stationsweg kreeg een belangrijke functie voor het openbaar vervoer: in 1877 werd er een paardentramlijn aangelegd, later werd deze lijn geëlektrificeerd.

In 1944 vindt er een grote, plotsklapse en belangrijke wijziging van de Stationsbuurt plaats. Het gebied wordt meerdere malen door de Britse luchtmacht gebombardeerd vanwege de overslag van V2-raketten door de Duitse bezetter nabij het station. De woonwijk ten westen van de Stationsweg wordt zwaar beschadigd.

Geschiedenis 1945-1995

Na de Tweede Wereldoorlog worden de nog overeind staande huizen rond de Haverzaklaan gesaneerd en ontstaat een groot, leeg gebied. Voor dit gebied wordt een wederopbouwplan gemaakt bestaande uit een groot parkeerterrein met daaromheen flats gelegen. Dit parkeerterrein en de flats zijn thans nog aanwezig: het parkeerterrein in het Morssingelblok is nog steeds als zodanig in gebruik, de na de oorlog gebouwde flats zijn eveneens nog aanwezig aan bieden plaats aan een hotel (Ibis-hotel), woningen (de rood-witte Stationspleinflat) en een supermarkt (de huidige Jumbo op de begane grond van het YNS-gebouw). De plinten van deze flats kennen een gemengd gebruik. Ten behoeve van de bouw van de flats en de aanleg van een verkeersweg (het huidige Stationsplein) wordt de spoorweghaven gedempt.

Aan de oostzijde van de Stationsweg wordt begin jaren '50 van de vorige eeuw in de riante achtertuin van de huidige Villa de Kroon een hofje met 33 woningen gebouwd, het Paviljoenshof. Dit hofje is thans nog aanwezig. In 1953 wordt een nieuw stationsgebouw gebouwd waarbij ook het spoor omhoog werd gebracht. Dit had tot gevolg dat de Stationsweg niet meer doorloopt in de Rijnsburgerweg. Bekijken we een luchtfoto uit 1962 dan heeft het gebied een totale metamorfose ondergaan met de aanleg van twee grote rotondes, een nieuwe verkeersweg (Stationsplein), een busstation, flats en het nieuwe stationsgebouw. Het gebied is van een kleinschalig gebied geworden tot een gebied met bebouwing met een groot, open binnenterrein aan de westzijde van de Stationsweg. Dit wordt nog versterkt door de bouw van appartementen aan de Morssingel: vanaf de jaren '60 van de vorige eeuw zijn de statige herenhuizen langs deze singel verwaarloosd en uiteindelijk gesloopt om plaats te maken voor appartementen.

De oostzijde is dichter bebouwd met het genoemde hofje, tuinen en diverse (bedijfs)gebouwen alsmede een schoolgebouw nabij het huidige Schuttersveld. Medio jaren '70 van de vorige eeuw werd aan het Schuttersveld een kantoorgebouw gebouwd (Schuttersveld 9) en begin jaren '90 van de vorige eeuw is op de hoek van het Schuttersveld en de Rijnsburgersingel een woongebouw gebouwd.

Geschiedenis na 1995

Medio jaren '90 komt het stationsgebied in een nieuwe fase terecht. Op 12 juni 1991 start de bouw van een nieuw stationsgebouw. Het gebouw uit de jaren '50 was verouderd en kon de stroom reizigers van en naar Leiden niet meer aan. Met de oplevering van het nieuwe stationsgebouw en, niet veel later, van de autotunnel onder het Stationsplein door ontstaat een proces om het gehele stationsgebied te verbeteren. Door de gemeente wordt het Leiden Centraal Project (LCP) opgestart. Begon dit project vooral als een infrastructureel project (nieuwbouw station en aanleg Stationspleintunnel en Terweetunnel (nu Joop Walenkamptunnel)), later was het project vooral gericht op de bebouwing rond het station. Zo verrezen de gebouwen voor de Sociale Verzekeringsbank (1998), De Kijker (2000) en Level (2014).

Ondanks deze concrete resultaten heeft het stationsgebied nog niet de uitstraling die past bij de ambities van Leiden. Zwakke punten zijn onder andere de barrièrewerking van het spoor, de gebrekkige samenhang en inrichting van de openbare ruimte, de onaantrekkelijke visuele kwaliteit en de matige parkeeroplossingen. Ook ontbreekt de samenhang tussen de diverse grote gebouwen in het gebied.

Nadat enkele leegstaande gebouwen aan de stadszijde gesloopt zijn en als tijdelijke fietsenstalling zijn ingericht werd de roep om vernieuwing van het gebied nog groter. Dit heeft uiteindelijk in 2010 geleid tot een nieuw stedenbouwkundig plan voor het gehele gebied, opgesteld door bureau Maxwan. Op 10 februari 2011 heeft de gemeenteraad het stedenbouwkundig plan vastgesteld. Op basis van dit stedenbouwkundig plan wordt de komende jaren gewerkt aan vernieuwing van het stationsgebied. Het eerste project op basis van het nieuwe stedenbouwkundig plan dat in uitvoering gaat is de bouw van 'De Lorentz' op de hoek van het Stationspelin met de Stationsweg.

2.2 Beschrijving van het plangebied

Algemeen

Het plangebied van dit bestemmingsplan bestaat uit het gebied gelegen tussen Schuttersveld, Rijnsburgersingel, Morssingel en Stationsplein, met uitzondering van de projectgebieden 'Rijnsburgerblok deel 1', 'Rijnsburgerblok deel 2' en 'De Geus'.

Stedenbouwkundige en functionele beschrijving van het plangebied

Stationsweg

Centraal door het plangebied loopt de Stationsweg, de oude weg van Leiden naar Oegstgeest en, later, van de Leidse binnenstad naar het station. De Stationsweg ademt op diverse plekken nog de sfeer van vroeger, met dank aan de bebouwing die nog deels intact is gebleven. Fraaie gevels laten zien dat de straat altijd al een belangrijke (verkeers)functie had. Op dit moment is de straat de aanlooproute van station naar binnenstad en wordt er veel gefietst en gewandeld. Voor het openbaar vervoer vormt de Stationsweg een belangrijke route vanaf het station naar de binnenstad en verder. Aan de Stationsweg bevindt zich ook de toegang tot het Paviljoenshof.

De Stationsweg kenmerkt zich door een grote mix aan functies: enkele panden worden gebruikt als kantoor, diverse panden zijn in gebruik als horecazaak, waarbij er een grote diversiteit aan typen horeca is (onder andere De Bruine Boon, Grandcafé Van Buuren, Luxor, Kasual, Eigenzorg en diverse horecaconcepten voor de 'snellere hap'), detailhandel en dienstverlening (ANWB-winkel, reiswinkel Joho, VVV, een kapsalon en een zonnestudio). Ook wordt er gewoond aan de Stationsweg, op de etages.

Rijnsburgersingel

De Rijnsburgersingel ademt een hele andere sfeer: niet de dynamiek van de Stationsweg, maar juist een rustige, groene singel met hoofdzakelijk woonbebouwing en een enkele maatschappelijke functie (fysiotherapeut, tandarts). Op enkele nieuwbouwpanden na is ook hier de oorspronkelijke bebouwing nog goed aanwezig en zorgt daarmee voor een grotendeels historische uitstraling.

Morssingel

Ook de Morssingel is een fraaie, groene singel en een rustige woonstraat. Aan de singel staan appartementengebouwen. Halverweg de singel loopt de toegangsweg naar het parkeerterrein binnen het Morssingelblok. Het eerste deel van de Morssingel, gezien vanaf de Stationsweg, biedt naast woningen ook ruimte aan kleinschalige kantoorruimte en de reeds genoemde zonnestudio op de hoek met de Stationsweg.

Morssingelblok

Het parkeerterrein achter de Morssingel is Morssingelblok gedoopt. Dit binnenterrin, gelegen in de driehoek Stationsweg, Morssingel en Stationsplein, is grotendeels in gebruik als parkeerterrein voor auto's en, sinds kort, fietsen. Een gedeelte van het terrein kent een groene invulling. Verder liggen er bergingen ten behoeve van de appartementen aan de Morssingel en grenzen er nog enkele particuliere tuinen van de panden aan de Stationsweg aan het terrein. De Aldi-supermarkt heeft een uitgang aan de zijde van het binnenterrein en via de Haverzakgang en de onlangs weer geopende doorgang richting Stationsplein kunnen voetgangers lopend vanaf het terrein naar de Stationsweg en richting het station.

Schuttersveld en Ballonpad

Het bouwblok aan de oostzijde van de Stationsweg ligt in de driehoek Schuttersveld, Rijnsburgersingel en Stationsweg. Dit bouwblok wordt aan kant van het Schuttersveld begrensd door het kantoorgebouw 'Leiden Centraal Kantoren' (Schuttersveld 9) en een appartementengebouw van woningstichting Ons Doel. Tussen deze gebouwen loopt het Ballonpad, een openbare straat naar het binnenterrein.

Het binnenterrein was voorheen in gebruik als parkeerterrein en deels bebouwd met een schoolgebouw ten behoeve van speciaal basisonderwijs. Beide functies hebben plaatsgemaakt of maken binnenkort plaats voor bouwterrein ten behoeve van de bouwontwikkeling rond het Stationsplein en Stationsweg (Rijnsburgerblok deel 1 en deel 2).

2.3 Actualisatie

Binnen de gemeente Leiden worden globaal twee typen bestemmingsplannen onderscheiden: actualisatieplannen en ontwikkelingsplannen.

Actualisatieplannen worden veelal opgesteld voor een groter plangebied, bijvoorbeeld een wijk of stadsdeel. Het doel van een actualisatieplan is vooral het conserveren van de bestaande situatie. Hiertoe wordt de bestaande situatie in een actueel juridisch kader gegoten.

Bij een actualisatieplan wordt met een up-to-date juridisch raamwerk de bestaande situatie zo goed mogelijk vastgelegd. Hiermee wordt voor belanghebbenden en helder beeld gegeven wat planologisch wel en niet is toegestaan. Hierbij vinden geen (grote) wijzigingen plaats in de planologische situatie.

Dit bestemmingsplan 'Stationsbuurt' is een actualisatieplan. Dat betekent dat dit bestemmingsplan de bestaande (planologische) situatie vastlegt. Deze planologische situatie komt grotendeels overeen met de bestaande feitelijke situatie, waarbij wel recent door de raad vastgesteld beleid wordt meegenomen.

Nieuwe grote ontwikkelingen worden in dit conserverende bestemmingsplan niet meegenomen maar buiten het plangebied gehouden. Dit houdt in dat voor het plangebied geldt dat de bestaande situatie voor in principe 10 jaar wordt vastgelegd zoals het nu is. Dit wordt een conserverend bestemmingsplan genoemd.

2.4 Ontwikkelingen

Zoals hierboven reeds genoemd worden in dit conserverende bestemmingsplan de planologische rechten van het voorgaande plan grotendeels overgenomen. Wel zal de gemengde bestemming, met name relevant voor de Stationsweg, worden afgestemd op het door de raad vastgestelde beleid voor de binnenstad en de Stationsbuurt. Dit houdt in dat de gemengde functies in dit nieuwe plan in lijn liggen met het recent vastgestelde beleid en er verschillen kunnen optreden ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan.

Voor grote ontwikkelingen in de nabijheid van het plangebied geldt het volgende:

  • Reeds ontwikkelde plannen die inmiddels uitgevoerd zijn die in strijd waren met het voorgaande bestemmingsplan maar waarvoor via een afwijking van dat bestemmingsplan wel een vergunning is verleend, worden wel meegenomen.
  • Nieuwe ontwikkelingen die onlangs wel vergund zijn, maar nog niet gerealiseerd zijn worden niet meegenomen. Denk hierbij aan de ontwikkeling van 'De Lorentz': voor dat gebied is onlangs een nieuw bestemmingsplan opgesteld.
  • Ontwikkelingen die er binnenkort aankomen, maar op dit moment nog niet voldoende concreet zijn worden niet meegenomen. Denk hierbij aan de toekomstige ontwikkeling van het Rijnsburgerblok deel 2 (tussen Stationsweg en Ballonpad) en van het YNS-gebouw ('De Geus', op de hoek van de Stationsweg met het Stationsplein, waar thans onder andere de Jumbo is gehuisvest). Hiervoor worden in de nabije toekomst aparte procedures doorlopen.
  • Ontwikkelingen die er in de verdere toekomst aan kunnen komen, zoals nieuwe bebouwing aan het Stationsplein en op het Morssingelterrein conform het stedenbouwkundig plan voor het stationsgebied van Maxwan, worden niet meegenomen. Deze plannen zijn nog niet concreet genoeg om mee te nemen in dit bestemmingsplan. In de nabije toekomst zullen voor deze locaties ook nog geen nieuwe plannen in procedure gaan, maar in de verdere toekomst zullen ook deze onderdelen van het stationsgebied conform het stedenbouwkundig plan op de schop kunnen gaan. Ook daarvoor zullen te zijner tijd aparte procedures doorlopen worden.

De ontwikkelingen die niet worden meegenomen in dit bestemmingsplan zijn nadrukkelijk wel wenselijke ontwikkelingen op basis van het nieuwe stedenbouwkundige plan voor het stationsgebied. Omdat dit een bestemmingsplan met een conserverend karakter is worden deze ontwikkelingen buiten dit bestemmingsplan gelaten. Voor deze ontwikkelingen worden aparte bestemmingsplannen in procedure gebracht.

Het gegeven dat onderdelen uit het stedenbouwkundig plan van Maxwan niet in dit conserverende bestemmingsplan worden opgenomen wil dus niet zeggen dat deze onderdelen niet (meer) wenselijk zijn: zij zijn dat nadrukkelijk nog wel, alleen zullen zij in later stadium in procedure gaan, op het moment dat die onderdelen verder zijn uitgewerkt tot concrete plannen.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

3.1 Europees en nationaal beleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)
3.1.1.1 Beleidskader

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit van de rijksoverheid beschreven. Het kabinet schetst in de SVIR hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig, waarbij het rijk zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten gaat zitten. Het uitgangspunt hierbij is dat provincies, regio's en gemeenten beter op de hoogte zijn van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Door provincies en gemeenten de ruimte te geven, kan het Rijk zich richten op het behartigen van ruimtelijke belangen die van nationale en internationale betekenis zijn.


Volgens de nationale ruimtelijke hoofdstructuur wordt de Zuidvleugel, waar Leiden binnen valt, aangemerkt als 'stedelijke regio met een concentratie van topsectoren'. Het rijksbeleid zet specifiek in op versterking van de twee met elkaar samenhangende vleugels binnen de Randstad. De Randstad moet in 2040 een concurrerende en duurzame topregio vormen. Om verdere economische en sociale ontwikkeling mogelijk te maken en om de internationale concurrentiepositie van Nederland te versterken, is mobiliteit een randvoorwaarde. Niet alleen het hoofdwegennet dient optimaal te functioneren, maar ook de aansluiting op de regionale wegen en op lagere schaalniveaus is van belang. Een goed functionerend systeem voor personen- en goederenvervoer en een betrouwbare bereikbaarheid van deur tot deur zijn essentieel.

3.1.1.2 Onderzoeksresultaten

Dit bestemmingsplan voldoet aan het ruimtelijk beleidskader zoals hierboven beschreven: het conserveert de bestaande, gewenste, situatie.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011)
3.1.2.1 Beleidskader

Voor de doorwerking van de rijksbelangen in plannen van lagere overheden, is het Barro opgesteld. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 (grotendeels) in werking getreden en omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee.

Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen.

Ook de bescherming van erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden, zoals de Limes, is in het Barro vastgelegd. Dit is inmiddels doorvertaald in de provinciale structuurvisie en verordening.

3.1.2.2 Onderzoeksresultaten

Dit plan voldoet aan het bepaalde in het Barro.

3.1.3 Duurzame verstedelijking
3.1.3.1 Beleidskader

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:

  • 1. voorziet de voorgenomen stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte;
  • 2. kan binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio in de behoefte worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins;
  • 3. wanneer blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld (m.a.w. zorgen voor optimale inpassing en bereikbaarheid).

3.1.3.2 Onderzoeksresultaten

De ladder van duurzame verstedelijking is nader uitgewerkt in de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland. Voor de onderzoeksresultaten worden derhalve weergegeven in de betreffende paragraaf 3.2.2.5.

3.2 Provinciaal en regionaal beleid

3.2.1 Provinciale Structuurvisie 'Visie op Zuid-Holland, Ontwikkelen met schaarse ruimte'
3.2.1.1 Beleidskader

De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. De Visie ruimte en mobiliteit (VRM), vastgesteld op 9 juli 2014, geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer. Deze visie is per 1 augustus 2014 in werking getreden.

Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:

  • ruimte bieden aan ontwikkelingen;
  • aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit;
  • allianties aangaan met maatschappelijke partners;
  • minder toetsen op regels en meer sturen op doelen.


De VRM bestaat uit: de Visie ruimte en mobiliteit, de Verordening ruimte 2014, het Programma ruimte en het Programma mobiliteit.

3.2.1.2 Onderzoeksresultaten

Volgens de kaart behorende bij de VRM zijn de volgende bepalingen van toepassing op het plangebied:

  • stedelijk centrumgebied;
  • cultureel erfgoed (molenbiotoop).

In het plangebied vinden geen ontwikkelingen plaats die van invloed zijn op het provinciale beleid zoals weergegeven in de VRM.

3.2.2 Provinciale Verordening 'Verordening Ruimte Provincie Zuid-Holland'
3.2.2.1 Beleidskader algemeen

In de Verordening Ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland, op 9 juli 2014 door Provinciale Staten vastgesteld, zijn de provinciale belangen uit de structuurvisie verder uitgewerkt in regels. Aan deze regels moeten ruimtelijke plannen van de gemeenten voldoen. Ook de verordening is per 1 augustus 2014 in werking getreden.

Gemeentelijke plannen zullen ook getoetst worden aan de provinciale regels: strijdigheid met deze regels betekent ook strijdigheid met provinciaal beleid.

Enkele speerpunten uit de Verordening Ruimte zijn de ladder voor duurzame verstedelijking en de ruimtelijke kwaliteit.

3.2.2.2 Beleidskader ladder voor duurzame verstedelijking

Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD.

De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat het handelingskader. De provincie heeft de ladder voor duurzame verstedelijking ook opgenomen in de verordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken. Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie.

De ladder zoals opgenomen in het Bro is een motiveringseis voor de toelichting van het bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Om een vrijblijvend karakter te vermijden, heeft de ladder zoals opgenomen in de verordening daarom niet alleen betekenis voor de toelichting van het bestemmingsplan maar ook voor de inhoud.

De ladder bestaat uit drie stappen:

Stap 1 houdt in dat aangetoond wordt dat de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd. In het Programma ruimte is aangegeven welke voorwaarden de provincie stelt aan regionale afstemming. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de beschikbaarheid van een actuele regionale woonvisie. Ook is in het Programma ruimte aangegeven wat kan worden verstaan onder het begrip ‘regio’.

Stap 2 houdt in dat wordt onderzocht in hoeverre in die behoefte kan worden voorzien binnen bestaand stads- en dorpsgebied, door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformering of anderszins, rekening houdend met belangrijke waarden en kwaliteiten van het gebied. Het verdient aanbeveling dit niet per plan te onderzoeken maar vooraf een overzicht te maken met de beschikbare ruimte binnen BSD, bijvoorbeeld in een gemeentelijke of regionale structuurvisie. Voor sommige stedelijke ontwikkelingen zijn in de verordening aanvullende regels opgenomen, zoals voor kantoren, bedrijven en detailhandel.

Ook zijn in de verordening aanvullende regels opgenomen voor de bescherming van belangrijke waarden en kwaliteiten binnen bestaand stads- en dorpsgebied, zoals de molenbiotoop.

Stap 3 houdt in dat indien is gebleken dat de ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan plaatsvinden, in die behoefte kan worden voorzien op locaties, die gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld. Aan deze stap is in de verordening een extra voorwaarde toegevoegd. De ontwikkeling van de betreffende locaties moet ook passen in de richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit. Als het gaat om de ontwikkeling van een locatie met een omvang van meer dan 3 ha moet deze locatie ook zijn opgenomen in het Programma ruimte. Bij het opknippen van een bouwlocatie met een omvang van meer dan 3 ha in meerdere bestemmingsplannen blijft de voorwaarde van opname in het Programma ruimte van toepassing. Bepalend is of het gaat om een samenhangende bouwlocatie.

Het begrip ‘bestaand stads- en dorpsgebied’ (BSD) komt vrijwel overeen met het begrip ‘bestaand stedelijk gebied’ als gehanteerd in het Bro. Bouwrijp gemaakte terreinen worden ook beschouwd als BSD. Glastuinbouwgebied vormt geen onderdeel van BSD.

3.2.2.3 Beleidskader ruimtelijke kwaliteit

In de Visie Ruimte en Mobiliteit en de Verordening Ruimte is een van de speerpunten het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. De provincie beschikt over een kwaliteitskaart met een bijbehorende uitwerking in richtpunten.

In artikel 2.2.1 lid 1 van de Verordening Ruimte zijn voorwaarden opgenomen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Binnen dit kwaliteitsbeleid onderscheidt de provincie in artikel 2.2.1 lid 2 van de Verordening Ruimte twee beschermingscategorieën. Hier zijn onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk.

Dit artikel 2.2.1 luidt als volgt:

"Lid 1 Ruimtelijke ontwikkelingen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen

Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:

  • a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);
  • b. als de ruimtelijke ontwikkeling qua aard of schaal niet past binnen het gebied (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:
    • a. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
    • b. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid;
  • c. als de ruimtelijke ontwikkeling qua aard en schaal niet past binnen het gebied (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:
    • a. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied ook aandacht is besteed aan de overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
    • b. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid."


In lid 4 zijn de regels waaraan een bestemmingsplan moet voldoen opgenomen. Dit vierde lid luidt als volgt:


"Lid 4 Beeldkwaliteitsparagraaf

Een bestemmingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt als bedoeld in het eerste lid bevat een motivering, bij voorkeur vervat in een beeldkwaliteitsparagraaf, waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft, voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling:

  • a. waarbij de richtpunten van de kwaliteitskaart in het geding zijn, of
  • b. die is gelegen op gronden binnen een beschermingscategorie als bedoeld in het tweede lid, onder a en b."

3.2.2.4 Beleidskader overige regels

De regels voor de recreatieve vaarweg luiden als volgt:

Artikel 2.1.9 Bescherming netwerk recreatieve vaarwegen

Een bestemmingsplan voor gronden waarbinnen een recreatieve vaarverbinding ligt, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op Kaart 5 Recreatieve vaarwegen, kan voorzien in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voor zover:

  • 1. de ontwikkeling geen beperking oplevert van de recreatieve bevaarbaarheid van de vaarweg rekening houdend met het huidig gebruik, of
  • 2. de ontwikkeling is gericht op verbetering en versterking van de bevaarbaarheid of de recreatieve waarden van de vaarweg.

De regels voor detailhandel luiden als volgt:

Artikel 2.1.4 Detailhandel
Lid 1 Detailhandel binnen de centra

Een bestemmingsplan voorziet uitsluitend in nieuwe detailhandel op gronden:

  • a. binnen of direct aansluitend aan een bestaande winkelconcentratie in de centra van steden, dorpen en wijken;
  • b. binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk;
  • c. binnen een nieuwe goed bereikbare en centraal gelegen winkelconcentratie als gevolg van herallocatie.


Lid 2 Omvang van ontwikkelingen binnen de centra

De nieuwe detailhandel, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de volgende eisen:

  • a. de ontwikkeling is in overeenstemming met het in het Programma ruimte beschreven ontwikkelingsperspectief voor de daarin benoemde te ontwikkelen centra, te optimaliseren centra en de overige aankoopplaatsen;
  • b. voor zover de ontwikkeling een omvang heeft van meer dan 2.000 m² bruto vloeroppervlak, voorziet het bestemmingsplan hier uitsluitend in als is aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat en mede met het oog hierop advies is gevraagd aan het Regionaal Economisch Overleg en zo nodig een distributieplanologisch onderzoek is uitgevoerd.


Lid 3 Uitzonderingen buiten de centra

Het eerste lid is niet van toepassing op een bestemmingsplan dat voorziet in de volgende nieuwe detailhandel:

  • a. detailhandel in auto’s, boten, caravans, motoren, scooters, zwembaden, buitenspeelapparatuur, fitnessapparatuur, piano’s, surfplanken, tenten, grove bouwmaterialen, landbouwwerktuigen en brand- en explosiegevaarlijke goederen;
  • b. kleinschalige detailhandel:
    • 1. in de vorm van een gemakswinkel;
    • 2. bij sport-, culturele, medische, onderwijs, recreatie- en vrije tijdsvoorzieningen, benzinestations, alsmede andere locaties met veel bezoekers of passanten, met een assortiment dat aansluit op de aard van deze voorzieningen of locaties;
    • 3. als leerwerkplaats bij beroepsonderwijs, met een assortiment dat aansluit op de aard van de onderwijsinstelling;
    • 4. bij een agrarisch bedrijf, met een assortiment van producten uit eigen teelt;
  • c. ondergeschikte detailhandel in ter plaatse vervaardigde goederen bij een productiebedrijf;
  • d. grootschalige meubelbedrijven met een omvang van minimaal 1.000 m² bruto vloeroppervlak, inclusief in ondergeschikte mate een assortiment woninginrichting en stoffering, en detailhandel in keukens, badkamers, vloerbedekking, parket, zonwering en jacuzzi’s, voor zover de ontwikkeling plaatsvindt binnen de bedrijventerreinen met PDV-locaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op Kaart 2 Detailhandel;
  • e. tuincentra met een omvang van minimaal 1.000 m² bruto vloeroppervlak, en
  • f. bouwmarkten met een omvang van minimaal 1.000 m² bruto vloeroppervlak.


Lid 4 Ontwikkelingen groter dan 1.000 m2 buiten de centra

Voor zover de nieuwe detailhandel, bedoeld in het derde lid onder d, e en f een omvang heeft van meer dan 1.000 m² bruto vloeroppervlak, voorziet het bestemmingsplan hier uitsluitend in als is aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat. Mede met het oog hierop is advies gevraagd aan het Regionaal Economisch Overleg en is zo nodig een distributieplanologisch onderzoek uitgevoerd.


Lid 5 Nevenassortimenten

Een bestemmingsplan dat voorziet in detailhandel als bedoeld in het derde lid, onder a, d, e en f stelt de volgende voorwaarden aan de nevenassortimenten:

  • a. ten hoogste 20% van het netto verkoopvloeroppervlak wordt voor de verkoop van het nevenassortiment gebruikt, en
  • b. het nevenassortiment past bij het hoofdassortiment.

Voor detailhandel geldt verder dat per 1 juli 2015 een provinciale adviescommissie in werking treedt om detailhandelsplannen van gemeenten te beoordelen. Deze Adviescommissie Detailhandel zal alle plannen vanaf 2.000 m2 bvo in centra en 1.000 m2 bvo daarbuiten beoordelen.

De regels voor de molenbiotoop luiden als volgt:

Artikel 2.3.5 Molenbiotoop

Lid 1 Molenbiotoop

Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de molenbiotoop van traditionele windmolens, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op Kaart 9 Cultureel erfgoed, garandeert in voldoende mate de vrije windvang en het zicht op de molen en voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a. binnen een straal van 100 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, wordt geen nieuwe bebouwing opgericht of beplanting aangebracht, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek;
  • b. binnen een straal van 100 tot 400 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden de volgende hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting:
    • 1. als de molen is gelegen in het gebied buiten bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte niet meer dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek;
    • 2. als de molen is gelegen in het gebied binnen bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte van bebouwing en beplanting niet meer dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek;
    • 3. als de onder i en ii bedoelde molenbeschermingszone zowel binnen als buiten bestaand stads- en dorpsgebied is gelegen, dan geldt het volgende:
      • molen buiten bestaand stads- en dorpsgebied: tot de grens van bestaand stads- en dorpsgebied geldt de 1 op 100-regel; de toegestane bebouwings- en beplantingshoogte op deze grens is het vertrekpunt voor de 1 op 30-lijn; vanaf dit punt wordt een schuine lijn getrokken met een stijging van steeds 1 meter hoogte per 30 meter afstand.
      • molen binnen bestaand stads- en dorpsgebied: binnen en tot de grens van bestaand stads- en dorpsgebied geldt de 1 op 30-regel; de toegestane bebouwings- en beplantingshoogte op deze grens wordt buiten bestaand stads- en dorpsgebied horizontaal doorgetrokken tot daar, waar op grond van de berekening voor een molen buiten het bestaand stads- en dorpsgezicht een grotere hoogte kan worden toegestaan berekend vanuit de 1 op 100-lijn; vanaf dit punt wordt een schuine lijn getrokken met een stijging van steeds 1 meter hoogte per 100 meter afstand;


Lid 2 Afwijkingsmogelijkheid

In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, is het oprichten van nieuwe bebouwing mogelijk ten behoeve van:

  • a. een ontwikkeling binnen een molenbiotoop waarin vrije windvang en het zicht op de molen al zijn beperkt door bebouwing, zolang de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt, of zeker is gesteld dat de belemmering van de windvang en het zicht op de molen door maatregelen elders in de molenbeschermingszone worden gecompenseerd, of
  • b. een ontwikkeling binnen een bijzondere molenbiotoop, waarvan de plaats geometrisch is begrensd en verbeeld op Kaart 9 Cultureel erfgoed, mits de molen en de molenbiotoop op een goede manier ruimtelijk worden ingepast.

Op grond van artikel 3.2 kunnen Gedeputeerde Staten ontheffing verlenen. Dit artikel luidt als volgt:


Artikel 3.2 Ontheffingsbepalingen

Lid 1 Ontheffing

Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de regels van deze verordening voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen.

3.2.2.5 Onderzoeksresultaten ladder voor duurzame verstedelijking

Eén van de belangrijkste onderdelen van de nieuwe verordening is de ladder voor duurzame verstedelijking. Gemeentelijke plannen dienen aan deze ladder te voldoen.

Om te bepalen of sprake is van een 'ladderplichtige' ontwikkeling is van belang of sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Artikel 1.1.1. van het Bro geeft de volgende definitie voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocatie of andere stedelijke voorzieningen’.

Deze definitie is later via jurisprudentie door de Raad van State verder uitgewerkt. Belangrijke aandachtpsunten bij het bepalen of iets een nieuwe stedelijke ontwikkeling is, is onder andere het ruimtebeslag, dus of de nieuwe functie meer ruimte in beslag neemt dan de voorgaande. In zo'n geval is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Ook bij de (nieuw)bouw van woningen heeft jurisprudentie inmiddels bepaald wat als kleinschalige ontwikkeling (en dus geen nieuwe stedelijke ontwikkeling) en als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden uitgemaakt.

Alleen als er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, dan is er sprake van een plicht om de stappen te doorlopen en die motivering in het bestemmingsplan op te nemen.

Dat is hier niet het geval: dit bestemmingsplan conserveert de bestaande situatie en maakt geen nieuwe (stedelijke) ontwikkelingen mogelijk in de vorm van functiewijzigingen of nieuw ruimtebeslag. De ladder voor duurzame verstedelijking hoeft in dit geval dan ook niet doorlopen te worden.

3.2.2.6 Onderzoeksresultaten ruimtelijke kwaliteit

In de nieuwe Verordening Ruimte besteedt de provincie veel aandacht aan de ruimtelijke kwaliteit. Dit bestemmingsplan 'Stationsbuurt' maakt geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, hierdoor wordt de aard en schaal van het gebied dan ook niet gewijzigd.

Op de kwaliteitskaart is het plangebied van dit bestemmingsplan aangewezen als 'steden en dorpen' en 'stedelijk centrumgebied'. Het plangebied is niet gelegen in een beschermingsgebied. Dit betekent dat dit bestemmingsplan moet passen binnen de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen). Dit is het geval: het plan past binnen de aangewezen zones 'steden en dorpen' en 'stedelijk centrumgebied'. Het plan is hiermee ingepast in de omgeving en voldoet daarmee aan de eisen ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: de richtpunten van de kwaliteitskaart zijn niet in het geding.

Doordat de richtpunten van de kwaliteitskaart niet in het geding zijn en er geen sprake is van een ontwikkeling in een beschermingszone is een uitvoerige beeldkwaliteitsparagraaf niet nodig. Dit bestemmingsplan voldoet hiermee aan de provinciale eisen ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit.

3.2.2.7 Onderzoeksresultaten overige regels

Recreatieve vaarweg

De Rijnsburgersingel en Morssingel zijn in de verordening aangewezen als recreatieve vaarweg. Deze singels zullen in dit plan hun functie ongewijzigd behouden: er vinden geen ruimtelijke ontwikkelingen plaats die strijdig zijn met de verordening. Beide singels zullen hun huidige bestemming 'water' behouden.

Detailhandel

Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe detailhandel mogelijk: het plan consolideert de huidige gemengde bestemming waarin -deels- ruimte is voor detailhandel. Dit betreft bestaande planologische ruimte voor detailhandel.

Het plangebied van dit bestemmingspan maakt onderdeel uit van de Leidse binnenstad, dit is een bestaande winkelconcentratie. Dit bestemmingsplan hoeft niet beoordeeld te worden door de provinciale detailhandelscommissie: het plan maakt geen nieuwe detailhandel mogelijk maar consolideert de bestaande planologische situatie (detailhandel binnen bestaande winkelconcentratie).

Molenbiotoop

Binnen de provinciale verordening zijn de molenbiotopen opgenomen binnen het thema cultureel erfgoed. Een groot deel van het plangebied valt binnen de molenbiotoop van Molen de Valk, gelegen op de Lammermarkt en Molen De Put, gelegen aan het Galgewater. De molens zelf vallen buiten het plangebied.

In dit plan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die in strijd met de molenbiotoop zijn: het plan conserveert de bestaande bouwhoogtes. De molenbiotopen worden wel in de regels opgenomen. Dit bestemmingsplan is dan ook niet in strijd met provinciaal beleid omtrent de molenbiotoop.

3.2.3 Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020
3.2.3.1 Beleidskader

Deze structuurvisie is op 25 juni 2009 vastgesteld door het Algemeen Bestuur van het samenwerkingsorgaan Holland-Rijnland en vormt het gemeenschappelijke toetsingskader van alle regiogemeenten. Alle ruimtelijke ontwikkelingen in deze regio worden hieraan getoetst.

De Holland Rijnland gemeenten willen een aantrekkelijke regio, waar je niet alleen plezierig werkt en woont, maar ook prettig kunt recreëren. Ook moet Holland Rijnland goed bereikbaar zijn met het openbaar vervoer en de auto. Verder wil de regio zich onderscheiden in de Randstad en bijdragen aan de internationale positionering daarvan. Onder andere door de toegevoegde waarde op het gebied van landschap, wonen en economie. In het bijzonder voor economische sectoren als Greenport, Bio Sciences en ruimtevaarttechnologie.

De visie bevat zeven kernbeslissingen die uitgaan van een evenwichtige ontwikkeling van wonen, recreatie, infrastructuur en intensief, meervoudig en duurzaam ruimtegebruik. De kernbeslissingen zijn:

1. Holland Rijnland is een top woonregio;

2. Leiden vervult een regionale centrumfunctie;

3. Concentratie stedelijke ontwikkeling;

4. Groenblauwe kwaliteit staat centraal;

5. De Bollenstreek en Veenweide en Plassen blijven open;

6. Speerpunt voor economische ontwikkeling: Kennis;

7. Speerpunt voor economische ontwikkeling: Greenport.

3.2.3.2 Onderzoeksresultaten

Dit bestemmingsplan is niet in strijd met regionaal vastgesteld beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Leiden 2025
3.3.1.1 Beleidskader

Op 17 december 2009 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie 2025 vastgesteld (RV 09.0130). Deze structuurvisie is bij raadsbesluit van 1 december 2011 herzien (RV 11.0104). De structuurvisie bouwt voort op het Structuurplan Boomgaard van Kennis en de in 2004 vastgestelde Ontwikkelingsvisie: Leiden stad van ontdekkingen. Op de punten die niet in deze structuurvisie zijn opgenomen, is de Boomgaard van Kennis van toepassing. Voor de overige aspecten is de structuurvisie is hiervan de ruimtelijke vertaling. Daarnaast is bij het opstellen van de structuurvisie gebruik gemaakt van de Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland. De prioriteiten die in de Regionale Structuurvisie voor Leiden zijn benoemd, vormen het uitgangspunt van de structuurvisie.

De uitgangspunten van de structuurvisie zijn het bestaande beleid en de ambities en verwachtingen die in overleg met partijen en partners zijn geformuleerd. Dit heeft geleid tot een Structuurvisie met de volgende ambities:

  • de historische binnenstad wordt beter op de kaart gezet;
  • het Bio Science Park en de kenniseconomie worden verder ontwikkeld;
  • de bereikbaarheid wordt verbeterd;
  • de groene en blauwe structuren in en rondom de stad worden versterkt en verbonden;
  • de kansen die zich in het Stationsgebied, Transvaal/Vondellaan en op De Waard aanbieden worden benut om met wonen en werken een bijdrage te leveren aan de versterking van de kennisstad.

3.3.1.2 Onderzoeksresultaten

Dit bestemmingsplan is niet in strijd met de uitgangspunten van de structuurvisie: het conserveren van de bestaande situatie past in de lijn van de structuurvisie.

Door het gemengde gebruik van een groot deel van de panden in het plangebied worden de genoemde kansen in het stationsgebied voor wonen en werken goed benut.

3.3.2 Ontwikkelingsvisie 'Leiden, stad van ontdekkingen: profiel 2030'
3.3.2.1 Beleidskader

In 2004 heeft de gemeenteraad de ontwikkelingsvisie "Leiden, Stad van Ontdekkingen" vastgesteld (RV 04.0097). In hetzelfde raadsbesluit heeft het college opdracht gekregen een cyclisch proces te ontwikkelen voor onderhoud van de ontwikkelingsvisie. De geactualiseerde uitgave van de ontwikkelingsvisie 2030 "Leiden, Stad van Ontdekkingen" is het resultaat van dat "onderhoud". Deze actualisering is op 13 september 2012 door de raad vastgesteld (RV 12.0044). De geactualiseerde uitgave van de visie vervangt hiermee de vorige versie uit 2004.

De geactualiseerde uitgave van Leiden Stad van Ontdekkingen dient als leidraad voor beleidsontwikkeling en voor gesprekken over samenwerking in de stad en met de omgeving.

In 2004 hebben bewoners, instellingen, collegeleden en de gemeenteraad uitvoerig gesproken over de gewenste ontwikkelingsrichting van Leiden. Die gesprekken mondden uit in de ontwikkelingsvisie 2030 "Leiden, Stad van Ontdekkingen". Die had 'kennis' en 'kwaliteit' als pijlers. Gebruiken maken van de kracht van de stad en deze kracht verder versterken, was daarbij het motto.

Er was bij de vaststelling van de geactualiseerde visie geen behoefte aan een geheel nieuwe visie, maar de tijd was wel rijp voor een geactualiseerde uitgave die toekomstbestendig is. De kernpunten van de Ontwikkelingsvisie 2030 voldeden nog prima, maar de uitwerking daarvan is deels achterhaald door veranderde omstandigheden.

Belangrijke ambities van de geactualiseerde vise 'Leiden, Stad van Ontdekkingen' zijn 'internationale kennis' en 'historische cultuur'. Kennis vindt zijn basis in de Universiteit van Leiden, het Leids Universitair Medisch Centrum en het Leiden Bio Science Park. Historische cultuur is overal in de stad terug te vinden in de vorm van monumenten, musea en een ruim cultureel aanbod. Als Leiden deze ambities wil waarmaken moet de bereikbaarheid op orde zijn en wil de gemeente meer gebruik maken van 'de kracht van de stad'.

3.3.2.2 Onderzoeksresultaten

Dit bestemmingsplan is niet in strijd met de ontwikkelingsvisie. Dit plan conserveert de huidige kernwaarden van het gebied, namelijk de verbinding van de binnenstad met het Bio Science Park via een Stationsbuurt met gemengd karakter met diverse centrumstedelijke functies.

3.3.3 Structuurplan 'Boomgaard van Kennis'
3.3.3.1 Beleidskader

Het Structuurplan van Leiden 'Boomgaard van Kennis' is vastgesteld in 1995 en beschrijft in hoofdlijnen de meest gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Leiden. Het is bedoeld als sturingskader voor op te stellen bestemmingsplannen. De drie pijlers zijn de versterking van de kennisintensieve werkgelegenheid, het gebruik van de monumentale binnenstad en het bieden van gevarieerde woonmilieus. Ook hier is geconstateerd dat in het stedelijk gebied van Leiden nagenoeg geen ruimte meer is voor geschikte bouwlocaties. Bij het binnenstedelijk realiseren van (woning)bouwopgaven wordt dus gestreefd naar doelmatig ruimtegebruik en een verbetering van de stedenbouwkundige vervlechting en ruimtelijke kwaliteit.

De pijlers worden uitgewerkt aan de hand van de volgende thema's:

  • de stedelijke contour;
  • de stadsgebieden;
  • de stedelijke zones;
  • de groenstructuur;
  • de schaalniveaus;
  • de intensivering van functies;
  • fietsverkeer;
  • openbaar vervoer;
  • autoverkeer.

In het structuurplan wordt aandacht geschonken aan de belangrijke functie van de binnenstad. Deze binnenstad wordt gekenmerkt door een middeleeuwse en 17e eeuwse stadsplattegrond, omgeven door een groene singel, met daarbinnen een stelsel van grachten en een groot aantal monumenten.

3.3.3.2 Onderzoeksresultaten

Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkeling mogelijk die strijdig is met het structuurplan. Dit bestemmingsplan volgt de lijn die is uitgezet in het structuurplan.

3.3.4 Programma Binnenstad
3.3.4.1 Beleidskader

In het coalitieakkoord 2008-2010 heeft de Leidse binnenstad een prominente plek gekregen. De kwaliteit van de binnenstad is een van de ambities van het stadsbestuur, die is vastgelegd in het coalitieakkoord. Een paar citaten: 'Wellicht de grootste kans voor Leiden is de kwaliteit van haar historische binnenstad. De historische binnenstad is een sterk onderscheidende kwaliteit van Leiden ten opzichte van andere gemeenten. De combinatie met kenniseconomie biedt Leiden veel kansen. (…) Voor de centrumpositie van Leiden is het eveneens cruciaal dat de bezoekersfunctie wordt versterkt. (…) Wij zetten in op een aantrekkelijker winkel- en verblijfsgebied (…). De inrichting van de openbare ruimte verdient verbetering. Prioriteit daarbij heeft de entree van de stad vanaf het station tot het historische centrum.'

Met dit vertrekpunt heeft in februari 2008 de gemeenteraad van Leiden het college van B&W opdracht gegeven een meerjarig en integraal programma Binnenstad op te stellen


Op 16 juni 2009 heeft de raad het 'Programma Binnenstad' vastgesteld. Het doel van het Programma Binnenstad is een samenhangende visie en een programma gericht op de verbetering van de kwaliteit van de binnenstad van Leiden. De historische binnenstad is een van de onderscheidende kwaliteiten van de stad. Versterking van de kwaliteit zal de aantrekkelijkheid van de stad vergroten. Dit maakt de stad niet alleen aantrekkelijker voor inwoners, maar versterkt tevens de bezoekersfunctie van Leiden aanzienlijk. De tendens dat Leiden positie verliest als winkel- en bezoekersstad moet hiermee worden omgebogen.


De doelen van het programma zijn:

  • meer bezoekers - de bezoekers van de binnenstad, de inwoner van Leiden, de regio-inwoner, de landelijke bezoeker en de internationale bezoeker,- leggen een bezoek af aan de binnenstad van Leiden;
  • de totale bestedingen van bezoekers aan de binnenstad nemen toe;
  • de verschillende bezoekersgroepen hebben een hoge waardering voor het genoten aanbod in de binnenstad.


Er is eerst een visie gemaakt, gebaseerd op gesprekken met vele partners uit de stad, onderzoeken naar onder andere het winkelaanbod en de ruimtelijke economische potenties van de binnenstad, onderzoek onder winkelend publiek en Leiden panel, bezoeken aan diverse andere historische binnensteden. Ook is het concept getoetst bij ontwikkelaars, beleggers en vastgoedeigenaren bijeengekomen op een conferentie. De visie wordt gebruikt als een meerjarig en integraal leidend kader voor de ontwikkeling van de binnenstad. De visie definieert van 18 verschillende gebieden en locaties in de binnenstad de functie, de gewenste ontwikkeling, het bijbehorende programma en het type ontwikkeling.


Per jaar wordt een uitvoeringsprogramma opgesteld waarin alle inspanningen voor het jaar beschreven staan.

3.3.4.2 Onderzoeksresultaten

Het plangebied is gelegen in de binnenstad van Leiden, zodat het Programma Binnenstad van toepassing is: het stationsgebied is een onderdeel van de Leidse binnenstad en ook apart benoemd in het Programma Binnenstad. Dit bestemmingsplan legt de huidige situatie vast en is daarmee niet in strijd met het Programma Binnenstad: het volgt de lijn van het programma en maakt gewenste ontwikkelingen in de binnenstad niet onmogelijk.

In de nota 'Verder met de binnenstad' is het Programma Binnenstad verder uitgewerkt.

3.3.5 Verder met de binnenstad
3.3.5.1 Beleidskader

Het Programma Binnenstad is uitgewerkt in de nota 'Verder met de binnenstad'. Deze nota is op 11 oktober 2012 door de gemeenteraad vastgesteld.

Het Programma Binnenstad heeft tot doel meer bezoekers naar de binnenstad van Leiden te trekken, meer bestedingen te genereren en een hogere waardering voor het aanbod van de binnenstad te krijgen. De doelen van het programma zijn daarmee in hoofdlijn economisch van aard.

De maatregelen van het programma Binnenstad zijn onder meer gericht op het ruimtelijk-economisch beleid. ‘Verder met de Binnenstad, Gebruikshandleiding voor ontwikkelingen in de binnenstad van Leiden’ stelt ontwikkelende partijen beter in staat om goede ontwikkelplannen op te stellen en uit te voeren. Daarmee levert zij een praktisch en hanteerbaar kader voor een brede doelgroep.

3.3.5.2 Onderzoeksresulaten

'Verder met de Binnenstad' geeft de volgende omschrijving over het stationsgebied:

Het gebied rondom het station is het meest gekende gebied van Leiden. Het station is het grootste bronpunt voor de stad, maar zelfs de mensen die de stad niet bezoeken en er alleen langs reizen kennen het gebied. Het stationsgebied moet de kwaliteit van de binnenstad reflecteren en de mensen de stad binnenhalen. Het moet een aantrekkelijk gebied zijn om doorheen te lopen, in te verblijven, in te werken en te wonen. Het is de plek waar alle vervoerssoorten samenkomen en waar iedereen op een zo efficiënt en prettig mogelijke wijze van vervoerssoort kan overstappen. Het is een plek waar je moet én wilt zijn.

Het stationsgebied moet voorzien in de transportbehoefte van de stad en regio. Daarnaast moet het een integraal onderdeel van de stad worden. Dat betekent dat het aantrekkelijke verblijfsklimaat van de binnenstad moet worden doorgetrokken en dat er geen harde schaalsprong met de binnenstad moet plaatsvinden. De goede bereikbaarheid van het station voor OV moet worden aangevuld met een goede autobereikbaarheid in de vorm van parkeergarage(s). Vanuit de parkeergarage(s) en het station is een aangename voetgangersroute noodzakelijk naar de binnenstad. Het goed bereikbare stationsgebied is een zeer logische vestigingsplaats voor leisurefuncties, zoals bioscoop en congres, maar ook voor hotel en kantoorfuncties. Door de grote aantallen voetgangers zijn winkelfuncties ook aantrekkelijk. Woonfuncties zijn noodzakelijk om er een echte aangename buurt van te maken.

Dit bestemmingsplan is niet in strijd in met de visie.

De Stationsbuurt wordt in 'Verder met de binnenstad' ingedeeld in de zogenaamde 'innoverende stad'. Verder is de Stationsbuurt een apart sfeergebied in de structuurvisie 'Verder met de binnenstad', ook genaamd 'Stationsbuurt'. Dit sfeergebied is het grootste bronpunt voor de stad: de meeste bezoekers komen met de trein vanuit Leiden centraal naar de (binnen)stad.

Binnen dit sfeergebied wordt ingezet op het volgende programma:

  • Hoofdprogramma: werken, winkels, bioscoop, plein en terrassen.
  • Ondersteunend programma: horeca, wonen, werken, winkels, cultuur en uitgaan, congres en onderwijs.
  • Het aanvullende programma luidt: wonen, cultuur en uitgaan, evenementen en sport.

De visie zegt verder over het gebied: Het goed bereikbare stationsgebied is een zeer logische vestigingsplaats voor leisurefuncties, zoals bioscoop en congres, maar ook voor hotel en kantoorfuncties. Door de grote aantallen voetgangers zijn winkelfuncties ook aantrekkelijk. Woonfuncties zijn noodzakelijk om er een echte aangename buurt van te maken.

De Stationsweg vormt een van de aanloopstraten. Voor deze aanloopstraten is een specifiek programma van toepassing:

  • Hoofdprogramma: winkels en horeca (lunchroom).
  • Ondersteunend programma: werken, winkels, wonen, horeca en terras.
  • Het aanvullende programma luidt: wonen, horeca, cultuur en uitgaan, onderwijs en sport.

Op basis van bovenstaand programma is de gemengde bestemming voor de Stationsweg tot stand gekomen: deze gemengde bestemming sluit aan op de sfeergebieden 'Stationsbuurt' en 'Aanloopstraat' en de daarin opgenomen gewenste programma's.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Archeologie

4.1.1 Beleidskader
4.1.1.1 Europees en nationaal beleid

In 1992 werd in Valetta door de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen het 'Europees Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed, beter bekend onder de naam 'Verdrag van Malta', ondertekend.

In vervolg hierop is op 1 september 2007 de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) in werking getreden.

Met de introductie van de nieuwe wet zijn de kerntaken en bestuurlijke verantwoordelijkheden van gemeenten veranderd. In de wet is bepaald, dat gemeenten door inzet van een planologisch instrumentarium het archeologisch belang dienen te waarborgen.

4.1.1.2 Provinciaal beleid

Het beleid van de Provincie Zuid-Holland richt zich, conform het Rijksbeleid en de WAMZ op het behouden van archeologische waarden op de plaats waar de waarden zijn aangetroffen.

Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient onderzoek te worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden in het projectgebied. Het provinciale beleid aangaande archeologie staat vermeld in de Visie op Zuid-Holland.

4.1.1.3 Gemeentelijk beleid

Het archeologisch beleid van de gemeente Leiden - vastgelegd in de Nota Cultureel Erfgoed, vastgesteld door de raad op 20 december 2005 - is er op gericht de in de grond aanwezige archeologische waarden zoveel mogelijk te behouden. Wanneer dat niet mogelijk blijkt moet de aanwezige archeologie veilig worden gesteld door middel van opgravingen.

De Leidse bodem is rijk aan archeologische waarden. Veel daarvan zijn echter nog niet of maar ten dele bekend. Bij gebieden waar de waarden niet bekend zijn, maar waar de bodemopbouw de aanwezigheid van archeologische waarden mogelijk maakt, wordt gesproken van een archeologische verwachting. Indien in een in voorbereiding zijnde bestemmingsplan gebieden met archeologische waarden en/of verwachtingen aanwezig zijn dan staan deze gebieden aangegeven op de plankaart binnen de aanduiding “Waarde – Archeologie 1” tot en met “Waarde – Archeologie 7”. Voor werkzaamheden die in deze gebieden de grond verstoren, is een aanlegvergunning noodzakelijk, zoals aangegeven in de regels van het bestemmingsplan, met uitzondering van Waarde – Archeologie 1, daarvoor geldt de vergunningplicht van artikel 11 van de Monumentenwet 1988.

Initiatiefnemers dienen bij de aanvraag van bovengenoemde vergunningen een rapport te overleggen. Daarin moet de daadwerkelijke archeologische waarde van het terrein dat zal worden verstoord zijn vastgesteld.

Het vaststellen van de archeologische waarde vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Voor zover deze stappen gevolgd moeten worden, dienen deze in dat rapport opgenomen te worden met vermelding van de resultaten.

Uitvoering van archeologisch (voor)onderzoek is in Nederland voorbehouden aan daarvoor vergunninghoudende bedrijven of instanties.

4.1.2 Onderzoeksresultaten
4.1.2.1 Inleiding

De gemeente Leiden heeft een rijk bodemarchief. In de afgelopen decennia is bij tientallen opgravingen vastgesteld dat het onderzoek van de archeologische resten die in de bodem verborgen liggen een van de belangrijkste bronnen van kennis over de bewoningsgeschiedenis van de regio rondom Leiden vormt.

De doelstelling van het gemeentelijk archeologiebeleid is om de archeologische bronnen zo verantwoord mogelijk te beschermen. De erosie van het bodemarchief is ondanks alle inspanningen tot behoud van archeologische resten immers nog steeds erg groot. Dit betekent dat bij bouwwerkzaamheden verstoring van de diepere ondergrond uit archeologisch oogpunt zoveel mogelijk dient te worden vermeden. Waar dit niet mogelijk is, zal in de gebieden waar waardevolle, informatieve archeologische resten verloren dreigen te gaan, voorafgaand aan de geplande bodemingreep verantwoord onderzoek dienen plaats te vinden.

Om deze doelstelling te kunnen realiseren is in het bestemmingsplan een aantal voorschriften en maatregelen opgenomen. Deze voorschriften zijn gebaseerd op een inventarisatie en evaluatie van de omvang en kwaliteit van het archeologisch bodemarchief in en om het plangebied.

Leiden heeft negen verschillende 'waarderingsgebieden', waar verschillende regimes gelden naar aanleiding van de archeologische waarde of de archeologische verwachtingswaarde.

Voor acht waarderingsgebieden wordt in opzet dezelfde planregel gebruikt, waarin een aanlegvergunningstelsel is opgenomen. De verschillen tussen de waarderingsgebieden zitten in de oppervlakten en diepte van bodemverstoring vanaf wanneer een aanlegvergunning dient te worden aangevraagd. Voor 'Waarde - Archeologie 1' geldt de aanlegvergunningsplicht niet, omdat het een beschermd archeologisch rijksmonument betreft, waarop de regels van de Erfgoedwet van toepassing zijn. Voor verstoring van de bodem op die locaties is een monumentenvergunning vereist.


De acht waarderingsgebieden zijn:

Waarde archeologie 1   Archeologisch rijksmonument  
Waarde archeologie 2   Gebied van archeologische waarde
binnen de singels  
Waarde archeologie 3   Gebied van archeologische waarde
buiten de singels  
Waarde archeologie 4   Gebieden met een hoge archeologische verwachting binnen de singels  
Waarde archeologie 5   Gebieden met een hoge archeologische verwachting buiten de singels  
Waarde archeologie 6   Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting  
Waarde archeologie 7   Gebieden met een lage archeologische verwachting  
Waarde archeologie 8   De Romeinse limeszone, bescherming conform de provinciale Verordening Ruimte  
Waarde archeologie 9   AMK-terreinen, bescherming conform de provinciale Verordening Ruimte  

4.1.2.2 Archeologische waarden in het plangebied

In het plangebied zijn waarderingsgebieden 3, 5 en 6 van toepassing.

Landschappelijke context

De ondergrond van Leiden bestaat uit Pleistocene afzettingen, gelegen op een diepte van 12 tot 16 m - NAP, met daarop Holocene afzettingen bestaande uit veen- en mariene zand- en kleipakketten. In de loop van het Holoceen, vanaf ca. 5000 jaar geleden, werd voor de kust een rij strandwallen gevormd, waardoor het achterland grotendeels werd afgeschermd van de zee. In het Hollandse getijdebekken achter de kustbarrière ontstonden afzettingen van zand en klei die tot het Wormer laagpakket van de Formatie van Naaldwijk worden gerekend. Verder landinwaarts kon als gevolg van de zeespiegelstijging veenvorming optreden (Basisveen, Nieuwkoop formatie).

Alleen via de mondingen van rivieren, zoals bij de Oude Rijn, bleef de zee toegang tot het achterland houden. Naarmate de mondingen dichtslibden en de zeespiegel bleef stijgen, verzoette het milieu gaandeweg en ontstond een dik veenpakket, het Holland Laagpakket. In perioden van grote zee-activiteit werden vanuit de zeegaten soms delen van het veen geërodeerd en vond opnieuw afzetting van klei en zand plaats (transgressiefasen, Walcheren Laagpakket van de Naaldwijk formatie).

Landinwaarts had de Oude Rijn de meeste invloed op de vorming van het landschap. De invloed van de Oude Rijn begon rond 4400 voor Chr., waarbij de bedding van de rivier zich regelmatig verlegde en aan weerzijden van de actieve geul oever- en komafzettingen (klei en zand) werden afgezet. Ook ontstonden in het lage achterland achter de oeverwallen kreek- en geulsystemen. De oeverafzettingen langs deze kreken en geulen lagen relatief hoog in het landschap. Op deze afzettingen kan bewoning vanaf de ijzertijd voorkomen.

Het plangebied ligt volledig binnen de bebouwde kom en staat dan ook niet aangegeven op de bodemkaart. Als echter de kartering van de gebieden net buiten het plangebied gebruikt worden, valt er toch een redelijke schatting te maken. Het plangebied bestaat dan waarschijnlijk voor een gedeelte uit kalkloze broekgrond, en voor een ander gedeelte uit zavelige gorsgrond op klei. Het uiterste zuiden bestaat uit zandige tot zeer zavelige gorsgrond. Gorsgrond is aangeslibd, begroeid land dat alleen nog maar onderloopt bij hele hoge vloed.


Stadsontwikkeling

Het plangebied ligt buiten de singels en is pas in de loop van de 2e helft van de 19e eeuw bebouwd. In de 16e eeuw hebben in het plangebied nog meerdere kloosters gestaan, een herberg en enkele andere gebouwen. Deze zijn echter vernietigd ter voorbereiding op het eerste beleg van Leiden.

Op de historische kaart uit 1899 van Van Campen is te zien dat de huidige bebouwing aan de Rijnsburgersingel (hier was aanvankelijk sprake van lintbebouwing) en voor een gedeelte de Stationsweg nog bijna hetzelfde is als in de 19e eeuw. De indeling van de Morssingel ziet er hetzelfde uit maar dateert uit rond 1980. De grachten, sloten en de spoorweghaven zijn drooggelegd in de 20e eeuw vlak na de oorlog. De nauwe slootjes tussen de huizen en de Morssingel waren al voor 1884 gedempt.

Een deel van de wijk tussen de spoorweghaven en de Morssingel is in en vlak na WOII verdwenen en vervangen door grote appartementengebouwen. Aan de Stationsweg werden in de eerste decennia na de oorlog kantoren, horeca en winkelpanden gebouwd.

Archeologisch onderzoek en bekende bodemverstoringen

In het plangebied zelf zijn geen archeologische onderzoeken uitgevoerd.

Het aantal bodemverstoringen in het gebied is vrij groot. Er zijn veel wateringen gedempt, waaronder de spoorweghaven en de gracht ernaar toe vanaf de Morssingel. De spoorweghaven lag ongeveer waar nu bushaltes staan. De gracht waar nu het begin van het Schuttersveld is, is ook gedempt. Wat nu de stoep is voor de huizen aan de Morssingel was vroeger een klein kanaaltje. Bij de bouw van de moderne gebouwen die in het plangebied staan, kan de ondergrond plaatselijk tot grote diepte verstoord zijn. Dit is voor het plangebied nog niet in detail in kaart gebracht.


Archeologische verwachting van het plangebied

De zone rondom de Stationsweg is vanwege de ouderdom van de bebouwing die hier heeft gestaan aangeduid als terrein van archeologische waarde (WA3). De zone langs de beide singels is aangeduid als gebied met een hoge archeologische verwachting (WA5). De overige delen hebben vanwege hun lage landschappelijke ligging een kleinere kans op het aantreffen van archeologische resten. Deze delen zijn daarom aangeduid als Waarde Archeologie 6 (WA6).

4.2 Cultuurhistorie

4.2.1 Beleidskader
4.2.1.1 Rijksbeleid

Erfgoedwet (2016)

Vanaf 2016 wordt een gedeelte van het cultureel erfgoed beschermd via de Erfgoedwet. In deze wet zijn deels de regels uit de voormalige Monumentenwet 1988 opgenomen, en deels zijn deze tijdelijk in de Erfgoedwet ondergebracht totdat de Omgevingswet in werking zal treden. Tot dat moment geeft de Erfgoedwet het Rijk de mogelijkheid om objecten aan te wijzen als rijksmonument en regelt de bescherming daarvan via een vergunningenstelsel, opgenomen in de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht. De Erfgoedwet geeft daarnaast de mogelijkheid tot aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten. Onder stads- en dorpsgezicht worden groepen van onroerende zaken bedoeld die een bijzondere cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen en in welke zich een of meer monumenten bevinden. De wet verplicht in het geval van een Rijksbeschermd stadsgezicht de betrokken gemeente een beschermend bestemmingsplan op te stellen voor het gebied.

De Erfgoedwet geeft aan gemeenten de mogelijkheid om zelf monumenten aan te wijzen.


Modernisering Monumentenzorg

In 2009 heeft de minister van OC&W de modernisering van de monumentenzorg in gang gezet. Dit beleidsprogramma omvat een drietal pijlers: cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, vereenvoudiging regelgeving en herbestemming. De rode draad door het beleid is om de monumentenzorg om te vormen tot een meer gebiedsgericht instrument dat cultuurhistorie in het ruimtelijk domein in den brede zin onderzoekt, borgt en hergebruikt.

Een overkoepelend beleidsuitgangspunt binnen de Modernisering Monumentenzorg is de grotere rol van de burger bij het waarderen van en de omgang met erfgoed.


Besluit Ruimtelijke Ordening

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de nadere uitwerking van de Wro. In het Bro is onder meer vastgelegd dat gemeenten rekening moeten houden met cultuurhistorie bij het opstellen van bestemmingsplannen. Dat betekent dat gemeenten onderzoek moeten doen naar de cultuurhistorische waarden van een bestemmingsplangebied. Het gaat om een integrale beschouwing van cultuurhistorie: een combinatie van gebouwd erfgoed, archeologie en cultuurlandschap.

4.2.1.2 Provinciaal beleid

Verordening Ruimte

In de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland zijn regels opgenomen met betrekking tot de molenbiotoop. De regels voor molenbiotopen luiden als volgt:

"Artikel 2.3.5 Bescherming molenbiotoop

Lid 1 molenbiotoop:

Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de molenbiotoop van traditionele windmolens, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op 'Kaart 9 Cultureel erfgoed', garandeert in voldoende mate de vrije windvang en het zicht op de molen en voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a. binnen de straal van 100 tot 400 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, wordt geen nieuwe bebouwing opgericht of beplanting aangebracht, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek;
  • b. binnen een straal van 100 tot 400 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden de volgende hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting:
  • i. als de molen is gelegen in het gebied buiten bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte niet meer dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek;
  • ii. als de molen is gelegen in het gebied binnen bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte van bebouwing en beplanting niet meer dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek;
  • iii. als de onder i en ii bedoelde molenbeschermingszone zowel binnen als buiten bestaand stads- en dorpsgebied is gelegen, dan geldt het volgende:
  • molen binnen bestaand stads- en dorpsgebied: binnen en tot de grens van bestaand stads- en dorpsgebied geldt de 1 op 30-regel; de toegestane bebouwings- en beplantingshoogte op deze grens wordt buiten bestaand stads- en dorpsgebied horizontaal doorgetrokken tot daar, waar op grond van de berekening voor een molen buiten het bestaand stads- en dorpsgezicht een grotere hoogte kan worden toegestaan berekend vanuit de 1 op 100-lijn; vanaf dit punt wordt een schuine lijn getrokken met een stijging van steeds 1 meter hoogte per 100 meter afstand;
  • molen buiten bestaand stads- en dorpsgebied: tot de grens van bestaand stads- en dorpsgebied geldt de 1 op 100-regel; de toegestane bebouwings- en beplantingshoogte op deze grens is het vertrekpunt voor de 1 op 30-lijn; vanaf dit punt wordt een schuine lijn getrokken met een stijging van steeds 1 meter hoogte per 30 meter afstand.

Lid 2 Afwijkingsmogelijkheden

In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, is het oprichten van nieuwe bebouwing mogelijk ten behoeve van:

  • a. een ontwikkeling binnen een molenbiotoop waarin vrije windvang en het zicht op de molen al zijn beperkt door bebouwing, zolang de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt, of zeker is gesteld dat de belemmering van de windvang en het zicht op de molen door maatregelen elders in de molenbeschermingszone worden gecompenseerd, of
  • b. een ontwikkeling binnen een bijzondere molenbiotoop, waarvan de plaats geometrisch is begrensd en verbeeld op ‘Kaart 9 Cultureel erfgoed’, mits de molen en de molenbiotoop op een goede manier ruimtelijk worden ingepast."

4.2.1.3 Gemeentelijk beleid

Erfgoednota 2014-2020

Erfgoednota van de stad:

Op 19 december 2013 heeft de Leidse gemeenteraad de Erfgoednota 2014-2020 (RV 13.0113) vastgesteld. De Erfgoednota benadert erfgoed integraal en gaat niet alleen over de historische stad zelf, maar ook over erfgoedkennis, onderwijs, ondernemerschap, collecties, verhalen en beleving. In Leiden, Stad van Ontdekkingen, zorgen professionals, betrokken burgers en gemeente samen voor uitvoering van de ambities van de Erfgoednota.


Visie en ambitie:

De Erfgoednota gaat uit van de volgende visie: Leiden heeft met erfgoed een onderscheidende kracht in huis: zo heeft Leiden en de (internationale) kennis en collecties, en de aantrekkelijke historische stad en de grote mate van betrokkenheid van bewoners. Daarbij gaat het niet alleen om de waarde van het erfgoed zelf maar ook om de meerwaarde voor de stad uit maatschappelijk, cultureel, wetenschappelijk en economisch oogpunt. Een belangrijke ambitie uit de Erfgoednota is dat Leiden haar historische omgevingskwaliteit wil behouden, benutten en versterken voor een aantrekkelijke, vitale en toekomstbestendige stad. Erfgoed inspireert in de ontwikkeling van de stad. Daarbij benut Leiden de inspiratie uit het verleden en zoekt aansluiting bij bestaande historische karakteristieken en essenties.


Inbedding cultuurhistorie in ruimtelijke ordening:

Onder invloed van rijksbeleid en wetgeving komt voor het erfgoed steeds meer nadruk te liggen op het ruimtelijk instrumentarium. Dit zet zich voort in de ontwikkeling van de nieuwe Omgevingswet, waarin ook het erfgoed wordt opgenomen. Leiden continueert de aandacht voor cultuurhistorie in het bestemmingsplan en anticipeert daarbij op rijksbeleid en wettelijke verplichtingen. Integrale cultuurhistorische waarden maken - uitgebreider en specifieker dan voorheen - deel uit van het bestemmingsplan. Van archeologie tot bouwhistorie, van historische structuren tot monumentale objecten. Hieraan worden maatregelen gekoppeld. Uitgangspunt is; beschermen wat beschermenswaardig is, zonder onnodige regeldruk. Cultuurhistorische kennis- en waardenkaarten van Leiden (met diverse themakaarten) dragen hieraan bij, evenals de onderzoeksagenda voor archeologie en bouwhistorie.


Herbestemming:

Hergebruik en herbestemming van historische bebouwing is in de Erfgoednota een belangrijk thema, met het oog op vitale omgevingskwaliteit en toekomstwaarde. Waar mogelijk en gewenst creëren bestemmingsplannen qua functies dan ook ruimte voor flexibele herbestemming.


Monumentenverordening en monumentenlijst (2009)

De gemeente Leiden hanteert de Monumentenverordening 2009. Deze verordening geeft regels over hoe om te gaan met gemeentelijke monumenten. De bescherming van de monumenten is geregeld in de Monumentenwet of de gemeentelijke verordening.


Karakteristieke panden

Naast de aanwijzing van gemeentelijke monumenten hanteert de gemeente Leiden nog het instrument van karakteristieke panden. Doel daarvan is de bijdrage aan de beeldkwaliteit van de openbare ruimte door de aanwezige historische bebouwing te borgen. De aanduiding en bescherming van de karakteristieke panden wordt, indien relevant, geregeld in het betreffende bestemmingsplan. De bescherming sterkt zich niet uit tot het interieur van de betreffende panden maar heeft alleen betrekking op het volume, de hoofdvorm en het aanzicht. In de welstandsnota zijn aanvullende criteria opgenomen die toezien op de kwaliteit van materiaal en detaillering van de straatgevels en het dak.

4.2.2 Onderzoeksresultaten
4.2.2.1 Cultuurhistorische paragraaf

Het plangebied sluit aan de op de noordwestelijke rand van de binnenstad en grenst aan het beschermd stadsgezicht 'Leiden binnen de Singels'. Het plan omvat twee bouwblokken gelegen tussen het station Leiden Centraal en de Morsingel en Rijnsburgersingel. Ondanks een aantal zeer ingrijpende aantastingen uit de periode 1950 - 1990 is er in delen van het plangebied nog sprake van hoge cultuurhistorische waarden.

De historische ontwikkeling van het gebied is sterk verbonden met de Rijnsburgerweg en het station. De eerste is vanaf de 14e eeuw een belangrijke verbindingsroute tussen de stad en het voormalig klooster Rijnsburg, later de dorpen Oegstgeest en Rijnsburg. Langs de weg ligt vanaf de 17e eeuw een aantal blekerijen. De stedelijke bebouwing langs deze weg komt tot ontwikkeling wanneer in 1842 de spoorlijn Haarlem - Leiden wordt geopend. In eerste instantie zijn dit vooral horecagelegenheden zoals Zomerzorg, het stationskoffiehuis met parkachtige tuin. Daarvan is het huidige Eigenzorg sinds 1849 de opvolger. Eind 19e eeuw bouwen welgestelde fabrikanten hier ruime villa's, zodat de Stationsweg een voornaam karakter krijgt. Overblijfselen hiervan zijn bijvoorbeeld Stationsweg 23, 25 en 27. In de loop van de 20e eeuw krijgt de straat een meer gemengd karakter en wordt er bijvoorbeeld een bioscoop gevestigd. De karakteristieke gemengde bebouwing is grotendeels gaaf bewaard en van hoge waarde. Langs de Rijnsburgersingel en de Morssingel komt de bebouwing rond 1900 tot stand. De woonhuizen langs de Morssingel zijn ruim opgezet, de huizen langs de Rijnsburgersingel zijn bescheidener van karakter. Bijzonder is daar het woningblok uit 1878 van de Leidse Bouwvereniging, een vroeg voorbeeld van sociale woningbouw in Leiden.

Aan de zuidzijde van het station wordt ca. 1875 een spoorweghaven aangelegd. Tussen deze spoorweghaven en Morssingel ontstaat een arbeidersbuurt met kleine, dicht op elkaar gebouwde woningen. Het nog grotendeels onbebouwde voormalige schuttersveld wordt in 1922 deels bebouwd met een school voor lager onderwijs. De school is bij latere verbouwingen ingrijpend gewijzigd maar in hoofdopzet nog wel herkenbaar.

In 1944 verwoest een bombardement een deel van de woonwijk tussen station en Morssingel. Ook de westzijde van de Stationsweg wordt beschadigd. Na 1945 volgt in fasen de wederopbouw en herontwikkeling van het gebied. In 1952 wordt als particuliere ontwikkeling een hofjesachtig complex gebouwd met woningen voor alleenstaanden en jonge echtparen, het Paviljoenshof. De spoorweghaven wordt gedempt en de arbeidersbuurt gesloopt. Langs dan het ontstane grote stationsplein verrijst vanaf 1961 een wand van hoogbouw. De schaalvergroting wordt doorgezet met tussen 1977 en 1985 de bouw van een aantal appartementencomplexen langs de Morssingel op de plaats van de 19e eeuwse herenhuizen. Langs het nog deels onbebouwde Schuttersveld ontstaat in de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw de bestaande grootschalige kantoorbebouwing.

De belangrijkste cultuurhistorische waarden in het plangebied zijn:

  • De hoofdstructuur van de singelstraat en de Stationsweg als historische invalsweg.
  • Bebouwing: langs de Stationsweg de nog grotendeels gave en zeer waardevolle bebouwing aan de oostzijde met grote fabrikantenwoningen en diverse horecabebouwing, de historische bebouwing aan de westzijde voor zover deze nog bestaat. Het in structuur en bebouwing zeldzame en gaaf bewaarde Paviljoenshof. Langs de Rijnsburgersingel de afwisselende kleinschalige bebouwing en het complex sociale woningbouw.

Van landschappelijke of groene cultuurhistorische waarden is in het plangebied niet of nauwelijks sprake.

Het betreft een conserverend bestemmingsplan. De gevolgen voor de cultuurhistorische waarden beperken zich tot het borgen van enkele bestaande waarden.

De hoofdstructuur van de singelstraat en de Stationsweg is in het plan voldoende geborgd door toegekende functies en wijzigingsmogelijkheden. De historische bebouwing is deels beschermd als rijks-of gemeentelijke monument, deels zal deze in het bestemmingsplan worden aangemerkt als karakteristiek pand. Met de aanduiding als karakteristiek pand worden de stedenbouwkundige waarde, het aanzicht, de hoofdvorm en de architecturale detaillering aan de buitengevels beschermd.

4.2.2.2 Beschermd stads- of dorpsgezicht

Het plangebied is niet gelegen binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht.

4.2.2.3 Landgoederenbiotoop

Het plangebied is niet gelegen in een landgoederenbiotoop.

4.2.2.4 Molenbiotoop

Het plangebied is voor een groot deel gelegen binnen een tweetal molenbiotopen van molens De Valk en De Put.

Het plangebied valt binnen de 100 meter straal van molen De Valk (nabij de Rijnsburgersingel), en binnen de 400 meter straal van molen De Put. Dit betekent dat er een hoogtebeperking zit aan de bebouwing en beplanting in het gebied.

Omdat dit bestemmingsplan ten opzichte van de bestaande bebouwing en bestaande planologische mogelijkheden geen hogere bebouwing binnen de molenbiotoop toestaat is het plan niet in strijd met de provinciale regelgeving omtrent de molenbiotoop.

4.2.2.5 Rijksmonumenten

Binnen het plangebied zijn de volgende rijksmonumenten aanwezig:

  • Stationsweg 23, 23a, 23b, 23c
  • Stationsweg 25
  • Stationsweg 27

Rijksmonumenten worden beschermd via de Monumentenwet en niet via het bestemmingaplan; in dit plan zijn dan ook geen aanvullende regels voor bescherming van rijksmonumenten opgenomen.

4.2.2.6 Gemeentelijke monumenten

Binnen het plangebied zijn de volgende gemeentelijke monumenten aanwezig:

  • Rijnsburgersingel 2, 2a
  • Rijnsburgersingel 43 t/m 53
  • Rijnsburgersingel 54, 54a
  • Stationsweg 21, 21a
  • Stationsweg 32

Ook gemeentelijke monumenten worden niet beschermd via het bestemmingsplan, vandaar dat wordt volstaan met een opsomming van de betreffende panden.

4.2.2.7 Karakteristieke panden

Binnen het plangebied zijn de volgende karakteristieke panden aanwezig:

  • Paviljoenshof 1 t/m 33
  • Rijnsburgersingel 1, 1a, 1b, 1c
  • Rijnsburgersingel 3
  • Rijnsburgersingel 42
  • Stationsweg 1
  • Stationsweg 2, 2d
  • Stationsweg 3, 3a
  • Stationsweg 4 t/m 12
  • Stationsweg 14
  • Stationsweg 16
  • Stationsweg 18
  • Stationsweg 19, 19a
  • Stationsweg 20, 20a
  • Stationsweg 22
  • Stationsweg 24
  • Stationsweg 29, 29a
  • Stationsweg 30

Karakteristieke panden worden niet beschermd via de Erfgoedwet: voor deze panden zijn in de regels van dit bestemmingsplan wel bepalingen opgenomen die de bescherming van deze panden moeten waarborgen.

4.3 Ecologie

4.3.1 Beleidskader
4.3.1.1 Europees en nationaal beleid

Wet natuurbescherming

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie actuele wetten, te weten de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet.

Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen.

De Wet natuurwetbescherming wijkt in een aantal opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen).

Net als in de Flora- en faunawet is in de Wet natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben.

De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet Natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet natuurbescherming. Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met eerder vigerende Flora- en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen.

De bij de Flora- en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden.

Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet natuurbescherming van belang:

  • Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Ffwet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht. Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Ffwet.
  • Actieve soortbescherming, artikel 1.12. Provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend.



Er worden in de Wet Natuurbescherming drie beschermingsregimes onderscheiden:

  • 1. Soorten van Vogelrichtlijn:

Bescherming van alle in het wild levende vogels in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4.

Dit beleid verandert deels t.o.v. de. Ffwet. Het begrip "opzettelijk" is bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. opgenomen. Hieronder valt ook het begrip "voorwaardelijk opzet". De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden. De provincie kan hiervoor vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen.

  • 2. Soorten van Habitatrichtlijn:

Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9:

    • a. A. die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I. In geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk gedaan wordt aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied.
    • b. die streng beschermd zijn Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II. waarvoor maatregelen moeten worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is.In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. Via een AMvB kunnen nog nadere regels gesteld worden. De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen.
  • 3. Andere soorten:

Dit zijn de in de bijlage van bij artikel 3.10 van Wet natuurbescherming genoemde soorten. Op deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna, onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (art 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan.

4.3.1.2 Provinciaal en regionaal beleid

Verordening uitvoering Wet natuurbescherming

Provincies zijn bevoegd om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor de groep 'Andere soorten', waardoor bij overtreding van de verbodsbepalingen de noodzaak tot ontheffing vervalt. Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland heeft deze verordening op 9 november 2016 vastgesteld.

Waar de verantwoordelijkheid voor de uitvoering voorheen grotendeels bij het Rijk lag, gaan de meeste verantwoordelijkheden vanaf 2017 naar provinciaal niveau. Vrijwel alle ontheffingsverlening, uitvoering van de wet en handhaving zal uitgevoerd gaan worden door de provincies. Belangrijke procedurele wijziging hierbij is, dat wanneer er sprake is van een omgevingsvergunning, ontheffingen voor de beschermde soorten vanaf de inwerkingtreding van de wet daarbij mogen aanhaken. Dat wil zeggen dat de indiener mag kiezen of hij zijn ontheffing direct bij de provincie aanvraagt, of dat hij dat doet door aan te haken bij de omgevingsvergunning. In het laatste geval moet de gemeente dan een volledigheidstoets uitvoeren. Met de aanvraag van een omgevingsvergunning geldt de uitgebreide procedure, en is er een wettelijke beslistermijn van maximaal 26 weken. Wanneer een ontheffing bij de provincie aangevraagd wordt waarbij geen omgevingsvergunning nodig is, is deze termijn 13 weken met maximaal 7 weken verlenging.

4.3.1.3 Gemeentelijk beleid

Kaderstelling Bomenbeleid

De Bomennota heeft vier hoofddoelstellingen voor het ruimtelijk, beheersmatig en juridisch beleid: het aanvullen van structuurvormende bomenrijen, het beschermen van bomen (Bomenverordening), het verbeteren van groeiplaatsomstandigheden van bomen, het versterken van stad-land relatie door sortimentskeuze van bomen.


Ecologisch Beleidsplan Leiden (1998)

Het uitgangspunt van het Ecologisch Beleidsplan Leiden (EBL) is om de natuur mee te laten tellen als bewoner van de stad. Hierbij moeten de kansen om de natuur de stad in te halen optimaal worden benut en bedreigingen voor die natuur zoveel mogelijk worden beperkt, rekening houdend met de multifunctionaliteit van de stad en haar stedelijk groen.

De hoofddoelstellingen van het ecologisch beleidsplan zijn:

  • Het complementeren dan wel opstellen van een gebiedsdekkend plan voor een duurzame ecologische groenstructuur van 'groene' en 'blauwe' verbindingen vanuit het buitengebied de stad in.
  • Door middel van inrichting, communicatie en regelgeving de Leidse Ecologische Structuur (LES) versterken.
  • Profielen, beheermethoden en sortimentskeuze koppelen aan de LES.


Gedragscode Ruimtelijke Ontwikkeling & Inrichting

De Flora- en Faunawet stelt gemeenten verplicht bij ruimtelijke ontwikkelingen na te gaan of er bedreigde plant- en diersoorten aanwezig zijn in het projectgebied. Een wijziging van deze wet in februari 2005 stelt gemeenten in staat een gemeentelijke gedragscode voor ecologisch beleid vast te stellen. Als één van de eerste gemeenten in Nederland heeft de gemeente Leiden een dergelijk document opgesteld. Dit document is door het Ministerie van LNV goedgekeurd. Dit document, de 'Gedragscode voor ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden' (vastgesteld door B en W op 1 november 2005), is bij B en W-besluit van 4 december 2012 komen te vervallen en vervangen door de gedragscode 'Ruimtelijke Ontwikkeling & Inrichting'. Deze gedragscode is opgesteld door Stadswerk en goedgekeurd per 1 januari 2011.

Deze gedragscode dient als leidraad voor ruimtelijke projecten waarbij sprake is van een functieverandering of werkzaamheden waarbij sprake is van een ruimtelijke verandering (zoals sloop, grondwerk of bouw). Het volgen van de gedragscode bij ruimtelijke ontwikkelingen minimaliseert de kans op conflicten met de Flora- en Faunawet.

4.3.2 Onderzoeksresultaten

Dit bestemmingsplan maakt verder geen grote ontwikkelingen mogelijk die van invloed zijn op de flora en fauna in het gebied: er vinden geen mogelijke verstoringen plaats als gevolg van dit conserverende bestemmingsplan. Er is dan ook, vanwege dit conserverende karakter, geen nader onderzoek gedaan naar flora en fauna in het plangebied.

4.4 Economische zaken

4.4.1 Beleidskader
4.4.1.1 Detailhandel

Hoe en waar winkelen we in 2025? Halen we onze boodschappen nog bij dezelfde supermarkt? Wat gebeurt er de komende jaren op de woonboulevards? En wat betekent dat voor de ontwikkeling van de verschillende winkelgebieden in de Leidse regio? Antwoorden op deze en andere vragen over toekomst van retail in de regio staan in de regionale Retailvisie. Ondernemers en overheden uit Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Voorschoten en Zoeterwoude hebben samen gewerkt aan een toekomstplan voor winkelgebieden. Een gespecialiseerd bureau, Retail Management Center (RMC), begeleidt de totstandkoming van de nieuwe retailvisie.

Het doel van de retailvisie is:

  • het maken van een vitaal en toekomstbestendig wensbeeld voor de winkelgebieden in de Leidse regio;
  • het optimaal bedienen van de consument centraal zetten;
  • draagvlak creëren bij gemeenten, ondernemers en vastgoedeigenaren.


In de Retailvisie ligt de focus op minder, maar sterkere winkelgebieden. Dat betekent keuzes maken. Er is gekozen voor een regionale hoofdstructuur van 30 winkelgebieden, waarbij steeds gezocht wordt naar een eigen, sterke identiteit. Het aantal vierkante meters aan winkelruimte moet flink verminderen. Om in te spelen op wat consumenten willen, vervagen de verschillen tussen winkels (detailhandel) en horeca. Winkelgebieden waar doelgericht geshopt wordt (bijvoorbeeld woonboulevards) krijgen mogelijkheden om hun activiteiten te verruimen. Nieuwe trends zoals pickup points van online gekochte producten, krijgen hier de ruimte. Voor de gebieden die buiten de hoofdstructuur vallen kijken de gemeenten met betrokkenen naar transformatiemogelijkheden.

De retailvisie moet nog worden vastgesteld door de gemeenteraad, maar geeft wel een blik op het toekomstige retailbeleid van de gemeente.

4.4.1.2 Horeca

Op 11 februari 2016 heeft de gemeenteraad de ruimtelijk-economische horecavisie vastgesteld (RV 15.0142).

Via deze visie wil de gemeente een horecaontwikkeling stimuleren die bijdraagt aan de kwaliteit en identiteit van de stad. De visie is ook bedoeld als toetsingskader waardoor ondernemers, bewoners en andere belanghebbenden weten waar ze aan toe zijn.

De visie poogt een goede middenweg te vinden tussen flexibiliteit en zekerheid. De belangrijkste lijnen uit de visie zijn:

  • voor alle gebieden in de stad een kwaliteitsbeeld van de gewenste horeca te schetsen;
  • voor de meeste van deze gebieden ook kwantitatief te bepalen hoeveel extra horeca nog wenselijk is, rekening houdend met het leef- en ondernemersklimaat en een optimalemix van functies;
  • voor een aantal belangrijke ontwikkellocaties – Rijnsburgerblok, Bio Science Park en Lammenschansdriehoek – het belang van flexibiliteit en schuifruimte bij de planontwikkeling en -realisatie voorop te stellen en daarom in deze visie geen kwantitatieve beperking vast te leggen;
  • binnen de kaders van de Drank- en horecawet ruimte te bieden voor horeca in winkels, omdat vervlechting van detailhandel, horeca en (culturele) voorzieningen een trend is die past bij de belevingseconomie en die de stad aantrekkelijk maakt voor bezoekers en bewoners;
  • de realisatie van ongeveer 290 nieuwe hotelkamers te faciliteren;
  • afwijking van de visie mogelijk te maken voor ‘pareltjes’, bedrijven die qua karakter, uitstraling, ligging of concept bijdragen aan een sterke uitstraling van een gebied en die vanwege uniciteit iets toevoegen aan het bestaande aanbod in de stad of de regio.

De visie is gebaseerd op een onderzoek dat is uitgevoerd door bureau Van Spronsen & Partners. Dit bureau heeft gekeken naar de gewenste horecaontwikkeling in Leiden voor de periode 2015-2020. Het onderzoek is tot stand gekomen via diverse bijeenkomsten met onder andere horecaondernemers, belangrijke marktspelers, bewoners en centrummanagement. Dit onderzoek is de onderlegger van de visie. Het onderzoek bevat zowel een kwantitatieve als een kwalitatieve component, op basis van een geactualiseerde omschrijving van de verschillende horecacategorieën.

Goed beleid vraagt ook om duidelijke definities. In dit geval om definities van de verschillende soorten horeca, de horecacategorieën die we in Leiden hanteren. Ook op dit punt is bureau Van Spronsen & Partners om advies gevraagd. Op basis van dit advies zijn de definities en indeling van de horecacategorieën geactualiseerd.

Tenslotte gaat de horecavisie ook over hotels. Bureau Van Spronsen & Partners heeft ook de hotelmarkt onderzocht en de gemeente een advies gegeven op basis waarvan in de horecavisie uitgangspunten zijn opgesteld. Kern is dat vraag en aanbod naar en van hotels de afgelopen jaren fors is toegenomen en er nu een beperkte uitbreiding mogelijk is. In de visie wordt omschreven hoe en waar deze uitbreiding plaats kan vinden.

4.4.2 Onderzoeksresultaten
4.4.2.1 Detailhandel

Het plangebied van dit bestemmingsplan maakt voor wat betreft het thema detailhandel onderdeel uit van de binnenstad van Leiden. In de detailhandelsvisie voor de Leidse regio is de binnenstad van Leiden aangemerkt als toekomstbestendig, recreatief winkelgebied. Ook is deze binnenstad de centrale detailhandelsconcentratie in de Leidse regio en aangemerkt als bovenregionaal winkelgebied.

De detailhandelsvisie zegt het volgende over de Leidse binnenstad:

"In de Leidse regio is er maar één binnenstad en die moet er zijn voor alle bewoners in de regio. Een goed functionerende binnenstad van Leiden is essentieel voor een goed functionerende detailhandelsstructuur in de regio. De binnenstad van Leiden zal zich moeten versterken waardoor de eigen regio-inwoners de voorkeur krijgen om te gaan winkelen in de binnenstad. Focussen op een sterke detailhandelsstructuur in de binnenstad van Leiden ligt in het verbeteren van de recreatieve winkelmogelijkheden in de binnenstad. Een aangenamere verblijfskwaliteit creëren door meer mogelijkheden te bieden voor het mengen van functies in winkels en winkelstraten en het huidige uitnodigingsbeleid voor nieuwe initiatieven toe te blijven passen.

Het centrum van Leiden, inclusief het Stationsgebied, heeft een uitgebreid winkelgebied met een recreatieve winkelfunctie. Het is het grootste winkelgebied in de regio en heeft verschillende winkelgebieden met verschillende identiteiten. Een kernwinkelgebied in de binnenstad met de meeste winkels, maar ook een zwerfmilieu met winkels in kleinere straatjes. Een binnenstad waar winkelen, horeca en leisure goed kan worden gecombineerd op een wijze zoals de consument nu, maar vooral in de toekomst vermaakt wil worden. Bovendien is er ook veel dagelijks aanbod gevestigd in de vorm van speciaalzaken en supermarkten. De binnenstad van Leiden heeft een groter verzorgingsgebied dan de Leidse regio. Het winkelgebied is verdeeld in meerdere deelgebieden, allen met een eigen aanbod en identiteit. Nieuwe Rijn/Aalmarktgebied en de Breestraat hebben door het aanbod en openbare ruimte een sterke rode kleur, terwijl de A1 winkelstraat, de Haarlemmerstraat, geler van kleur is. Zo heeft het Pieterskwartier als zwerfmilieu een blauwe identiteit.

Het aandeel dagelijks aanbod in de binnenstad van Leiden, voornamelijk bepaald door een grote hoeveelheid supermarkten, moet niet de functie van het winkelgebied als recreatief centrum belemmeren. Het focussen op een sterke detailhandelsstructuur in de binnenstad Leiden ligt in het verbeteren van de recreatieve winkelmogelijkheden in de binnenstad. Een aangenamere verblijfskwaliteit creëren door meer mogelijkheden te bieden voor het mengen van functies in winkels en winkelstraten. Een optimale mix van winkels, restaurants, bioscopen, cafés, hotels, braderies, markten en musea in een compacte binnenstad moet het uitgangspunt zijn. Compact betekent niet alleen winkelstraten fysiek dicht bij elkaar, maar ook aantrekkelijke looproutes van en naar elkaar toe.

Het gemak van het combineren van winkelen met bijvoorbeeld uiteten gaan wordt in dit verband ook als compact beschouwd.

Binnen de regio is de binnenstad van Leiden het enige winkelgebied dat een rode identiteit heeft, passend bij de inwoners van Leiden. In de uitwisselingen is duidelijk het regionale karakter te zien van de binnenstad. De binnenstad heeft uiteraard een groter verzorgingsgebied dan alleen de Leidse regio. Door het aanbod van verschillende deelgebieden met verschillende identiteiten is de binnenstad van Leiden ook aantrekkelijk voor een grotere doelgroep."

Dit bestemmingsplan 'Stationsbuurt' maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maar conserveert de bestaande situatie. Dat houdt in dat de bestaande gemengde bestemming voor het gebied gehandhaafd blijft. Op deze manier draagt dit bestemmingsplan bij aan de doelstellingen van de detailhandelsvisie: het aantrekkelijk houden van de Leidse binnenstad door diverse gemengde functies toe te staan.

4.4.2.2 Horeca

In het plangebied van dit bestemmingsplan bevinden zich enkele uiteenlopende horecagelegenheden, van snackbar tot restaurant en grandcafé. Het betreft de aanwezigheid van horeca die zich over het algemeen in de nabijheid van een treinstation en de binnenstad laat zien en een mix aan typen horeca oplevert. Over het algemeen betreft het horeca die gericht is op de middag en de avond: in het plangebied bevinden zich met name concepten die op lunch, borrel en diner zijn gericht. Dansgelegenheden zijn niet aanwezig in het plangebied, evenmin als hotels en sociëteiten. De bestaande, legale horecagelegenheden zijn in dit bestemmingsplan positief bestemd, dat wil zeggen dat bestaande vestigingen in het plan zijn opgenomen.

Conform de door de raad vastgestelde horecavisie zijn in dit bestemmingsplan in de regels de nieuwe definities en horecacategorieën opgenomen. De feitelijke horecagelegenheden zoals die zich in dit plangebied bevinden zijn onderverdeeld in de nieuwe categorieën. In het plangebied is één vestiging in categorie 2 aanwezig en is één hotel (categorie 6) aanwezig. De overige horeca in het plangebied betreft categorie 3*.

De horecavisie heeft het stationsgebied ingedeeld in twee deelgebieden: de ontwikkellocaties op het Rijnsburgerblok (die buiten dit bestemmingsplan vallen) waar uitbreiding van horeca mogelijk is en de Stationsweg waar een consolidatie plaats vindt: de bestaande horeca kan hier niet uitgebreid worden omdat er reeds sprake is van een gevarieerd horeca-aanbod. Dit bestemmingsplan maakt dus geen nieuwe horeca-ontwikkelingen mogelijk: nieuwe ontwikkelingen, die in strijd zijn met het bestemmingsplan, zullen aan de hand van de horecavisie beoordeeld worden via een aparte procedure.

Waar gesproken wordt over het consolideren van horecavestigingen krijgen de bestaande horecagelegenheden binnen de hoofdbestemming een functieaanduiding overeenkomstig de horecacategorie waar zij zich in bevinden.

Ook wordt in het beleid gesproken om de ruimte voor horeca in bepaalde delen van de stad terug te dringen en om bestemmingsplannen hierop aan te passen. Dit is het geval bij de Stationsweg. Aangezien dit nog niet voldoende concreet is, is dit niet meegenomen in dit bestemmingsplan. Het voornemen is echter wel om ongebruikte bestaande horecamogelijkheden weg te bestemmen. Dit wordt nader bekeken bij de eerstvolgende evaluatie van het horecabeleid. Na vaststelling daarvan kan, middels een (gedeeltelijke) herziening van voorliggend bestemmingsplan, het voornemen worden geborgd.

4.5 Kabels en leidingen

Binnen het plangebied bevinden zich de gebruikelijke kabels en leidingen die niet apart op de verbeelding en in de regels van het plan dienen te worden opgenomen. Hiernaast bevindt zich het tracé van een hoogspanningskabel van TenneT zich in een gedeelte van het plangebied (Stationsplein). Via een bestemming ''Leiding - Hoogspanning' is deze in het bestemmingsplan opgenomen.

4.6 Milieu

4.6.1 Inleiding

De gemeente Leiden heeft de Omgevingsdienst West-Holland (ODWH) gevraagd om voor de aspecten milieueffectrapportage (m.e.r.), bedrijven en milieuzonering, bodem, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid een beoordeling van dit bestemmingplan te geven.

4.6.2 Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.)

Beleid en regelgeving

Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld.

In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is dit geregeld. Er is een m.e.r.plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.plicht voor besluiten. Een plan is plan-m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten.

Een bestemmingplan (of wijzigingsplan) kan plan-m.e.r.-plichtig zijn. Dit is het geval als het plan kaders stelt voor latere m.e.r.-plichtige activiteiten en/of als voor het plan een passende beoordeling nodig is. Daarnaast kan een plan ook m.e.r.-plichtig zijn als er een concreet (bouw)plan ter uitvoering ligt.


Beoordeling plan

Het plan omvat geen activiteiten die mogelijk leiden tot significante gevolgen op Natura 2000 gebieden en omvat geen activiteiten die genoemd worden in het Besluit milieueffectrapportage, bijlage onderdeel C of D.

Voor het plan is geen passende beoordeling nodig op grond van artikel 19j, lid 2, van de Natuurbeschermingswet. Er is geen verplichting tot het uitvoeren van een planMER, noch tot het uitvoeren van een MER of MER beoordeling.

Het betreft hier een conserverend bestemmingsplan. Er zijn geen nieuwe ontwikkelingen gepland. Er zijn dus geen nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten.


Conclusie

Voor het plan is geen verplichting tot het uitvoeren van een MER-beoordeling, noch tot het uitvoeren van een PlanMER. Het betreft hier een conserverend bestemmingsplan. Er zijn geen nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten

4.6.3 Bedrijven en milieuzonering

Beleid en regelgeving

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Voor de beoordeling wordt gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en verschillen per gebiedstype waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden Uitgangspunt is dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. In gebieden met functiemenging, zoals binnensteden, kunnen sommige soorten bedrijven aanpandig of inpandig aan woningen grenzen. Dit is in dat soort gebieden vaak al de praktijk.


Beoordeling plan

Het plangebied wordt beschouwd als een gebied met functiemenging. In veel gevallen vinden bedrijfsactiviteiten plaats aanpandig aan woningen. Met het plan worden echter geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt dus is toetsing op grond van de genoemde VNG uitgave niet aan de orde.

Uit een scan van de bij de Omgevingsdienst West-Holland bekende bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied blijkt dat het voornamelijk gaat om activiteiten die vallen in categorie A. Mits bouwkundig goed van elkaar gescheiden kunnen dergelijk activiteiten aanpandig aan woningen plaatsvinden.

Voor een gebied met functiemenging wordt uitgegaan van bepaalde categorieën, categorie A, B en C.


Categorie A:

Bedrijfsactiviteiten die zodanig weinig milieubelastend zijn dat ze direct naast of beneden woningen en andere gevoelige functies kunnen worden uitgevoerd, desgewenst in daarvoor omschreven zones binnen rustige woongebieden. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijfsactiviteit zijn toereikend.


Categorie B:

Bedrijfsactiviteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies.


Categorie C:

Activiteiten zoals genoemd onder categorie B, waarbij vanwege relatief grote verkeersaantrekkende werking een directe ontsluiting op hoofdinfrastructuur gewenst is.

De Stationsbuurt Leiden wordt aangemerkt als een gebied met functiemenging.

Gelet op de gemaakte inventarisatie zijn in het gebied hoofdzakelijk categorie A bedrijven aanwezig. Vestiging aanpandig aan woningen is aanvaardbaar.

Alleen de Aldi aan de Stationsplein 212-240 (supermarkt) valt onder categorie B. Dit is een bestaande situatie. Het bedrijf is niet bouwkundig gescheiden van de bovenliggende woningen, maar voldoet wel aan de regels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. De Aldi-vestiging is daarom geen probleem.


Conclusie

Het bestemmingsplan bevat geen knelpunten op het gebied van bedrijven en milieuzonering.

4.6.4 Bodem

Beleid en regelgeving

Bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan en/of bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan.

Voor een bestemming zoals wonen, gelden ander normen dan voor bijvoorbeeld de bestemming bedrijven. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand stillbeginsel.

Wet ruimtelijke ordening (Wro):

De Wro bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent voor de bodem (grond en grondwater) dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming dienen te zijn. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld.


Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo):

In de Wabo staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat:

  • er is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging;
  • het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan/BUS-melding;
  • er een melding is gedaan van een voornemen tot saneren.


Wet bodembescherming (Wbb):

Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet Bodembescherming. In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden (bij zogenaamde "spoed- of risicolocaties")).


Besluit bodemkwaliteit (Bbk):

Het Besluit bodemkwaliteit geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe projecten op het gebied van natuur, wonen en industrie. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het Besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie.


Lokaal bodembeleid:

De regels voor grondverzet volgen uit het Besluit bodemkwaliteit.

In de gemeente Leiden is het generieke beleid van kracht. Dat betekent dat toe te passen grond altijd aan twee eisen moet voldoen:

  • toe te passen grond moet beter of gelijk in kwaliteit zijn als de ontvangende bodem (op niveau van bodemkwaliteitsklasse);
  • toe te passen grond moet beter of gelijk in kwaliteit zijn als de op betreffende plek geldende bodemfunctieklasse.

De gemeente Leiden beschikt over een bodemfunctieklassenkaart. Eventueel aanvullende regels worden opgenomen in de regionale bodembeheernota.

Relatie tot het plangebied:

Wanneer er binnen een gebied geen ontwikkelingen zijn gepland, hoeft de bodem alleen gesaneerd te worden indien sprake is van een risicovolle bodemverontreiniging; een zogenaamde “spoedlocatie”. In het huidige plangebied zijn geen spoedlocaties bekend.

Op locaties waar nog ontwikkelingen gaan plaatsvinden dient de bodem gesaneerd te worden als sprake is van een ernstige bodemverontreiniging. In dat geval dient voorafgaand aan ontwikkelingen een saneringsplan of BUS-melding opgesteld te worden welke goedgekeurd moet worden door de Omgevingsdienst zijnde het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb).

Door de Omgevingsdienst is een inventarisatie gemaakt van de meest relevante bodemgegevens uit het plangebied. Het gaat hierbij om informatie uit tank-, bodemonderzoek- en verontreinigingsbronnen. De informatie is afkomstig uit de volgende archieven:

  • het bodeminformatiesysteem (BIS/GIS)
  • het tankinformatiesysteem
  • het historische bedrijvenbestand (Hbb)


Beoordeling plan

Van een beperkt deel van het plangebied is de bodemkwaliteit bekend. Het plangebied kan opgedeeld worden in deelgebied ten westen van de Stationsweg en een deelgebied ten oosten van de Stationsweg.

Binnen het deelgebied ten westen van de Stationsweg bevinden zich een aantal locaties waar vluchtige aromatische koolwaterstoffen matig tot sterk verhoogd in het grondwater worden aangetroffen (nabij ondergrondse tanks). Daarnaast worden polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en zware metalen in de grond aangetroffen. Deze verontreinigingen hebben hoogstwaarschijnlijk te maken met het gebruik in het verleden van een deel van het terrein als overslag-terrein van bulkgoederen per spoor. Onderzoeken van de bodem onder de panden zijn niet bekend. Gezien de historie van dit deelgebied kunnen bodemverontreinigingen verwacht worden aan de Stationspleinzijde en in de zuidwestelijke hoek.

Het deelgebied ten oosten van de Stationsweg kan gezien worden als een binnenstedelijk gebied. Hier worden verontreinigingen aangetroffen van voornamelijk zware metalen, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en minerale olie in licht tot sterk verhoogde concentraties. Onderzoeken van de bodem onder de panden zijn niet bekend. De reeds aangetroffen verontreinigingen hebben waarschijnlijk te maken met in het verleden aangebracht vervuild ophoogmateriaal en het intensief gebruik door bedrijven. Gezien het zeer wisselende gebruik kunnen er nog onbekende bodemverontreinigingen verwacht worden.

Er hebben mogelijk watergangen gelopen binnen dit gebied, die gedempt zijn. De Omgevingsdienst verwacht echter geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.


Conclusie

Er bevinden zich in het gebied geen zogenaamde spoedlocaties of locaties waar binnen een bepaalde termijn saneringen moeten worden uitgevoerd. De Omgevingsdienst verwacht geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.

4.6.5 Externe veiligheid

Beleid en regelgeving

Externe veiligheidsbeleid heeft betrekking op het gebruik, productie, opslag en transport van gevaarlijke stoffen. De normen voor het externe veiligheidsbeleid hebben een wettelijke status. Deze normen zijn een wettelijke verplichte toetsingsgrond bij besluiten op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet.

De overheid stelt grenzen aan de risico’s van inrichtingen met gevaarlijke stoffen. De grenzen zijn vertaald in een norm voor het plaatsgebonden risico (PR)1, en een oriëntatiewaarde en verantwoordingsplicht voor het groepsrisico (GR)2.


Plaatsgebonden risico:

Het PR kent een grenswaarde van 10-6. Binnen de PR 10-6 contour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn.


Verantwoordingsplicht groepsrisico:

Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting in situaties waarin zich een ramp met gevaarlijke stoffen voordoet. De verantwoordingsplicht is erop gericht om een weloverwogen afweging te maken over de risico’s in relatie tot de ontwikkelingen in het plangebied. In de verantwoording van het groepsrisico worden onderwerpen behandeld die van belang zijn bij het maken van een afweging over het risico. Behalve de hoogte van het groepsrisico zijn dat de noodzaak van de ruimtelijke ontwikkeling, risicoreducerende maatregelen en mogelijkheden tot rampenbestrijding.


Landelijk beleid:

Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Behalve met het PR en het GR moet voor buisleidingen rekening worden gehouden met de belemmeringenstrook aan weerszijden van de leidingen die moet worden vrijgehouden ten behoeve van onderhoud en werkzaamheden aan de buisleiding. Voor transportroutes geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Voor wegen die onderdeel zijn van het Basisnet weg geldt de Regeling basisnet, daarin zijn veiligheidsafstanden vastgelegd: een afstand voor het risicoplafond en het plasbrandaandachtsgebied (PAG).

Provinciaal Beleid:

De provincie Zuid Holland ambieert een veilig Zuid-Holland. In de provinciale structuurvisie (PSV) staat als provinciaal belang genoemd het ‘beschermen van grote groepen mensen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen’. De provincie wil voorkomen dat risicovolle activiteiten gevestigd worden in de omgeving van grote groepen mensen of dat een nieuwe ontwikkeling gepland wordt binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Het is niet altijd te voorkomen dat dit soort functies gecombineerd worden en het groepsrisico toeneemt. In dat geval vraagt de provincie van de verantwoordelijke bestuurders dat zij een groepsrisicoverantwoording schrijven: een heldere en transparante toelichting waarin zij uitleggen waarom deze ontwikkeling op deze locatie noodzakelijk is. Op basis van een groepsrisicoverantwoording moet aannemelijk worden gemaakt dat op termijn in de eindsituatie wordt voldaan aan de oriëntatiewaarde.


Regio Holland-Rijnland:

De regio Holland-Rijnland heeft in 2014 de omgevingsvisie externe veiligheid geactualiseerd (Bestuurlijk kader Externe Veiligheid Holland Rijnland) . In deze omgevingsvisie heeft de regio een beslismodel op basis van zonering van het groepsrisicodiagram opgesteld en richtsnoeren voor veilig ruimtelijk ontwerpen geformuleerd.

Beoordeling plan

Het plan ligt niet in het invloedsgebied van een bedrijf waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of geproduceerd. Ook ligt het niet in een invloedsgebied van een waterweg of buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen.

Het plangebied ligt bij een spoorlijn, maar deze maakt geen deel uit van het hoofdnetwerk voor transport van gevaarlijke stoffen over het spoor en is geen EV-relevantebron. Incidenteel kunnen wel gevaarlijke stoffen over de spoorlijn getransporteerd worden.

Het plangebied ligt in het effectgebied van de A4, maar op ruime afstand van circa 3 kilometer. Vanwege het transport van toxische vloeistoffen van categorie LT3 heeft de A4 een effectgebied van meer dan 4 kilometer.

Een nieuwe risicoberekening is niet nodig omdat de afstand tot de transportroute A4 meer dan 200 meter bedraagt (Besluit externe veiligheid transportroutes, art 8). Aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen moet wel aandacht worden besteed (Bevt, art 7).

Bij een incident met toxische stoffen op de A4 kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de sirene van de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende.


Conclusie

Externe veiligheid is geen belemmering voor het realiseren van dit bestemmingsplan.

4.6.6 Geluid

Beleid en regelgeving

Geluidsoverlast kan worden veroorzaakt door industrielawaai, railverkeerslawaai, wegverkeerslawaai en luchtverkeerslawaai van Schiphol. De Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet kent grenswaarden voor geluid. Bepaalde geluidgevoelige objecten mogen alleen worden toegelaten als zij geen ontoelaatbare geluidsbelasting ondervinden. Daartoe moet op grond van artikel 3.3.1 Besluit ruimtelijke ordening zones in het bestemmingsplan worden opgenomen rond geluidbronnen. Het bestemmingsplan moet de ligging en de afmetingen van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen gelegen binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder aangeven.

Als een bepaalde bestemming en/of een bepaalde geluidsbron niet in de Wet geluidhinder of Luchtvaartwet is geregeld, moet in het kader van de goede ruimtelijke ordening toch een akoestische afweging gemaakt worden.

De Wet geluidhinder geeft mogelijkheden om een hogere waarde vast te stellen voor wegverkeer, railverkeer en industrielawaai. Op 4 maart 2013 heeft de Omgevingsdienst de herziene versie van de "Richtlijnen voor het vaststellen van hogere waarden" vastgesteld. Op basis van deze richtlijnen stelt de Omgevingsdienst een maximale hogere waarde van 58 dB voor, voor verkeerslawaai en 63 dB voor railverkeer. Voor industrielawaai en Luchtvaartlawaai gelden de wettelijke grenswaarden.


Beoordeling plan

Er worden geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt, evenmin worden nieuwe geluidproducerende activiteiten mogelijk gemaakt. Daarom is het aspect geluid niet relevant voor dit bestemmingsplan.


Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

4.6.7 Luchtkwaliteit

Beleid en regelgeving

In de Wet milieubeheer (Wm) zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen.

Hoofdstuk 5 Titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ wordt kortweg aangeduid als de Wet luchtkwaliteit. Het doel van de wet is om mens en milieu bescherming te bieden tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Voor de gezondheid van de mens is een goede luchtkwaliteit van groot belang. Daarom zijn in bijlage 2 van de Wet milieubeheer grenswaarden opgenomen voor een aantal stoffen die als verontreiniging in de lucht voorkomen. In de praktijk richt de aandacht zich vooral op de stoffen stikstofdioxide en fijn stof ( PM10 en PM2,5). Van deze stoffen komen in Nederland concentraties voor die in de buurt van de grenswaarde liggen. De overige stoffen die in bijlage 2 zijn genoemd liggen over het algemeen ver onder de grenswaarden.

Vanaf 1 januari 2015 geldt er een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk. PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m3. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. De achtergrond concentraties langs de gemeentelijke wegen liggen onder de 20 µg/m3. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn.


Beoordeling plan

In dit bestemmingsplan zijn geen nieuwe ontwikkelingen zijn opgenomen. Het plan heeft daarom geen gevolgen voor de luchtkwaliteit. De bestaande situatie blijft gehandhaafd.

In het geval dat er zich in de toekomst ontwikkelingen voordoen, zal er onderzoek moeten plaatsvinden naar de luchtkwaliteit. Dit geldt zowel voor eventuele verslechtering van de luchtkwaliteit door een (bouw)project als voor de invloed van huidige vervuilingsbronnen bij de realisatie van gevoelige functies.

Om inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging binnen het plangebied kunnen de gegevens uit de digitale monitoringstool, die behoort bij het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), worden gebruikt. Uit de monitoringstool blijkt dat de hoogste concentratie stikstofdioxide, die in 2015 langs Stationsplein optreedt, 33,3 µg/m3 bedraagt. Voor fijn stof geldt, dat in 2015 de PM10 concentratie hier maximaal 23,4 µg/m3 (2015) en de PM2,5 concentratie 14,8 µg/m3 (2015) is. De jaargemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide en fijn stof PM10 bedraagt 40 µg/m3. Voor fijn stof PM2,5 is deze vastgelegd op 25 µg/m3. Naar verwachting daalt de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog door het schoner worden van het wagenpark


Conclusie

Vanwege dit milieuaspect zijn er geen belemmeringen.

4.7 Verkeer en vervoer

4.7.1 Beleidskader
4.7.1.1 Nota Mobiliteit

De Nota Mobiliteit geeft de visie van het rijk op het verkeer en vervoersbeleid weer tot en met 2020. De Nota is in samenwerking met de provincies, gemeenten, kaderwetgebieden en waterschappen tot stand gekomen. De Nota Mobiliteit is een zogenaamde planologische kernbeslissing (pkb), een planfiguur die wordt beschreven in de Wet op de Ruimtelijke Ordening en die de nota zijn wettelijke status geeft. Dit betekent dat eerst een beleidsvoornemen wordt gemaakt, waarna inspraak en advies volgen en tot slot een kabinetsstandpunt met parlementaire behandeling. De ruimtelijke aspecten van het verkeers- en vervoersbeleid komen terug in de Nota Ruimte van het ministerie van VROM.

De minister van Verkeer en Waterstaat heeft op 28 mei 2004 de hoofdlijnennotitie voor de Nota Mobiliteit aan de Tweede Kamer aangeboden. In de hoofdlijnennotitie worden de volgende beleidsdoelen aangegeven:

  • het verbeteren van de internationale bereikbaarheid;
  • het verbeteren van de interne en onderlinge bereikbaarheid van de nationale stedelijke netwerken en economische kerngebieden;
  • een goed functionerend systeem voor het vervoer van personen en goederen als essentiële voorwaarde voor economische ontwikkeling;
  • het inzetten op proces- en technologie-innovatie ter realisering van de beleidsdoelen.

De uitgangspunten bij het realiseren van deze beleidsdoelen zijn betrouwbare reistijden, vlotte en veilige verkeersafwikkeling binnen de (inter)nationale wettelijke en beleidsmatige kaders van milieu en leefomgeving. Een goede bereikbaarheid is een voorwaarde voor de sociale en economische ontwikkeling in Nederland. Op zijn beurt creëert die ontwikkeling weer nieuwe mobiliteit. Mobiliteit mag, maar niet altijd en overal. Mensen moeten mobiel kunnen zijn om maatschappelijk te kunnen participeren.

4.7.1.2 Regionaal verkeer- en vervoerplan (RVVP)

Begin juli 2002 is het ontwerp Regionaal Verkeer- en Vervoerplan verschenen. In dit RVVP met de titel 'De Regio's Verbonden' wordt aangegeven wat de komende jaren het beleid zal zijn voor de Leidse Regio, de Duin en Bollenstreek en de Provincie Zuid-Holland. Met het plan wil men vraagstukken aanpakken die op het gebied van mobiliteit een bijdrage leveren aan een goed klimaat om te wonen, werken en ondernemen in de regio.

Ten aanzien van het plangebied zijn de volgende aandachtsvelden van belang:

  • Mobiliteit en ruimte; dit aandachtsveld stelt de volgende doelen:
    • 1. betere afstemming van de ruimtelijke ontwikkelingen en de vervoersnetwerken;
    • 2. bundeling van activiteiten op locaties die goed bereikbaar zijn met de vervoermiddelen die daarbij horen; in dit geval het openbaar vervoer;
    • 3. een uitgekiende ruimtelijke ordening, zodat gebruik van fiets en openbaar vervoer gestimuleerd worden.
  • De fiets; dit aandachtsveld stelt de volgende doelen:
    • 1. meer gebruik van de fiets in stedelijke gebieden;
    • 2. gebruik van fiets als voor- en natransport bij het openbaar vervoer.
  • Openbaar vervoer; dit aandachtsveld stelt de volgende doelen:
    • 1. een snel en hoogwaardig verbindend regionaal hoofdnet;
    • 2. het hoofdnet en het onderliggend netwerk moeten afzonderlijk en eenduidig herkenbaar zijn.

4.7.1.3 Mobiliteitsnota

Op 28 mei 2015 heeft de gemeenteraad de Mobiliteitsnota Leiden 2015-2022 vastgesteld.

Deze nota legt het verkeers- en vervoersbeleid van de gemeente Leiden vast. De nota benoemt de ambities die Leiden op het vlak van mobiliteit heeft, en benoemt maatregelen om deze ambities te realiseren. Hier zijn nieuwe maatregelen bij, maar ook veel maatregelen waarover de afgelopen jaren al besluitvorming heeft plaatsgevonden. Ook de laatste zijn in deze nota opgenomen, want een belangrijk doel van de nota is overzicht te bieden over het gehele mobiliteitsbeleid van de gemeente. De looptijd van de Mobiliteitsnota is van 2015 tot en met 2022. Deze periode komt overeen met het Investeringsprogramma Infrastructuur waar Leiden ook aan werkt. In de Investeringsprogramma worden de middelen belegd voor infrastructuurprojecten.


In deze Mobiliteitsnota zijn zeven ambities verwoord:

  • 1. versterken van de hoofdontsluitingsstructuur;
  • 2. bereikbaarheid en omgevingskwaliteit in balans brengen;
  • 3. stimuleren van langzaam verkeer;
  • 4. stimuleren van OV-gebruik;
  • 5. bijdragen aan duurzaamheid en aan minder milieuhinder;
  • 6. werken aan een gastvrij Leiden;
  • 7. moderne technologie meer inzetten ten behoeve van verkeer en vervoer.


Met deze ambities wil Leiden bijdragen aan het bovenliggende doel dat ook in de Verkenning LAB071 is gebruikt: de Leidse agglomeratie wil een regio zijn van internationale kennis, historische cultuur, met een prettige en hoogwaardige woonomgeving, die goed bereikbaar is.

Leiden zal een aantal belangrijke maatregelen nemen ter verbetering van de structuur van het wegennet. De basis hiervoor is een ring die de hoofdontsluitingsstructuur van Leiden en de Leidse agglomeratie vormt. Deze hoofdstructuur wordt mogelijk door de komst van de Rijnlandroute en de verbrede A4. De Rijnlandroute sluit in feite de ring rond de Leidse agglomeratie. De ring die zo ontstaat wordt gevormd door de A44, Rijnlandroute, A4, en de streng N446-Oude Spoorbaan-Willem de Zwijgerlaan-Schipholweg-Plesmanlaan, en heet vooralsnog de Leidse Ring. Door ook op het gemeentelijke deel maatregelen te nemen, versterken we deze Leidse Ring en functioneert deze als de snelle en betrouwbare hoofdstructuur van de Leidse agglomeratie. Het bundelen van meer verkeer op deze route, maakt het mogelijk in andere delen van de stad aanpassingen van de wegenstructuur uit te voeren.

Met de Leidse Ring als basis is in deze nota een keuze gemaakt welke wegen de gemeente ziet als wegen met een ontsluitende functie, en welke wegen gelden als verblijfsgebieden. Hiertoe is gebruik gemaakt van de wegencategorieen conform het programma Duurzaam Veilig: stroomwegen, gebiedsontsluitingswegen en erftoegangswegen. Leiden voegt hier een categorie aan toe, namelijk wijkontsluitingswegen. Het gaat daarbij om wegen waar de verblijfsfunctie belangrijk is, maar het verkeeraanbod zodanig is en blijft, dat hier ook de verkeersfunctie op een verantwoorde wijze moet worden geborgd. Deze wijkontsluitingswegen liggen vooral in en rond de binnenstad. Uit de resulterende kaart die de gehele ontsluitingsstructuur van Leiden weergeeft, volgen opgaven voor weginrichtingen.

Naast de categorisering van de wegen is ook gekozen voor een aantal andere maatregelen die het functioneren van de wegenstructuur bepalen:

  • ten eerste is er voor gekozen op de Rijnzichtbrug slechts verkeer in een richting mogelijk te maken (nadat het project Ontsluiting Bio Science Park is voltooid). Dit heeft een grote positieve uitwerking op de Morsweg, waar op dit moment de situatie op meerdere vlakken (verkeersveiligheid, leefbaarheid) erg problematisch is,
  • verder wenst Leiden de Spanjaardsbrug voor autoverkeer af te sluiten. De brug blijft alleen open voor OV en langzaam verkeer. De situatie op en rond de brug is namelijk bijzonder ongeschikt om grotere hoeveelheden verkeer te verwerken. De afsluiting zorgt ervoor dat meer verkeer gebruik maakt van de Leidse Ring en dat het kruispunt Sumatrastraat ¡V Lage Rijndijk een betere inrichting kan krijgen. We gaan in overleg met Leiderdorp over deze maatregel,
  • ook gaat Leiden werken aan het versterken van de voetgangersvriendelijkheid in de binnenstad, in de vorm van een aaneensluitend gebied in de historische stad waar de (toeristische) bezoeker van onze binnenstad meer centraal staat. We vertalen dit in een inrichting van de straten, routing en eventuele tijden voor laden en lossen. De manier waarop en de exacte ligging van dit gebied is in de nota nog niet bepaald. Dit is een uitwerkingsvraag die met bewoners de komende tijd opgepakt zal worden,
  • tot slot is de aansluiting van Meerburg en het Waardeiland op de Hoge Rijndijk een onderwerp dat aandacht vraagt en met omwonenden zal worden uitgewerkt.

De nota bevat ook maatregelen op het gebied van duurzaamheid en leefbaarheid. Voor leefbaarheid is de introductie van de Leidse Ring al een positieve ontwikkeling: bundelen op de Leidse Ring betekent dat andere wegen minder verkeer te verwerken krijgen en op de Leidse Ring zijn extra maatregelen mogelijk om de gevolgen voor de leefbaarheid te beperken. Voor duurzaamheid is het belangrijk meer gebruik te maken van duurzame vormen van transport. Vooral het bevorderen van het gebruik van de fiets en het OV dragen hieraan bij. De nota noemt ook andere maatregelen op het gebied van duurzaamheid, zoals stedelijke distributie en het toepassen van mobiliteitsmanagement.

Leiden kent geen black spots (locaties met bovenmatige ongevallencijfers), maar er zijn wel locaties waar verbetering van de verkeersveiligheid wenselijk is. De nota benoemt een aantal locaties voor projecten om de veiligheid te verbeteren. Daarnaast zijn verkeerseducatie en publiekscampagnes manieren om de veiligheid te verbeteren. Voor die laatste maatregelen sluit de gemeente aan bij Holland-Rijnland.

Bij het OV-beleid is gekeken naar gedetailleerde gegevens over het reisgedrag van OV-reizigers die beschikbaar zijn als gevolg van de introductie van de OV-chipkaart. Vervolgens is beschreven hoe aan een beter OV gewerkt zal worden. Eerder is al gekozen voor de komst van een aantal lijnen met Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV). Deze HOV-lijnen en het spoornet zijn de dragers voor het OV-systeem. Hieronder zijn er vooral ontsluitende buslijnen die de wijken bedienen. Ten behoeve van de volgende concessie (waar de gemeente niet de bepalende partij in is, maar waar de gemeente wel invloed op heeft) zal de gemeente zoeken naar mogelijkheden die beter aansluiten op het werkelijke reisgedrag van OV-gebruikers en die meer rekening houden met andere belangen in de stad (zoals leefbaarheid). Ook innovatieve mogelijkheden (zoals nieuwe soorten vervoermiddelen voor het OV) komen hierbij aan bod. Verder is een essentiële ontwikkeling voor het OV dat Leiden het busstation verplaatst naar de andere zijde van het station. Dit heeft meerdere voordelen voor de openbare ruimte, en brengt gevolgen voor de belasting van het wegennet met zich mee.

De beleidsnota noemt op het gebied van voetgangers een beperkt aantal projecten: het verbeteren van de routes voor de voetganger van station Leiden Centraal naar het Bio Science Park en naar de binnenstad, en het realiseren van goede looproutes vanaf de nieuwe parkeergarages. Voor het overige is het voor de voetganger vooral belangrijk dat in de ontwerpen van de openbare ruimte altijd goed naar de belangen voor de voetganger wordt gekeken, ook van de kwetsbare doelgroepen hierbinnen.

Voor de fiets wordt het staande beleid uit de Nota Herijking Fietsroutes Leiden 2013-2020 doorgezet, met daarbij een aantal aanvullingen. Voor meer fietsgebruik is het vooral belangrijk dat de fietser beschikt over snelle en directe routes. Daar worden projecten voor uitgevoerd, voor een deel tussen Leiden en andere gemeenten, voor een deel binnen Leiden zelf. Ook komen er extra inspanningen op het gebied van fietsparkeren.

Op het gebied van parkeren is al een aantal belangrijke keuzen ingezet: de realisatie van nieuwe parkeergarages en de uitbreiding van gereguleerd parkeren. De beleidsnota benoemt de verschillende achterliggende doelen van het parkeerbeleid en somt de maatregelen om de doelen te halen op, waarvan eerdergenoemde parkeergarages en het gereguleerd parkeren de voornaamste zijn.

Bij verplaatsingen met het OV is er nagenoeg altijd sprake van ketenmobiliteit. Dat wil zeggen, bij de verplaatsing gebruikt de OV-reiziger ook voor- en natransport. Door het voor- en natransport beter te laten plaatsvinden, wordt het gebruik van het OV bevorderd. De voornaamste maatregelen hiertoe zijn het verbeteren van het fietsparkeren en de looproutes bij de stations. Hier worden inspanningen toe verricht.

Ook maatregelen op het gebied van verkeersmanagement maken deel uit van de Mobiliteitsnota. De meest omvangrijke maatregel die de gemeente zal nemen, is het sterk uitbouwen van het monitoringssysteem van het verkeer. De gegevens die als gevolg hiervan beschikbaar komen, bieden verschillende mogelijkheden om het verkeer beter te laten afwikkelen, waaronder het gebruiken van geavanceerdere algoritmes voor verkeerslichten, en het koppelen van de gegevens aan de vaarwegmanagementcentrale van de provincie. Met de laatste maatregel beogen wij dat de brugopeningen van de provinciale bruggen beter worden afgestemd op het wegverkeer.

4.7.1.4 Beleidsregels parkeernormen

Op 1 november 2014 is artikel 3.1.2 van het Besluit ruimtelijke ordening aangepast. Er is een onderdeel aan het Bro toegevoegd op grond waarvan het mogelijk is om zogenaamde 'wet-interpreterende' regels op te nemen in het bestemmingsplan. Geregeld is dat ten behoeve van de goede ruimtelijke ordening in een bestemmingsplan regels kunnen worden opgenomen, waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. Hiermee is het mogelijk gemaakt om een regeling voor het parkeren op te nemen, zonder parkeernormen concreet vast te leggen en ook om te kunnen blijven werken met een parkeerfonds.

Op 29 november 2014 is vervolgens de Reparatiewet BZK 2014 in werking getreden. Deze wet regelt formeel dat de grondslag voor het opnemen van stedenbouwkundige bepalingen in de bouwverordening komt te vervallen. Alle stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening moeten worden opgenomen in bestemmingsplannen, waaronder de parkeerregeling. Dit houdt in dat bestemmingsplannen die na 29 november 2014 worden vastgesteld artikel 2.5.30 van de bouwverordening vervalt en de parkeerregeling in het bestemmingsplan moet worden opgenomen. Dit is bepaald in het nieuwe artikel 133 van de Woningwet. Er geldt hiervoor een overgangstermijn tot 1 juli 2018: na die datum verliezen de stedenbouwkundige bepalingen in de bouwverordening hun (aanvullende) werking. Daarnaast geldt dat plannen, die vanaf de inwerkingtreding van de Reparatiewet in procedure worden gebracht, ook moeten zijn voorzien van een regeling ten aanzien van het parkeren.

In het bestemmingsplan moeten dus regels worden opgenomen ten aanzien van parkeren en laden en lossen. Uitgangspunt is dat bij ontwikkelingen (nieuwbouw of functiewijziging) er voldoende parkeerplaatsen en ruimte voor laden en lossen op eigen terrein beschikbaar moeten zijn. Hiermee wordt voorkomen dat een nieuwe ontwikkeling te veel nadelige gevolgen voor de omgeving oplevert.

Om te beoordelen wat 'voldoende' parkeerplaatsen zijn heeft het college van B&W op 28 februari 2012 de nota 'Beleidsregels parkeernormen Leiden' vastgesteld (BW 12.0189). Deze beleidsregels hebben betrekking op het stellen van een eis tot het aanbrengen van parkeer-/stallingsruimte voor auto's op eigen terrein. Ze hebben ook betrekking op de wijze van bepalen van de hoeveelheid benodigde parkeerplaatsen, in verband met aanvragen voor alle activiteiten, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid Wabo.

Het doel van dit beleid is dat initiatiefnemers van ruimtelijke activiteiten op eigen terrein voorzien in parkeer-/stallingsruimte voor auto's, dan wel laad- of losruimte, als daartoe behoefte ontstaat ten gevolge van die ruimtelijke activiteiten. Op deze wijze wordt in het bijzonder de parkeerdruk in de openbare ruimte beperkt, en wordt gezorgd voor voldoende plaats voor geparkeerde auto's bij de diverse voorzieningen en functies. De verantwoordelijkheid voor het realiseren van de benodigde parkeerplaatsen wordt primair bij de veroorzaker van de parkeervraag gelegd. De ruimte in Leiden is namelijk schaars en de leefbaarheid van wijken hangt nauw samen met het gebruik van de openbare ruimte.

Voor de verschillende zones in Leiden ('binnenstad, binnenstad bij station, schil, schil bij station en rest') en de verschillende functies gelden eigen, specifieke normen. Aan de hand van deze normen dient per geval in de concrete situatie te worden bepaald welke parkeerbehoefte ontstaat en in hoeveel parkeer-/stallingsruimte moet worden voorzien.

4.7.2 Onderzoeksresultaten

Dit bestemmingsplan staat het beleid omtrent verkeer en vervoer niet in de weg: het plan conserveert de bestaande situatie en maakt via een bestemming 'Verkeer' de bestaande verkeerswegen in het gebied mogelijk. Binnen deze bestemming 'Verkeer' vallen de Stationsweg, Morssingel, Rijnsburgersingel, Schuttersveld, Stationsplein en het Morssingelterrein.

Zowel openbaar vervoer (bussen), autoverkeer, fietsverkeer als voetgangersverkeer is mogelijk binnen de bestemming 'Verkeer'.

Het parkeren is geregeld via een aparte regel: de voorwaardelijke verplichting parkeren.

4.8 Water

4.8.1 Beleidskader

Beleid waterschap

Waterbeheerplan 5

Voor de planperiode 2016-2021 zal het Waterbeheerplan 5 (WBP5) van het hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft het hoogheemraadschap van Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. In het WBP5 staat samen werken met de omgeving aan water centraal. Het hoogheemraadschap van Rijnland wil samen met zijn omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer. De vier hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water, gezond water en de waterketen.

Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen.

Bij voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil het hoogheemraadschap van Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. Gezond water is de zorgplicht om het water schoon zoals past bij de functie van het water te houden. Wat betreft de waterketen, zijnde afvalwater, wordt dit optimaal gezuiverd en onttrokken grondstoffen worden hergebruikt.


Keur en uitvoeringsregels

Per 1 juli 2015 is een nieuwe Keur en de daarbij horende uitvoeringsregels in werking getreden. De Keur is benodigd vanuit de Waterwet. Daarin zijn vastgelegd de bevoegdheden en taken van het hoogheemraadschap, zijnde de zorg voor het watersysteem, de zorg voor het zuiveren van afvalwater, de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden en waterbeheer. De Keur dient tevens ter invulling van deze doelstellingen, te weten: voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Samengevat is maakt de Keur en uitvoeringsregels het mogelijk dat het hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken) en andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).

De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als het hoogheemraadschap van Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Keurvergunning. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland nader uitgewerkt.


Waterkeringen

Het hoogheemraadschap van Rijnland heeft de zorg voor de waterkeringen (zowel primaire als secundaire) en de instandhouding van de landscheidingen met de aangrenzende waterschappen.


Verharding onbebouwde gronden

Binnen het beheergebied van het hoogheemraadschap van Rijnland gelden strenge regels om onbebouwde grond te verharden. Bij toename van verharding van de onbebouwde gronden met meer dan 500 m2 is compensatie van verharding door middel van extra te graven vierkante meters water verplicht. Hiervoor geldt een realisatie- en meldingsplicht als ontheffing van de Keur en uitvoeringsregels van het hoogheemraadschap van Rijnland. De eigenaar van de gronden dient toename van de verharding en de realisatie van extra water te melden bij het hoogheemraadschap van Rijnland. Bij toename van verharding van om onbebouwde grond met meer dan 500 m2 dient de eigenaar een vergunning aan te vragen bij het hoogheemraadschap van Rijnland.

4.8.2 Onderzoeksresultaten
4.8.2.1 Algemeen

Water en ruimtelijke ordening

Het aanwezige watersysteem vormt een belangrijke randvoorwaarde voor wat in een bepaald gebied wel of juist niet mogelijk is en stelt daarmee eisen aan de omgang en inrichting van de beperkte ruimte. Bouwen langs het water kan enorm bijdragen aan het woongenot. Bouwen op de verkeerde plek kan veel ellende geven door wateroverlast. Terecht wordt steeds meer erkend dat water mede sturend dient te zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is inmiddels voor iedereen duidelijk dat het watersysteem meer ruimte nodig heeft om de effecten van klimaatverandering, zeespiegelstijging en bodemdaling het hoofd te kunnen bieden. Een goede afstemming tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening is daarom noodzakelijk.

Extra aandacht voor water in ruimtelijke plannen in een vroeg stadium van de planvorming is blijvend vereist met het oog op de toekomst en het naleven en uitvoering van de Watertoets, de Kaderrichtlijn Water (KRW), Waterplan Leiden en eisen vanuit waterbeheer.

4.8.2.2 Watertoets

Vooroverleg

In het kader van de Watertoets is het plan in het regulier overleg besproken met het Hoogheemraadschap van Rijnland.

Beschrijving van het watersysteem

  • Beschrijving huidige watersysteem: het plangebied is gelegen in de binnenstad van Leiden en geheel verhard, met uitzondering van de Singel. Dit is open water.
  • Waterpeil(en): het plangebied is geen polder waarvan een peil in stand gehouden wordt.
  • Eventuele hoofdwatergangen: de Morssingel en Rijnsburgersingel zijn hoofdwatergangen en lopen deels door het plangebied.
  • Polders: in het plangebied zijn geen polders aanwezig.
  • Waterkeringen: in het plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig.
  • Verhard oppervlak: het gehele plangebied is verhard.
  • Watercompensatie: er vinden geen extra verhardingen plaats als gevolg van dit bestemmingsplan.
  • Duikers: in het plangebied bevinden zich geen duikers.
  • Bruggen: in het plangebied bevindt zich één brug: de brug die de Stationsweg met de Steenstraat verbindt (de Rijnsburgerbrug, brugnummer 73).
  • Overstortconstructie: aan de Morssingel en aan de Rijnsburgersingel bevindt zich een overstortconstructie.

Conclusie

Het aspect water staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.9 Wonen

4.9.1 Beleidskader

Beleidsvisie Wonen Leidse Regio 2002

De Beleidsvisie Wonen Leidse regio (2002) geeft een beeld van de trends en een kwantitatieve analyse van de Leidse woningmarkt. Enkele genoemde trends zijn: regionalisering van de woningmarkt, stijgende ruimtebehoefte, verschuiving van een aanbodnaar een vraagmarkt, vergrijzing, gewenste aandacht voor duurzaamheid en een grotere keuzevrijheid van woonconsumenten.

De kwantitatieve analyse leert dat er ultimo 2001 bijna 88.700 woningen waren in de Leidse regio, waarvan bijna 58% (51.280) in Leiden (bron: WBO 2002). In de beleidsvisie is geraamd dat de voorraad in de regio in de periode 2000 2010 met 12.000 woningen zou moeten groeien om in de behoefte te voorzien.

In de periode 2000-2003 zijn circa 2.200 woningen gerealiseerd. De actualisering Vinexbouwscenario van 2004 laat zien dat in dit jaar ruim 1.100 woningen zijn geprogrammeerd (inclusief Voorhout), waarvan 89 in Leiden. In de periode 2005-2010 zal dus nog veel moeten worden gebouwd om het geraamde tekort terug te brengen. Het merendeel (62%) van de uitbreiding zal door verdichting worden gerealiseerd. In 2004 is dat aandeel nog 29%. Verder blijkt dat Leiden relatief veel sociale huurwoningen (45% tegen 37% in de totale regio) en weinig koopwoningen (43% tegen 52%) heeft.

In de woonvisie zijn afspraken gemaakt om die verhouding meer in evenwicht te brengen.

De visie concludeert dat een flink deel van de woningen binnenstedelijk gerealiseerd moet worden, bijvoorbeeld door middel van herstructurering en verdichting. De visie concludeert tevens dat de verhouding tussen vraag en aanbod van de woningmarkt uit balans is. Transformatie van bestaande wijken en nieuwbouw moeten deze discrepantie verhelpen.

Nota Wonen 2020 'Leiden kijkt vooruit en pakt door'

Op 14 februari 2013 heeft de gemeenteraad de nota Wonen 2020 'Leiden kijkt vooruit en pakt door' vastgesteld. Deze nota vormt een beleidskader voor de keuzes in het woonbeleid.

De Stadsvisie Leiden, Stad van Ontdekkingen, de Sociaal Maatschappelijke Structuurvisie 2025 "Leven in Leiden" en de ruimtelijke Structuurvisie Leiden 2025 vormen het kader voor deze nota Wonen. Deze nota Wonen vormt op haar beurt weer het kader voor nieuwe prestatieafspraken met de woningcorporaties en voor de plannen voor renovatie en nieuwbouw.

Verbetering van de balans tussen vraag en aanbod, investeren in de kwaliteit van woning en woonomgeving en voldoende woningen voor hen die niet op de particuliere markt terecht kunnen: de lage en middeninkomens. Dit zijn de drie hoofdopgaven die Leiden zich in de nieuwe nota Wonen stelt. Leiden is een aantrekkelijke woonstad met haar monumentale binnenstad, gevarieerde bevolking en goede voorzieningen. Om die aantrekkelijke stad te blijven moeten we doorgaan met investeren: afmaken van de bestaande woningprojecten en kijken naar nieuwe kansen. Vooruitzien en doorpakken is daarom het motto van deze nota, ook in tijden van crisis en bezuiniging. Dat is niet gemakkelijk en daarom staat samenwerking in deze nota centraal: samenwerking tussen en met woningcorporaties, beleggers, ontwikkelaars, huurders en zorgaanbieder om ook in zwaardere tijden te zorgen voor verbetering van woning en woonklimaat.

4.9.2 Onderzoeksresultaten

Dit bestemmingsplan heeft geen betekenisvolle invloed op de Leidse woningmarkt: zij maakt geen (grote) aantallen nieuwe woningen mogelijk of onmogelijk, maar conserveert de huidige situatie. Wel maakt het plan mogelijk dat op de etages van de bebouwing binnen het plangebied gewoond wordt. Via 'wonen boven winkels' zijn dus wel nieuwe woningen mogelijk die er nu -mogelijk- nog niet zitten omdat thans sommige etages in gebruik zijn als opslagruimte voor winkels of als kantoorruimte.

Conform gemeentelijk beleid is gekozen voor een 'brede' woonbestemming, dit houdt in dat binnen de bestemming 'wonen' alle typen woningen zijn toegestaan, dus van onzelfstandige studentenwoningen tot appartementen en eengezinswoningen.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de bestaande situatie en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied juridisch zijn vertaald.

Het juridische deel van een bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en de regels.

De regels bevatten regels voor het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.

De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch gezien ook geen deel uit van het bestemmingsplan maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

5.2 Opzet en volgorde van de regels

De regels van bestemmingsplan Stationsbuurt (NL.IMRO.0546.BP00134) zijn op de volgende wijze opgebouwd.

Hoofdstuk 1

Artikel 1 en 2 Inleidende regels:

  • Begrippen (artikel 1)
  • Wijze van meten (artikel 2)

Hoofdstuk 2

Artikel 3 t/m 13 Bestemmingsregels:

  • Gemengd (artikel 3)
  • Groen (artikel 4)
  • Horeca (artikel 5)
  • Kantoren (artikel 6)
  • Tuin (artikel 7)
  • Verkeer (artikel 8)
  • Wonen (artikel 9)
  • Leiding - Hoogspanning (artikel 10)
  • Waarde - Archeologie 3 (artikel 11)
  • Waarde - Archeologie 5 (artikel 12)
  • Waarde - Archeologie (artikel 13)

Hoofdstuk 3

Artikel 14 t/m 19 Algemene regels:

  • Anti-dubbeltelregel (artikel 14)
  • Algemene bouwregels (artikel 15)
  • Algemene gebruiksregels (artikel 16)
  • Algemene aanduidingsregels (artikel 17)
  • Algemene afwijkingssregels (artikel 18)
  • Overige regels (artikel 19)

Hoofdstuk 4

Artikel 20 en 21 Overgangs- en slotregels:

  • Overgangsrecht (artikel 20)
  • Slotregel (artikel 21)

5.3 Uitleg van de regels

5.3.1 Inleiding

Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Daarnaast is voor het bestemmingsplan aangesloten bij de landelijke standaard voor bestemmingsplannen: de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012).

5.3.2 Inleidende regels

Begripsbepalingen (artikel 1)

In de begripsbepaling worden begrippen waarnodig beschreven om zodoende interpretatieproblemen te voorkomen. Veelal worden begrippen gedefinieerd die in de voorschriften worden gebruikt en daar een bijzondere betekenis hebben, die afwijkt van of niet dan wel niet vaak voorkomt in het “normale” spraakgebruik. Wanneer een begrip niet opgenomen is in de begripsomschrijvingen/-bepalingen en er ontstaat een interpretatieprobleem dan is het normale spraakgebruik richtinggevend. De begripsomschrijvingen/-bepalingen zijn niet uitputtend bedoeld. De belangrijkste en/of onduidelijke begrippen zijn opgenomen in dit artikel.

Wijze van meten (artikel 2)

De wijze van meten beschrijft hoe de genoemde maatvoeringen in de diverse bestemmingsbepalingen gemeten dienen te worden.

5.3.3 Bestemmingsregels

Gemengd (artikel 3)

De bestemming 'Gemengd' is de bestemming van de panden gelegen aan de Stationsweg en het Stationsplein. Binnen deze bestemming zijn diverse functies mogelijk: wonen, kantoren, maatschappelijk, dienstverlening, detailhandel en horeca indien dat op de kaart is aangegeven.

De 'standaard' bij de bestemming Gemengd is dat de etages gebruikt moeten worden als woning, de begane grond mag gebruikt worden als woning of als andere functie. Waar in de praktijk op de etages niet wordt gewoond maar de 1e etage of het hele pand voor een andere functie wordt gebruikt is een aanduiding opgenomen dat de 1e etage of alle etages van het betreffende pand ook voor niet-woonfuncties zijn bestemd. Dit zijn in dit plangebied met name kleinschalige kantoren die in een herenhuis aan de Stationsweg zijn gevestigd.

Een groot aantal van de panden binnen de bestemming Gemengd heeft een extra aanduiding dat horeca is toegestaan. Dit zijn alle panden in de horecacategorie 3* (restaurants en grand café's). Eén pand (Stationsweg 18) heeft een aanduiding horecacategorie 2 (snackbars).

Binnen de bestemming Gemengd is ter hoogte van 'Villa de Kroon' (Stationsweg 25) via een aanduiding 'ontsluitingspad' een ontsluitingsroute toegestaan ten behoeve van de woningen aan het Paviljoenshof. Hiermee is de bestaande ontsluiting van het Paviljoenshof planologisch geregeld.

Bebouwing in de vorm van gebouwen buiten het bouwvlak is alleen toegestaan binnen de aanduiding 'bijgebouwen' [bg].

Groen (artikel 4)

Het groen langs de singel heeft in dit bestemmingsplan een bestemming 'Groen' gekregen. Dit betreft belangrijk, structureel groen dat behouden dient te blijven. Het groen vormt een onderdeel van het Singelpark.

Binnen dit groen is de mogelijkheid opgenomen dat er een toegangspad ten behoeve van woonschepen mogelijk is. Erfafscheidingen en bergingen ten behoeve van woonschepen zijn niet toegestaan binnen de groenbestemming: het groen dient onbebouwd te blijven zodat het zicht van en op het water onbeperkt mogelijk blijft.

De groenzone op het Morssingelterrein heeft ook een groenbestemming gekregen. Deze groenzone is een belangrijk groen rustpunt in het versteende Morssingelterrein dat wordt gedomineerd door parkeren.

Horeca (artikel 5)

Het pand Stationsplein 240 heeft een bestemming 'Horeca' gekregen. Binnen deze bestemming is uitsluitend horeca in categorie 6 (hotels) toegestaan. Via deze bestemming wordt het bestaande Ibis-hotel planologisch geborgd. Binnen de bestemming hotel zijn daaraan ondergeschikte horecavormen (ontbijtruimte, bar, restaurant) ook toegestaan. Ook kan (beperkte) zalenverhuur in de vorm van presentatieruimtes en vergaderkamers als passend binnen de bestemming worden beschouwd.

Kantoor (artikel 6)

Aan het Schuttersveld 9 is het kantoorgebouw 'Leiden Centraal Kantoren' gelegen. Dit kantoorgebouw is als zodanig in dit bestemmingsplan opgenomen.

Binnen deze bestemming zijn kantoren met en zonder baliefunctie toegestaan. Ook zijn aan de kantoorfunctie ondergeschikte horeca, detailhandel, sport en recreatieve doeleinden toegestaan. Denk hierbij aan een bedrijfskantine, een recreatieruimte behorende bij een kantoor etc.. Deze ondersteunende functies zijn gemaximeerd. Genoemde functies zijn niet zelfstandig toegestaan.

Buiten het bouwvlak zijn de toegangspartijen tot het kantoorgebouw mogelijk: de hellingbaan en trappartij aan de voorzijde van het Schuttersveld en de toegang tot de parkeergarage aan het Ebel Magninpad. Ook de bestaande fietsenstalling aan het Ebel Magninpad is opgenomen binnen de bestemming.

Tuin (artikel 7)

Het onbebouwde deel van het Paviljoenshof heeft de bestemming 'Tuin' gekregen conform de Leidse standaard zoals die ook in de binnenstad wordt gebruikt, waarbij hofjes een tuinbestemming krijgen. Binnen deze bestemming zijn gebouwen niet toegestaan. Verhardingen zijn toegestaan tot maximaal 400 m2, conform de bestaande verharding in het hofje.

Verkeer (artikel 8)

Alle openbare ruimte in het plangebied, dus stoepen, straten, fietspaden etc, hebben een bestemming 'Verkeer' gekregen. Binnen deze bestemming is langzaam verkeer en gemotoriseerd verkeer toegestaan. Ook parkeren is toeegstaan, alsmede groen en diverse objecten in de openbare ruimte (afvalinzamelplekken, etc.).

Binnen de verkeersbestemming zijn nutsvoorzieninbgen toegestaan, waaronder ook WKO-installaties toegestaan ten behoeve van gebouwen in de nabijheid van de betreffende WKO-installatie.

Op het Schuttersveld is de daar geplande HOV-verbinding ook mogelijk binnen de bestemming verkeer. Ook HOV-bussen (R-Net) in de Stationsweg zijn toegestaan.

Het Morssingelterrein heeft een bestemming cverkeer gekregen. Zowel het parkeerterrein voor auto's als de fietsenstalling ten behoeve van het station past binnen de verkeersbestemming.

De bestaande kiosk aan de Stationsweg 34 is wegbestemd en daarmee onder het overgangsrecht geplaatst: de bestaande kiosk kan blijven staan en gebruikt worden op basis van de regeling in het voorgaande bestemmingsplan, maar dit gebruik wordt via dit bestemmingsplan wegbestemd. De kiosk is wegbestemd ten behoevbe van de voorgenomen ontwikkeling van 'De Geus' (Stationsweg 36-46).

Wonen (artikel 9)

De woningen aan de Morssingel en Rijnsburgersingel alsmede op de hoek van het Schuttersveld en de Rijnsburgersingel hebben een bestemming 'Wonen' gekregen. Ook de woningen in het Paviljoenshof hebben een woonbestemming gekregen.

De bestaande maatschappelijke instellingen op de begane grond van enkele woongebouwen (bijvoorbeeld fysiotherapeut Doortast, Parodontologiepraktijk Leiden en tandartsenpraktijk Rijnsburgersingel) zijn mogelijk via een aanduiding 'maatschappelijk toegestaan'.

Bebouwing in de vorm van gebouwen buiten het bouwvlak is alleen toegestaan binnen de aanduiding 'erf' (e) of binnen de aanduiding 'bijgebouwen' [bg].

Leiding - Hoogspanning (artikel 10)

In het bestemmingsplan is een dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanning' opgenomen ten behoeve van een ondergrondse hoogspanningsleiding die vanaf het Stationsplein richting het Schuttersveld loopt. Deze leiding loopt over een hoek van de geplande nieuwbouw heen. Om te zorgen dat het functioneren van deze leiding niet belemmerd wordt door de nieuwbouw is een dubbelbestemming opgenomen waarin is opgenomen dat in deze gronden slechts gebouwd of geroerd mag worden nadat de betreffende leidingbeheerder advies heeft gegeven.

Hiernaast is opgenomen dat slechts bouwwerken zijn toegestaan indien en voor zover de belangen van de betrokken kabels en leidingen zulks gedogen. Dit kan dus inhouden dat, in afwijking van de bouwregels zoals gesteld in artikel 8, alsnog een deel van de gronden onbebouwd moet blijven (voor wat betreft de begane grond bijvoorbeeld) teneinde de kabels en leidingen niet te beroeren.

Waarde - Archeologie 3 (artikel 11)

Dit artikel geeft aan dat een gedeelte van het plangebied mede is bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Het artikel beschrijft tevens de werkwijze indien de bodem geroerd wordt. Er zijn diverse waarden, afhankelijk van de locatie en het type archeologie dat zich in de bodem bevindt.

Waarde - Archeologie 5 (artikel 12)

Dit artikel geeft aan dat een gedeelte van het plangebied mede is bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Het artikel beschrijft tevens de werkwijze indien de bodem geroerd wordt. Er zijn diverse waarden, afhankelijk van de locatie en het type archeologie dat zich in de bodem bevindt.

Waarde - Archeologie 6 (artikel 13)

Dit artikel geeft aan dat een gedeelte van het plangebied mede is bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Het artikel beschrijft tevens de werkwijze indien de bodem geroerd wordt. Er zijn diverse waarden, afhankelijk van de locatie en het type archeologie dat zich in de bodem bevindt.

5.3.4 Algemene regels

De algemene regels bevatten de volgende artikelen:

Antidubbeltelregel (artikel 14)

De antidubbeltelregel bepaalt dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft.

De antidubbeltelregel is opgenomen in het Bro2008 met de verplichting deze over te nemen in het bestemmingsplan. De Wro bevat een algemeen verbod om de gronden en bebouwing in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken. Dit hoeft dus niet in de regels te worden opgenomen. Hetzelfde geldt voor de strafbepaling.

Algemene bouwregels (artikel 15)

In de algemene bouwregels is aangegeven dat de bestaande maten die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, als ten hoogste of ten minste toelaatbaar mogen worden aangehouden.

Verder bevatten deze regels bepalingen voor dakterrassen. Tenslotte is een regel opgenomen voor karakteristieke panden ter bescherming van de cultuurhistorische waarden van deze panden.

Algemene aanduidingsregels (artikel 16)

Deze regels hebben betrekking op de vrijwaringszone van de gebiedsaanduiding molenbiotoop. In deze regels wordt bepaald dat een gebouw, bouwwerk of beplanting moet voldoen aan de molenbiotoopregeling van de province Zuid-Holland.

In het plangebied van dit bestemmingsplan bevinden zich geen traditionele windmolens, maar van twee molens (De Valk en De Put) valt de molenbiotoop wel over het plangebied.

Algemene afwijkingsregels (artikel 17)

Op grond van de algemene afwijkingssregels kan afgeweken worden van het bestemmingsplan in verschillende specifieke gevallen. In onderhavig bestemmingsplan gaat het om het afwijken van de maatvoering.

Voorwaardelijke verplichting parkeren (artikel 18)

In deze regel is opgenomen dat er voldoende ruimte voor parkeerplaatsen op eigen terrein beschikbaar moet zijn. Dit werd voorheen geregeld in de bouwverordening, maar per 29 november 2014 is deze regeling vervallen en dient in het bestemmingsplan gewaarborgd te worden dat er voldoende ruimte voor parkeerplaatsen op eigen terrein beschikbaar is.

De parkeernormen zelf zijn opgenomen in de Beleidsregels Parkeren. Deze beleidsregels kunnen gedurende de looptijd van het bestemmingsplan aangepast worden. Bij de uitoefening van de bevoegdheid voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen wordt getoetst aan de beleidsregels zoals die gelden ten tijde van de vergunningsaanvraag. Dit is via een dynamische verwijzing mogelijk gemaakt.

Overige regels (artikel 19)

De overige regels hebben betrekking op verwijzingen naar andere wetgeving.

5.3.5 Overgangs- en slotregels

Overgangsregels (artikel 20)

Het overgangsrecht is opgenomen in het Bro2008 met de verplichting deze over te nemen in het bestemmingsplan.

De overgangsregels bevatten bepalingen omtrent het voortzetten van gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is.

Eenzelfde regeling is opgenomen voor bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering zijn, dan wel gebouwd kunnen worden krachtens een bouwvergunning.

Indien zo'n bouwwerk afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, het bouwwerk

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

Slotregels (artikel 21)

In de slotregels worden de regels van dit bestemmingsplan aangehaald.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Het voorliggende bestemmingsplan betreft een actualisering van een aantal verouderde bestemmingsplannen, waarbij slechts het juridisch-planologisch regime is geactualiseerd en er verder sprake is van consolidatie van de bestaande situatie. Met betrekking tot de realisatie van het plan heeft dit geen financiële consequenties voor de gemeente Leiden.

Uit deze overwegingen volgt, dat afdeling 6.4 van de Wro niet aan de orde is en dat de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in principe is verzekerd. Ten behoeve van dit bestemmingsplan zal derhalve geen exploitatieplan worden vastgesteld.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Algemeen

Een bestemmingsplan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zien. Dat wil zeggen dat de voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan zijn besproken met belanghebbenden. Het is vrijwel niet mogelijk iedereen tevreden te stemmen: bij het tegen elkaar afwegen van de diverse belangen kan het altijd mogelijk zijn dat één belang minder gewicht wordt toegekend dan het ander.

6.2.2 Vooraankondiging

Overeenkomstig het gestelde in artikel 1.3.1 Bro is op 30 maart 2017 een vooraankondiging van dit bestemmingsplan gedaan.

6.2.3 Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.

De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. Gedurende de inspraaktermijn op het voorontwerp bestemmingsplan worden deze instanties in de gelegenheid gesteld te reageren op het voorontwerp bestemmingsplan. Eventuele reacties zullen worden meegenomen in het ontwerp bestemmingsplan.

6.2.4 Zienswijzen

Dit ontwerpbestemmingsplan zal gedurende een termijn van zes weken voor zienswijzen ter visie worden gelegd. In die termijn kan eenieder een zienswijze met betrekking tot het ontwerp indienen. De ter visie legging van dit bestemmingsplan wordt op de gebruikelijke manier bekend gemaakt via het internet en de krant.

Ingediende zienswijzen zullen door de gemeenteraad worden betrokken bij de uiteindelijke vaststelling van het bestemmingsplan. De zienswijzennota zal daarbij als bijlage bij dit bestemmingsplan worden gevoegd.