direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Brug Poelgeest 2017
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0546.BP00132-0201

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De gemeenten Oegstgeest en Leiden willen een nieuwe brug over de Haarlemmertrekvaart verwezenlijken. Door de realisatie van deze brug worden de Hugo de Vrieslaan en het Trekvaartplein aangesloten op de Oegstgeesterweg. Deze nieuwe verbinding draagt naast een versterking van de ontsluitingsstructuur voor gemotoriseerd verkeer bij aan verbeteringen ten aanzien van de aansluiting op het regionale fietsnetwerk, mogelijkheden voor openbaar vervoer en de bereikbaarheid bij wegwerkzaamheden en calamiteiten.

Blijkend uit de Bestuursovereenkomst Leiden – Oegstgeest, ondertekend op 17 oktober 2006, is besloten om af te zien van de aanleg van een tunnel gelegen onder het spoor tussen Poelgeest in Oegstgeest en de Merenwijk in Leiden. In plaats hiervan is ingezet op een brug vanuit Poelgeest over de Haarlemmertrekvaart naar de Oegstgeesterweg in Leiden, met bijbehorende financiële afspraken tussen beide gemeenten. In 2016 is een allonge ondertekend door beide gemeenten, waarin aanvullende financiële afspraken zijn gemaakt.

Het doel van voorliggend bestemmingsplan is een eenduidige en uniforme juridische regeling voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing binnen het plangebied. Normaliter stellen gemeenten bestemmingsplannen op voor het eigen gemeentelijk grondgebied. Vanwege de overschrijding van de gemeentegrenzen van Leiden en Oegstgeest binnen het plangebied stellen beide gemeenten gezamenlijk één bestemmingsplan op, dat door beide gemeenteraden (voor wat betreft het eigen grondgebied) wordt vastgesteld.

1.2 Begrenzing plangebied

Het plangebied voor de nieuwe brugverbinding ligt deels in de gemeente Leiden en deels in de gemeente Oegstgeest en beslaat ongeveer 1,3 hectare. Het plangebied grenst in het noordwesten aan de ijsbaan, de Broekweg (fietspad langs woonwijk Poelgeest) in het noordoosten, het Trekvaartplein in het zuidoosten en de Kikkermolen, het begin van het Heempark en de Oegstgeesterweg in het zuiden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00132-0201_0001.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00132-0201_0002.png"  

Figuur 1.1 Ligging plangebied

1.3 Vigerende bestemmingsplannen

Voor het plangebied, zoals aangegeven en toegelicht in paragraaf 1.2, vigeren op dit moment de volgende bestemmingsplannen:

Gemeente   Naam bestemmingsplan   Vastgesteld   Kroonbesluit  
Leiden   Trekvaartplein   18 februari 2010   n.v.t.  
Leiden   Leiden Noordwest   11 oktober 2012   n.v.t.  
Oegstgeest   Centrum   15 augustus 1974   17 maart 1965  
Oegstgeest   Oud Poelgeest   18 februari 2010   n.v.t.  

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het bestemmingsplan

2.1 Geschiedenis van het plangebied

Vroege geschiedenis

De ligging van oude nederzettingen en wegen werd lange tijde bepaald door natuurlijke omstandigheden. Zo ging tot de 19e eeuw het meeste verkeer over het water. In de omgeving van Leiden waren er ruwweg maar twee typen ondergrond die in aanmerking kwamen voor bebouwing of bestrating: dat waren enerzijds de oeverwallen van de Rijn, en anderzijds de door de zee gevormde strandwallen parallel aan de kust.

Oegstgeest is een van de vroegst bewoonde gebieden van het kustgebied en is ontstaan op een uitloper van een min of meer nood-zuid gerichte strandwal in het mondingsgebied van de Oude Rijn. De eerste sporen van bewoning dateert uit de periode 500-700 na Christus, van permanente bewoning is pas vanaf de 9e eeuw sprake. Van de 11e tot de 14e eeuw maakte Oegstgeest een periode van grote bloei door. Het kasteel Oud-Poelgeest dateert uit deze periode.

Leiden ontstond als dijkdorp aan de voet van een kunstmatige heuvel aan de samenvloeiing van de Oude en Nieuw Rijn. De gunstig gelegen nederzetting kreeg in 1266 bevestiging van de al eerder verleende stadsrechten en ontwikkelde zich met haar bloeiende lakennijverheid in de 14e en 15e eeuw uit tot een van de grootste steden van het gewest Holland.

Recente geschiedenis

Het beeld van het gebied dat rond 1925 aanwezig was bestond uit een compacte kern Oegstgeest en een door vestigwerken afgebakend Leiden. Even als Warmond is duidelijk te zien dat Oegstgeest op een zandrug ligt. Het landgoed Oud-Poelgeest ligt in een grotendeels open buitengebied. Na de Tweede Wereldoorlog begint de grootschalige uitleg van zowel Leiden als Oegstgeest. De zone tussen de Warmonderweg en de spoorlijn Leiden – Haarlem/Amsterdam blijft grotendeels vrij van de uitbreidingsdrift. In deze zone liggen landgoederen, sportvelden, het universiteitsterrein en enkele woonbuurtjes. Rond 2000 wordt de wijk Poelgeest gebouwd. In 2015 lijkt het landgoed Oud-Poelgeest onderdeel te zijn van een grootstedelijk parkgebied. Het landschap heeft zich in 100 jaar als het ware omgekeerd van landgoed in het buitengebied naar landgoed als onderdeel van een grootstedelijk park.

2.2 Beschrijving huidige situatie

In en rondom het plangebied is relatief veel groen te vinden. Het kasteel Oud-Poelgeest bevindt zich in een grote groene ruimte, die deel uit maakt van een groene long binnen het verstedelijkt gebied. Hieronder vallen ook de westelijk gelegen sportvelden in de Kikkerpolder en het stadspark Leidse Hout. Het Heempark (1959) is gelegen ten zuiden van het plangebied en betreft een kunstmatig aangelegd en omheind park waar wilde flora en fauna te vinden is. Aan de rand van het Heempark is de monumentale Kikkermolen (1752) gelegen.

Centraal in het plangebied bevindt zich de Haarlemmertrekvaart. Deze trekvaart verbindt Leiden met Haarlem en was van oudsher een belangrijke route voor trekschuiten tussen beide steden. In de huidige situatie is de Haarlemmertrekvaart een belangrijke recreatieve vaarroute.

Qua verkeer is de Oegstgeesterweg een belangrijke gebiedsontsluitingsweg tussen het centrum van Leiden en door naar de A44 en de Bollenstreek. De aan de overzijde van de Haarlemmertrekvaart gelegen Haarlemmerweg doet met name dienst als langzaamverkeersroute en wordt voorts gebruikt om het Trekvaartplein en de woonboten in de Haarlemmertrekvaart te ontsluiten.

De Oegstgeestse woonwijk Poelgeest wordt in de huidige situatie ontsloten via de Hugo de Vrieslaan en de Lange Voort. Daarnaast wordt de Cornelis van Steenishof tot aan de realisatie van de brug nog gebruikt voor verkeer naar de Haarlemmerweg. Dit hof is niet bedoeld als wijkontsluiting. De Kwaakbrug tenslotte kan alleen voor langzaam verkeer worden gebruikt.

2.3 Planomschrijving

2.3.1 Beleidsmatige achtergrond

Ontwikkelingsplan Poelgeest (Oegstgeest, 1997)

In het Ontwikkelingsplan Poelgeest is aangegeven dat de ruimtelijke structuur uitgaat van een autoluw karakter. Dit heeft onder meer geleid tot een lagere parkeernorm om het autogebruik terug te brengen. Om een autoluwe inrichting te bereiken dient het fiets- en openbaar vervoergebruik gestimuleerd worden door de aanleg van hoogwaardige voorzieningen, zoals fietsroutes en buslijnen. Toentertijd werd een tweede ontsluiting voorzien door middel van een tunnel naar de Merenwijk in Leiden.

Bestuursovereenkomst Leiden-Oegstgeest (2006)

In 2006 hebben de gemeentebesturen van Leiden en Oegstgeest geconcludeerd dat het wenselijk is om de ontsluiting van Poelgeest op een andere wijze plaats te laten vinden dan via een tunnelverbinding naar de Merenwijk. Concreet is in de betreffende bestuursovereenkomst besloten om af te zien van de aanleg van een tunnel en gekozen voor een brug vanuit Poelgeest naar de Oegstgeesterweg in Leiden. Deze brug moet eveneens het Leidse Trekvaartplein ontsluiten.

Nota van uitgangspunten Trekvaartplein e.o. (Leiden, 2008)

In deze Nota van uitgangspunten is de nut en noodzaak van een tweede volwaardige ontsluiting voor de wijk Poelgeest in Oegstgeest en het Trekvaartplein in Leiden in beeld gebracht aan de hand van de volgende criteria: auto-intensiteiten Lange Voort, bereikbaarheid Trekvaartplein, hulpverleningsvoertuigen, fietsers en voetgangers, openbaar vervoer, alternatieve ontsluiting bij wegonderhoud. Tevens bevat de Nota specifieke uitgangspunten voor het brugontwerp. Gezien het verstrijken van de tijd en de daarbij behorende voortschrijdende inzichten, is de nut en noodzaak in onderhavig bestemmingsplan opnieuw beschouwd.

Nota herijking fietsroutes (Leiden, 2013)

Belangrijk speerpunt in deze nota is om het fietsgebruik in de Leidse regio met tien procent te laten groeien. Een van de maatregelen hiertoe betreft de ambitie om een tweetal ontbrekende schakels in het regionaal fietsroutenetwerk te dichten, te weten Corridor 6 Noordwijk-Leiden CS/Bio Science Park en de stedelijke verbinding Poelgeest-Leidse Hout/Bio Science Park. Deze schakels vallen binnen het plangebied van onderhavig bestemmingsplan.

Voorbereidingsbesluit Groene recreatieve routes (Leiden, 2013)

In dit besluit is opgenomen dat in verband met de verdere ontsluiting van de groengebieden rond Leiden de groene recreatie Biodiversiteitsroute naar het Plassengebied via de Brug Poelgeest geprioriteerd moet worden.

Mobiliteitsnota Leiden 2015-2022

Het overkoepelende verkeers- en vervoersbeleid staat in de Mobiliteitsnota Leiden 2015-2022. De hierin benoemde ambities zijn:

  • 1. versterken van de hoofdontsluitingsstructuur
  • 2. bereikbaarheid en omgevingskwaliteit in balans brengen
  • 3. stimuleren van langzaam verkeer
  • 4. stimuleren van OV-gebruik
  • 5. bijdragen aan duurzaamheid en aan minder milieuhinder
  • 6. werken aan een gastvrij Leiden
  • 7. moderne technologie meer inzetten ten behoeve van verkeer en vervoer.

Een belangrijk middel om verschillende van bovenstaande ambities concreet te maken, is het categoriseren van alle wegen in het wegennet. De wegencategoriseringskaart (zie figuur 2.1) geeft met de gekleurde wegen aan welk deel van de wegenstructuur bedoeld voor het ontsluiten van de stad; alle overige wegen zijn geen ontsluitende wegen maar, erftoegangswegen (verblijfsgebied). De weg in Leiden waar de brug vanuit Poelgeest op aansluit is de Oegstgeesterweg. Dit is een gebiedsontsluitingsweg, en sluit op korte afstand aan op de Leidse Ring, de structuur in Leiden van de hoogste categorie. De realisatie van de brug vanuit Poelgeest zorgt zo voor versterking van een eenduidige ontsluitingsstructuur van het wegennet, waarbij verkeer vanuit wijken zo snel mogelijk op wegen komt die voor grotere intensiteiten bedoeld zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00132-0201_0003.png"

Fig. 2.1 Wegencategoriseringskaart Leiden

Mobiliteitsplan Oegstgeest 2017-2027

Het Mobiliteitsplan Oegstgeest 2017-2027 beschrijft het beleid van de gemeente Oegstgeest op het gebied van mobiliteit. Oegstgeest heeft de volgende doelstellingen:

  • Verkeersveilig, niet alleen objectief, maar vooral subjectief: het gevoel dat Oegstgeest een verkeerveilige omgeving is. Dit wordt bereikt door het principe 'Duurzaam veilig' te hanteren voor het categoriseren van wegen en een bijpassende vormgeving van het wegennet te realiseren.
  • Bereikbaar: woon-, werk- en winkellocaties dienen voor (vracht)auto en fiets snel en betrouwbaar te bereiken zijn. De hoofdstructuren voor fiets, auto en bus zijn goed bereikbaar, aantrekkelijk en stromen goed door. Duurzame mobiliteit is belangrijk en daarom is het OV goed toegerust.
  • Leefbaar: de fiets en de duurzame vervoerwijzen moeten we stimuleren en faciliteren.

Als de drie hoofddoelen conflicteren worden de volgende belangrijke uitgangspunten gehanteerd:

  • 1. De bestaande hoofdstructuur behouden en kruispunten op de hoofdstructuur zo inrichten dat de verkeersveiligheid verbetert.
  • 2. Vormgeving van wegen aanpassen aan hun functie conform het principe 'Duurzaam veilig' en het fietsnetwerk optimaliseren.
  • 3. Openbaar vervoer afstemmen op twee hoofddoelgroepen: verbindend OV via de snelle routes op hoofdwegen laten rijden en een systeem faciliteren voor mensen met een mobiliteitsbeperking.
  • 4. In bestaande woonbuurten met een parkeerdruk tot 95% een afstand van 100 m van de parkeerplek tot de woning accepteren. Bij een parkeerdruk gelijk aan of hoger dan 95% een afstand van 150 m accepteren. Een stelsel van parkeernomen opstellen voor nieuwe ontwikkelingen en geen parkeermaatregelen nemen met uitzondering van blauwe zones bij winkelcentra.

De Oegstgeesterweg maakt onderdeel uit van de route Leidse Ring Noord-A44 en wordt daarmee gezien als lokale hoofdweg van Oegstgeest (zie figuur 2.2) en is ook regionaal van belang. Deze weg verbindt de Leidse ring met de A44. De realisatie van de brug vanuit Poelgeest richting de Oegstgeesterweg zorgt voor versterking van een eenduidige ontsluitingsstructuur op het wegennet. Belangrijk is dat deze verbinding de mogelijkheid biedt voor het compleet maken van het fietsnetwerk (ontbrekende schakel) en verbetert ook de mogelijkheden voor openbaar vervoer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00132-0201_0004.png"

Figuur 2.2 Hoofdwegennet en duurzaamveilige structuur

2.3.2 Nut en noodzaak

De auto is te gast in Poelgeest, wat onder meer geresulteerd heeft in een lagere parkeernorm. Om dit principe succesvol te laten werken, zijn goede alternatieven noodzakelijk en die zijn er nu niet. Daarom is het wenselijk dat de wijk goed aangesloten wordt op het fiets-, voet- en OV-netwerk. Vanuit deze optiek zijn er vier belangrijke argumenten voor de Brug Poelgeest aan de orde:

Dit is de enige geschikte locatie om Poelgeest aan te kunnen sluiten op een vaste busverbinding

  • Door water en spoor ligt de wijk Poelgeest geïsoleerd van het openbaar vervoer en is daarmee slecht bereikbaar per bus. De dichtstbijzijnde halte van een vaste busverbinding is de halte Abtspoelweg van de lijnen 186/187. De loopafstand is minimaal 750m. In de huidige situatie is er een belbus in Poelgeest. Een beperkte dienstregeling met een lange omweg (dus hoge ritprijs) en een drempel om te bestellen zijn nu geen omstandigheden voor een goede OV-ontsluiting van de wijk.
    De brug biedt de mogelijkheid voor realisatie van een vaste busverbinding waardoor het openbaar vervoer voor de wijk Poelgeest sterk verbetert. In dat kader zijn diverse busroutevarianten onderzocht, bijvoorbeeld via de Haarlemmerweg en de Hallenweg zonder brug. Arriva heeft aangegeven dat alle andere varianten zorgen voor hinderlijke omrijbewegingen voor reizigers tussen Oegstgeest en Leiden centraal, of geheel niet rendabel te exploiteren zijn omdat een extra bus moet worden ingezet. Om Poelgeest met openbaar vervoer efficiënt, maar ook rendabel te kunnen ontsluiten, is de brug op de beoogde plek noodzakelijk.

Dit is de enige geschikte locatie om een logische aansluiting te maken op het lokale en regionale fietsnetwerk en daarmee een ontbrekende schakel op te lossen

  • De brug op de beoogde locatie maakt een snelle en veilige fietsverbinding mogelijk en dicht een ontbrekende schakel in het regionale fietsnetwerk. Hiermee wordt het fietsgebruik in zowel Poelgeest als op regionaal niveau gestimuleerd.

De huidige aansluiting is onvoldoende als hoofdontsluiting

  • De huidige ontsluitingsroute van de wijk Poelgeest via de Lange Voort naar de drukke rotonde met de Abtspoelweg is onvoldoende, mede gezien de beleidsmatige wens om snel en betrouwbaar op een goed doorstromend hoofdwegennet te kunnen komen Daarom is een extra hoofdontsluiting wenselijk. Ook het Trekvaartplein kent thans een eenzijdige ontsluiting via de Haarlemmerweg. De beoogde route via de Brug Poelgeest is de kortste route van Poelgeest en het Trekvaartplein naar de Oegstgeesterweg (gebiedsontsluitingsweg) en zal de bereikbaarheid van beide gebieden verbeteren.

Een tweede ontsluiting is wenselijk bij calamiteiten en werkzaamheden.

  • Een tweede ontsluiting is wenselijk om de bereikbaarheid te kunnen garanderen bij calamiteiten en werkzaamheden. Recentelijk heeft de Veiligheidsregio Hollands-Midden dit nogmaals bevestigd in het kader van de procedure voor het bestemmingsplan Poelgeest. De huidige ontsluitingsstructuur van Poelgeest en het Trekvaartplein is immers kwetsbaar in het geval zich dergelijke omstandigheden voordoen. De beoogde route via de Brug Poelgeest zorgt voor een snel alternatief.

Conclusie

Door realisatie van de brug ontstaat een robuuster netwerk dat voor meerdere vervoerwijzen de bereikbaarheid in het gebied versterkt. De beoogde locatie is de enige geschikte locatie om Poelgeest aan te sluiten op een vaste busverbinding en om een ontbrekende schakel in het hoofdfietsnetwerk te dichten, waardoor tevens het fietsgebruik in Poelgeest wordt gestimuleerd. Voorts is een tweede ontsluiting op deze locatie wenselijk vanuit de optiek van een volwaardige tweede hoofdontsluiting en in het geval van calamiteiten en werkzaamheden. De route via de Brug Poelgeest is de kortste route van Poelgeest en het Trekvaartplein naar de Oegstgeesterweg (gebiedsontsluitingsweg) en zal ook voor gemotoriseerd verkeer de bereikbaarheid van beide gebieden verbeteren.

2.3.3 Vormgeving en inpassing

In de Nota van Uitgangspunten Trekvaartplein e.o. uit 2008 zijn voor de brug een aantal uitgangspunten geformuleerd. Enkele uitgangspunten zijn geactualiseerd op basis van provinciale eisen en voortschrijdende inzichten. De volgende uitgangspunten worden gehanteerd:

  • Een minimale doorvaarthoogte van 2,20 m (op grond van de provinciale vaarwegverordening);
  • Een minimale brugbreedte van 13,10 m, zodat een veilig vrijliggend fietspad gerealiseerd kan worden;
  • Een rechte brug haaks over de Haarlemmertrekvaart en de Haarlemmerweg;
  • Ter plaatse van de Haarlemmerweg een onderdoorgang voor fietsers en voetgangers;
  • Aansluiting op de Oegstgeesterweg en op de Hugo de Vrieslaan/Trekvaartplein.
  • Lichtwerende voorzieningen ten aanzien van inschijnende koplampen;
  • Watercompensatie als gevolg van de extra verharding.

Ten behoeve van de ruimtelijke inpassing van de brug is een gebiedsanalyse opgesteld die daarnaast ook ingaat op de herstructurering van de Haarlemmerweg en de afronding van de herinrichting van het Trekvaartplein in Leiden (bijlage 1), zie ook paragraaf 4.2.2. Het doel van de gebiedsanalyse is een onderbouwing te leveren voor de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen ten aanzien van kwalitatieve onderdelen van de provinciale regels met betrekking tot de molenbiotoop, de landgoedbiotoop en ruimtelijke kwaliteit. De gebiedsanalyse is tevens opgesteld als onderbouwing voor de wijziging van het complex van rijksmonument Oud-Poelgeest, omdat een deel van het beoogde brug tracé binnen het rijksmonument valt. In het stuk komen aanvullende kwalitatieve maatregelen naar voren met betrekking tot de brug:

  • tussen de Kikkermolen en het talud van de brug en in de Punt tussen de zoeklocatie voor woonwagenstandplaatsen en de Haarlemmerweg zal watercompensatie plaatsvinden, waardoor openheid blijft c.q. ontstaat en een mooie eigen ruimte rondom de molen wordt vormgegeven;
  • op het talud wordt een 'balkon' gerealiseerd waardoor het landgoed vanaf de brug beleefbaar wordt voor fietsers en voetgangers en een belangrijke zichtlijn toegankelijk wordt gemaakt;
  • bij het talud richting de Oegstgeesterweg zal gekozen worden voor het zoveel mogelijk loskoppelen van het voet-/fietspad en de autoweg, begeleid door een lage groene beplanting, waardoor er een markering als nieuwe grens van het landgoed ontstaat;
  • de ruimte rondom de brug wordt zoveel mogelijk open gehouden, waardoor de oevers en het water openbaar toegankelijk blijven en zowel de Kikkermolen als de brug in de omgeving als zelfstandige elementen verder geaccentueerd worden;
  • de Haarlemmerweg onder de brug zo uit te voeren dat er sprake is van een zo open mogelijke constructie;
  • de brug wordt ingetogen vormgegeven om de impact op de omgeving te minimaliseren.

Op basis van de bovenstaande uitgangspunten en maatregelen is een civiel-technisch ontwerp opgesteld voor de brug (zie figuur 2.3).

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00132-0201_0005.jpg"

Figuur 2.3 Ontwerp brug

2.3.4 Juridisch-planologische verankering

Vanwege de overschrijding van de gemeentegrenzen van Leiden en Oegstgeest binnen het plangebied stellen beide gemeenten gezamenlijk één bestemmingsplan op, dat door beide gemeenteraden wordt vastgesteld voor wat betreft het eigen grondgebied.

De gronden van de nieuwe ontsluiting(en) en de brug hebben in het bestemmingsplan de bestemming Verkeer gekregen. Binnen de bestemming Verkeer is de bouw van een brug toegestaan en is ook het water onder de brug (Haarlemmertrekvaart) toegestaan. Deze bestemmingsregels zijn in overeenstemming met die van omliggende bruggen. De Haarlemmertrekvaart heeft een waterbestemming en de overige gronden de bestemming Groen. Voorts is er een dubbelbestemming en een aantal gebiedsaanduidingen aan de orde. Zie voor een meer specifieke beschrijving van de bestemmingen hoofdstuk 5.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)
3.1.1.1 Beleidskader

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit van de rijksoverheid beschreven. Het kabinet schetst in de SVIR hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig, waarbij het rijk zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten gaat zitten. Het uitgangspunt hierbij is dat provincies, regio's en gemeenten beter op de hoogte zijn van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Door provincies en gemeenten de ruimte te geven, kan het Rijk zich richten op het behartigen van ruimtelijke belangen die van nationale en internationale betekenis zijn.

Volgens de nationale ruimtelijke hoofdstructuur wordt de Zuidvleugel, waar Leiden en Oegstgeest binnen vallen, aangemerkt als 'stedelijke regio met een concentratie van topsectoren'. Het rijksbeleid zet specifiek in op versterking van de twee met elkaar samenhangende vleugels binnen de Randstad. De Randstad moet in 2040 een concurrerende en duurzame topregio vormen. Om verdere economische en sociale ontwikkeling mogelijk te maken en om de internationale concurrentiepositie van Nederland te versterken, is mobiliteit een randvoorwaarde. Niet alleen het hoofdwegennet dient optimaal te functioneren, maar ook de aansluiting op de regionale wegen en op lagere schaalniveaus is van belang. Een goed functionerend systeem voor personen- en goederenvervoer en een betrouwbare bereikbaarheid van deur tot deur zijn essentieel.

3.1.1.2 Onderzoeksresultaten

Het voorliggende bestemmingsplan maakt een brugtracé mogelijk dat de woongebieden Poelgeest en Trekvaartplein verbindt met de Oegstgeesterweg. Dit betreft een lokale ontwikkeling, binnen bestaand bebouwd gebied. Deze ontwikkeling raakt het nationale belang niet en noodzaakt geen nadere beoordeling in het kader van de ladder voor duurzame ontwikkeling. Het voornemen past binnen het rijksdoel om de bereikbaarheid te verbeteren. Derhalve is onderhavige ontwikkeling niet in strijd met de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011)
3.1.2.1 Beleidskader

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 (grotendeels) in werking getreden en omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor bijvoorbeeld het bundelen van verstedelijking.

Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen.

Ook de bescherming van erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden, zoals de Limes, is in het Barro vastgelegd. Dit is inmiddels doorvertaald in de provinciale structuurvisie en verordening.

3.1.2.2 Onderzoeksresultaten

Relevant toetsingsonderdeel uit het Barro betreft de regionale watersystemen. Provincies en gemeenten dienen er zorg voor te dragen dat bestemmingsplannen in lijn zijn met het (regionale) waterplan. In de waterparagraaf (zie paragraaf 4.8) wordt nader ingegaan op het aspect water. De regels die in het Barro zijn gesteld, werken door in de provinciale verordening. In voorliggend bestemmingsplan is rekening gehouden met de bepalingen uit de Verordening ruimte 2014 (zie paragraaf 3.2.2). Het bestemmingsplan is dan ook in overeenstemming met het Barro.

3.1.3 Structuurvisie Randstad 2040 (2008)
3.1.3.1 Beleidskader

In de Structuurvisie Randstad 2040 zet het kabinet de koers uit om de Randstad integraal te ontwikkelen tot een duurzame en concurrerende Europese topregio in 2040. Lopende en nieuwe ontwikkelingen en opgaven vragen om een visionair en samenhangend antwoord. Klimaatverandering, internationale arbeidsmigratie, bereikbaarheidsproblemen, vergrijzing van de bevolking en toenemende internationale concurrentie brengen kansen en risico's met zich mee voor de toekomstige concurrentiepositie van de Randstad.

De steden van de Randstad ontwikkelen zich in een economisch krachtenveld van verdere internationalisering. De unieke ligging in de delta, de diversiteit en onderlinge nabijheid van steden en landschappen zijn kwaliteiten die de Randstad onderscheiden van andere Europese stedelijke regio's. Het kabinet wil keuzes maken voor twee ruimtelijke strategieën vanuit vier leidende principes voor de lange termijn:

  • leven in een veilige klimaatbestendige en groenblauwe delta;
  • kwaliteit maken door een sterkere wisselwerking van groen, blauw en rood;
  • wat internationaal sterk is, sterker maken;
  • krachtige duurzame steden en regionale bereikbaarheid.

3.1.3.2 Onderzoeksresultaten

De uitvoering van onderhavig bestemmingsplan draagt bij aan een verbeterde bereikbaarheid en levert daardoor een bijdrage aan de doelstellingen van de Structuurvisie Randstad 2040.

 

3.2 Provinciaal en regionaal beleid

3.2.1 Provinciale structuurvisie 'Visie Ruimte en Mobiliteit'
3.2.1.1 Beleidskader

De Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM), vastgesteld op 9 juli 2014, geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer. Deze visie is per 12 januari 2017 geactualiseerd in werking getreden.

Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:

  • ruimte bieden aan ontwikkelingen;
  • aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit;
  • allianties aangaan met maatschappelijke partners;
  • minder toetsen op regels en meer sturen op doelen.

Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de Kwaliteitskaart van de VRM weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00132-0201_0006.png"

Figuur 3.1 uitsnede kwaliteitskaart

De brug verbindt straks het gedeelte dat aangeduid is als 'steden en dorpen' en 'stedelijk groen en waterstructuur'. Voor beide gebieden worden richtpunten onderscheiden waaraan bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst. De relevante richtpunten worden hieronder beschreven.

Richtpunt voor stedelijk groen en waterstructuur:

  • Ontwikkelingen dragen bij aan het behouden en versterken van de stedelijke groen- en waterstructuur. Daarbij gaat het om de recreatieve kwaliteit, de bijdrage aan klimaatbestendigheid en de verbinding tussen stad en land.

Richtpunten voor steden en dorpen die relevant voor dit plan zijn:

  • Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp.
  • Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur.
  • Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd.

3.2.1.2 Onderzoeksresultaten

Groen- en waterstructuur

Met respect voor de historische vaarweg, de Haarlemmertrekvaart, wordt een verbinding met tevens een recreatieve functie over deze vaarweg voorgesteld. Deze verbinding maakt onderdeel uit van de geplande stad-landverbindingen binnen de Leidse regio. Door de verbinding wordt de landgoederenzone verbonden met de Broekweg en daarmee met het plassengebied.

De groenstructuur wordt niet tot nauwelijks aangetast. Een stuk van de ijsbaan wordt afgesneden en daarmee komt het gebied rondom de Kikkermolen meer geïsoleerd te liggen. In dit gebied zal middels een nieuwe inrichting ook de benodigde watercompensatie plaatsvinden.

Kenmerken/identiteit

Het voorliggende bestemmingsplan maakt een brugtracé mogelijk dat de woongebieden Poelgeest en Trekvaartplein verbindt met de Oegstgeesterweg. Dit betreft een lokale ontwikkeling, binnen bestaand bebouwd gebied.

Cultuurhistorische waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen

In en rondom het plangebied zijn diverse cultuurhistorische elementen en patronen aanwezig. Hiermee wordt bij de inpassing van de brug op verschillende wijzen rekening gehouden (zie ook paragraaf 3.2.2).

Conclusie

Onderhavig bestemmingsplan is in overeenstemming met de Visie Ruimte en Mobiliteit.

3.2.2 Provinciale Verordening ruimte 2014
3.2.2.1 Beleidskader

In de Verordening ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland, op 9 juli 2014 door Provinciale Staten vastgesteld, zijn de provinciale belangen uit de structuurvisie verder uitgewerkt in regels. Aan deze regels moeten ruimtelijke plannen van de gemeenten voldoen. De verordening is per 12 januari 2017 geactualiseerd in werking getreden.

Gemeentelijke plannen zullen ook getoetst worden aan de provinciale regels: strijdigheid met deze regels betekent ook strijdigheid met provinciaal beleid.

In figuur 3.2 zijn de relevante onderdelen uit de Verordening ruimte 2014 weergegeven. Concreet gaat het om de molenbiotoop, de landgoedbiotoop, regels voor ruimtelijke kwaliteit (beschermingscategorie 1: landgoed- en kasteelbiotoop), regionale waterkering en recreatieve vaarwegverbinding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00132-0201_0007.png"

Figuur 3.2 Uitsnede Verordening ruimte

3.2.2.2 Onderzoeksresultaten

Molenbiotoop
Op het plangebied is de molenbiotoop van de Kikkermolen van toepassing. Ter bescherming hiervan is een gebiedsaanduiding opgenomen met een vrijwaringszone voor de molenbiotoop. Voor de effecten van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling op de molenbiotoop wordt verwezen naar 4.2.2. Daarin wordt geconcludeerd dat er geen strijdigheid is met de Verordening ruimte 2014.

Landgoedbiotoop
Het noordwesten van het plangebied valt onder de landgoedbiotoop van Kasteel Oud-Poelgeest. Ter bescherming is een gebiedsaanduiding voor de landgoedzone opgenomen om de betreffende belangen te waarborgen. Voor de effecten van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling op de landgoedbiotoop en de bijbehorende beeldkwaliteitsparagraaf wordt verwezen naar 4.2.2. Daarin wordt geconcludeerd dat er geen strijdigheid is met de Verordening ruimte 2014.

Ruimtelijke kwaliteit
Voor het deel van het plangebied waar de landgoedbiotoop geldt, geldt ook beschermingscategorie 1 (landgoed en kasteelbiotoop) van de regels voor ruimtelijke kwaliteit. Voor de effecten van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling op de ruimtelijke kwaliteit en de bijbehorende beeldkwaliteitsparagraaf wordt verwezen naar 4.2.2. Daarin wordt geconcludeerd dat er geen strijdigheid is met de Verordening ruimte 2014.

Regionale waterkering

Langs de Haarlemmertrekvaart loopt de regionale waterkering. Als gevolg van de realisatie van het brugtracé zal ter plaatse van de onderdoorgang bij de Haarlemmerweg de waterkering iets anders komen te liggen. Zie hiervoor ook paragraaf 4.8.2. Ter bescherming van de regionale waterkering is er een dubbelbestemming 'waterstaat-waterkering' opgenomen.

Recreatieve vaarwegverbinding

De Haarlemmertrekvaart is aangemerkt als recreatieve vaarwegverbinding. Om de doorvaart te garanderen (rekening houdend met het huidige gebruik) zal er in het bestemmingsplan een regel worden opgenomen dat de minimale doorvaarthoogte onder de brug niet minder mag bedragen dan 2,20 m.

Conclusie

Gesteld kan worden dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met de regels uit de Verordening ruimte 2014.

3.2.3 Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020
3.2.3.1 Beleidskader

Deze structuurvisie is op 25 juni 2009 vastgesteld door het Algemeen Bestuur van het samenwerkingsorgaan Holland-Rijnland en vormt het gemeenschappelijke toetsingskader van alle regiogemeenten. Alle ruimtelijke ontwikkelingen in deze regio worden hieraan getoetst.

De Holland Rijnland gemeenten willen een aantrekkelijke regio, waar je niet alleen plezierig werkt en woont, maar ook prettig kunt recreëren. Ook moet Holland Rijnland goed bereikbaar zijn met het openbaar vervoer en de auto. Verder wil de regio zich onderscheiden in de Randstad en bijdragen aan de internationale positionering daarvan. Onder andere door de toegevoegde waarde op het gebied van landschap, wonen en economie. In het bijzonder voor economische sectoren als Greenport, Bio Sciences en ruimtevaarttechnologie.

De visie bevat zeven kernbeslissingen die uitgaan van een evenwichtige ontwikkeling van wonen, recreatie, infrastructuur en intensief, meervoudig en duurzaam ruimtegebruik.

  • 1. Holland Rijnland is een topwoonregio
  • 2. Leiden vervult een regionale Centrumfunctie
  • 3. Concentratie stedelijke ontwikkeling
  • 4. Groen-blauwe kwaliteit staat centraal
  • 5. Het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open
  • 6. Twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports
  • 7. Verbetering van de regionale bereikbaarheid

3.2.3.2 Onderzoeksresultaten

Het planvoornemen heeft niet direct betrekking op één van bovengenoemde kernbeslissingen. Wel vergroot het planvoornemen de bereikbaarheid en is daarmee niet in strijd met de kernbeslissingen uit de structuurvisie.

3.3 Gemeentelijk beleid Leiden

3.3.1 Structuurvisie Leiden 2025
3.3.1.1 Beleidskader

Op 17 december 2009 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie 2025 vastgesteld (RV 09.0130). Deze structuurvisie is bij raadsbesluit van 1 december 2011 herzien (RV 11.0104). De structuurvisie bouwt voort op het Structuurplan Boomgaard van Kennis en de in 2004 vastgestelde Ontwikkelingsvisie: Leiden stad van ontdekkingen. Op de punten die niet in deze structuurvisie zijn opgenomen, is de Boomgaard van Kennis van toepassing. Voor de overige aspecten is de structuurvisie is hiervan de ruimtelijke vertaling. Daarnaast is bij het opstellen van de structuurvisie gebruik gemaakt van de Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland. De prioriteiten die in de Regionale Structuurvisie voor Leiden zijn benoemd, vormen het uitgangspunt van de structuurvisie.

De uitgangspunten van de structuurvisie zijn het bestaande beleid en de ambities en verwachtingen die in overleg met partijen en partners zijn geformuleerd. Dit heeft geleid tot een Structuurvisie met de volgende ambities:

  • de historische binnenstad wordt beter op de kaart gezet;
  • het Bio Science Park en de kenniseconomie worden verder ontwikkeld;
  • de bereikbaarheid wordt verbeterd;
  • de groene en blauwe structuren in en rondom de stad worden versterkt en verbonden;
  • de kansen die zich in het Stationsgebied, Transvaal/Vondellaan en op De Waard aanbieden worden benut om met wonen en werken een bijdrage te leveren aan de versterking van de kennisstad.

3.3.1.2 Onderzoeksresultaten

Op de Structuurvisiekaart Leiden 2025 is het westelijk deel van het plangebied (zie figuur 3.3) -voor zover gelegen binnen de Leidse gemeentegrenzen– aangeduid als 'groenstructuur, stedelijk niveau'. De Haarlemmertrekvaart is opgenomen als 'waterstructuur'. De gronden ten oosten van de Haarlemmertrekvaart zijn aangeduid als 'landschap buitengebied'. In de structuurvisie neemt het thema bereikbaarheid een belangrijke positie in. Onderhavig bestemmingsplan draagt bij aan de verbetering van de bereikbaarheid van de woongebieden Poelgeest en het Trekvaartplein en past derhalve binnen de beleidsdoelstellingen van de Leidse Structuurvisie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00132-0201_0008.png"

Figuur 3.3 Structuurvisie Leiden

3.3.2 Ontwikkelingsvisie 'Leiden, stad van ontdekkingen: profiel 2030'
3.3.2.1 Beleidskader

In 2004 heeft de gemeenteraad de ontwikkelingsvisie "Leiden, Stad van Ontdekkingen" vastgesteld (RV 04.0097). In hetzelfde raadsbesluit heeft het college opdracht gekregen een cyclisch proces te ontwikkelen voor onderhoud van de ontwikkelingsvisie. De geactualiseerde uitgave van de ontwikkelingsvisie 2030 "Leiden, Stad van Ontdekkingen" is het resultaat van dat "onderhoud". Deze actualisering is op 13 september 2012 door de raad vastgesteld (RV 12.0044). De geactualiseerde uitgave van de visie vervangt hiermee de vorige versie uit 2004.

De geactualiseerde uitgave van Leiden Stad van Ontdekkingen dient als leidraad voor beleidsontwikkeling en voor gesprekken over samenwerking in de stad en met de omgeving.

In 2004 hebben bewoners, instellingen, collegeleden en de gemeenteraad uitvoerig gesproken over de gewenste ontwikkelingsrichting van Leiden. Die gesprekken mondden uit in de ontwikkelingsvisie 2030 "Leiden, Stad van Ontdekkingen". Die had 'kennis' en 'kwaliteit' als pijlers. Gebruiken maken van de kracht van de stad en deze kracht verder versterken, was daarbij het motto.

Er was bij de vaststelling van de geactualiseerde visie geen behoefte aan een geheel nieuwe visie, maar de tijd was wel rijp voor een geactualiseerde uitgave die toekomstbestendig is. De kernpunten van de Ontwikkelingsvisie 2030 voldeden nog prima, maar de uitwerking daarvan is deels achterhaald door veranderde omstandigheden.

Belangrijke ambities van de geactualiseerde visie 'Leiden, Stad van Ontdekkingen' zijn 'internationale kennis' en 'historische cultuur'. Kennis vindt zijn basis in de Universiteit van Leiden, het Leids Universitair Medisch Centrum en het Leiden Bio Science Park. Historische cultuur is overal in de stad terug te vinden in de vorm van monumenten, musea en een ruim cultureel aanbod. Als Leiden deze ambities wil waarmaken moet de bereikbaarheid op orde zijn en wil de gemeente meer gebruik maken van 'de kracht van de stad'.

3.3.2.2 Onderzoeksresultaten

Door de kwaliteiten “internationale kennis” en “historische cultuur” te benutten en verder te versterken, wordt Leiden aantrekkelijker gemaakt. Een goede bereikbaarheid is hiervoor een voorwaarde. Volgens de ontwikkelingsvisie betekent verbetering van de bereikbaarheid: investeren in openbaar vervoer en regionale fietsroutes. Onderhavig bestemmingsplan draagt hieraan bij.

3.4 Gemeentelijk beleid Oegstgeest

3.4.1 Structuurvisie Oegstgeest 2005 – 2020 (2005)
3.4.1.1 Beleidskader

Op 30 juni 2005 is de Structuurvisie Oegstgeest 2005-2020 vastgesteld door de gemeenteraad. De structuurvisie vormt het kader waarbinnen de ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente zich afspelen. Leidraad voor de structuurvisie is het behoud van het dorpse karakter van Oegstgeest. Behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteiten – de dorpse uitstraling – van Oegstgeest bieden de voornaamste voorwaarden waarbinnen aan de woonwensen van de inwoners tegemoet wordt gekomen. De uitbreidingswijken Poelgeest en Nieuw Rhijngeest leveren een bijdrage aan de (regionale) woningbouwbehoefte.

3.4.1.2 Onderzoeksresultaten

Uit de plankaart bij de structuurvisie blijkt (zie figuur 3.4) dat de gronden ten westen van de Haarlemmertrekvaart worden aangeduid als 'groen'. Dit betreft landgoed Oud-Poelgeest. De gronden ten oosten van de vaart worden, voor zover gelegen op het grondgebied van de gemeente Oegstgeest, aangeduid als 'deelgebied Poelgeest'. Dit betreft de uitbreidingswijk Poelgeest.

In de Structuurvisie is de hoofdlijn op het gebied van verkeer het versterken van de doorstroomfunctie van de dorpsruit en de regionale uitvalswegen, het tegengaan van (sluip)verkeer door de wijken en de verbetering van regionale en lokale langzaam verkeersroutes. Daarnaast is het van belang dat het 30 km-beleid binnen de woongebieden overal consequent wordt doorgevoerd. Hiermee wordt sluipverkeer voorkomen en de verkeersveiligheid bevorderd.

Door de voorgenomen realisatie van een tweede ontsluitingsweg voor woongebied Poelgeest wordt de bereikbaarheid vergroot en de doorstroomfunctie op de ontsluitingswegen verbeterd. Geconcludeerd wordt dat het bestemmingsplan Brug Poelgeest bijdraagt aan de doelstellingen van de Structuurvisie Oegstgeest 2005 – 2020.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00132-0201_0009.png"

Figuur 3.4 Structuurvisie Oegstgeest

3.4.2 Groenbeleid 2011 – 2015

Het Groenbeleidsplan vormt het kader voor hoe in Oegstgeest het gewenste groen en blauw er uit zal zien. Het geeft richting aan toekomstige (her)inrichtingen, omvormingen en eventuele uitbreidingen van het openbaar groen. Uitgangspunten zijn:

  • het in stand houden en ontwikkelen van de groenstructuur in Oegstgeest en aansluiting op regionale groenstructuren;
  • het bewaken en verhogen van de kwaliteit en duurzaamheid;
  • het optimaliseren van de gebruikswaarde van het groen;
  • voorlichting.

De hoofdgroenstructuur is voor een groot deel historisch bepaald. De waterlopen (blauwe structuur) en de bos- en landgoederen zijn de belangrijkste onderdelen van de hoofdgroenstructuur. Deze structuur sluit aan op de bovenlokale groenblauwe structuur. Langs de randen van de gemeente Oegstgeest zijn drie omvangrijke groene zones te onderscheiden die van regionaal belang zijn. Binnen Oegstgeest is een aantal groene elementen van formaat te onderscheiden dat op een lager schaalniveau de groene dooradering van de gemeente vormt. Op een lager niveau zijn er de wegen die de groenvoorzieningen van hogere orde verbinden. Zowel de recreatieve en educatieve, als de ecologische functie van de hoofdgroenstructuur wordt van belang geacht.

Deze groenstructuren zijn allen gelegen in het gebied A. Landgoederenzone. Dit is de noord-zuid lopende verbindingszone tussen de Kaag en het poldergebied rond het Valkenburgse Meer en het Vliegkamp Valkenburg. Deze verbindingszone maakt deel uit van de regionaal belangrijke zone die de op de strandwallen gelegen landgoederen en landgoedbossen van Wassenaar, Oegstgeest en Warmond verbindt. Veel aandacht zal gegeven moeten worden aan het behoud en verbetering van verbindingen in die gebieden waar op dit moment en in de nabije toekomst bouwprojecten plaatsvinden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00132-0201_0010.png"

Figuur 3.5 Uitsnede Groenbeleidsplan Oegstgeest

Het landgoed Oud-Poelgeest (8) is een belangrijk groen element in deze zone. Veel aandacht zal gegeven moeten worden aan het behoud en verbetering van verbindingen in die gebieden waar op dit moment en in de nabije toekomst bouwprojecten plaatsvinden. In het gebied tussen kasteel Oud-Poelgeest en de woonwijk Poelgeest is het groene element Haarlemmertrekvaart (6) zeer kwetsbaar. Het IJsbaanterrein (9) is opgenomen als een van de zeer waardevolle weidegebieden in gebied A. Landgoederenzone.

Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een belangrijke nieuwe verbinding tussen groene en recreatieve zones. Een deel van het nieuwe brugtracé zal het ijsbaanterrein doorkruisen. Vanuit het oogpunt van ruimtelijke kwaliteit zal een groene haag tussen fietspad en rijweg de nieuwe rand van het landgoed markeren. Zie voorts ook de gebiedsanalyse in paragraaf 4.2.2.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Archeologie

4.1.1 Beleid en regelgeving
4.1.1.1 Rijksbeleid

In 1992 werd in Valletta door de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen het 'Europees Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed', beter bekend onder de naam 'Verdrag van Malta', ondertekend.


De wet tot goedkeuring van het verdrag is aangenomen door het Nederlands parlement en op 9 april 1998 in het Staatsblad gepubliceerd. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is op 1 september 2007 in werking getreden. De nieuwe wet heeft zijn beslag gekregen via een wijziging van de Monumentenwet 1988, aanpassingen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en enkele andere wetten. De Monumentenwet 1988 is inmiddels opgegaan in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden.


Met de huidige wetgeving is het accent komen te liggen op het streven naar het behoud en beheer van archeologische waarden in de bodem (in situ) en het beperken van (de noodzaak van) archeologische opgravingen. Uitgangspunt van het beleid is tevens het principe 'de verstoorder betaalt'. Bij het voorbereiden van werkzaamheden die het bodemarchief kunnen verstoren (zoals de aanleg van een weg, een nieuwe woonwijk, een bedrijventerrein), dient onderzocht te worden of daardoor archeologische resten verstoord kunnen worden (dat kan bijvoorbeeld door booronderzoek of sleuvenonderzoek - beide na een gedegen bureauonderzoek).


Als uit het onderzoek blijkt dat er archeologische waarden aanwezig zijn en deze niet ter plaatse behouden kunnen blijven, dan dient de initiatiefnemer van het werk de kosten die gepaard gaan met het opgraven en conserveren van de plaats te dragen.

Met de huidige wetgeving zijn de kerntaken en bestuurlijke verantwoordelijkheden van gemeenten veranderd. Eén van de belangrijkste consequenties is, dat gemeenten een centrale rol is toegekend in de bescherming van archeologisch erfgoed. In de wet is bepaald, dat gemeenten door inzet van een planologisch instrumentarium het archeologisch belang dienen te waarborgen. Bescherming van het archeologisch erfgoed kan onder meer vorm krijgen door in bestemmingsplannen regels ter bescherming van bekende en te verwachten archeologische waarden op te nemen.

4.1.1.2 Provinciaal beleid

Verordening Ruimte 2014

Het beleid van de Provincie Zuid-Holland richt zich op het behouden van archeologische waarden op de plaats waar de waarden zijn aangetroffen. Op 12 januari 2017 is door Gedeputeerde Staten de geactualiseerde Verordening Ruimte 2014 vastgesteld. In deze verordening regelt de provincie de bescherming van twee typen gebieden die als provinciaal belang zijn aangemerkt: gebieden met hoge en zeer hoge bekende archeologische waarden (de zogeheten AMK-terreinen, op de Cultuurhistorische Hoofdstructuur aangeduid) en de Romeinse limeszone. Voor deze gebieden dienen gemeenten de bescherming conform de richtlijnen van de provincie op te nemen in ruimtelijke plannen. In overige gebieden hebben gemeenten de vrijheid om gemotiveerd (op basis van een gemeentelijke archeologische waardenkaart) af te wijken van de in de Erfgoedwet voorgeschreven vrijstellingsgrenzen. Voor de AMK-terreinen geldt bij uitstek het uitgangspunt van behoud in situ. Hier zijn bodemingrepen in het geheel niet toegestaan. In de limeszone gaat de voorkeur uit naar behoud in situ, maar dient het behoud van archeologische resten in ieder geval via onderzoek te worden gewaarborgd.

4.1.1.3 Gemeentelijk beleid Leiden

Erfgoednota 2014-2020

Het archeologisch beleid van de gemeente Leiden (zoals vastgelegd in de Erfgoednota 2014-2020) is er op gericht de in de grond aanwezige archeologische waarden zoveel mogelijk te behouden.

De gemeente Leiden heeft een rijk bodemarchief. In de afgelopen decennia is bij tientallen opgravingen vastgesteld dat het onderzoek van de archeologische resten die in de bodem verborgen liggen een van de belangrijkste bronnen van kennis over de bewoningsgeschiedenis van de regio rondom Leiden vormt.

De doelstelling van het gemeentelijk archeologiebeleid is om de archeologische bronnen zo verantwoord mogelijk te beschermen. De erosie van het bodemarchief is ondanks alle inspanningen tot behoud van archeologische resten immers nog steeds erg groot. Dit betekent dat bij bouwwerkzaamheden verstoring van de diepere ondergrond uit archeologisch oogpunt zoveel mogelijk dient te worden vermeden. Waar dit niet mogelijk is, zal in de gebieden waar waardevolle, informatieve archeologische resten verloren dreigen te gaan, voorafgaand aan de geplande bodemingreep verantwoord onderzoek dienen plaats te vinden.

Om deze doelstelling te kunnen realiseren is in het bestemmingsplan een aantal regels opgenomen. Deze regels zijn gebaseerd op een inventarisatie en evaluatie van de omvang en kwaliteit van het archeologisch bodemarchief in en om het plangebied.

Leiden heeft negen verschillende 'waarderingsgebieden', waar verschillende regimes gelden naar aanleiding van de archeologische waarde of de archeologische verwachtingswaarde.

Voor acht waarderingsgebieden wordt in opzet dezelfde planregel gebruikt, waarin een omgevingsvergunningstelsel is opgenomen. De verschillen tussen de waarderingsgebieden zitten in de oppervlakten en diepte van bodemverstoring vanaf wanneer een vergunning dient te worden aangevraagd. Voor 'Waarde - Archeologie 1' geldt de vergunningsplicht niet, omdat het een beschermd archeologisch rijksmonument betreft, waarop de regels van de Erfgoedwet van toepassing zijn. Voor verstoring van de bodem op die locaties is een rijksmonumentenvergunning vereist.

De negen waarderingsgebieden zijn:

Waarde-Archeologie 1   Archeologisch rijksmonument  
Waarde-Archeologie 2   Gebied van archeologische waarde binnen de singels  
Waarde-Archeologie 3   Gebied van archeologische waarde buiten de singels  
Waarde-Archeologie 4   Gebieden met hoge archeologische waarde binnen de singels  
Waarde-Archeologie 5   Gebieden met hoge archeologische waarde buiten de singels  
Waarde-Archeologie 6   Gebieden met een middelhoge verwachting  
Waarde-Archeologie 7   Gebieden met een lage verwachting  
Waarde-Archeologie 8   Limeszone zoals aangeduid in de provinciale Verordening ruimte  
Waarde-Archeologie 9   Gebieden van zeer hoge archeologische waarde zoals aangeduid in de provinciale Verordening ruimte  

4.1.1.4 Gemeentelijk beleid Oegstgeest

Beleidsnota Archeologie 2008

De Archeologische waardenkaart Oegstgeest moet in samenhang gezien worden met van de Beleidsnota Archeologie 2008. Op de waardenkaart is voor heel Oegstgeest onderscheid gemaakt naar drie archeologische verwachtingswaardes: hoog, gematigd en laag. Daarnaast zijn 5 terreinen met bekende archeologische waarden aangeduid. Tenslotte zijn er gebieden zonder archeologische waarden of verwachtingen omdat deze reeds archeologisch zijn onderzocht, of tot op grote diepte afgegraven, gesaneerd of bebouwd zijn.

4.1.2 Onderzoeksresultaten

Met het oog op de geplande ontwikkelingen is door adviesbureau Vestigia B.V. archeologisch bureauonderzoek en vervolgens een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. De resultaten van beide onderzoeken zijn weergegeven in één rapport: rapport 'Bestemmingsplan 'Trekvaartbrug', gemeenten Oegstgeest en Leiden – Ruimtelijk advies op basis van archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek' (rapportnummer V805, 25 november 2010, bijlage 2 bij deze toelichting).

Hieronder worden de resultaten van beide onderzoeken beschreven, gevolgd door een conclusie.

Bureauonderzoek

Er is een verwachtingsmodel opgesteld voor een onderzoeksgebied dat iets groter is dan het feitelijke plangebied. In dit model is rekening gehouden met de landschappelijke context en bekende archeologische en cultuurhistorische waarden. Verder zijn de archeologische waardenkaarten van de gemeenten Leiden en Oegstgeest in het onderzoek betrokken (zie figuur 4.1).

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00132-0201_0011.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00132-0201_0012.png"

Figuur 4.1 Uitsnede archeologische beleidskaart

Uit de archeologische waardenkaarten blijkt dat het plangebied is gelegen in zowel gebieden met een hoge als gematigde verwachtingswaarde. In een deel van het plangebied is reeds een archeologisch booronderzoek uitgevoerd (nummer 33.124). Uit dit onderzoek is gebleken dat het middeleeuwse kleipakket is verstoord door graafwerkzaamheden als gevolg van de bouw van het aan het Trekvaartplein aanwezige woonwagencentrum. De top van het eronder liggende veenpakket leek verstoord, vermoedelijk door erosie. Op een diepte van meer dan 2 meter onder maaiveld is bij hetzelfde onderzoek een oeverwal van de Mare aangetroffen, waarop mogelijk wel archeologische resten kunnen voorkomen. Op basis van het bureauonderzoek is onduidelijk of in het westelijk deel van het plangebied eveneens een onverstoorde oeverwal van de Mare aanwezig is. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat in de Broek- en Simontjespolder fossiele kreekstelsels voorkomen die lokaal een hoge dichtheid aan vindplaatsen kunnen bevatten.

Op basis van het bureauonderzoek is er geen reden af te wijken van de voor de gemeentelijke waardenkaarten opgestelde verwachting. Dit betekent dat voor het deel van het plangebied dat zich op het grondgebied van de gemeente Leiden bevindt, vrijwel volledig een hoge archeologische verwachting geldt. Voor het deel van het plangebied dat in de gemeente Oegstgeest gelegen is, geldt hoofdzakelijk een gematigde archeologische verwachting.

Inventariserend veldonderzoek

Door middel van verkennend booronderzoek zijn bovenstaande verwachtingen getoetst.

Tijdens het veldonderzoek is gebleken dat zich in het plangebied geulafzettingen, mogelijk kreekafzettingen, bevinden. In het deel ten westen de Haarlemmertrekvaart is op deze afzettingen bodemvorming aangetroffen. Hoewel de ouderdom van deze afzettingen en de erboven gelegen veenlaag niet direct is vast te stellen, wordt verwacht dat de oeverwallen van het systeem gedurende enige tijd in de periode tussen de Bronstijd en de Romeinse Tijd aan de oppervlakte hebben gelegen. Sporen van menselijk handelen uit deze periode kunnen in het plangebied aanwezig zijn. Gezien de beperkte dichtheid van sporen uit deze periode, is de verwachting op het aantreffen hiervan middelhoog te noemen. Eventuele archeologische sporen bevinden zich op een diepte van 1,9 meter onder maaiveld.

Het gebied vernatte in de loop van het eerste millennium na Chr. Voor gebruik van het gebied in de middeleeuwen anders dan weidegronden zijn geen aanwijzingen aangetroffen. De sedimenten die zich in deze periode vormden (1,9 meter onder maaiveld en daarboven) bevatten daardoor waarschijnlijk geen archeologische resten. De bodem in het plangebied is tot een diepte van minimaal 0,8 meter onder maaiveld geroerd gebleken.

Conclusie

Op basis van de onderzoeksresultaten geldt een middelhoge archeologische verwachting vanaf een diepte van 1,9 meter onder maaiveld. Als gevolg hiervan wordt voor het plangebied (zowel in Leiden als Oegstgeest) geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd, mits de bouwplannen zich beperken tot ophoging van het huidige maaiveld of gravende werkzaamheden tot een diepte van 1,5 meter onder het huidige maaiveld. Voor het aanbrengen van paalfunderingen wordt eveneens geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd, vanwege de beperkte oppervlakte en het gegeven dat de funderingen grotendeels in de Haarlemmertrekvaart zijn gesitueerd. Daar het nooit volledig uit te sluiten is dat tijdens eventueel grondverzet een 'toevalsvondst' wordt gedaan, geldt de meldingsplicht voor archeologische vondsten zoals opgenomen in artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Indien grondwerkzaamheden dieper reiken dan 1,5 meter onder maaiveld dient een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk te worden aangevraagd.

4.2 Cultuurhistorie

4.2.1 Beleid en regelgeving
4.2.1.1 Rijksbeleid

Erfgoedwet

Een deel van het culturele erfgoed wordt beschermd via de Erfgoedwet (2016). Deze wet regelt met overgangsrecht de artikelen uit de Monumentenwet 1988 die betrekking hebben op de bescherming van onroerend cultureel erfgoed, tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De wet geeft het Rijk de mogelijkheid om objecten aan te wijzen als rijksmonument. Rijksmonumenten worden wettelijk beschermd via het vergunningenstelsel en bij restauratie zijn financiële middelen beschikbaar. De wet geeft aan gemeenten de vrijheid om zelf monumenten aan te wijzen en een monumentenlijst op te stellen.

Besluit ruimtelijke ordening

Ingevolge artikel 3.1.6 lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening bevat een bestemmingsplan een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

4.2.1.2 Provinciaal beleid

Structuurvisie Visie Ruimte en Mobiliteit en Verordening ruimte 2014

Het cultureel erfgoed van Zuid-Holland is een belangrijke drager van ruimtelijke kwaliteit. Zeker in combinatie met groen en water verhoogt het erfgoed de variëteit en daarmee de aantrekkelijkheid van stad en landschap. Deze toegevoegde waarde van erfgoed bevordert de provincie op diverse manieren:

  • behoud en versterking van cultuurhistorisch waardevolle structuren en ensembles die van bijzonder provinciaal belang zijn, via bescherming én passende ruimtelijke ontwikkeling,
  • cultureel erfgoed vormt een integraal onderdeel van het provinciaal ruimtelijk kwaliteitsbeleid via de kwaliteitskaart en de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit.

De cultuurhistorische en archeologische waarden zijn gebundeld in de cultuurhistorische hoofdstructuur (CHS), die de basis vormt voor het provinciaal erfgoedbeleid. Het beschermende ruimtelijk beleid richt zich met name op een selectie van de CHS:

  • cultuurhistorische kroonjuwelen,
  • molen- en landgoedbiotopen,
  • werelderfgoed (bestaand en potentieel);
  • archeologie.

In de Verordening Ruimte 2014 zijn beschermende regels opgenomen voor een aantal waarden. Gemeentelijke plannen moeten hier aan voldoen.

4.2.1.3 Gemeentelijk beleid Leiden

Erfgoednota 2014-2020

9 december 2013 heeft de Leidse gemeenteraad de Erfgoednota 2014-2020 (RV 13.0113) vastgesteld. De Erfgoednota benadert erfgoed integraal en gaat niet alleen over de historische stad zelf, maar ook over erfgoedkennis, onderwijs, ondernemerschap, collecties, verhalen en beleving. In Leiden, Stad van Ontdekkingen, zorgen professionals, betrokken burgers en gemeente samen voor uitvoering van de ambities van de Erfgoednota.

De Erfgoednota gaat uit van de volgende visie: Leiden heeft met erfgoed een onderscheidende kracht in huis: zo heeft Leiden en de (internationale) kennis en collecties, en de aantrekkelijke historische stad en de grote mate van betrokkenheid van bewoners. Daarbij gaat het niet alleen om de waarde van het erfgoed zelf maar ook om de meerwaarde voor de stad uit maatschappelijk, cultureel, wetenschappelijk en economisch oogpunt. Een belangrijke ambitie uit de Erfgoednota is dat Leiden haar historische omgevingskwaliteit wil behouden, benutten en versterken voor een aantrekkelijke, vitale en toekomstbestendige stad. Erfgoed inspireert in de ontwikkeling van de stad. Daarbij benut Leiden de inspiratie uit het verleden en zoekt aansluiting bij bestaande historische karakteristieken en essenties.

Onder invloed van rijksbeleid en wetgeving komt voor het erfgoed steeds meer nadruk te liggen op het ruimtelijk instrumentarium. Dit zet zich voort in de ontwikkeling van de nieuwe Omgevingswet, waarin ook het erfgoed wordt opgenomen. Leiden continueert de aandacht voor cultuurhistorie in het bestemmingsplan en anticipeert daarbij op rijksbeleid en wettelijke verplichtingen. Integrale cultuurhistorische waarden maken - uitgebreider en specifieker dan voorheen - deel uit van het bestemmingsplan. Van archeologie tot bouwhistorie, van historische structuren tot monumentale objecten. Hieraan worden maatregelen gekoppeld. Uitgangspunt is; beschermen wat beschermenswaardig is, zonder onnodige regeldruk. Cultuurhistorische kennis- en waardenkaarten van Leiden (met diverse themakaarten) dragen hieraan bij, evenals de onderzoeksagenda voor archeologie en bouwhistorie.

Hergebruik en herbestemming van historische bebouwing is in de Erfgoednota een belangrijk thema, met het oog op vitale omgevingskwaliteit en toekomstwaarde. Waar mogelijk en gewenst creëren bestemmingsplannen qua functies dan ook ruimte voor flexibele herbestemming.

Monumentenverordening en monumentenlijst

De gemeente Leiden hanteert de Monumentenverordening 2008. Deze verordening geeft regels over hoe om te gaan met gemeentelijke monumenten. De bescherming van de monumenten is geregeld in de Monumentenwet of de gemeentelijke verordening.

Karakteristieke panden

Naast de aanwijzing van gemeentelijke monumenten hanteert de gemeente Leiden nog het instrument van karakteristieke panden. Doel daarvan is de bijdrage aan de beeldkwaliteit van de openbare ruimte door de aanwezige historische bebouwing te borgen. De aanduiding en bescherming van de karakteristieke panden wordt, indien relevant, geregeld in het betreffende bestemmingsplan. De bescherming sterkt zich niet uit tot het interieur van de betreffende panden maar heeft alleen betrekking op het volume, de hoofdvorm en het aanzicht. In de welstandsnota zijn aanvullende criteria opgenomen die toezien op de kwaliteit van materiaal en detaillering van de straatgevels en het dak.

4.2.1.4 Gemeentelijk beleid Oegstgeest

Erfgoedverordening 2010

In de erfgoedverordening worden monumenten, archeologische monumenten, beeldbepalend panden en beschermde dorpsgezichten beschermd. Het inhoudelijke toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de gemeentelijke monumenten is in de verordening bepaald.

Een te beschermen monument, beeldbepalend pand of gemeentelijk dorpsgezicht wordt gewaardeerd aan de hand van één of meer van de toetsingscriteria. De toetsingscriteria hebben betrekking op cultuurhistorische aspecten, architectonische aspecten en situering.

4.2.2 Onderzoeksresultaten

Cultuurhistorische effectrapportage

Om de effecten van het bestemmingsplan Brug Poelgeest op de cultuurhistorische waarden in en rond het plangebied in beeld te brengen, is door het Monumenten Advies Bureau (MAB) een cultuurhistorische effectrapportage uitgevoerd (zie bijlage 3).

De cultuurhistorische effectrapportage bevat naast een historisch-ruimtelijke analyse, een samenvatting van het relevante beleidskader en een prestentatie van de cultuurhistorische waarden. De cultuurhistorische waarden worden geïllustreerd in de als bijlage bij de cultuurhistorische effectrapportage bijgevoegde 'Waardekaart cultuurhistorie' (zie bijlage 4). De hoofdlijnen van de cultuurhistorische waardering wordt als volgt puntsgewijs samengevat:

Historische structuren:

  • De loop van de Haarlemmertrekvaart, gerealiseerd in 1657.
  • De Haarlemmerweg als tastbaar overblijfsel van het tracé van het jaagpad aan de oostelijke zijde van de vaart.
  • Het taps toelopende terrein tussen de Haarlemmerweg en de Broekweg als onderdeel van de oude verkavelingstructuur.
  • De Broekweg en Broeksloot aan de oostelijke zijde van de vaart als eeuwenoude infrastructuur en waterloop.
  • De ijsbaan, als open landschap met vrije zichtlijnen van en naar het kasteel Oud-Poelgeest, tevens als onderdeel van de oude verkavelingsstructuur en als onderdeel van het landgoed Oud-Poelgeest.

Cultuurhistorische waarde objecten:

  • De ten noorden van het plangebied gelegen Kwaakbrug.
  • De ten zuiden van het plangebied gesitueerde monumentale Kikkermolen.
  • Het ten noordwesten van het plangebied gelegen kasteel Oud-Poelgeest met omliggende tuinaanleg en bijgebouwen.
  • Het in 1959 aangelegde Heempark ten zuiden van het plangebied.

Afsluitend wordt in de Cultuurhistorische effectrapportage ingegaan op de effecten van de plannen op de cultuurhistorische component en worden een aantal aanbevelingen en suggesties gedaan. Deze inzichten uit de Cultuurhistorische effectrapportage zijn voorts betrokken bij de gebiedsanalyse (zie onderstaand).

Gebiedsanalyse voor de ruimtelijke inpassing van ontwikkelingen rondom de Haarlemmertrekvaart nabij de Kikkermolen

Rondom de Haarlemmertrekvaart nabij de Kikkermolen wordt op korte termijn een aantal ruimtelijke ontwikkelingen voorzien. Naast de realisatie van de Brug Poelgeest speelt er in Leiden nog een tweetal andere ruimtelijke ontwikkelingen in de directe nabijheid, te weten de afronding van de herinrichting van het Trekvaartplein en de herstructurering van de Haarlemmerweg, waarvan de Leidse woonboten onderdeel zijn. Al deze ontwikkelingen maken een integrale kwalitatieve beschouwing in de vorm van een gebiedsanalyse wenselijk.

Deze gebiedsanalyse (zie bijlage 1) heeft tot doel om een onderbouwing te leveren voor de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen ten aanzien van de kwalitatieve onderdelen van de provinciale regels met betrekking tot de molenbiotoop, de landgoedbiotoop en ruimtelijke kwaliteit. Tevens dient de gebiedsanalyse als onderbouwing voor de wijziging van het complex van rijkmonument Oud-Poelgeest, omdat een deel van het beoogde brugtracé binnen het rijksmonument valt.

In de gebiedsanalyse (zie bijlage 1) zijn de kwalitatieve effecten als gevolg van de ruimtelijke ontwikkelingen en aanvullende maatregelen benoemd. Op basis hiervan worden de volgende conclusies getrokken:

Molenbiotoop

De nieuwe brug zorgt enigszins voor een verstoring van de zichtlijn tussen de molen en het landgoed. Aan de andere kant zorgen diverse maatregelen bij de brug, de woonboten en de afronding van het Trekvaartplein juist voor een verbetering van het zicht op de molen en de beleving ervan.

De feitelijke effecten voor de windvang is in het onderzoek van Peutz BV inzichtelijk gemaakt, zie bijlage 5. Peutz BV heeft onderzocht welke invloed de afronding van het Trekvaartplein, de realisatie van de brug en de herindeling van de ligging van de woonboten heeft op de windvang van de Kikkermolen. De rekenresultaten zijn opgenomen in onderstaande tabel (zie figuur 4.2).

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00132-0201_0013.jpg"

Figuur 4.2: Berekende maximale invloed en inschatting werkelijke invloed windvang

Geconcludeerd wordt dat de berekende maximale percentages per saldo een positief effect van 0,6% geven. Als in ogenschouw genomen wordt dat de brug per saldo geen verslechtering geeft, neemt het percentage toe tot minstens 1,3% groei van de windvang. Daarnaast is het positieve effect van de verbetering van de windafvoer in deze percentages buiten beschouwing gelaten, waardoor de verbetering van de windvang van de molen in werkelijkheid groter zal zijn dan aangegeven.

Landgoedbiotoop

Het landgoed wordt beperkt aangetast – afsnijding klein deel weide en aantasting zichtlijn - door de aanleg van de brug met bijbehorende toegangsweg. Argumenten die pleiten voor de inpassing van de brug en daarmee de (geringe) afsnijding van het landgoed is dat er een groot maatschappelijk belang is vanwege de verbindende en verkeerskundige waarde van de nieuwe brug daarbij is geen alternatief tracé aanwezig. Deze nieuwe verbinding draagt naast een versterking van de ontsluitingsstructuur voor gemotoriseerd verkeer bij aan verbeteringen ten aanzien van de aansluiting op het regionale fietsnetwerk, de mogelijkheden voor openbaar vervoer en de bereikbaarheid bij wegwerkzaamheden en calamiteiten. De brug brengt een oost-westgerichte recreatieve verbinding aan, deze verbinding zorgt dat het landgoed maar ook de Broekweg en de Haarlemmertrekvaart door meer mensen wordt beleefd. Bovendien biedt de brug kansen om de beleving van het landgoed te vergroten.

Ruimtelijke kwaliteit aanleg Brug Poelgeest

Met betrekking tot de ontwikkeling van de brug is er vanuit de optiek van ruimtelijke kwaliteit sprake van 'aanpassen' zoals bedoeld in de Verordening ruimte. Het betreft een ruimtelijke ontwikkeling die qua aard en schaal niet op voorhand past binnen het gebied.

Om de brug toch mogelijk te maken dient er sprake te zijn van een zorgvuldige inbedding in zijn omgeving, waarbij rekening wordt gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Deze richtpunten zijn:

  • 1. Ontwikkeling zijn gericht op verbetering en versterking van de kenmerken en waarden van landgoed/kasteel en het behouden of versterken van de relatie van het landgoed met zijn omgeving.

    Het landgoed wordt beperkt aangetast door afsnijding van een klein deel van de weide (en daarmee een inperking van de ijsbaan) .Daarbij wordt opgemerkt dat de afsnijding in de uiterste periferie van het landgoed plaatsvindt en de ruimtelijke kwaliteit van de ijsbaan zelf niet hoog is. Door lage groene beplanting te realiseren tussen het fietspad en de weg op het talud wordt de nieuwe grens van het landgoed (als gevolg van de afsnijding) gemarkeerd.

    De toegangsweg en nieuwe brug doorsnijden het panorama c.q. zichtlijnen vanaf de buitenplaatskern over de weide (ijsbaan) in zuidoostelijke richting naar de Kikkermolen. Hier komt bij dat deze toegangsweg hoger komt te liggen ten opzichte van het maaiveld. Verzachtende omstandigheden zijn dat de oorspronkelijke zichtlijn in de loop van de twintigste eeuw al erg veranderd (sterk verkort) is, het aanwezige (opgaande) groen sterk is toegenomen, de weide (ijsbaan) een weinig passende inrichting kent en de nauwelijks zichtbare trekvaart vanaf deze zijde door de aanwezigheid van erfgroen, woonboten, schuttingen en opstallen.

  • 2. Behouden en versterken van monumentale windmolens in hun omgeving als ensemblewaarde

    De Kikkermolen blijft behouden. De directe omgeving van de molen wordt echter door de brug veranderd. Dit heeft niet alleen effect op de windvang (zie paragraaf molenbiotoop) ook de ligging van de molen in zijn omgeving wordt daarmee veranderd. Waar de molen voorheen in een vrij open polder het water weg pompte, ligt de molen huidig in een dichte stadsrand met bebouwing en groen. Door de komst van de brug met toegangsweg op een talud zal de omgeving van de molen nog meer worden beperkt.

  • 3. Om oevers en water openbaar toegankelijk en beleefbaar te houden is geen ruimte voor verdere verdichting en privatisering van de oevers, direct grenzend aan het water.

    Er zal geen sprake zijn van extra privatisering van de oevers als gevolg van de herstructurering. Wel is er sprake van enige mate van 'verdichting' door de komst van de brug. De brug brengt juist ook meer beleefbaarheid van de Haarlemmertrekvaart met zich mee, juist ook omdat deze verbinding wordt ingezet als recreatieve verbinding.

Rijksmonument

In 2002 is landgoed Oud-Poelgeest beschermd als rijksmonument. Beschermd zijn het hoofdgebouw, historische tuin- en parkaanleg, brug met toegangshek, koetshuis, tuinmanswoning, waterput, kapel/jagershuis, boogbrug en tuinbeelden. Alleen de historische tuin- en park aanleg wordt beperkt aangetast – afsnijding klein deel weide en aantasting zichtlijn - door de aanleg van de brug met bijbehorende toegangsweg. In de beschrijving van de landgoedbiotoop wordt uitgebreid ingegaan op de kwalitatieve effecten van deze aantasting en aanvullende maatregelen die genomen zullen worden.

4.2.3 Conclusie

Voorafgaand aan het starten van de bestemmingsplanprocedure, is de gebiedsanalyse aan Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland toegezonden voor een reactie. GS oordeelt (zie bijlage 6) dat zij in kunnen stemmen met de onderbouwing voor de molenbiotoop, landgoed- en kasteelbiotoop en ruimtelijke kwaliteit voor ontwikkelingen rondom de Haarlemmertrekvaart nabij de Kikkermolen, daarmee oordelende dat deze ontwikkelingen in overeenstemming zijn met de Verordening ruimte 2014. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat er aan de regels van de Verordening ruimte wordt voldaan en het ook aannemelijk is dat het complex van rijksmonument Oud-Poelgeest gewijzigd kan worden.

4.3 Ecologie

4.3.1 Beleid en regelgeving

Nationaal beleid 

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet.

Soortenbescherming

Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen:

  • alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4)
  • dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9);
  • nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11).

Gebiedsbescherming 
Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening. Van deze laatstgenoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voormalig EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN.

Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wnb. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort.

Provinciaal beleid

Structuurvisie 'Visie Ruimte en Mobiliteit' en Verordening ruimte 2014

De Visie Ruimte en Mobiliteit borduurt voort op de Beleidsvisie Groen. Het ruimtelijke deel daarvan is geïntegreerd in de visie en het Programma ruimte. De provincie wil samen met haar partners een kwaliteitsslag maken in de groene ruimte binnen en buiten de stad, zodanig dat de intrinsieke waarden worden beschermd en versterkt, en dat de groene ruimte aansluit bij de vraag van de gebruikers en bewoners, toekomstbestendig is en bijdraagt aan de identiteit en ruimtelijke kwaliteit van Zuid-Holland. De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. De provincie wil in een aantal gebieden specifieke waarden in stand houden omdat ze landschappelijk, ecologisch of qua gebruikswaarde bijzonder en kwetsbaar zijn. De instandhouding van deze waarden vraagt om toegespitste vormen van bescherming en ontwikkeling. Ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden zijn mogelijk, maar met inachtneming van de specifieke waarden naast de generieke bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit.

Gemeentelijk beleid Leiden

Bomenverordening Leiden 2015

De Leidse Bomenverordening 2015 is door de gemeenteraad op 11 februari 2016 vastgesteld en is op 10 maart 2016 in werking getreden. Op 20 december 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders de Groene Kaart 2016 vastgesteld. De bestaande grotere bomen in de binnenstad zijn geïnventariseerd en grotendeels opgenomen in de Groene kaart. Bescherming van de waardevolle en monumentale bomen vindt plaats via de bomenverordening. Met de bomenverordening is de beschermde status van bomen voldoende geborgd. Het is daarom niet noodzakelijk om deze bomen in het bestemmingsplan van een beschermende regeling te voorzien. De bomen zijn dan ook niet aangeduid op de verbeelding, noch opgenomen in de planregels.

Ecologisch Beleidsplan Leiden (1998)

Het uitgangspunt van het Ecologisch Beleidsplan Leiden (EBL) is om de natuur mee te laten tellen als bewoner van de stad. Hierbij moeten de kansen om de natuur de stad in te halen optimaal worden benut en bedreigingen voor die natuur zoveel mogelijk worden beperkt, rekening houdend met de multifunctionaliteit van de stad en haar stedelijk groen.

De hoofddoelstellingen van het ecologisch beleidsplan zijn:

  • Het complementeren dan wel opstellen van een gebiedsdekkend plan voor een duurzame ecologische groenstructuur van 'groene' en 'blauwe' verbindingen vanuit het buitengebied de stad in.
  • Door middel van inrichting, communicatie en regelgeving de Leidse Ecologische Structuur (LES) versterken.
  • Profielen, beheermethoden en sortimentskeuze koppelen aan de LES.

Gedragscode Ruimtelijke Ontwikkeling & Inrichting

De Flora- en Faunawet stelt gemeenten verplicht bij ruimtelijke ontwikkelingen na te gaan of er bedreigde plant- en diersoorten aanwezig zijn in het projectgebied. Een wijziging van deze wet in februari 2005 stelt gemeenten in staat een gemeentelijke gedragscode voor ecologisch beleid vast te stellen. Leiden hanteert de gedragscode 'Ruimtelijke Ontwikkeling & Inrichting', opgesteld door Stadswerk. Deze gedragscode dient als leidraad voor ruimtelijke projecten waarbij sprake is van een functieverandering of werkzaamheden waarbij sprake is van een ruimtelijke verandering (zoals sloop, grondwerk of bouw). Het volgen van de gedragscode bij ruimtelijke ontwikkelingen minimaliseert de kans op conflicten met de Flora- en Faunawet.

Gemeentelijk beleid Oegstgeest

Bomenverordening Oegstgeest (2010)

In de bomenverordening zijn onder andere regels opgenomen voor de kap van bomen en de bescherming van monumentale en waardevolle bomen en houtopstanden.

4.3.2 Onderzoeksresultaten

Soortenbescherming

Bureau Waardenburg heeft een natuurtoets uitgevoerd (d.d. 23 maart 2017, zie bijlage 7), waarin de effecten van de Brug Poelgeest beoordeeld zijn in het kader van de Wet natuurbescherming. Geconcludeerd wordt dat het voorkomen van beschermde soorten de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg straat. Bij de realisatie van de plannen dient rekening te worden gehouden met bepalingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de zorgplicht. Met gerichte maatregelen zijn effecten op aanwezige flora en fauna te voorkomen of te minimaliseren. Een ontheffing inzake soortbescherming (art 3.10) volgens de Wet natuurbescherming wordt niet nodig geacht.

Gebiedsbescherming

De Natura 2000-gebieden Meijendel & Berkheide en Coepelduynen liggen het dichtst bij de planlocatie. Deze Natura 2000-gebieden zijn stikstofgevoelig. Overige beschermde gebieden liggen veel verder weg. Het Natura 2000-gebied Meijendel ligt op een afstand van ongeveer 5 kilometer. Het Natura 2000-gebied Coepelduynen ligt op 6 kilometer afstand van het plangebied. Op deze afstand is alleen de stikstofemissie van het plan relevant. Andere effecten van het plan zijn uitgesloten.

Onderhavig bestemmingsplanplan betreft het realiseren van een brugtracé tussen de Oegstgeesterweg en Poelgeest / Trekvaartplein. Gezien de afstand tot de Natura 2000–gebieden kan op basis hiervan worden geconcludeerd dat er geen toename is van de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige habitattypen en dat plan geen significant negatief effect heeft op de Natura 2000-gebieden.

Natuurnetwerk Nederland

De planlocatie bevindt zich niet in een gebied wat onderdeel uit maakt van het Natuurnetwerk Nederland. Er zijn dan met betrekking tot deze beschermde gebieden geen belemmeringen voor de planontwikkeling.

Groenstructuur en bomen

Door Pius Floris is een boominventarisatie uitgevoerd, zie bijlage 8. Dit onderzoek geeft een goed beeld van het bomenbestand, de conditie, eventuele veiligheidsrisico's, verplantbaarheidsmogelijkheden en boomwaardes. De boominventarisatie zal worden gebruikt bij de uitwerking van het verkeerskundig ontwerp om een zo gedegen mogelijke afweging ten aanzien van bomen te kunnen maken. Er is geen sprake van Groene Kaart bomen voor het Leidse deel van het plangebied.

4.3.3 Conclusie

Het aspect ecologie staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.4 Kabels en leidingen

Beleid en regelgeving

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.

Onderzoeksresultaten

Ten (noord)oosten van het plangebied op circa 300 m is een 150 kV hoogspanningsverbinding gelegen. Deze hoogspanningsverbinding heeft een indicatieve zone van 2x 80 m en reikt dan ook niet over het plangebied. Met de aanleg van de brug en aansluitende weg dient rekening te worden gehouden met de reeds aanwezige kabels en leidingen (zie figuur 4.3).

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00132-0201_0014.png"

Figuur 4.3 Overzicht Kabels en leidingen.

Conclusie

Tijdens de aanleg van de brug en aansluitende weg dient rekening te worden gehouden met de reeds aanwezige kabels en leidingen. Het aspect kabels en leidingen staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.5 Milieu

4.5.1 Bedrijven en milieuzonering

Beleid en regelgeving

Bedrijvigheid kan een milieubelastende activiteit zijn. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Situaties waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Deze richtlijnen geven aan welke afstand er gemiddeld per type bedrijvigheid dient te worden aangehouden tot hindergevoelige objecten.

Onderzoeksresultaten

De voorgenomen activiteiten strekken niet tot realisatie van nieuwe (milieubelastende) bedrijvigheid. De geplande tweede ontsluitingsweg is geen hindergevoelig object. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling van de infrastructuur in de zin van Bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de omgeving en omgekeerd.

4.5.2 Bodem

Beleid en regelgeving

Wet ruimtelijke ordening

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent voor de bodem (grond en grondwater) dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming dienen te zijn. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt bepaald door middel van een historisch onderzoek, eventueel aangevuld met een bodemonderzoek. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

In de Wabo staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat:

  • er is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging;
  • het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan/BUS-melding;
  • er een melding is gedaan van een voornemen tot saneren.

Wet bodembescherming (Wbb)

Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet

Bodembescherming. In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden (bij zogenaamde “spoed- of risicolocaties”)).

Besluit bodemkwaliteit (Bbk)

Het Besluit bodemkwaliteit geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de

bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe projecten op het gebied van natuur, wonen en industrie. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het Besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie.

Lokaal bodembeleid

De regels voor grondverzet volgen uit het Besluit bodemkwaliteit.

In de gemeenten Leiden en Oegstgeest is het generieke beleid van kracht. Dat betekent dat toe te passen grond altijd aan twee eisen moet voldoen:

  • toe te passen grond moet beter of gelijk in kwaliteit zijn als de ontvangende bodem - (op niveau van bodemkwaliteitsklasse)
  • toe te passen grond moet beter of gelijk in kwaliteit zijn als geldt voor de op betreffende plek geldende bodemfunctieklasse.

De gemeenten Leiden en Oegstgeest beschikken over een bodemfunctieklassenkaart. Eventueel aanvullende regels worden opgenomen in de regionale bodembeheernota.

Onderzoeksresultaten

Door de Omgevingsdienst West-Holland is een inventarisatie gemaakt van de meest relevante bodemgegevens uit het plangebied. Het gaat hierbij om informatie uit tank-, bodemonderzoek- en verontreinigingsbronnen. De informatie is afkomstig uit het bodeminformatiesysteem (BIS/GIS), het tankinformatiesysteem en het historische bedrijvenbestand (Hbb).

Bodeminformatiesysteem (BIS)

Gebleken is dat van een groot deel van het plangebied de bodemkwaliteit niet bekend is. In het plangebied zijn een aantal locaties aanwezig waar sterke verontreinigingen met zware metalen (vnl. koper, lood en zink) zijn aangetroffen, waarschijnlijk als gevolg van langdurig gebruik en/of ophooglagen. Er bevinden zich in het gebied geen zogenaamde spoed locaties of locaties waar binnen een bepaalde termijn saneringen moeten worden uitgevoerd. Verder is in het BIS gekeken naar locaties die in het verleden zijn aangepakt in het kader van de Wbb en waarvoor het bevoegd gezag beschikkingen heeft afgegeven. Het betreft de Haarlemmertrekvaart ter hoogte van de ontwikkeling.

 

Tankinformatiesysteem

Er zijn geen locaties op het traject bekend waar mogelijk bodemproblemen met ondergrondse tanks worden verwacht. De Omgevingsdienst verwacht geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.

Historisch bedrijvenbestand

In het plangebied zijn bedrijven aanwezig geweest die potentieel verdacht zijn op het veroorzaken van bodemverontreiniging. Historisch onderzoek en/ of oriënterend onderzoek moet hier nog worden uitgevoerd. Het betreft met name het noordelijk deel van het trekvaartplein. De Omgevingsdienst verwacht echter geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.

Conclusie

Gelet op het voorstaande staat het aspect bodem de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg. In het algemeen geldt dat een bodemonderzoek noodzakelijk is bij het wijzigen van de bestemming, de aanvraag van een omgevingsvergunning of graafwerkzaamheden. Indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging, zal op basis van de Wbb en de Wabo (art 6.2c) pas gebouwd/ontwikkeld mogen worden wanneer bij de omgevingsaanvraag een door het bevoegd gezag (Omgevingsdienst West-Holland) goedgekeurd saneringsplan/BUS-melding is gevoegd. Indien grond wordt aan- of afgevoerd, moet dit plaatsvinden volgens de door de overheid gestelde regels. In het bijzonder wordt gewezen op het Besluit bodemkwaliteit.

4.5.3 Externe veiligheid

Beleid en regelgeving 

Externe veiligheidsbeleid heeft betrekking op het gebruik, de productie, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen. De overheid stelt grenzen aan de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen. De grenzen zijn vertaald in een norm voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriëntatiewaarde en verantwoordingsplicht voor het groepsrisico (GR). Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van toepassing. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Plaatsgebonden risico

Het PR kent een grenswaarde van 10-6 per jaar voor nieuwe situaties. Binnen de PR 10-6 contour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde en in nieuwe situaties moet in beginsel ook aan deze waarde worden voldaan.

Buisleidingen

De bedoeling is dat alle PR 10-6 contouren rondom buisleidingen teruggebracht worden tot een afstand binnen de zogenaamde belemmeringstrook, dit is de strook van 5 meter aan weerszijden van de leidingen die moet worden vrijgehouden ten behoeve van onderhoud en werkzaamheden aan de buisleiding. In de belemmeringenstrook mag niet worden gebouwd, tenzij met toestemming van burgemeester en wethouders (afwijking via omgevingsvergunning). Werkzaamheden in deze strook mogen alleen worden uitgevoerd door of met instemming van de leidingbeheerder. De ligging van de leidingen en de belemmeringenstrook moet op de verbeelding van het bestemmingsplan worden vastgelegd.

Voor leidingen waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, zoals aardgasleidingen met een druk van meer dan 16 bar en brandstofleidingen, zijn regels opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dergelijke leidingen moeten conform het bepaalde in het Bevb in bestemmingsplannen worden voorzien van een beschermende regeling. Naast deze leidingen kan echter ook sprake zijn van andere kabels en leidingen, waaraan geen (of beperkte) externe veiligheidsrisico's zijn verbonden, maar die wel planologisch relevant zijn. Het betreft onder andere hoogspanningsverbindingen en rioolpersleidingen. Ook voor dergelijke leidingen dient in bestemmingsplannen een passende regeling te worden opgenomen.

Verantwoordingsplicht groepsrisico

Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting in situaties waarin zich een ramp met gevaarlijke stoffen voordoet. De verantwoordingsplicht is erop gericht om een weloverwogen afweging te maken over de risico's in relatie tot de (ruimtelijke) ontwikkelingen in het plangebied. Het groepsrisico wordt vergeleken met de oriëntatiewaarde: de kans op een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers van 10-5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 dodelijke slachtoffers van 107 per jaar, en met de kans op 1000 of meer dodelijke slachtoffers van 109 per jaar. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico ligt voor het transport van gevaarlijke stoffen en buisleidingen echter een factor 10 lager dan voor inrichtingen. In de verantwoording van het groepsrisico worden onderwerpen behandeld die van belang zijn bij het maken van een afweging over het risico en de ruimtelijke situatie. Het groepsrisico wordt kwantitatief beoordeeld. Daarnaast komen ook planologische aspecten en de mogelijkheden tot rampenbestrijding aan de orde (zie ook Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico voor inrichtingen).

Provinciaal beleid

De provincie Zuid Holland ambieert een veilig Zuid-Holland. In de provinciale structuurvisie staat als provinciaal belang genoemd het 'beschermen van grote groepen mensen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen'. De provincie wil voorkomen dat risicovolle activiteiten worden gevestigd in de omgeving van grote groepen mensen of dat een nieuwe ontwikkeling gepland wordt binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Het is niet altijd te voorkomen dat dit soort functies gecombineerd worden en het groepsrisico toeneemt. In dat geval vraagt de provincie van de verantwoordelijke bestuurders dat zij een verantwoording groepsrisico schrijven: een heldere en transparante toelichting waarin zij uitleggen waarom de betreffende ontwikkeling op deze locatie noodzakelijk is. Op basis van een verantwoording groepsrisico moet aannemelijk worden gemaakt dat op termijn in de eindsituatie wordt voldaan aan de oriëntatiewaarde.

Regionaal beleid

De regio Holland-Rijnland heeft in 2008 een Omgevingsvisie externe veiligheid opgesteld. In deze omgevingsvisie heeft de regio een beslismodel opgesteld op basis van zonering van het groepsrisicodiagram, zie figuur 4.4.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00132-0201_0015.png"

Figuur 4.4 Afwegingskader GR, (f=kans op calamiteit, N=aantal slachtoffers, OW=oriëntatiewaarde

Het model gaat uit van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. Aan de zones in het diagram zijn verschillende handelswijzen gekoppeld. Als de groepsrisicocurve voor een bepaalde activiteit of ruimtelijke ontwikkeling in een bepaalde zone uitkomt, volgt uit het beslismodel onder welke voorwaarden de activiteit of ruimtelijke ontwikkeling is toegestaan.

Onderzoeksresultaten

De geplande infrastructuur betreft uit het oogpunt van externe veiligheid geen (beperkt) kwetsbaar object. De infrastructuur zal niet worden gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. In het plangebied zijn geen bovenlokale kabels en leidingen aanwezig. Kabels en leidingen leveren derhalve geen beperking op voor bestemmingsplan Brug Poelgeest. Een passende regeling in het bestemmingsplan is niet noodzakelijk.

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen realisatie van een tweede ontsluitingsweg voor de woongebieden Poelgeest en Trekvaartplein met een brug over de Haarlemmertrekvaart.

4.5.4 Geluid

Beleid en regelgeving

Wet geluidhinder

Bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan is het conform de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan de akoestische situatie. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder in werking getreden. Als een plangebied geheel of gedeeltelijk binnen de onderzoekszone van een weg, spoorrails of een gezoneerd industrieterrein valt, moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld scholen en ziekenhuizen) binnen die geluidszone. Een bestemmingsplan kan pas worden vastgesteld indien de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige functies voldoet aan de voorkeursgrenswaarden genoemd in de Wgh of indien een besluit is genomen om hogere waarden vast te stellen. Voor dit laatste geeft de Wgh een maximale ontheffingswaarde. Voordat een hogere waarde kan worden vastgesteld, moeten eerst maatregelen worden onderzocht om de geluidbelasting terug te dringen.

Voor wegen die deel (gaan) uitmaken van een 30 km/u-gebied geldt dat akoestisch onderzoek niet uitgevoerd hoeft te worden op grond van de Wgh. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan het in sommige gevallen, zoals bij drukke 30 km/u- wegen, toch nodig zijn om de akoestische situatie in kaart te brengen, om te beoordelen of het een goede locatie is voor een geluidgevoelige functie.

Indien er fysieke wijzigingen plaatsvinden aan zoneringsplichtige wegen moet onderzocht worden of sprake is van een reconstructie in de zin van de Wgh. Dit onderzoek richt zich met name op bestaande woningen en andere geluidgevoelige objecten.

Met betrekking tot industrielawaai geldt dat, als er op een bedrijventerrein grote lawaaimakers mogen komen, voor dat terrein een geluidszone moet worden vastgesteld. Buiten die zone mag de geluidbelasting vanwege de bedrijvigheid op dat terrein niet meer bedragen dan 50 dB(A), de voorkeursgrenswaarde voor industrielawaai. De geluidszone wordt weergegeven op de verbeelding van bestemmingsplannen die binnen de geluidszone vallen.

Wet milieubeheer/Activiteitenbesluit milieubeheer

Het Activiteitenbesluit milieubeheer dat gebaseerd is op de Wet Milieubeheer is op 1 januari 2008 in werking getreden en bevat algemene milieuregels voor bedrijven. Vrijwel alle artikelen betreffende het aspect geluid staan in afdeling 2.8 "Geluidhinder" van Hoofdstuk 2 "Algemene regels ten aanzien van alle activiteiten" van het Activiteitenbesluit.

Geluidsnota Leiden 2004

Leiden heeft in 2004 de Geluidsnota Leiden vastgesteld. Met deze geluidsnota is voor het eerst het gemeentelijk geluidbeleid, ook het gedeelte zoals dat al jaren werd uitgevoerd, formeel vastgelegd. Dit geluidsbeleid maakt lokaal differentiëren mogelijk en levert zo een passend geluidsniveau per gebied op.

Richtlijnen voor het vaststellen van hogere waarden Wet geluidhinder De Omgevingsdienst West-Holland voert namens de aangesloten gemeenten de procedure hogere waarde uit. Het bestuur van de Omgevingsdienst heeft richtlijnen vastgesteld, die als kader dienen bij het beoordelen van verzoeken van gemeenten om een hogere waarde. Deze richtlijnen hanteren 5 dB lagere normen dan het maximum dat op grond van de Wgh mogelijk is. Deze richtlijn sluit daarmee aan bij het Milieubeleidsplan van de aangesloten gemeenten.

Geluidskaart Leiden (2012), actieplan Leiden (2013)

In het kader van de EU-richtlijn Omgevingslawaai heeft Leiden een geluidskaart en actieplan gemaakt om de situatie met betrekking tot geluidsproductie in beeld te brengen. De richtlijn richt zich vooral op het vaststellen, beheersen en waar nodig gewenst verlagen van geluidsniveaus in de leefomgeving. Het toepassingsgebied beperkt zich tot een aantal gedefinieerde geluidsbronnen, te weten weg- en railverkeer en luchtvaart van een zekere omvang, alsmede specifieke vastgelegde industriële activiteiten.

Geluidskaart Oegstgeest 2011, actieplan Geluid 2013

Oegstgeest is een agglomeratiegemeente, in de zin van de regeling omgevingslawaai (Stcrt. 2004, 134). Op grond daarvan is Oegstgeest verplicht om elke vijf jaar, te beginnen in 2007, een geluidbelastingkaart vast te stellen. Deze geeft inzicht in de blootstelling aan geluid van wegverkeer, railverkeer, luchtvaart en industrie, in het jaar voorafgaande aan de totstandkoming van de kaart. De geluidbelastingkaart 2011 is namens Burgemeester en Wethouders van Oegstgeest bij mandaat door de Omgevingsdienst West Holland vastgesteld en gepubliceerd.

Het actieplan bestrijkt de periode 2013 – 2018. Het is een evaluatie van het gevoerde beleid in de afgelopen vijf jaar. Verder wordt in dit actieplan vastgelegd welke concrete acties de gemeente voornemens is te ondernemen om geluid te beperken daar waar het naar het oordeel van de gemeente beperkt moet worden en om de geluidkwaliteit te beschermen op plaatsen waar die kwaliteit nu goed is.

Onderzoeksresultaten

Wegverkeerslawaai

De nieuwe verbindingsweg zal worden uitgevoerd als 30 km/u-weg. Een dergelijke weg heeft conform de Wet geluidhinder geen formele geluidszone. De nieuwe verbindingsweg sluit in Oegstgeest aan op de Hugo de Vrieslaan (30 km/u) in de wijk Poelgeest en op de Oegstgeesterweg in Leiden. Deze laatste weg is een gezoneerde 50 km/u-weg in de zin van de Wgh.

Om een goede ruimtelijke afweging te kunnen maken naar de akoestische effecten in het plangebied (de brug ten opzichte van de bestaande woonboten en standplaatsen) is de akoestische situatie onderzocht. Hierbij is de relatie gelegd met de streefwaarde van 48 dB van de Wgh. Uit het onderzoek (bijlage 9) blijkt het volgende:

Ligplaatsen woonboten

Uit de resultaten volgt dat de voorkeurswaarde van 48 dB vanwege het wegverkeer op de Brug Poelgeest (30 km/u weg) alleen wordt overschreden op het waarneempunt WB-123 (Woonboot Haarlemmerweg 123). De hoogst berekende geluidbelasting op dit waarneempunt bedraagt 52 dB.

Standplaatsen woonwagens

Vanwege de Oegstgeesterweg bedraagt de geluidbelasting 2025 op de plangrens van de woonwagenlocatie ten hoogste 52 dB (PG05). Hiermee wordt voldaan aan de eerder vastgestelde hogere waarde op de plangrens van ten hoogste 52 dB. Er is géén sprake van reconstructie in de zin van de Wgh door de aansluiting van de nieuwe weg op de Oegstgeesterweg. Op de zoeklocatie voor twee extra standplaatsen bedraagt de geluidbelasting op een waarneemhoogte van 1,5m ten hoogste 47 dB en op een waarneemhoogte van 4,5m ten hoogste 49 dB.

Woningen Poelgeest 

Uit de resultaten volgt dat de voorkeurswaarde van 48 dB vanwege het wegverkeer op de Brug Poelgeest (30 km/u weg) wordt overschreden op de waarneempunten HdV86 (Hugo de Vrieslaan 86) met 6 dB, HdV84 (Hugo de Vrieslaan 84) met 6 dB en HdV103 (Hugo de Vrieslaan 103) met 1 dB.

Industrielawaai

In de omgeving van het plangebied zijn geen grote lawaaimakers aanwezig/ geluidszones vastgesteld. Het beleid met betrekking tot industrielawaai levert geen beperkingen voor de ontwikkeling. Daarnaast betreft een brug geen geluidsgevoelige functie.

Conclusie

Ligplaatsen woonboten

De geluidbelasting ten gevolge van de nieuwe brug bedraagt ten hoogste 52 dB ter plaatse van één woonboot. De voorkeurswaarde Wgh van 48 dB wordt met 4 dB overschreden. Deze waarde ligt onder de maximale ontheffingswaarde van 58 dB uit het gemeentelijke geluidbeleid en de onder de maximale ontheffingswaarde van 63 dB van de Wet Geluidhinder. Voor de ligging van de woonschepen is uitgegaan van de huidige situatie. De gemeente heeft aangegeven dat er binnen afzienbare termijn herstructurering zal plaatsvinden. In dat kader en bij de betreffende ruimtelijke procedure zal de akoestische situatie wederom worden beoordeeld.

Standplaatsen woonwagens

Er is géén sprake van reconstructie in de zin van de Wgh bij de woonwagenlocatie door de aansluiting van de nieuwe 30 km/uur weg op de Oegstgeesterweg. Er is slechts een marginale overschrijding van de voorkeurswaarde met 1 dB op de beoogde zoeklocatie voor twee nieuwe standplaatsen. Er is sprake van goede ruimtelijke ordening.

Woningen Poelgeest

Bij de woningen aan de Hugo de Vrieslaan 84 en 86 is nagegaan (zie bijlage 10) of voldaan wordt aan het vereiste binnenniveau. Gezien de geconstateerde overschrijding zal een aanbod voor gevelmaatregelen worden gedaan. Met de financiële consequenties hiervan is rekening gehouden in het project.

4.5.5 Luchtkwaliteit

Beleid en regelgeving

In de Wet milieubeheer (Wm) zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. In hoofdstuk 5 paragraaf 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' wordt kortweg aangeduid als de Wet luchtkwaliteit. Het doel van de wet is om mens en milieu bescherming te bieden tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Voor de gezondheid van de mens is een goede luchtkwaliteit van groot belang. Daarom zijn in bijlage 2 van de Wet milieubeheer grenswaarden opgenomen voor een aantal stoffen die als verontreiniging in de lucht voorkomen. In de praktijk richt de aandacht zich vooral op de stoffen stikstofdioxide en fijn stof. Van deze stoffen komen in Nederland concentraties voor die in de buurt van de grenswaarde liggen. De overige stoffen die in bijlage 2 zijn genoemd liggen over het algemeen ver onder de grenswaarden.

Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)

De 'Wet luchtkwaliteit' vormt de Nederlandse uitwerking van de Europese normen voor de luchtkwaliteit. Om deze normen te halen is een maatregelenpakket opgesteld, dat in een samenwerkingsprogramma van de rijksoverheid en de lagere overheden wordt uitgevoerd. Dit pakket wordt het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) genoemd. Het NSL is op 1 augustus 2009 van kracht geworden en vormt de kern van de Wet luchtkwaliteit. Het NSL is een bundeling van alle ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit 'in betekenende mate' verslechteren en alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het Rijk coördineert het programma. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in besluiten (algemene maatregelen van bestuur) en ministeriële regelingen. Hiervan zijn de volgende van belang.

Besluit en regeling 'niet in betekenende mate'

De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate, ofwel niet in betekenende mate (NIBM), leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Grotere projecten die in betekenende mate bijdragen kunnen worden opgenomen in het NSL, als is aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL. Met projecten die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging is rekening gehouden in de autonome ontwikkeling van de luchtkwaliteit. Het Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bevat criteria waarmee kan worden bepaald of een bepaald project wel of niet als 'in betekenende mate' moet worden beschouwd. NIBM projecten kunnen - juridisch gezien - zonder toetsing aan de grenswaarden voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol. Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie maar ook om de personen in de omgeving daarvan, bijvoorbeeld om de bewoners en/of kinderen in een school/kinderdagverblijf aan de gebiedsontsluitende wegen.

Het Besluit gevoelige bestemmingen 

Met dit besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale wegen en rijkswegen beperkt. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof en stikstofdioxide. Gevoelige bestemmingen zijn gedefinieerd als gebouwen met de bijbehorende terreinen van scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen en vergelijkbare functies. Woningen worden hier niet toe gerekend. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitonderzoek nodig is, namelijk 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Wanneer in de onderzoekszone de grenswaarden voor fijn stof of stikstofdioxide (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Dit wordt bereikt door op een dergelijke plek de vestiging van de gevoelige bestemming niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10 % van het totale aantal blootgestelden toegestaan.

Regionaal beleidskader 

Regionaal beleidskader Duurzame Stedenbouw

In het Regionaal beleidskader Duurzame Stedenbouw (RBDS) zijn voor luchtkwaliteit de volgende ambities opgenomen:

Basisambitie

  • Gevoelige bestemmingen (volgens het besluit Gevoelige bestemmingen) op minstens 100 meter van de snelweg.

Extra ambitie

  • Handhaving van 5% tot 10% lagere waarden dan de grenswaarden NO2 en PM10 voor verblijfsgebieden (36 tot 38 g/m3 );
  • Gevoelige bestemmingen op minstens 300 meter van de snelweg;
  • Geen gevoelige bestemmingen of woningen direct langs een drukke weg (>10.000 mrt/et).

Regionaal Samenwerkingsverband Luchtkwaliteit

In het Regionale Samenwerkingsverband Luchtkwaliteit Zuid Holland is een aantal maatregelen ingebracht, die in regio Holland Rijnland worden uitgevoerd. Deze maatregelen zijn opgenomen in het NSL. De uitvoering van deze maatregelen wordt door Omgevingsdienst West-Holland gecoördineerd.

Luchtkwaliteitsplan Leiden en Duurzaamheidsagenda 

De planperiode 2005-2010 is afgerond en het plan is geëvalueerd. In 2012 waren er geen overschrijding van de grenswaarden voor fijn stof, maar nog wel voor stikstofdioxide. Daarom is op 26 februari 2013 door het college het Luchtkwaliteitsplan 2012-2014 vastgesteld (BW 13.0166 ). In dit plan zijn de volgende maatregelen opgenomen:

  • Milieuzone voor vrachtverkeer;
  • Vervangende maatregel Groene Golf (Plaatsen elektrische oplaadpunten - Groen vervoer collegeleden);
  • Aanschaf aardgasbusjes Stichting Stadsparkeerplan Leiden;
  • Pilotproject biogas;
  • Resultaatafspraken stikstofdioxide met het ministerie van I&M;
  • Stimuleren elektrisch vervoer (verschillende maatregelen);
  • Mobiliteitsmanagement voor inwoners;
  • Stimuleert fietsgebruik;
  • Onderzoeken mogelijkheden om samen te werken met isme (communicatie).

Een aantal luchtkwaliteitsacties vallen thans onder de Duurzaamheidsagenda (2015), met als doel een bijdrage leveren aan een duurzame stad. Gelijktijdig werkt Leiden samen met partners uit de stad aan een lange termijn visie voor een Duurzaam 2030.

Onderzoek

Op 6 juli 2016 en op 14 juli 2016 zijn door gemeente Leiden in samenwerking met Adviesbureau 4Cast gewijzigde verkeersintensiteiten aangeleverd (update situatie met voorrangskruising) (zie bijlage 11).

Uit de aangeleverde verkeersgegevens blijkt, dat alleen op de Brug Poelgeest met de bijbehorende verbindingsweg sprake is van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Op de overige wegsegmenten blijft de intensiteit gelijk of neemt deze af. Voor het bepalen van de luchtkwaliteit wordt gerekend met weekdag intensiteiten.

Tabel 4.1 Etmaalintensiteiten weekdaggemiddelde (4Cast, 14 juli 2016)

  Etmaalintensiteiten 2025  
Personenauto verkeer   4.968  
Middelzwaar vrachtverkeer   276  
Zwaar vrachtverkeer   53  
Totaal verkeer   5.287  

Om het plan te kunnen uitvoeren moet worden aangetoond dat het aan een van de vier voorwaarden uit artikel 5.16 lid 1 van de Wm voldoet. Met de volgende motivaties kan aannemelijk worden gemaakt dat het project als 'niet in betekenende mate' (NIBM) project kan worden beschouwd en dat het niet leidt tot een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.

Gebruikmaking van voorschrift 3A.2 van de Regeling NIBM (Woningbouwlocaties)

Aangewezen in artikel 4 van het Besluit NIBM, eerste lid, worden woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3000 woningen omvat.

De wijk Poelgeest telt rond de 1.000 woningen, die na de bouw van een nieuwe brug door twee ontsluitingswegen met het omliggend wegennet zijn verbonden. Het project kan daarom als NIBM project worden beschouwd.

Globale benadering met gebruikmaking van de NIBM rekentool

Met de NIBM-rekentool kan de maximale verkeersbijdrage van een plan worden berekend. Deze berekening is een worst case benadering. De verkeersbijdrage wordt opgeteld bij de achtergrondconcentratie en kan vervolgens worden getoetst aan de grenswaarde. Voor de toepassing van deze benadering moet het percentage vrachtverkeer bekend zijn en het jaar van realisatie van de brug. Het percentage vrachtverkeer van de verkeersintensiteiten die op 6 juli 2016 door 4Cast zijn aangeleverd, bedraagt 5,9 %. Dit is de som van het middelzwaar en het zwaar vrachtverkeer. Dit percentage levert een overschatting, omdat de NIBM-rekentool rekent met de emissiefactoren van zwaar vrachtverkeer.

Volgens de planning wordt de brug in 2018 gerealiseerd. De luchtkwaliteit moet in het jaar na realisatie en met een planhorizon van 10 jaar worden bepaald. Berekening voor deze jaren levert de volgende resultaten op.

  Maximale planbijdrage
(µg/m3)
volgens
NIBM rekentool  
Achtergrond
concentratie
(µg/m3)

2019  
Achtergrond
concentratie
(µg/m3)

2029  
Maximaal optredende
concentratie
(µg/m3)
2019  
Maximaal optredende
concentratie
(µg/m3)
2029  
Grenswaarde Wm
(µg/m3)  
NO2   6,7   17,2   15,1   23,9   21,8   40  
PM10   1,0   19,9   18,8   20,9   19,8   40  
PM2,5   1,0   12,2   11,2   13,2   12,2   25  

Tabel 4.2: rekenresultaten globale benadering met NIBM rekentool

De concentraties moeten op 10 meter van de wegrand worden bepaald of dichterbij als er gevoelige bestemmingen dichter op de wegrand staan. De dichtst bij de wegrand gelegen woning is de woonboot Haarlemmerweg 123. Deze woonboot bevindt zich op 10 meter afstand van de wegrand. Er kan daarom bij de berekening worden uitgegaan van een afstand van 10 m tot de wegrand. In de NIBM tool is gerekend met de afstand 10 m.

De maximaal optredende concentraties blijven bij globale berekening met de NIBM-rekentool allemaal ruim onder de grenswaarde. De luchtkwaliteit vormt daarom geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Conclusie

Het plan voldoet aan de Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteitseisen. Op grond van het aantal woningen in de wijk Poelgeest kan worden gemotiveerd dat de extra ontsluitingsweg als een NIBM-project kan worden beschouwd. Daarnaast is met behulp van berekening met de NIBM-rekentool aangetoond, dat het project niet kan leiden tot een overschrijding van een grenswaarde.

4.6 Milieueffectrapportage

Beleid en regelgeving

Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld.

In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is dit geregeld. Er is een m.e.r.plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.plicht voor besluiten. Een plan is planm.e.r.plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.plichtige activiteiten.

Een bestemmingplan (of wijzigingsplan) kan planm.e.r.plichtig zijn. Dit is het geval als het plan kaders stelt voor latere m.e.r.plichtige activiteiten en/of als voor het plan een passende beoordeling nodig is. Daarnaast kan een plan ook m.e.r.plichtig zijn als er een concreet (bouw)plan ter uitvoering ligt.

Onderzoek

Het plan bevat geen activiteit die genoemd wordt in onderdeel D van de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage. Voor het plan is geen verplichting tot het uitvoeren van een planMER, noch tot het uitvoeren van een MER. Gelet op het hiervoor vermelde is ook geen vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig.

Het milieubelang wordt in het bestemmingsplan per milieuaspect voldoende afgewogen.

4.7 Verkeer en vervoer

4.7.1 Beleid en regelgeving
4.7.1.1 Provinciaal verkeers- en vervoersplan (PVVP)

In het Provinciaal Verkeer- en Vervoer Plan (PVVP) van 21 januari 2004 beschrijft de provincie Zuid-Holland hoe zij de komende jaren haar beleid op het terrein van verkeer en vervoer vorm wil gaan geven. Speerpunten hierin zijn bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid. De provincie Zuid-Holland zet in op een beleid van beheerste groei van de mobiliteit. Daarbij wordt rekening gehouden met de individuele wensen en eisen die reizigers en het bedrijfsleven aan de kwaliteit van hun mobiliteit stellen.

Om de bereikbaarheid en de kwaliteit van de leefomgeving in stand te houden is ten eerste een kwaliteitsverhoging van het openbaar vervoer op alle niveaus vereist. Vervolgens dient een vermindering van congestie en een verbetering van de bereikbaarheid plaats te vinden. Om die reden worden kwaliteitseisen gesteld aan de trajectsnelheden van de verschillende typen wegverbindingen. Tot slot wordt gestreefd naar een toename van het fietsgebruik. Daartoe zal een volwaardig fijnmazig netwerk van zowel verkeersveilige, sociaal veilige, als comfortabele verbindingen moeten worden gerealiseerd.

De groei van de mobiliteit mag niet ten koste gaan van de kwaliteit van de leefomgeving. Eén van de ambities van de provincie is dan ook het duurzaam verbeteren van de omgevingskwaliteit in Zuid-Holland door het oplossen van de belangrijkste knelpunten in de omgevingskwaliteit (te hoge uitstoot van vervuilende stoffen, geluidsoverlast en ruimtelijke versnippering) en het voorkomen van nieuwe knelpunten.

Onderzoeksresultaten

De ontwikkeling van een ontsluitingsweg voor de woongebieden Poelgeest en Trekvaartplein draagt bij aan de bereikbaarheid met inachtneming van de kwaliteit van de leefomgeving. De ontsluiting biedt kansen voor het openbaar vervoer en draagt bij aan de doelstelling om verbindingen voor langzaam verkeer te realiseren. Onderhavig bestemmingsplan geeft invulling aan de doelstellingen uit het Provinciaal Verkeer- en Vervoerplan 2002 – 2020.

4.7.1.2 Fietsplan Provincie Zuid-Holland 2016-2025 "Samen verder fietsen"

In samenwerking met mede-overheden, belangenorganisaties, kennisinstellingen, bedrijven en inwoners van Zuid-Holland heeft de provincie Zuid-Holland het Fietsplan Provincie Zuid-Holland 2016-2025 “Samen verder fietsen” in februari 2016 opgesteld. In dit beleid komen de volgende ambities naar voren: vaker en verder fietsen, fietsveiligheid en innovatieve en energieneutrale fietspaden. Deze ambities zijn ondergebracht in de onderstaande speerpunten:

  • 1. Optimalisatie fietsnetwerken
  • 2. Fiets in de keten
  • 3. Innovatie, energieneutrale fietspaden.

Onderzoeksresultaten

De brug Poelgeest geeft invulling aan het provinciale fietsbeleid door het regionale fietsnetwerk uit te breiden. Hierdoor worden de regionale fietsroutes Noordwijk/Teylingen/Warmond/ Poelgeest met BioSciencePark en CS geoptimaliseerd en het fietsverkeer gestimuleerd (vaker en verder fietsen).

4.7.1.3 Regionaal verkeers- en vervoersplan (RVVP)

Het Samenwerkingsorgaan Duin- en Bollenstreek en het Samenwerkingsorgaan Verkeer en Vervoer Leidse Regio hebben in samenwerking met de provincie Zuid-Holland het Regionaal Verkeers- en Vervoersplan Leidse Regio en Duin- en Bollenstreek (RVVP) (27 juni 2002) op laten stellen. Het RVVP bestaat uit een samenhangend programma van afspraken voor het thema verkeer en vervoer voor de periode tot 2010 met een doorkijk naar de periode daarna tot 2020.

De samenwerkende regio's hebben de ambitie om een goed woon- en leefklimaat voor bewoners en een goed vestigingsklimaat voor bedrijven te creëren. Gestreefd wordt naar een natuurlijke samenhang tussen de ruimtelijke functies en de vervoersnetwerken. Alle locaties zijn gezien de aard en omvang van de functies bereikbaar, waarbij de directe omgeving leefbaar blijft. Om de regio bereikbaar en leefbaar te houden wordt gestreefd naar het verkrijgen van een goed verkeers- en vervoerssysteem.

De strategie uit het RVVP is onderverdeeld in vier aandachtsvelden: mobiliteit en ruimte, bereikbaarheid, leefbaarheid en bestuur, organisatie en financiën. Deze aandachtsvelden zijn verder uitgewerkt in maatregelen.

Het RVVP is onder anderen uitgewerkt in het uitvoeringsprogramma Fiets Holland Rijnland (28 november 2013). De brug Poelgeest is benoemd onder knelpunt Kikkerpolder (U22). Hierin wordt aangegeven dat de verbetering van de regionale routes Noordwijk/Teylingen/Warmond/ Poelgeest met BioSciencePark en CS afhankelijk is van de realisatie brug Poelgeest. De brug Poelgeest wordt aangemerkt als groot regionaal belang.

Onderzoeksresultaten

Door realisatie van de nieuwe wegverbinding ontstaat een robuuster netwerk dat voor meerdere vervoerwijzen de bereikbaarheid in het gebied versterkt. De nieuwe fietsverbinding geeft invulling aan het uitvoeringsprogramma Fiets Holland Rijnland, door een oplossing te bieden voor het knelpunt Kikkerpolder (U22).

4.7.1.4 Mobiliteitsnota Leiden 2015-2020

De Mobiliteitsnota 2015-2020 legt het verkeers- en vervoersbeleid van de gemeente Leiden vast. De nota benoemt de ambities die Leiden op het vlak van mobiliteit heeft, en benoemt maatregelen om deze ambities te realiseren. Hier zijn nieuwe maatregelen bij, maar ook veel maatregelen waarover de afgelopen jaren al besluitvorming heeft plaatsgevonden. Ook de laatste zijn in deze nota opgenomen, want een belangrijk doel van de nota is overzicht te bieden over het gehele mobiliteitsbeleid van de gemeente. De looptijd van de Mobiliteitsnota is van 2015 tot en met 2022. Deze periode komt overeen met de Investeringsagenda Infrastructuur waar Leiden ook aan werkt. In de Investeringsagenda worden de middelen belegd voor infrastructuurprojecten.

In deze Mobiliteitsnota zijn zeven ambities verwoord:

  • 1. versterken van de hoofdontsluitingsstructuur;
  • 2. bereikbaarheid en omgevingskwaliteit in balans brengen;
  • 3. stimuleren van langzaam verkeer;
  • 4. stimuleren van OV-gebruik;
  • 5. bijdragen aan duurzaamheid en aan minder milieuhinder;
  • 6. werken aan een gastvrij Leiden;
  • 7. moderne technologie meer inzetten ten behoeve van verkeer en vervoer.

Met deze ambities wil de gemeente bijdragen aan het bovenliggende doel die ook in de Verkenning LAB071 is gebruikt: De Leidse agglomeratie wil een regio zijn van internationale kennis, historische cultuur, met een prettige en hoogwaardige woonomgeving, die goed bereikbaar is.

Leiden zal een aantal belangrijke maatregelen nemen ter verbetering van de structuur van het wegennet. De basis hiervoor is een ring die dé hoofdontsluitingsstructuur van Leiden en de Leidse agglomeratie vormt.

Met de Leidse Ring als basis is in deze nota een keuze gemaakt welke wegen de gemeente ziet als wegen met een ontsluitende functie, en welke wegen gelden als verblijfsgebieden. Hiertoe is gebruik gemaakt van de wegencategorieën conform het programma Duurzaam Veilig: stroomwegen, gebiedsontsluitingswegen en erftoegangswegen. Leiden voegt hier één categorie aan toe, namelijk wijkontsluitingswegen. Het gaat daarbij om wegen waar de verblijfsfunctie belangrijk is, maar het verkeeraanbod zodanig is en blijft, dat hier ook de verkeersfunctie op een verantwoorde wijze moet worden geborgd. Deze wijkontsluitingswegen liggen vooral in en rond de binnenstad. Uit de resulterende kaart die de gehele ontsluitingsstructuur van Leiden weergeeft, volgen opgaven voor weginrichtingen.

De nota bevat ook maatregelen op het gebied van duurzaamheid en leefbaarheid. Voor leefbaarheid is de introductie van de Leidse Ring al een positieve ontwikkeling: bundelen op de Leidse Ring betekent dat andere wegen minder verkeer te verwerken krijgen en op de Leidse Ring zijn extra maatregelen mogelijk om de gevolgen voor de leefbaarheid te beperken. Voor duurzaamheid is het belangrijk meer gebruik te maken van duurzame vormen van transport. Vooral het bevorderen van het gebruik van de fiets en het OV dragen hieraan bij. De nota noemt ook andere maatregelen op het gebied van duurzaamheid, zoals stedelijke distributie en het toepassen van mobiliteitsmanagement.

Voor de fiets wordt het staande beleid uit de Nota Herijking Fietsroutes Leiden 2013-2020 doorgezet, met daarbij een aantal aanvullingen. Voor meer fietsgebruik is het vooral belangrijk dat de fietser beschikt over snelle en directe routes. Daar worden projecten voor uitgevoerd, voor een deel tussen Leiden en andere gemeenten, voor een deel binnen Leiden zelf. Ook komen er extra inspanningen op het gebied van fietsparkeren.

Onderzoeksresultaten

De ontwikkeling uit onderhavig bestemmingsplan geeft invulling aan meerdere ambities zoals verwoord in de Mobiliteitsnota Leiden 2015 - 2020. Door de nieuwe wegverbinding tussen Oegstgeesterweg en Hugo de Vrieslaan ontstaat een extra schakel in het wegennetwerk. Voor de woongebieden Poelgeest en Trekvaartplein, aan de oostzijde van de Haarlemmertrekvaart, ontstaat een directe verbinding met de stedelijke hoofdwegenstructuur.
De verkeersintensiteit op de huidige ontsluitingsroute van Poelgeest via Hugo de Vrieslaan, Lange Voort, neemt in de toekomstige situatie af. Door de betere spreiding van het verkeer verbetert de omgevingskwaliteit in de genoemde woongebieden.
De regionale en lokale fietsroutes Noordwijk/Teylingen/Warmond/ Poelgeest met BioSciencePark en CS worden door de nieuwe fietsverbinding verbeterd en stimuleert het langzaam verkeer. Daarnaast biedt de nieuwe verbinding kansen voor het uitbreiden van het openbaar vervoer in de woongebieden Poelgeest en Trekvaartplein. Onderhavig bestemmingsplan is hiermee in lijn met de doelstellingen uit de Mobiliteitsnota Leiden 2015-2020.

4.7.1.5 Nota herijking fietsroutes Leiden 2013-2020

De Nota herijking fietsroutes Leiden 2013-2020 kent de ambitie om 10% meer fietsgebruik in de Leidse regio te faciliteren door een verbeterd fietsnetwerk. Om bovenstaande ambitie te behalen worden in deze nota de volgende beleidskeuzes op hoofdlijnen vastgesteld:

  • Vaststellen van een nieuw hoofdfietsroutenetwerk, gebaseerd op regionale hoofdroutes en stedelijke hoofdroutes;
  • Vaststellen van prioritering voor uitvoering van het fietsbeleid, waarbij op basis van potentie een volgorde in de regionale corridors wordt vastgesteld;
  • Per corridor wordt ingezet op:
    • 1. realisatie van ontbrekende schakels in het hoofdroutenetwerk;
    • 2. aanpak van overige knelpunten binnen de regionale corridor, die aan de doelstelling bijdragen;
  • Ter ondersteuning van de groeiambitie voor het regionale fietsgebruik wordt flankerend beleid uitgevoerd op gebied van fietsparkeren, bewegwijzering, promotie en aantakking op het recreatief fietsnetwerk;
  • Binnenstedelijk worden knelpunten op het gebied van fietsveiligheid en doorstroming bij verkeerslichten met prioriteit opgepakt

Onderzoeksresultaten

Door de nieuwe fietsverbinding tussen Oegstgeesterweg en Hugo de Vrieslaan wordt een ontbrekende schakel in het hoofdfietsroutenetwerk toegevoegd. De brug Poelgeest maakt onderdeel uit van de regionale corridor Noordwijk/Teylingen/Warmond/ Poelgeest met BioSciencePark en CS. Onderhavig bestemmingsplan geeft daarmee invulling aan de beleidskeuze die zijn vastgesteld in de Nota herijking fietsroutes Leiden 2013-2020.

4.7.1.6 Voorbereidingsbesluit Groene recreatieve routes (Leiden, 2013)

In dit besluit is opgenomen dat in verband met de verdere ontsluiting van de groengebieden rond Leiden de groene recreatie Biodiversiteitsroute naar het Plassengebied via de Brug Poelgeest geprioriteerd moet worden.

Onderzoeksresultaten

Onderhavig bestemmingsplan maakt de brug Poelgeest inclusief fietsvoorziening mogelijk, waardoor invulling gegeven kan worden aan het Voorbereidingsbesluit Groene recreatieve routes.

4.7.1.7 Mobiliteitsplan Oegstgeest (2017-2027)

Het Mobiliteitsplan Oegstgeest 2017-2027 beschrijft het beleid van de gemeente Oegstgeest op het gebied van mobiliteit. Oegstgeest heeft de volgende doelstellingen:

  • Verkeersveilig, niet alleen objectief, maar vooral subjectief: het gevoel dat Oegstgeest een verkeerveilige omgeving is. Dit wordt bereikt door het principe 'Duurzaam veilig' te hanteren voor het categoriseren van wegen en een bijpassende vormgeving van het wegennet te realiseren.
  • Bereikbaar: woon-, werk- en winkellocaties dienen voor (vracht)auto en fiets snel en betrouwbaar te bereiken zijn. De hoofdstructuren voor fiets, auto en bus zijn goed bereikbaar, aantrekkelijk en stromen goed door. Duurzame mobiliteit is belangrijk en daarom is het OV goed toegerust.
  • Leefbaar: de fiets en de duurzame vervoerwijzen moeten we stimuleren en faciliteren.

Als de drie hoofddoelen conflicteren worden de volgende belangrijke uitgangspunten gehanteerd:

  • 1. De bestaande hoofdstructuur behouden en kruispunten op de hoofdstructuur zo inrichten dat de verkeersveiligheid verbetert.
  • 2. Vormgeving van wegen aanpassen aan hun functie conform het principe 'Duurzaam veilig'en het fietsnetwerk optimaliseren.
  • 3. Openbaar vervoer afstemmen op twee hoofddoelgroepen: verbindend OV via de snelle routes op hoofdwegen laten rijden en een systeem faciliteren voor mensen met een mobiliteitsbeperking.
  • 4. In bestaande woonbuurten met een parkeerdruk tot 95% een afstand van 100 m van de parkeerplek tot de woning accepteren. Bij een parkeerdruk gelijk aan of hoger dan 95% een afstand van 150 m accepteren. Een stelsel van parkeernomen opstellen voor nieuwe ontwikkelingen en geen parkeermaatregelen nemen met uitzondering van blauwe zones bij winkelcentra.

Onderzoeksresultaten

Onderhavig bestemmingsplan maakt de brug Poelgeest inclusief fietsvoorziening mogelijk, waardoor invulling gegeven kan worden de drie doelstellingen (verkeersveiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid).

De Oegstgeesterweg maakt onderdeel uit van de route Leidse Ring Noord-A44 en wordt daarmee gezien als lokale hoofdweg van Oegstgeest (zie figuur 2.2) en is ook regionaal van belang. Deze weg verbindt de Leidse ring met de A44. De realisatie van de brug vanuit Poelgeest richting de Oegstgeesterweg zorgt voor versterking van een eenduidige ontsluitingsstructuur op het wegennet. Belangrijk is dat deze verbinding de mogelijkheid biedt voor het compleet maken van het fietsnetwerk (ontbrekende schakel). Samengevat biedt deze nieuwe verbinding (via een brug aan de zuidzijde van de wijk Poelgeest) een verbetering voor de volgende aspecten:

  • De bereikbaarheid van de wijk Poelgeest verbetert ten opzichte van de hoofdstructuur.
  • Een ontbrekende schakel in het fietsnetwerk wordt weggenomen, wat het fietsgebruik zal stimuleren.
  • De overlast vanwege omrijden en het aantal drempels vermindert sterk.
  • Er is een mogelijkheid om een buslijn via Poelgeest te leiden.
  • Er rijdt ongeveer een derde minder verkeer op de Lange Voort.
  • De sluiproute via de Cornelis van Steenishof kan verdwijnen.
  • Tweede wijkontsluiting in verband met calamiteiten en onderhoud.

4.7.2 Verkeerskundige effecten

Door de realisatie van de brug Poelgeest ontstaat een nieuwe schakel in het wegennetwerk. Hierdoor zijn op het gebied van verkeer en vervoer effecten te verwachten. Adviesbureau Megaborn / 4cast heeft in het adviesrapport 'Verkeers- en bereikbaarheidsonderzoek brug Poelgeest' (13 juli 2016) de effecten van de nieuwe wegverbinding op de bereikbaarheid van Poelgeest en omgeving in beeld gebracht. Deze rapportage is opgenomen in bijlage 11.

Uit het eerder genoemde adviesrapport blijkt dat door de realisatie van de nieuwe wegverbinding een verschuiving van de verkeersstromen plaatsvindt. De verkeersintensiteit op de huidige ontsluitingswegen (Hugo de Vrieslaan, Lange Voort) neemt daardoor aanzienlijk af, ondanks de autonome groei van het wegverkeer. Circa 5.700 voertuigen (etmaalintensiteit) worden verwacht op de nieuwe brug.

Door realisatie van de brug ontstaat een robuuster netwerk dat voor meerdere vervoerwijzen de bereikbaarheid in het gebied versterkt. De brug fungeert voor het autoverkeer als belangrijkste ontsluitingsweg voor de wijk Poelgeest. Hierdoor wordt de bestaande ontsluitingsroute via de Lange Voort sterk ontlast. Daarnaast profiteert het fietsverkeer van de brug doordat er ontbrekende schakel in het fietsnetwerk wordt gedicht. De brug biedt tevens de mogelijkheid voor realisatie van een directe busverbinding waardoor de openbaar vervoer voorziening voor de wijk Poelgeest sterk verbetert.

De verandering van routekeuzes als gevolg van realisatie van de brug Poelgeest lijken voornamelijk van lokale aard. Een deel van het verkeer zal, afhankelijk voor de oriëntatie richting de stadspoorten, een andere route kunnen kiezen (zoals de route Oegstgeesterweg-Schipholweg-Plesmanlaan-knoop Leiden West). Verwacht wordt dat de verkeersdruk op de corridor Laan van Oud Poelgeest- Abtspoelweg daalt als gevolg van de realisatie van de brug.

Analyse van de rijroutes leert dat het doorgaande verkeer (Abtspoelweg met een oriëntatie richting de Willem de Zwijgerlaan/Schipholweg) zich zal blijven afwikkelen via de hoofdstructuur van het Leidse wegennetwerk (Laan van Oud Poelgeest-Oegstgeesterweg) in een situatie met brug Poelgeest.

Tevens is een analyse van het sluipverkeer opgenomen. Verkeer ondervindt vertraging als gevolg van drukte waardoor de rijsnelheid beperkt wordt. Hierdoor kan het gebruik van alternatieve routes (waar sprake is van minder vertraging) optreden. In de analyse is gekeken naar het verkeer op de relatie Leebrug, Willem de Zwijgerlaan/Schipholweg. Dit verkeer kent in de route via de Lange Voort-brug Poelgeest een mogelijk alternatief.

Uit de modelberekening volgt dat de reistijd in de spitsperiode via de alternatieve route Lange Voort - brug Poelgeest ruim 40% langer is dan via de hoofdroute Laan van Oud Poelgeest –Oegstgeesterweg. In deze berekening zijn naast de lengte en de rijsnelheden in de spitsperioden van beide routes ook de ondervonden vertragingen op de kruispunten meegenomen.

4.7.3 Conclusie

Uit het adviesrapport volgt dat het nieuwe brugtracé positief bijdraagt aan de verkeersafwikkeling en bereikbaarheid voor gemotoriseerd verkeer, langzaam verkeer en openbaar vervoer.

4.8 Water

4.8.1 Beleidskader

Waterbeheerplan 5 (2016)

Voor de planperiode 2016-2021 zal het Waterbeheerplan 5 (WBP5) van het hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft het hoogheemraadschap van Rijnland aan wat zijn ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. In het WBP5 staat samen werken met de omgeving aan water centraal. Het hoogheemraadschap van Rijnland wil samen met zijn omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer. De vier hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water, gezond water en de waterketen.

Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen.

Bij voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil het hoogheemraadschap van Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. Gezond water is de zorgplicht om het water schoon zoals past bij de functie van het water te houden. Wat betreft de waterketen, zijnde afvalwater, wordt dit optimaal gezuiverd en onttrokken grondstoffen worden hergebruikt.

Keur en uitvoeringsregels

Per 1 juli 2015 is een nieuwe Keur en de daarbij horende uitvoeringsregels in werking getreden. De Keur dient tevens ter invulling van deze doelstellingen, te weten: voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Samengevat maken de Keur en uitvoeringsregels het mogelijk dat het hoogheemraadschap van Rijnland zijn taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken) en andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).

De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als het hoogheemraadschap van Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Keurvergunning. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland nader uitgewerkt.

Waterkeringen

Het hoogheemraadschap van Rijnland heeft de zorg voor de waterkeringen (zowel primaire als secundaire) en de instandhouding van de landscheidingen met de aangrenzende waterschappen.

Verharding onbebouwde gronden

Binnen het beheergebied van het hoogheemraadschap van Rijnland gelden strenge regels om onbebouwde grond te verharden. Bij toename van verharding van de onbebouwde gronden met meer dan 500m2 is compensatie van verharding doormiddel van extra te graven vierkante meters water verplicht. Hiervoor geldt een realisatie- en meldingsplicht als ontheffing van de Keur en uitvoeringsregels van het hoogheemraadschap van Rijnland. De eigenaar van de gronden dient toename van de verharding en de realisatie van extra water te melden bij het hoogheemraadschap van Rijnland. Bij toename van verharding van om onbebouwde grond met meer dan 5.000m2 dient de eigenaar een vergunning aan te vragen bij het hoogheemraadschap van Rijnland.

Waterplan Leiden (2006)

Het waterplan Leiden is opgesteld door de gemeente Leiden en het Hoogheemraadschap van Rijnland. Met het waterplan wordt beoogd om met de partners voor het waterbeheer een visie op integraal waterbeheer in Leiden uit te werken en gezamenlijk beleid te ontwikkelen. Aan de hand van de visie worden projecten gerealiseerd die zich richten op een duurzaam watersysteem voor Leiden, waarbij het beleid, de maatregelen en het beheer tussen de verschillende waterbeherende overheden zowel bestuurlijk als technisch goed op elkaar zijn afgestemd.

Handreiking Watertoets

Om te kunnen borgen dat gemeenten bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen of het verlenen van omgevingsvergunningen ter afwijking van een bestemmingsplan worden gehouden aan de regels uit de Keur, is in artikel 3.1.1 Bro de verplichting opgenomen voor gemeenten om nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen ter toetsing aan het waterschap voor te leggen. Deze toets wordt ook wel de 'watertoets' genoemd. De Handreiking Watertoets, die in december 2011 door het hoogheemraadschap is vastgesteld, bevat richtlijnen over de waterparagraaf in ruimtelijke besluiten en de manier waarop deze wordt getoetst door het waterschap.

4.8.2 Onderzoeksresultaten
4.8.2.1 Algemeen

Water en ruimtelijke ordening

Het aanwezige watersysteem vormt een belangrijke randvoorwaarde voor wat in een bepaald gebied wel of juist niet mogelijk is en stelt daarmee eisen aan de omgang en inrichting van de beperkte ruimte. Het is inmiddels voor iedereen duidelijk dat het watersysteem meer ruimte nodig heeft om de effecten van klimaatverandering, zeespiegelrijzing en bodemdaling het hoofd te kunnen bieden. Een goede afstemming tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening is daarom noodzakelijk.

Extra aandacht voor water in ruimtelijke plannen in een vroeg stadium van de planvorming is blijvend vereist met het oog op de toekomst en het naleven en uitvoering van de Watertoets, de Kaderrichtlijn Water (KRW), Waterplan Leiden en eisen vanuit waterbeheer.

4.8.2.2 Watertoets

Vooroverleg

In het kader van de Watertoets is het plan in het regulier overleg besproken met het hoogheemraadschap van Rijnland.

Huidige situatie

Algemeen

Het plangebied ligt in de gemeenten Leiden en Oegstgeest en is vrijwel volledig onverhard. Het plangebied is niet gekarteerd. Ten noordoosten van het plangebied bestaat de bodem uit klei met zware tussenlaag of ondergrond. Er is sprake van grondwatertrap III. Dat wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand minder dan 0,4 m onder maaiveld ligt en dat de gemiddeld laagste grondwaterstand varieert tussen 0,8 m en 1,2 m onder maaiveld.

Waterkwantiteit

De Haarlemmertrekvaart van Leiden naar Haarlem loopt door het plangebied. Dit is een primaire watergang met een beschermingszone van 5 m. Binnen deze beschermingszones gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om onderhoud aan de watergangen mogelijk te houden.

Veiligheid en waterkeringen

Het plangebied ligt binnen de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering. Binnen deze zones gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast.

Toekomstige situatie

Algemeen

De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een brug over de Haarlemmertrekvaart, inclusief een aansluitende weg.

Waterkwantiteit

Toename in verharding dient gecompenseerd te worden. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer dienen watercompenserende maatregelen getroffen te worden. De extra verharding bestaat uit 3 delen (1.295 m2 in Polder Leiden, 249 m2 Boezempeil en 1.746 m2 Broek- en Simontjespolder) en bedraagt in totaal 3.290 m2. De compensatie eis bedraagt minimaal 15% van het totale oppervlak aan verharding, in dit geval dus minimaal 493 m2.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Veiligheid en waterkeringen

Constructies in, op of nabij een waterkering vormen een potentieel gevaar voor de primaire functie van de waterkering. Niet alleen kan bebouwing het waterkerend vermogen negatief beïnvloeden, ook kan het toekomstige dijkverzwaring in de weg staan. Het waterkerend vermogen van een dijk wordt bepaald door de kruinhoogte, de fundering, alsmede de stabiliteit en de waterdichtheid van het beklede dijklichaam. De aanwezigheid van bebouwing kan de faalmechanismen en daarmee het waterkerend vermogen negatief beïnvloeden. Het hoogheemraadschap heeft daarom bouwactiviteiten in de waterkering in haar Keur in beginsel verboden. Indien activiteiten plaatsvinden die in strijd zijn met het belang van de kering (bijvoorbeeld bouwwerken, kabels en leidingen, verhardingen, beplantingen, etc.) moet een watervergunning op basis van de Keur aangevraagd worden bij het hoogheemraadschap van Rijnland. Omdat het waterkeringsbelang niet het enige belang is en bouwwerken in sommige gevallen verenigbaar zijn met een veilige waterkering, kan het hoogheemraadschap via een vergunning ontheffing verlenen van dit verbod.

Omdat het plangebied binnen de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering ligt is een vergunning op basis van de Keur noodzakelijk. Het brugtracé bevat onder meer een onderdoorgang voor langzaamverkeer ter plaatse van de Haarlemmerweg in Leiden. De waterkerende functie zal ter plaatse door middel van damwanden worden gewaarborgd.

Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater

Voor de behandeling van hemelwater wijst het hoogheemraadschap van Rijnland op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven 'end-of-pipe' maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen. Door bijvoorbeeld:

  • duurzaam bouwen;
  • het toepassen van berm- of bodempassage;
  • toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen;
  • het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand-slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel;
  • adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen);
  • het toepassen van duurzaam onkruidbeheer;
  • de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan;
  • het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.

Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of – als laatste keus – aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het waterschap kiezen voor een generieke 'end-of-pipe'-aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP.

Water en Waterstaat in het bestemmingsplan

In het bestemmingsplan wordt het structurele bestaande oppervlaktewater in het plangebied bestemd als 'Water'. Voor waterkeringen (kernzone) inclusief de beschermingszones geldt een zogenaamde dubbelbestemming, deze hebben de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' toebedeeld gekregen.

4.8.3 Conclusie

Het plangebied ligt binnen de (kern-) en beschermingszone van een regionale waterkering. Daarnaast neemt verharding toe met meer dan 500 m² waardoor watercompenserende maatregelen nodig zijn. Binnen de betreffende peilgebieden zijn voldoende mogelijkheden om de watercompensatie uit te voeren. In nader overleg met het hoogheemraadschap wordt dit uitgewerkt. Als gevolg van deze onderdoorgang voor langzaam verkeer ter plaatse van de Haarlemmerweg zal de waterkerende functie aldaar door middel van damwanden worden gewaarborgd.

4.9 Lichthinder

4.9.1 Toetsingskader

In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan of bij het nemen van een ander ruimtelijk besluit dient zorgvuldig onderzocht te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij woningen van omwonenden. Deze onderzoeksplicht omvat ook de lichthinder die omwonenden kunnen ondervinden als gevolg van koplampen van voertuigen. Onderzocht moet worden in welke mate omwonenden lichthinder kunnen ondervinden en of die mate van lichthinder aanvaardbaar is. Als dat niet het geval is, dienen er in beginsel maatregelen genomen te worden.

“Harde” c.q. wettelijke normen die bepalen welke mate van lichthinder aanvaardbaar is, zijn in geval van koplampen van voertuigen niet aanwezig. Wel zijn er de richtlijnen van de NSVV betreffende lichthinder. Ook deze richtlijnen zijn geen wetgeving, maar de toepassing van die richtlijnen is in specifieke gevallen in de rechtspraak geaccepteerd. Hierbij moet worden opgemerkt dat de richtlijnen van de NSVV geen betrekking hebben op lichthinder door koplampen van voertuigen.

Om de mate van lichthinder te toetsen wordt gebruik gemaakt van de eerder genoemde richtlijnen van de NSVV ten aanzien van lichthinder. Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor verlichtingsinstallaties aangaande sportveldverlichting en aanlichting van gebouwen, die vanwege de gebruikte methoden bruikbaar wordt geacht om uitspraken te doen over hinder als gevolg van koplampen van voertuigen.

4.9.2 Onderzoeksresultaten

Adviesbureau Tauw heeft een onderzoek uitgevoerd naar lichthinder als gevolg van de realisatie van het brugtracé (zie bijlage 12 ). Uit dit onderzoek volgt dat op een aantal locaties de normstelling wordt overschreden. In de uitwerking van het verkeerskundig ontwerp zal rekening worden gehouden met maatregelen om de lichtinval van koplampen tegen de gevels evenals het zicht op de koplampen zoveel mogelijk te voorkomen.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de bestaande situatie en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied juridisch zijn vertaald.

Het juridische deel van een bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en de regels.

De regels bevatten regels voor het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.

De verbeelding heeft de juridische functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch gezien ook geen deel uit van het bestemmingsplan maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

Het doel van voorliggend bestemmingsplan is het opstellen van een eenduidige en uniforme juridische regeling voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing binnen het plangebied. Normaliter stellen gemeenten bestemmingsplannen op voor het eigen gemeentelijk grondgebied. Vanwege de overschrijding van de gemeentegrenzen van Leiden en Oegstgeest in onderhavig bestemmingsplan stellen beide gemeenten gezamenlijk één bestemmingsplan op, dat door beide gemeenteraden wordt vastgesteld.

5.2 Opzet en volgorde van de regels

De regels van bestemmingsplan zijn op de volgende wijze opgebouwd.

Hoofdstuk 1

Artikel 1 en 2 Inleidende regels:

  • Begrippen
  • Wijze van meten

Hoofdstuk 2

Artikel 3 t/m 7 Bestemmingsregels:

  • Groen
  • Verkeer
  • Water
  • Waarde - Archeologie
  • Waterstaat - Waterkering

Hoofdstuk 3

Artikel 8 t/m 14 Algemene regels:

  • Anti-dubbeltelregel
  • Algemene bouwregels
  • Algemene gebruiksregels
  • Algemene aanduidingsregels
  • Algemene afwijkingsregels
  • Algemene wijzigingsregels
  • Overige regels

Hoofdstuk 4

Artikel 15 en 16 Overgangs- en slotregels:

  • Overgangsrecht
  • Slotregel

5.3 Uitleg van de regels

5.3.1 Inleiding

Normaliter stellen gemeenten bestemmingsplannen op voor het eigen gemeentelijk grondgebied. Vanwege de overschrijding van de gemeentegrenzen van Leiden en Oegstgeest in onderhavig bestemmingsplan stellen beide gemeenten gezamenlijk één bestemmingsplan op, dat door beide gemeenteraden wordt vastgesteld. De verbeelding van het totale plan is als bijlage 13 bij de toelichting opgenomen.

Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Daarnaast is voor het bestemmingsplan aangesloten bij de landelijke standaard voor bestemmingsplannen: de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012).

5.3.2 Inleidende regels

Begripsbepalingen (artikel 1)

In de begripsbepaling worden begrippen waar nodig beschreven om zodoende interpretatieproblemen te voorkomen. Veelal worden begrippen gedefinieerd die in de voorschriften worden gebruikt en daar een bijzondere betekenis hebben, die afwijkt van of niet dan wel niet vaak voorkomt in het “normale” spraakgebruik. Wanneer een begrip niet opgenomen is in de begripsomschrijvingen/-bepalingen en er ontstaat een interpretatieprobleem dan is het normale spraakgebruik richtinggevend. De begripsomschrijvingen/-bepalingen zijn niet uitputtend bedoeld. De belangrijkste en/of onduidelijke begrippen zijn opgenomen in dit artikel.

Wijze van meten (artikel 2)

De wijze van meten beschrijft hoe de genoemde maatvoeringen in de diverse bestemmingsbepalingen gemeten dienen te worden.

5.3.3 Bestemmingsregels

Artikel 3 Groen

De bestemming 'Groen' omvat groenvoorzieningen (zoals groen, bermen en beplanting), voet- en fietspaden met de daarbij behorende voorzieningen, lichtwerende voorzieningen, in- en uitritten en perceelsontsluitingswegen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden opgericht. De hoogte van erf- en terreinafscheidingen en lichtwerende voorzieningen mag niet meer bedragen dan 1 m en de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.

Artikel 4 Verkeer

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor gemotoriseerd verkeer en voet- en fietspaden, met de daarbij behorende voorzieningen (zoals bruggen, parkeerplaatsen, lichtwerende voorzieningen en straatmeubilair), groenvoorzieningen (zoals groen, bermen en beplanting), water en waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen en ter plaatse van de aanduiding 'onderdoorgang': tevens een onderdoorgang voor voet- en fietspaden.

Voor de brug geldt een minimale doorvaarthoogte van 2,20 meter die in de planregels is geborgd. Ten behoeve van de onderdoorgang voor voet- en fietspaden geldt dat de hoogte van de onderdoorgang ten minste 2,20 meter moet bedragen. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen, brugleuningen en lichtwerende voorzieningen mag niet meer bedragen dan 1 m en de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.

Artikel 5 Water

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen en kunstobjecten.

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden opgericht. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2 m.

Artikel 6 Waarde - Archeologie 5

Via de regels in het bestemmingsplan is het mogelijk gemaakt om de waardevolle delen van het bodemarchief te behouden, bij voorkeur in de bodem zelf en als dit niet mogelijk is door archeologisch onderzoek uit te voeren. Op de verbeelding is weergegeven voor welke delen van het plangebied deze beschermende maatregelen gelden.

Getracht is een verantwoorde balans te vinden tussen enerzijds de wetenschappelijke en cultuurhistorische belangen en anderzijds de maatschappelijke en organisatorische uitvoerbaarheid. Ondanks de toegenomen inspanningen is het een illusie elk overblijfsel uit het verleden te onderzoeken of te beschermen. Duidelijk mag blijken dat niet elke vierkante meter van de bodem kan worden ontzien, ook niet als daar mogelijk sporen uit het verleden in aanwezig zijn. Anderzijds is gekozen voor een verscherpte aandacht voor, en het stellen van duidelijke voorwaarden aan, ingrepen in de bodem van de archeologisch meest waardevolle delen van het grondgebied. De regels zijn daarbij zoveel mogelijk proportioneel afgestemd op de omvang van de eventuele ingreep, in combinatie met de kans dat daarbij belangwekkende en informatieve overblijfselen zullen worden aangetroffen. In verband hierbij is archeologisch onderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 4.1). Naar aanleiding van dit onderzoek is een dubbelbestemming opgenomen ter bescherming van de eventueel aanwezige archeologische waarden. Hier geldt dat een vergunningplicht geldt als dieper dan 150 cm de grond wordt geroerd.

Artikel 7 Waterstaat - Waterkering

De voor 'Waterstaat-Waterkering' aangewezen gronden zijn onder andere primair bestemd voor voorzieningen voor de directe en indirecte kering van het water, en ook de aanleg, instandhouding en/of bescherming van de waterkering.

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

5.3.4 Algemene regels

De algemene regels bevatten de volgende artikelen:

Antidubbeltelregel (artikel 8)

De antidubbeltelregel bepaalt dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft.

De antidubbeltelregel is opgenomen in het Bro met de verplichting deze over te nemen in het bestemmingsplan. De Wro bevat een algemeen verbod om de gronden en bebouwing in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken. Dit hoeft dus niet in de regels te worden opgenomen. Hetzelfde geldt voor de strafbepaling.

Algemene bouwregels (artikel 9)

In de algemene bouwregels is aangegeven dat de bestaande maten die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste of ten minste toelaatbaar worden aangehouden.

Ook bevatten deze regels een bepaling in geval van herbouw op dezelfde locatie.

Algemene gebruiksregels (artikel 10)

Deze regels zien op bepalingen rondom verboden gebruik.

Algemene aanduidingsregels (artikel 11)

Deze regels hebben betrekking op de gebiedsaanduidingen voor de landgoedzone en de molenbiotoop, waar regels zijn opgenomen ter bescherming van voornoemde belangen.

Algemene afwijkingsregels (artikel 12)

Op grond van de algemene afwijkingsregels kan afgeweken worden van het bestemmingsplan in verschillende specifieke gevallen.

Algemene wijzigingsregels (artikel 13)

In dit artikel zijn wijzigingsregels opgenomen ten behoeve van ondergeschikte overschrijdingen van bestemmingsgrenzen.

Overige regels (artikel 14)

In de overige regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor parkeren. De overige regels verwijzen verder naar andere wetgeving die relevant is voor het bouwen, zoals de bouwverordening.

5.3.5 Overgangs- en slotregels

Overgangsregels (artikel 15)

Het overgangsrecht is opgenomen in het Bro met de verplichting deze over te nemen in het bestemmingsplan.

De overgangsregels bevatten bepalingen omtrent het voortzetten van gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is.

Eenzelfde regeling is opgenomen voor bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering zijn, dan wel gebouwd kunnen worden krachtens een bouwvergunning.

Indien zo'n bouwwerk afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, het bouwwerk

  • gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

Slotregels (artikel 16)

In de slotregels worden de regels van dit bestemmingsplan aangehaald.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

In de Bestuursovereenkomst Leiden-Oegstgeest (ondertekend op 17 oktober 2006) zijn afspraken gemaakt omtrent de financiering van de brugverbinding. Deze afspraken zijn in 2016 geactualiseerd door middel van een allonge op de Bestuursovereenkomst.

Daarnaast wordt de uitvoering deels bekostigd vanuit een projectsubsidie die door de Provincie Zuid-Holland is toegekend voor het project 'Brugverbinding Poelgeest-Merenwijk'. De economische uitvoerbaarheid is hiermee gewaarborgd.

Voorts wordt opgemerkt dat een beperkt deel van de gronden zijn in eigendom van een marktpartij. Ten aanzien van de verwerving zijn gesprekken opgestart. Mocht een minnelijke oplossing niet mogelijk blijken, dan zal een onteigeningsprocedure worden gevolgd.

De brugverbinding is geen bouwwerk in de zin van de Grondexploitatiewet (onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening). Het opstellen van een exploitatieplan is derhalve niet aan de orde.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Algemeen

Een bestemmingsplan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zien. Dat wil zeggen dat de voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan zijn besproken met belanghebbenden. Het is vrijwel niet mogelijk iedereen tevreden te stemmen: bij het tegen elkaar afwegen van de diverse belangen kan het altijd mogelijk zijn dat één belang minder gewicht wordt toegekend dan het ander.

6.2.2 Inspraak en vooroverleg

Voor de realisatie van een brugtracé over de Haarlemmertrekvaart is in het recente verleden reeds een bestemmingsplan in procedure geweest. In dit kader zijn inspraakmogelijkheden geboden en is vooroverleg gevoerd. Hoewel de betreffende procedure uiteindelijk gestaakt is, worden er in het kader van het bestemmingsplan Brug Poelgeest 2017 geen nieuwe inspraak- en/of vooroverlegmogelijkheden geboden. Het beleidsvoornemen om een brugtracé over de Haarlemmertrekvaart te realiseren  is immers hetzelfde. Gelet op het voorstaande kunnen tegen het bestemmingsplan Brug Poelgeest 2017 direct zienswijzen worden ingediend door eenieder.

6.2.3 Zienswijzen

Na de inspraaktermijn wordt het voorontwerp bestemmingsplan verwerkt tot een ontwerp bestemmingsplan. Daarin worden de inspraakreacties, waar nodig, meegenomen.

Dit ontwerpbestemmingsplan zal gedurende een termijn van zes weken voor zienswijzen ter visie worden gelegd. In die termijn kan eenieder een zienswijze tegen het ontwerp indienen.

Ingediende zienswijzen zullen worden betrokken bij de uiteindelijke vaststelling van het bestemmingsplan.