direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Ontsluiting Meerburgerpolder
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0546.BP00115-0201

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op 14 februari 2002 werd de 'Overeenkomst W4' getekend namens de toenmalige ministeries van Verkeer en Waterstaat en VROM, de provincie Zuid-Holland en de gemeenten Leiden, Leiderdorp en Zoeterwoude. De overeenkomst bevat afspraken over het verbreden en het gedeeltelijk verdiept aanleggen van de rijksweg A4 ter hoogte van de drie gemeenten, en de (her)ontwikkeling en ontsluiting van een aantal projectgebieden in de nabijheid van het tracé. Het 'Masterplan W4' uit 2001 vormde de stedenbouwkundige grondlegger voor de overeenkomst, en bevatte tevens de plan-economische kosten-baten-analyse voor de ontwikkeling van de verschillende projectgebieden en de bijdragen die de drie gemeenten aan Rijkswaterstaat leveren voor de verbreding en inpassing van de A4.

Voor Zoeterwoude ziet de overeenkomst op de mogelijkheid tot ontwikkeling van de nieuwe wijk 'Verde Vista Meerburg' in de Meerburgerpolder, gelegen tussen de Hoge Rijndijk, de verdiepte A4, de spoorlijn Leiden-Utrecht en de Meerburgerwatering. In de overeenkomst zijn alle contractpartijen onder andere de inspanningsverplichting aangegaan elkaars ontwikkelingen, voor zover nodig, planologisch te faciliteren.

Verde Vista Meerburg moet voor gemotoriseerd verkeer worden ontsloten via een tweetal wegen, namelijk de Hoge Rijndijk aan de noordoostzijde van de wijk en de Willem van der Madeweg aan de noordwestzijde. De laatstbedoelde ontsluiting, die al de naam Stationssingel heeft gekregen, moet over een viaduct over de A4 komen te lopen, ter hoogte van de Fortunaweg. Het viaduct is in ruwbouw reeds gereed.

Het gebruik van het viaduct ten behoeve van een wegontsluiting is strijdig met het vigerende bestemmingsplan 'A4/Cronesteyn' uit 2013 en is evenmin planologisch mogelijk gemaakt met het daaraan voorafgaande 'Tracébesluit A4 Burgerveen-Leiden 2009' van 17 mei 2009. De verdiepte A4 en daarmee ook viaduct over de snelweg liggen op Leids grondgebied. In het kader van de 'Overeenkomst W4' is de gemeente Leiden zodoende gehouden de ontsluiting alsnog planologisch toe te staan. Dit bestemmingsplan voorziet daarin.

1.2 Begrenzing plangebied

Het plangebied omvat het viaduct van de beoogde Stationssingel over de verdiepte A4, evenals de locatie waar de Stationssingel aantakt op de Willem van der Madeweg, namelijk het bestaande kruispunt van de Willem van der Madeweg met de Fortunaweg. Eén en ander is weergegeven in figuur 1. De zuidoostelijke plangrens loopt gelijk aan de gemeentegrens tussen Leiden en Zoeterwoude, zodat het plangebied volledig binnen Leids grondgebied valt. Het Zoeterwoudse bestemmingsplan Meerburgerpolder Zuid 2014 maakt de ontsluitingsweg voor zover gelegen op Zoeterwouds grondgebied al mogelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00115-0201_0001.png"

Figuur 1: ligging van het plangebied (luchtfoto 2012).

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Op het plangebied, zoals aangegeven en toegelicht in paragraaf 1.2, is het bestemmingsplan A4/Cronesteyn van toepassing, dat is vastgesteld op 30 mei 2013 en in werking is getreden op vrijdag 13 september 2013.

In het bestemmingsplan A4/Cronesteyn hebben de gronden ter plaatse van het beoogde viaduct over de A4 de bestemming 'Verkeer - Snelweg' gekregen, waarmee daar uitsluitend wegen zijn toegestaan met een aantal rijstroken overeenkomend het Tracébesluit A4 Burgerveen-Leiden (2009). Kruisingen met de A4 zijn uitsluitend toegestaan in overeenstemming met de bestaande situatie, ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan. De Stationssingel bestond nog niet tijdens de vaststelling van het bestemmingsplan A4/Cronesteyn, zodat de realisatie ervan in strijd is met dat plan.

Het bestaande kruispunt tussen de Willem van der Madeweg en de Fortunaweg, dat ook in het plangebied van dit bestemmingsplan valt, heeft in het vigerende bestemmingsplan A4/Cronesteyn de bestemming 'Verkeer'. Binnen die bestemming zijn wegen toegestaan met maximaal 2x1 rijstroken, tenzij anders aangegeven op bijlage 3 van het bestemmingsplan. In die bijlage is geen speciale regeling voor de Willem van der Madeweg opgenomen. De Willem van der Madeweg blijft ook een 2x1-baansweg en de Stationssingel krijgt eveneens één rijbaan in beide richtingen. In- en uitvoegstroken en opstelstroken als onderdeel van een kruispunt worden buiten beschouwing gelaten bij de bepaling van het aantal rijstroken dat een weg heeft. De aanleg en aantakking van de nieuwe Stationssingel ter plaatse van het kruispunt is dan ook niet strijdig met het bestemmingsplan, ook al leidt het project ertoe dat er op de Stationssingel en Willem van der Madeweg (deels ook buiten het plangebied) extra opstelstroken zullen worden aangelegd.

Ondanks het gegeven dat het toevoegen van opstelstroken en het aanleggen van de Stationssingel (voor zover gelegen op gronden met bestemming 'Verkeer') niet in strijd is met het bestemmingsplan, is er voor gekozen toch een deel van het kruispunt in dit nieuwe bestemmingsplan mee te nemen, om aan belanghebbenden eenduidig over te brengen dat de aanleg van de Stationssingel gepaard gaat met een herinrichting cq reconstructie van het kruispunt. Die reconstructie heeft bovendien ruimtelijke gevolgen die van belang zijn voor de milieu- en verkeerskundige uitvoerbaarheid van de aanleg van de Stationssingel over de A4.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00115-0201_0002.png"

Figuur 2: het plangebied afgebeeld op het planologisch regime.

De gronden ter plaatse van het kruispunt hebben verder de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Daarmee zijn alle werkzaamheden die zien op het verstoren van de grond over een oppervlakte van 250m2 én een diepte van 50 cm vergunningsplichtig. Voor de afgifte van de benodigde 'omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden' dient aannemelijk te zijn dat de grondwerkzaamheden geen onevenredige nadelige gevolgen hebben voor eventuele archeologische waarden. De uitvoering van het beoogde project tot aanleg van de Stationssingel ziet niet op grondverstoringen met de bovengenoemde diepte van 50 cm.

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het bestemmingsplan

2.1 Geschiedenis van het plangebied

De vorming van de Leidse en Zoeterwoudse ondergrond is in de afgelopen 6500 jaar grotendeels beïnvloed door de aanwezigheid van de Oude Rijn. De bedding van de rivier verlegde zich regelmatig, en aan weerszijden van de actieve geul werden oever- en komafzettingen van zand en klei afgezet. Door klink en oxidatie is het omliggende veenpakket geleidelijk dunner geworden, waardoor de zandige oeverafzettingen langs de rivier en daarmee verbonden kreken en geulen geleidelijk steeds hoger in het landschap kwamen te liggen. Deze hoger gelegen gebieden vormden in het verleden een geschikte plaats voor bewoning.

De omgeving van het plangebied maakte deel uit van zo'n hoger gelegen oeverwal, waarop de Oude Rijn bij hoog water zand en klei afzette. Het plangebied lag daarom al voor de latere kunstmatige ophoging in het kader van de aanleg van de rijksweg A4 iets hoger dan het ten zuiden gelegen gebied. Ondanks die relatief gunstige ligging in het landschap bestaan geen aanwijzingen dat het gebied in de vroege ijzertijd of daarvoor (tot 500 v. Chr) werd bewoond.

In de periode tussen 400 voor Christus tot de derde eeuw na Christus kreeg de omgeving van Leiden bovenlokale betekenis door de ligging van het gebied op de grens van het Romeinse Rijk. Het voormalige castellum Matilo, gelegen op ca. 450 meter ten noorden van het plangebied, vormde één van de schakels in een serie Romeinse legernederzettingen langs de Rijn. Het fort lag strategisch op het kruispunt tussen de Oude Rijn en het door de Romeinen gegraven kanaal van Corbulo, een 12 tot 14 meter brede watergang die de Rijn met de Maas verbond. Het kanaal lag vermoedelijk grotendeels ter plaatse van het huidige Rijn- en Schiekanaal, gelegen op ca. 500 meter ten noordwesten van het plangebied. Direct aan de oevers van het kanaal zijn sporen van Romeinse nederzettingen uit de periode 50-270 na Christus gevonden.

Na het verdwijnen van de Romeinen werd het aanzienlijk rustiger in de Leidse regio. Een groot aantal archeologische resten uit de late middeleeuwen (1050-1500 na Christus) laat zien dat het aantal bewoners pas in die periode weer toenam. De meeste resten zijn te vinden in de Leidse binnenstad, al zijn ook daarbuiten resten van boerenerven en kastelen gevonden. Eén daarvan is het in de 10e of 11e eeuw gebouwde houten kasteel Rodanburgh (een naam later verbasterd tot 'Roomburch'), dat in 1284 is vervangen door een stenen kasteel, en ter hoogte van de huidige Vliststraat moet hebben gestaan. Het kasteel ging verloren tijdens het Beleg van Leiden in 1574, evenals het even verderop in 1464 gestichtte klooster van het St. Margerithaconvent.

Beschikbaar kaartmateriaal vanaf de 16e-eeuw impliceert dat de omgeving van het plangebied na de afbraak van het kasteel en klooster uitsluitend een agrarisch gebruik kende, tot de aanleg van de rijksweg A4 aan het begin van de jaren '60. Ten behoeve van de aanleg van de A4 is een dijk aangelegd, nodig om de nieuwe vierbaansweg op een voldoende hoogte over de Rijn en de spoorlijn naar Utrecht te kunnen leiden. Het deel van die spoorlijn tussen Leiden en Woerden was al geopend in 1878.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00115-0201_0003.png"

Figuur 3: Fragment van een kaart van Braun en Hogenberg uit 1575, met daarop de ruïnes van de gesloopte 'Roomburch' en indicatief de locatie van het plangebied.

Direct ten zuidoosten van het plangebied werd tussen 1960 en 1975 een drietal sportvelden aangelegd voor de Zoeterwoudse voetbalvereniging VV Meerburg, die voorheen elders in Zoeterwoude was gevestigd. In 1986 werd vervolgens eerst het deel van de Willem van der Madeweg aangelegd tussen de Hoge Rijndijk en de De Heyderweg, waarna in 1989 ook werd begonnen met de aanleg van de N11 en de verbinding tussen de N11 en de Willem van der Madeweg. Park 'De Bult', ten noordwesten van het plangebied, werd eveneens in 1986 aangelegd ter plaatse van een oude vuilstort. In 2003 werd begonnen met de bouw van de nieuwe woonwijk Roomburg. In eerste instantie betrof dat alleen de realisatie van het deel ten noorden van de Octavialaan, en was het deel ten zuiden daarvan bestemd voor bedrijven.

Op 14 februari 2002, toen de plannen voor Roomburg al in ontwikkeling waren, tekenden het Rijk, de provincie en de drie W4-gemeenten de 'Overeenkomst W4', die was gestoeld op het in 2001 opgestelde 'Masterplan W4'. Het masterplan en de overeenkomst waren tot stand gekomen met het tweeledige doel de rijksweg A4 te verbreden en de gemeenten Leiden, Leiderdorp en Zoeterwoude daarnaast de mogelijkheid tot stads- en dorpsuitbreiding te bieden. Door de A4 tussen de Achthovenerweg en de Fortunaweg verdiept aan te leggen konden de milieukundige condities worden geschapen om het nog niet gebouwde deel van Roomburg en een deel van de Zoeterwoudse Meerburgerpolder te herontwikkelen tot woonwijk, terwijl de barrières van het aanvankelijke dijklichaam konden worden opgeheven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00115-0201_0004.png"

Figuur 4: Luchtfoto's van de omgeving uit 1966 (links boven), 1971 (rechts boven), 1989 (links onder) en 2011 (rechts onder).

In 2006 begon vervolgens de bouw van grondgebonden eengezinswoningen in het resterende deel van Roomburg, in plaats van de eerder beoogde bedrijven. In 2008 startte de gemeente Zoeterwoude met het verleggen van de sportvelden van VV Meerburg in westelijke richting, teneinde de ruimte vrij te spelen voor de verdere ontwikkeling van Verde Vista Meerburg, en in 2010 begonnen de werkzaamheden aan de aanleg van de tunnelbak voor de verdiepte A4.

2.2 Beschrijving van het plangebied

Het plangebied omvat het in onlangs in ruwbouw gereed gekomen viaduct over de A4, inclusief het daaronder gelegen deel van de A4, en een deel van het kruispunt van de Willem van der Madeweg en Fortunaweg, waar de nieuwe Stationssingel op aantakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00115-0201_0005.png"

Figuur 5: Het in aanbouw zijnde viaduct vanuit het zuiden in noordelijke richting (25 juni 2014)

Het viaduct heeft een lengte van ca. 70 meter en een breedte van ruim 21 meter, voldoende voor een drietal rijstroken, twee vrij liggende eenbaansfietspaden en een tweetal voetpaden. Het kruispunt tussen de Willem van der Madeweg en Fortunaweg wordt vanuit iedere zijde bediend door een voorsorteerstrook voor afslaand verkeer en een strook voor rechtuitrijdend verkeer. De Willem van der Madeweg en Fortunaweg zelf zijn tweebaanswegen met respectievelijk een 50km- en een 30km-regime. Verkeer op het kruispunt wordt in goede banen geleid door middel een verkeersregelinstallatie (VRI), waarmee ook de overstekende fiets- en voetgangersstromen worden gereguleerd.

Van de A4 is momenteel nog slechts één van beide tunnels geopend, waarin drie versmalde rijbanen in elke rijrichting zijn vrijgegeven. In de uiteindelijke situatie zal de snelweg uit drie rijbanen in elke tunnelbuis bestaan.

2.3 Planomschrijving

Zoals omschreven in paragraaf 2.2 is het viaduct over de A4, waarop de Stationssingel wordt aangelegd, in ruwbouw reeds klaar. Het bouwwerk is vergund op basis van het Tracébesluit A4 Burgerveen-Leiden. Het planologisch gebruik van het viaduct ten behoeve van wegverkeer is niet met het Tracébesluit geregeld. Daartoe dient dit bestemmingsplan.

Verde Vista Meerburg

De beoogde Stationssingel moet als primaire ontsluitingsroute gaan functioneren voor de nieuwe Zoeterwoudse wijk Verde Vista Meerburg. Die wijk kent in de definitieve situatie nog een secundaire ontsluiting aan de noordoostzijde, op de Hoge Rijndijk. Die secundaire ontsluiting is nog niet aangelegd, maar is wel al planologisch toegestaan op basis van het bestemmingsplan 'Meerburgerpolder Noord 2014'. Dat bestemmingsplan biedt ook het planologisch kader voor de ontwikkeling van de noordelijke helft van de Meerburgerpolder, waar maximaal 245 woningen zijn toegestaan. Op het westelijke deel van het plangebied is momenteel een kleine twintig woningen aanwezig en een kassencomplex. Ter plaatse van dat kassencomplex voorziet het bestemmingsplan in de mogelijkheid tot realisatie van een tuincentrum.

Ten zuidwesten van de Molentocht, een weg die samen met de beoogde Stationssingel één doorlopende straat zal vormen, zijn de bestemmingsplannen 'Sportcomplex Meerburgerpolder' en 'Meerburgerpolder Zuid 2014' van kracht. Het eerstgenoemde bestemmingsplan voorziet in een regeling voor het reeds aanwezige sportpark van VV Meerburg. Bestemmingsplan 'Meerburgerpolder Zuid 2014' staat de ontwikkeling van in totaal 57.000m2 aan programma toe, waarvan maximaal 95 woningen, 52.500m2 kantoor, 15.000m2 leisure en 2000m2 supermarkten en/of dagwinkels. Door middel van een wijzigingsbevoegdheid kan het Zoeterwoudse College de plancapaciteit ten behoeve van supermarkten en dagwinkels verdubbelen naar 4000m2. De bestemmingsplanregeling waarmee detailhandel wordt toegestaan is nog niet in werking getreden en alhoewel de vraag is of die regeling in werking zal treden, wordt ter onderbouwing van de ruimtelijke gevolgen van de beoogde ontsluiting vooralsnog uitgegaan van het in milieu- en verkeerskundig opzicht worst-case-scenario dat de volle 4000m2 detailhandel ook wordt gerealiseerd. Detailhandel genereert op basis van de verkeersgeneratiecijfers van het CROW per 100m2 bruto vloeroppervlak immers aanzienlijk meer verkeer dan dat kantoren, woningen of leisurefuncties doen.

De verschillende bouwkavels in Verde Vista Meerburg zullen allen worden aangesloten op de deels al aangelegde Stadhouderslaan, die door het midden van de nieuwe wijk loopt. Die Stadhouderslaan is op haar beurt verbonden met zowel de primaire wijkontsluiting (de Stationssingel / Molentocht) als de Hoge Rijndijk. Tussen de Meerburgerpolder en bedrijventerrein Grote Polder zal in de eindsituatie geen wegverbinding voor gemotoriseerd verkeer meer bestaan. Over het definitieve fiets- en voetpad over de Meerburgerwatering kunnen wel alarmdiensten rijden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00115-0201_0006.png"

Figuur 6: Inrichtingstekening Verde Vista Meerburg

In september 2012 is begonnen met de ontwikkeling van de eerste bouwkavel, waar op 2 juni 2014 het internationale hoofdkantoor van NEM Energy b.v. is opgeleverd. De ontwikkeling van een aantal bouwkavels ten noorden van de Molentocht is gegund aan VORM Ontwikkeling b.v., dat voornemens is gefaseerd ca. 140 woningen te realiseren. Aan de overzijde van de Molentocht is de ontwikkeling van een tweetal supermarkten en 90 appartementen beoogd. Voor de overige kavels is nog geen ontwikkelaar gecontracteerd en ook nog geen definitief programma bepaald.

Aansluiting Stationssingel op de Willem van der Madeweg

De Stationssingel / Molentocht, feitelijk één doorgaande tweebaansweg met aparte namen voor het Leidse en Zoeterwoudse deel, zal zich ter hoogte van het viaduct in noordelijke rijrichting in een voorsorteerstrook voor linksafslaand verkeer en een opstelstrook voor rechtuitrijdend- en rechtsafslaand verkeer splitsen. Verkeer over de Willem van der Madeweg uit zuidwestelijke richting biedt zich aan via een opstelstrook voor linksafslaand verkeer (richting Fortunaweg) en een tweetal stroken voor doorgaand verkeer, waarvan de rechter strook ook de mogelijkheid biedt om rechtsaf richting Stationssingel af te slaan. Vanuit het noordoosten is de Willem van der Madeweg opgedeeld in een viertal opstelstroken, waarvan één voor linksafslaand verkeer, één voor rechtsafslaand verkeer, en twee voor rechtuit rijdend verkeer. Voor de inrichting van de Fortunaweg heeft het project feitelijk geen ruimtelijke consequenties, al zal men vanaf de voorsorteerstrook voor linksafslaand verkeer voortaan ook rechtuit richting Stationssingel kunnen rijden. De onderstaande figuur toont (indicatief) de geplande reconstructie van het kruispunt en het profiel voor de Stationssingel, voor zover gelegen binnen het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00115-0201_0007.png"

Figuur 7: Indicatief kruispuntontwerp voor het kruispunt Willem van der Madeweg - Stationssingel - Fortunaweg.

In paragraaf 4.5 wordt nader op de afwikkeling en doorstroming van het verkeer over het kruispunt ingegaan. De Stationssingel / Molentocht wordt gecategoriseerd als erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 30 km/u en wordt overeenkomstig ingericht conform Duurzaam Veilig.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

3.1 Inleiding

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening kan een bestemmingsplan alleen worden vastgesteld wanneer het getuigt van 'een goede ruimtelijke ordening'. Wat al dan niet moet worden verstaan onder een goede ruimtelijke ordening wordt deels bepaald door de (wettelijke) kaders op gebieden als wateropvang, geluidhinder, luchtkwaliteit, bodemkwaliteit en parkeervoorzieningen. Daarnaast komt de gemeente als bevoegd gezag een bepaalde mate van beleidsvrijheid toe bij het formuleren van ruimtelijk beleid voor aspecten waarvoor geen wettelijke kaders van hogere overheden gelden. In dit hoofdstuk worden de van belang zijnde ruimtelijke beleidskaders behandeld en wordt kort toegelicht hoe zich het bestemmingsplan met deze beleidskaders verhoudt.

 

3.2 Nationaal beleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) heeft het Rijk haar doelen op het gebied van de ruimtelijke inrichting van Nederland geformuleerd, te weten:

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Teneinde die doelen te bereiken is vanuit het Rijk de focus op een dertiental nationale belangen gelegd. Voor zover voor de borging van die belangen ook de aansluiting van het gemeentelijke ruimtelijke instrumentarium is vereist, stelt het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) gemeenten verplicht hun plannen in overeenstemming te brengen met het rijksbeleid. In het Barro is daarom bijvoorbeeld het bieden van ruimte rondom de mainports Schiphol en de Rotterdamse havens verplicht gesteld, evenals de bescherming van de kust, de Ecologische Hoofdstructuur en de Waddenzee. In het Barro zijn geen specifieke verplichtingen van toepassing op dit bestemmingsplan.

3.2.2 Duurzame verstedelijking

De "ladder voor duurzame verstedelijking" is in de SVIR geïntroduceerd en vervolgens in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vastgelegd als procesvereiste bij het opstellen van bestemmingsplannen en andere planfiguren uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is dat nieuwe ruimtelijke en infrastructurele plannen een optimale benutting van de beperkte ruimte in stedelijke gebieden nastreven, zodat leegstand zoveel mogelijk wordt beperkt en de groene buitengebieden zoveel mogelijk intact blijven. De ladder biedt een proceskader waardoor een zorgvuldige en transparante besluitvorming is geborgd.

De ladder bestaat uit het doorlopen van de volgende drie stappen:

  • 1. er wordt in plantoelichtingen beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
  • 2. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel 1, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden in het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio, door middel van herstructurering, transformatie of anderszins, en;
  • 3. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel 2, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Voor het onderhavige bestemmingsplan geldt dat geen nieuw woningbouw- of ander bouwprogramma planologisch wordt toegestaan, maar dat een reeds toegestane ontwikkeling (Verde Vista Meerburg) efficiënter wordt ontsloten. Ook de keuze voor een ontsluitingsoplossing, in dit geval al in 2002 gemaakt, dient echter op een zodanige manier tot stand te komen, dat de principes van de ladder voor duurzame verstedelijking worden gevolgd. In dat kader kan worden gesteld dat de Stationssingel binnen bestaand stedelijk gebied wordt aangelegd, en dat door de A4 daarbij te overkluizen en aan te sluiten op een bestaand kruispunt ook zo efficiënt mogelijk met de beperkte ruimte wordt omgegaan. Met de beoogde ontsluiting worden bovendien het noordelijke deel van de Willem van der Madeweg en de Hoge Rijndijk ontlast en wordt een kortere verbinding met de A4 en N11 geboden aan de bewoners en overige gebruikers van Verde Vista Meerburg, zodat zij een kortere afstand van en naar de wijk hoeven af te leggen, met alle milieu- en verkeerskundige voordelen van dien. Het plan voldoet hiermee aan alle eigenschappen van een duurzame verstedelijking, zoals voorgeschreven in het Bro.

3.2.3 Masterplan W4 en Bestuurlijke Overeenkomst W4

In het project W4 zijn de ambities tot stads- en dorpsuitbreiding van de gemeenten Leiden, Leiderdorp en Zoeterwoude en het doel tot verbreding en inpassing van de rijksweg A4 gecombineerd, hetgeen heeft geresulteerd in een plan waarin de A4 tussen de Dwarswetering in Leiderdorp en de aansluiting op de N11 bij Zoeterwoude verdiept wordt aangelegd en over een deel van dat traject zelfs in een half open tunnelbak verdwijnt. Met de verdiepte ligging kon de barrièrewerking van het aanvankelijke dijklichaam sterk worden verminderd en door de plaatsing van geluidwerende luifels boven de snelweg ontstond de mogelijkheid tot realisatie van woningen en andere gevoelige functies in de nabijheid van de snelweg. In ruil voor deze inpassing van de snelweg dragen de drie omliggende gemeenten financieel bij aan de aanleg van de snelweg, uit de opbrengsten van de ontwikkeling van de verschillende projectgebieden.

De Bestuurlijke Overeenkomst W4, die tussen de toenmalige ministeries van Verkeer en Waterstaat en van VROM, de provincie Zuid-Holland en de gemeenten Leiden, Leiderdorp en Zoeterwoude is gesloten, verplicht alle contractpartijen tot een inspanning met betrekking tot het mogelijk maken van elkaars ontwikkelingen, uiteraard rekening houdend met bestuursrechtelijke verantwoordelijkheden. De overeenkomst regelt daarnaast de tijdige betalingen van exploitatiebijdragen van de verschillende partijen.

3.2.4 Tracébesluit A4 Burgerveen-Leiden

Op 18 mei 2009 is het Tracébesluit A4 Burgerveen-Leiden (2009) vastgesteld, dat de verbreding en verdiepte aanleg van de A4 over het bovengenoemde traject planologisch toestaat. In het kader van dat Tracébesluit zijn ook de milieukundige gevolgen van het project in kaart gebracht en beoordeeld, en zijn de nodige maatregelen op het gebied van de verkeersveiligheid, geluidsafscherming en luchtkwaliteit voorgeschreven. Alhoewel het Tracébesluit de bouw van het viaduct voor de Stationssingel mogelijk maakt, is de aanleg van de ontsluitingsweg zelf niet opgenomen in het besluit.

3.3 Provinciaal en regionaal beleid

3.3.1 Provinciale Structuurvisie 'Visie op Zuid-Holland'

Op 30 januari 2013 is de 'Visie op Zuid-Holland' vastgesteld door Provinciale Staten. De kern van de structuurvisie is het versterken van samenhang, herkenbaarheid en diversiteit in Zuid-Holland. Die aspecten dragen volgens de provincie bij aan een goede kwaliteit van leven en een sterke economische concurrentiepositie. Duurzame ontwikkeling en klimaatbestendigheid zijn belangrijke pijlers. Gestreefd wordt naar een samenhangend stedelijk en landschappelijk netwerk. Een goede bereikbaarheid en een divers aanbod van woon- en werkmilieus in een aantrekkelijk landschap met ruimte voor water, landbouw en natuur, zijn daarin kenmerkende kwaliteiten.

In de structuurvisie wordt aangegeven welke zaken de provincie Zuid-Holland van provinciaal belang vindt: een aantrekkelijk en concurrerend internationaal profiel, een duurzame en klimaatbestendige deltaprovincie, een divers en samenhangend stedelijk netwerk, een vitaal, divers en aantrekkelijk landschap en "stad en land verbonden".

3.3.2 Verordening Ruimte Provincie Zuid-Holland

In de Verordening Ruimte van de Provincie Zuid-Holland, gelijktijdig met de structuurvisie door Provinciale Staten vastgesteld, zijn de provinciale belangen uit de structuurvisie verder uitgewerkt in regels. Aan deze regels moeten alle gemeentelijke plannen voldoen, zo ook bestemmingsplannen.

De Verordening Ruimte bevat regels ten aanzien van het bouwen buiten bestaand stads- en dorpsgebied en binnen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), nationale en provinciale landschappen, rijksbufferzones, landgoedbiotopen en primaire en regionale waterkeringen. Met deze doorgaans rurale thema's heeft het project geen raakvlakken. Het plangebied en haar omgeving maken geen onderdeel uit van regionale of landelijke landschappen, liggen geheel binnen het Leidse stadsgebied en bevatten geen primaire of regionale waterkeringen.

De Verordening Ruimte bevat verder regels over nieuwe kantorenlocaties en (perifere) detailhandel, telkens gericht op het voorkomen van een ongebalanceerde verdeling van deze functies in de provincie en de vorming van een overschot van kantoor- en detailhandelruimte. In dit bestemmingsplan wordt echter geen kantoor- en detailhandelruimte bestemd.

In artikel 16 van de oude Verordening Ruimte (artikel 2.2.6 van het ontwerp van de nieuwe Verordening Ruimte) staan regels die zien op het beschermen van de vrije windvang en het zicht op traditionele windmolens. Daartoe moet in elk bestemmingsplan een molenbiotoop worden opgenomen met een straal van 400 meter rondom het middelpunt van traditionele windmolens. Binnen dat gebied gelden beperkingen met betrekking tot de maximale toegestane bouwhoogte van nieuwe bouwwerken. Het plangebied ligt echter op ruim 810 meter van de dichtstbijzijnde windmolen, namelijk de Rodenburgermolen aan de Kanaalweg. De Meerburgermolen, die voorheen aan de Meerburgerwatering stond en wél binnen 400 meter van het plangebied was gelegen, wordt op een nieuwe locatie in de Munnikenpolder in Leiderdorp geplaatst.

Artikel 19 van de Verordening Ruimte tot slot (artikel 2.3.4 in de ontwerp Verordening Ruimte 2014), bevat regels gericht op de bescherming van de zogenaamde Limes. Die beschermingszone rondom de vroegere grens van het Romeinse Rijk ligt net buiten het plangebied.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Leiden 2025

De Structuurvisie Leiden 2025 is op 1 december 2011 vastgesteld en schetst de gewenste ruimtelijke ontwikkeling en structuur van de stad tot 2025. Het document wijst ontwikkelingslocaties aan met het beoogde type woonmilieu per locatie en het benoemt belangrijke infrastructurele projecten en andere ruimtelijke ontwikkelingen, zoals de vorming van een groen singelpark rondom de binnenstad en de aanleg van ecologische verbindingszones tussen de bestaande parken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00115-0201_0008.png" Figuur 8: Fragment van de structuurvisiekaart, met daarop de locatie voor een ontsluiting naar de Meerburgerpolder weergegeven.

Alhoewel de structuurvisie in woord geen uitspraken doet over de aanleg van de Stationssingel, is op de relevante kaarten wel de ontwikkeling van de Meerburgerpolder weergegeven, en is de intentie tot aanleg van de ontsluitingsroute ook op de verbeelding aangeduid (zie figuur 8).

3.4.2 Structuurvisie Zoeterwoude-Rijndijk

De Structuurvisie Zoeterwoude-Rijndijk is in februari 2013 vastgesteld. De visie omvat de hoofdlijnen van de voorziene ontwikkelingen in het dorp Rijndijk voor de komende 15 jaar en het ruimtelijk beleid dat de gemeente Zoeterwoude gaat voeren voor de kern Rijndijk. Eén van de voornaamste uitgangspunten uit de visie is het behoud van het landelijke, groene en dorpse karakter. Nieuwe ontwikkelingen zullen bij dit uitgangspunt aan moeten sluiten. Welke ontwikkelingen gewenst zijn en in welke vorm zij binnen het bovengenoemde uitgangspunt passen, wordt in de visie per deelgebied beschreven.

De ontwikkeling van Verde Vista Meerburg is als ontwikkelingslocatie aangemerkt, waarbij ook de beoogde aansluiting op het omliggende gebied is aangeduid. De onderstaande figuur is afkomstig uit de structuurvisie en geeft de locatie voor de verschillende ontsluitingen weer, waaronder de met dit bestemmingsplan beoogde locatie voor de primaire ontsluitingsroute naar de Willem van der Madeweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00115-0201_0009.png"

Figuur 9: Structuurschets Verde Vista Meerburg.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Inleiding

In hoofdstuk 3 is het relevante ruimtelijke beleid van de gemeente en van hogere overheden uiteengezet. De aanleg van de ontsluitingsweg Stationssingel over de verdiepte A4, ter hoogte van het kruispunt tussen de Willem van der Madeweg en de Fortunaweg, is in overeenstemming met alle relevante ruimtelijke beleidsstukken, zoals het Masterplan W4, de Structuurvisie Leiden 2025 en de Structuurvisie Zoeterwoude-Rijndijk.

Onder een 'goede ruimtelijke ordening' valt naast de passendheid van een ontwikkeling binnen het ruimtelijke beleid echter ook de passendheid binnen allerlei wettelijke normen en grenswaarden voor verschillende ruimtelijke aspecten, die zijn vastgesteld in verschillende wetten, verordeningen, NEN-maatstaven en andere toetsingskaders. Voorbeelden daarvan zijn de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, het Besluit bodemkwaliteit en de Keur van Rijnland.

In dit vierde hoofdstuk is per relevant ruimtelijk aspect telkens eerst het geldende wettelijke of beleidsmatige kader samengevat weergegeven en is vervolgens de passendheid van het bestemmingsplan binnen die kaders beschreven.

4.2 Archeologie

4.2.1 Beleidskader

Het archeologisch beleid van de gemeente Leiden is vastgelegd in de Ergoednota 2014-2020 en heeft een juridisch bindende grondslag gekregen in het paraplubestemmingsplan Archeologie en daarop volgende bestemmingsplannen. Die bestemmingsplannen stellen het aanvragen van een "omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden" verplicht bij projecten waarbij over een bepaalde oppervlakte en op een bepaalde diepte in de grond wordt geroerd. In gebieden waar een lagere archeologische verwachting geldt is die omgevingsvergunning pas bij grotere diepten en oppervlakten vereist.

De archeologische waarde of archeologische verwachtingswaarde is ingedeeld in negen verschillende waarderingscategorieën, die op basis van het onderzoek 'Archeologische waarden en verwachtingen op het grondgebied van Leiden, inventarisatie, kaarten en vertaling naar ruimtelijk beleid' (Hessing, Sueur en Van Zalinge, 2004, Amersfoort) en de vereisten uit de actualisatie van de provinciale Verordening Ruimte aan het gehele Leidse grondgebied zijn toebedeeld. Voor acht waarderingscategorieën wordt in opzet dezelfde planregel gebruikt, waarbij de bovengenoemde omgevingsvergunning is vereist bij projecten die zien op het verstoren van de grond over verschillende oppervlakten en diepten. Voor 'Waarde - Archeologie 1' geldt de omgevingsvergunningsplicht niet, omdat de daarmee bestemde gronden een beschermd archeologisch rijksmonument betreffen, waarop de regels van de Monumentenwet 1988 van toepassing zijn. Voor verstoring van de bodem op die locaties is een monumentenvergunning vereist.

De negen waarderingscategorieën zijn:

Waarde archeologie 1   Archeologisch rijksmonument  
Waarde archeologie 2   Gebied van archeologische waarde binnen de singels  
Waarde archeologie 3   Gebied van archeologische waarde buiten de singels  
Waarde archeologie 4   Gebied met een hoge archeologische verwachting binnen de singels  
Waarde archeologie 5   Gebied met een hoge archeologische verwachting buiten de singels  
Waarde archeologie 6   Gebied met een middelhoge archeologische verwachting  
Waarde archeologie 7   Gebied met een lage archeologische verwachting  
Waarde archeologie 8   Romeinse Limeszone, bescherming conform Verordening Ruimte  
Waarde archeologie 9   AMK-terreinen, bescherming conform Verordening Ruimte  

De archeologische bepalingen in dit nieuwe bestemmingsplan komen in de plaats van de regels in het bestemmingsplan A4/Cronesteyn en zullen daarom ook de rol van die regels moeten overnemen. Wanneer het nog steeds aannemelijk is dat zich in het plangebied archeologische waarden bevinden, zal het nieuwe bestemmingsplan regels moeten bevatten waarin die archeologische waarden voldoende worden beschermd en het verkrijgen van een "omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden" nog steeds is vereist. In bestemmingsplannen die niet zien op ontwikkelingen waarbij in de grond wordt geroerd bestaat geen noodzaak de kennis over archeologische waarden te actualiseren. Bij die plannen worden de bepalingen uit het eerdere bestemmingsplan simpelweg overgenomen.

Wanneer tijdens de planperiode van het bestemmingsplan een project wordt uitgevoerd waarbij in de grond wordt geroerd over een oppervlakte en diepte die de bovengenoemde omgevingsvergunning noodzakelijk maken, zal de aanvrager van het project aannemelijk moeten maken dat een eventueel aanwezig archeologisch archief niet onevenredig wordt aangetast. Daartoe vraagt het gemeentelijke Archeologisch Centrum in beginsel om een archeologisch bureauonderzoek. Wanneer de resultaten uit dat onderzoek daartoe aanleiding geven wordt vervolgens een verkennend veldonderzoek met boorstaven uitgevoerd. Wanneer ook dat onderzoek de aanwezigheid van archeologische waarden aannemelijk maakt, wordt gedetailleerder onderzoek uitgevoerd, bijvoorbeeld door middel van het graven van proefsleuven.

Op basis van de resultaten uit de onderzoeken stelt de gemeente vast op welke manier met eventueel gevonden archeologische waarden moet worden omgegaan. Het uitgangspunt daarbij is deze waarden in de grond te conserveren en het (bouw)project zodanig aan te passen dat de waarden niet worden verstoord. Dat uitgangspunt is overgenomen uit hogere archeologische beleidskaders, namelijk de paragraaf 'Archeologie' in de provinciale structuurvisie en Verordening Ruimte, de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) en uiteindelijk valt het uitgangspunt te herleiden naar het Europese Verdrag van Malta uit 1992. Wanneer conserveren niet mogelijk blijkt kan een gedeeltelijke of gehele opgraving noodzakelijk zijn.

Het plangebied heeft deels de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' gekregen in het bestemmingsplan A4/Cronesteyn. Deze verwachtingswaarde is gebaseerd op de geologische en geomorfologische ondergrond in relatie tot de mate waarin het gebied geschikt was voor bewoning. In gebieden die maatschappelijk gezien aantrekkelijker waren om te bewonen is de trefkans van archeologische sporen in de ondergrond groter. Uit geologische, geomorfologische en bodemkundige informatie is af te leiden dat het plangebied zich op een oude oeverwal van de Oude Rijn bevindt. Door zandige afzettingen vanuit de Rijn had het gebied een iets hogere ligging in het landschap ten opzichte van het ten zuiden gelegen veengebied, waardoor de directe omgeving in het verleden mogelijk een aantrekkelijke vestigingsplaats vormde.

4.2.2 Onderzoeksresultaten

Het plangebied is op te delen in een twee gedeelten: het deel met de bestemming 'Verkeer' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' en het deel met de bestemming 'Verkeer - Snelweg', waar de verdiepte A4 wordt aangelegd. In de gronden met de bestemming 'Verkeer - Snelweg' hebben de afgelopen jaren intensieve werkzaamheden in de ondergrond plaatsgevonden, die noodzakelijk waren om de A4 in te passen in een verdiepte tunnelbak. Die werkzaamheden zijn vergund op basis van het Tracébesluit A4 Burgerveen - Leiden (2009). In het kader van dat tracébesluit heeft de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB, tegenwoordig: Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumentenzorg) in eerste instantie een bureauonderzoek uitgevoerd, waarbij onder meer archieven (ARCHIS) en andere bronnen zijn geraadpleegd. Het bureauonderzoek is verfijnd door een analyse van boringen en sonderingen uit eerder milieukundig onderzoek, ter bepaling van de fysisch geografische opbouw van de ondergrond en de mate van verstoring daarvan.

Omdat de aanwezigheid van archeologische resten op basis van dat onderzoek niet kon worden uitgesloten, is door de Rijksdienst een aanvullend booronderzoek uitgevoerd. Geen van de gezette boringen bevatte substantieel relevant archeologisch materiaal, waardoor de Rijksdienst heeft besloten het A4-tracé vrij te geven van een archeologische verwachtingswaarde.

Het onderzoek van de Rijksdienst had uitsluitend betrekking op het tracé van de verbreedde rijksweg zelf, en niet op het naastgelegen terrein, dat in het paraplubestemmingsplan Archeologie en het bestemmingsplan A4/Cronesteyn de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' had. In dit bestemmingsplan wordt die archeologische waarde dan ook overgenomen. Omdat de waarde een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden over een oppervlakte van 250m2 en een diepte van 50cm verplicht stelt en de aanleg en reconstructie van respectievelijk de Stationssingel en de Willem van der Madeweg niet tot grondwerkzaamheden over een diepte groter dan 50cm zal leiden, wordt een nieuw archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht, en volstaat het continueren van het beschermde archeologische regime. Voor eventuele toekomstige bodemingrepen op een grotere diepte blijft het verkrijgen van een 'archeologische aanlegvergunning' verplicht.

4.3 Cultuurhistorie

4.3.1 Beleidskader

Monumentenwet (1988)

Een deel van het culturele erfgoed wordt beschermd via de Monumentenwet uit 1988. De wet geeft het Rijk de mogelijkheid om objecten met een leeftijd hoger dan 50 jaar aan te wijzen als rijksmonument. Rijksmonumenten worden wettelijk beschermd via een apart vergunningenstelsel en bij restauratie kan een beroep worden gedaan op financiële middelen uit een daartoe opgericht fonds. De Monumentenwet biedt daarnaast de mogelijkheid tot aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten. Stads- en dorpsgezichten bestaan uit groepen van onroerende zaken waarin zich één of meer monumenten bevinden en die van bijzondere cultuurhistorische waarde zijn. De aanwijzing zorgt voor extra bescherming via aangepaste bestemmingsplannen en het daarbij horende vergunningenstelsel.

De Monumentenwet biedt gemeenten bovendien de vrijheid zelf monumenten aan te wijzen. De gemeente Leiden heeft ter bescherming van die monumenten een gemeentelijke monumentenverordening vastgesteld. In tegenstelling tot rijksmonumenten kunnen gemeentelijke monumenten jonger zijn dan 50 jaar, maar kan geen gebruik worden gemaakt van middelen die het Rijk ter beschikking stelt voor de renovatie van rijksmonumenten.

Erfgoednota 2014–2020

Op 19 december 2013 heeft de Leidse gemeenteraad de Erfgoednota 2014-2020 vastgesteld. De Erfgoednota gaat uit van de volgende visie: Leiden heeft met erfgoed een onderscheidende kracht in huis: zo heeft Leiden en de (internationale) kennis en collecties, en de aantrekkelijke historische stad en de grote mate van betrokkenheid van bewoners. Daarbij gaat het niet alleen om de waarde van het erfgoed zelf maar ook om de meerwaarde voor de stad uit maatschappelijk, cultureel, wetenschappelijk en economisch oogpunt. Een belangrijke ambitie uit de Erfgoednota is dat Leiden haar historische omgevingskwaliteit wil behouden, benutten en versterken voor een aantrekkelijke, vitale en toekomstbestendige stad. Erfgoed inspireert in de ontwikkeling van de stad. Daarbij benut Leiden de inspiratie uit het verleden en zoekt aansluiting bij bestaande historische karakteristieken en essenties.

4.3.2 Onderzoeksresultaten

In het plangebied zijn geen historische bouwwerken, monumentale panden of structuren met een cultuurhistorische of beeldbepalende waarde te benoemen. Ook buiten de plangrenzen zijn geen cultuurhistorisch relevante bouwwerken aanwezig die een beperkende invloed hebben op de realisatie van de beoogde ontsluiting, zoals traditionele windmolens met een molenbiotoop. Het plangebied is geen onderdeel van een landgoed, Rijksbufferzone of anderzins cultuurhistorisch beschermd landschap. De beoogde ontsluiting is daarnaast niet zichtbaar vanuit omliggende beschermde stadsgezichten of cultuurhistorisch waardevolle landschappen.

4.4 Ecologie

4.4.1 Beleidskader

Flora- en Faunawet

Het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de soortenbescherming wordt gevormd door de Flora- en Faunawet, die voortborduurt op de Europese habitat- en vogelrichtlijnen en voorziet in de bescherming van bedreigde en van nature in Nederland voorkomende flora- en faunasoorten. In tegenstelling tot gebiedsbeschermende kaders als de Natuurbeschermingswet 1998 is soortenbescherming op grond van de Flora- en Faunawet niet beperkt tot aangewezen Natura 2000-gebieden en gebieden die vallen onder de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Op basis van de Flora- en Faunawet is het onder andere verboden de habitat van bepaalde bedreigde dier- en plantensoorten te verstoren. Van een verstoring van dergelijke habitats kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden.

Het bevoegd gezag is in eerste instantie zelf verantwoordelijk vast te stellen of bij het uitvoeren van een project sprake is van de verstoring van bedreigde dier- en plantensoorten. Wanneer dit het geval is dient te worden vastgesteld of de verstoring in voldoende mate kan worden gemitigeerd (bijvoorbeeld door verstoring buiten het broed- of slaapseizoen van de bedreigde diersoorten te laten plaatsvinden) of gecompenseerd (bijvoorbeeld door alternatieve, gelijkwaardige locaties beschikbaar te stellen als habitats van bedreigde soorten). Hoe precies met eventueel aanwezige natuurwaarden moet worden omgegaan is omschreven in de gemeentelijke 'Gedragscode voor ruimtelijke ontwikkelingen'.

Wanneer de nadelige effecten op bedreigde natuurwaarden niet voldoende kunnen worden opgevangen, kan sprake zijn van de noodzaak ontheffing aan te vragen van de Flora- en Faunawet bij het Ministerie van ELenI. In plaats van een ontheffing van de Flora- en Faunawet bij bestemmingsplannen kan een zogenaamde 'verklaring van geen bedenkingen' worden aangevraagd bij het ministerie, in het kader van de voorbereiding van de verlening van een omgevingsvergunning onder het figeur van de Wabo. Zonder een dergelijke verklaring kan geen omgevingsvergunning worden verleend.

In de toelichting van bestemmingsplannen die ontwikkelingen planologisch toestaan moeten de gevolgen voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de bovengenoemde regels. Als bij voorbaat vaststaat dat een ontwikkeling niet kan voldoen aan de Flora- en Faunawet en dus ook niet in aanmerking komt voor een omgevingsvergunning, kan die ontwikkeling ook niet worden opgenomen in een bestemmingsplan. In dat geval is immers geen sprake van 'een goede ruimtelijke ordening'.

Kaderstelling Bomenbeleid (2004-2014)

De Kaderstelling Bomenbeleid is een actualisatie van de Bomennota uit 1993, die vier hoofddoelstellingen heeft voor het ruimtelijk, beheersmatig en juridisch beleid: het aanvullen van structuurvormende bomenrijen, het beschermen van bomen (nader verankerd in de bomenverordening), het verbeteren van groeiplaatsomstandigheden van bomen en het versterken van de stad-landrelatie door een sortimentskeuze van bomen.

4.4.2 Onderzoeksresultaten

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt niet in of nabij een gebied dat is aangewezen in het kader van de Natuurbeschermingswet. Het dichtstbijzijnde gebied dat op basis van de wet is beschermd is het Natura 2000-gebied "De Wilck", dat op ca. 3,3 kilometer ten zuidoosten van het plangebied is gelegen, nabij Hazerswoude-Dorp. Het plangebied ligt evenmin binnen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Op ruim 600 meter ten zuiden van het plangebied ligt het gebied 'Elfenbaan' langs de spoorlijn Leiden-Utrecht, en op bijna 2 kilometer ten zuidwesten van het plangebied ligt de ecologische verbindingszone Oostvlietpolder.

Gezien de afstand tussen het plangebied en de bovengenoemde ecologisch beschermde gebieden, en de aanwezigheid van buffers en verstoringsbronnen in de vorm van bebouwing en (snel)wegen, zijn zowel directe als indirecte negatieve effecten van de beoogde ontsluiting niet te verwachten. Dit klemt te meer omdat het project dat met dit bestemmingsplan wordt toegestaan op zichzelf niet leidt tot een toename van het verkeer: er wordt geen verkeersgenererend programma toegevoegd, het verkeer wordt slechts in staat gesteld een kortere route naar de N11 en A4 te rijden, waardoor de uitstoot van uitlaatgassen aannemelijkerwijs juist afneemt ten opzichte van de planologisch reeds toegestane situatie.

Soortenbescherming

Het plangebied zelf kenmerkt zich momenteel grotendeels als bouwterrein en deels als gebiedsontsluitingsweg. De directe omgeving van het plangebied heeft een binnenstedelijk karakter en het groen wordt intensief beheerd. Gezien deze gebiedskenmerken, de afwezigheid van een directe verbinding met het buitengebied en de verspreidingsgegevens uit het Stadsnatuurmeetnet van Leiden, kan de aanwezigheid van strikt beschermde grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen en insecten worden uitgesloten.

Binnen het plangebied zijn daarnaast geen potentiële natuurlijke groeiplaatsen voor planten aanwezig. De bescheiden groene bermen langs de Willem van der Madeweg worden immers intensief beheerd en gemaaid. Strikt beschermde vaatplanten zijn tijdens de waarnemingen in het kader van het gemeentelijke stadsnatuurmeetnet niet aangetroffen en worden daarom niet verwacht in het gebied. Aangeplante en gezaaide exemplaren van beschermde soorten in bijvoorbeeld nabijgelegen tuinen zijn niet beschermd onder de Flora- en Faunawet, omdat het geen natuurlijke groeiplaatsen betreft.

In het plangebied zijn daarnaast geen bomen of gebouwen met spouwmuren, stootvoegen of andere openingen aanwezig. Ook de aanwezigheid van gebouw- of boombewonende vogel- of vleermuissoorten valt zodoende uit te sluiten. Door de afwezigheid van bomen en het intensieve gebruik van het gebied door autoverkeer, kan ook een eventuele functie van het gebied als foerageergebied of vliegroute voor vleermuizen worden uitgesloten.

4.5 Kabels en leidingen

4.5.1 Beleidskader

Op basis van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) geldt een verplichting om voor een zone van enkele meters aan weerszijden van gasleidingen met een werkdruk van 16 bar of meer en voor brandstofleidingen een beschermende regeling in ieder bestemmingsplan op te nemen. Voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden in die zone, of het bebouwen ervan, is vanuit die beschermende regeling een aanvullende omgevingsvergunning vereist, zodat een te zware belasting van de leiding of het raken van de leiding bij grondwerkzaamheden kan worden voorkomen. Naast deze leidingen kunnen ook andere kabels en leidingen planologisch relevant zijn. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan hoogspanningsverbindingen en rioolpersleidingen. Ook voor dergelijke leidingen kunnen bestemmingsplannen passende regelingen bieden.

Voor bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen toelaten is bovendien van belang dat die ontwikkelingen niet worden belemmerd door de aanwezigheid van kabels en leidingen, zowel vanuit veiligheidsoogpunt als kostenoogpunt. Het verwijderen of verplaatsen van bestaande kabels en leidingen vormt in veel gevallen een significante kostenpost die op de uitvoerbaarheid van projecten drukt.

4.5.2 Onderzoeksresultaten

Om de aanwezige kabels en leidingen in en rondom het plangebied inzichtelijk te maken is in juli 2014 een zogenaamde klic-melding opgevraagd. De melding geeft een actueel overzicht van alle aanwezige nutsvoorzieningen, en haalt die informatie uit een systeem dat constant door alle actieve nutsbedrijven wordt aangevuld. Het overzicht is bijgevoegd als bijlage bij dit bestemminsgplan.

Door het plangebied loopt een tweetal clusters van kabels en leidingen, namelijk een cluster bestaande uit een hogedruk gasleiding (werkdruk 8 bar), een waterleiding van Dunea, een laagspannings electriciteitskabel en een set KPN-kabels onder het zebrapad over de Fortunaweg en een cluster bestaande uit een gasleiding (eveneens 8 bar), een electriciteitskabel van Liander met middelhoge spanning, een waterleiding en een glazvezelaansluiting van Reggefiber onder de berm tussen het fietspad en de noordelijke rijbaan van de Willem van der Madeweg. Beide clusters kunnen op hun huidige locatie blijven liggen. Een rioolleiding onder het kruispunt, in het verlengde van de Fortunaweg, zal moeten worden verlegd. Daarmee is rekening gehouden in de kostenexploitatie.

In het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig die onder het beschermende regime van het Bevb vallen, of die een specifieke regeling behoeven in dit bestemmingsplan. De aanleg van dergelijke kabels en leidingen is ook niet voorzien.

4.6 Verkeer en vervoer

4.6.1 Beleidskader

Op 29 mei 2009 is de 'Kadernota Bereikbaarheid' door de gemeenteraad van Leiden vastgesteld. In het beleidstuk is een set aan maatregelen voorgesteld ter verbetering van het vervoersnetwerk in Leiden. Naast het schetsen van de beoogde verkeerscirculatiestructuur is in de Kadernota Bereikbaarheid uitspraak gedaan over de ambitie tot het bouwen van twee ondergrondse parkeergarages in de Leidse binnenstad en de voorlopige voortzetting van tijdelijke parkeeroplossingen als de Morspoortgarage en het parkeerterrein Haagweg.

De Kadernota ziet verder op de tijdelijke invoering van een blauwe zone in grote delen van de 19e-eeuwse schil voor een periode van twee jaar, waarna moet worden beoordeeld of tot definitieve invoering van de blauwe zone wordt overgegaan. In het Bestuursakkoord 2014-2018 is inmiddels besloten dat de blauwe zone wordt omgezet in een betaald parkeerregime. Daarnaast voorziet de Kadernota onder andere in het optuigen van een parkeermonitor, waarin de bezettingsgraad van parkeervoorzieningen in de binnenstad driejaarlijks wordt bijgehouden, het opstellen van beleidsregels met betrekking tot parkeren, gericht op het toetsen van nieuwe bouwinitiatieven aan de bouwverordening en het verbeteren van het Parkeerroute Informatiesysteem (PRIS), voor een betere verwijzing van verkeer naar parkeervoorzieningen.

De 'Nota van Uitgangspunten: Bereikbaar Leiden' van maart 2012 vormt een operationalisering van de Kadernota Bereikbaarheid. De ambities zoals benoemd in de Kadernota zijn daarbij, met uitzondering van de komst van een lightrailtraject door de binnenstad en het completeren van de stadsring door de aanleg van de Ringweg-Oost, gelijk gebleven. De nota van uitgangspunten benoemt een aantal concrete uitvoeringsprogramma's om de ambities uit de kadernota te verwezenlijken. Geen van die uitvoeringsprogramma's heeft direct betrekking op het plangebied.

4.6.2 Onderzoeksresultaten

De beoogde ontsluitingsroute Stationssingel / Molentocht moet de nieuwe primaire ontsluiting worden voor de in ontwikkeling zijnde Zoeterwoudse wijk Verde Vista Meerburg. Die wijk is, met uitzondering van de realisatie van detailhandel in het plangebied Meerburgerpolder Zuid, reeds volledig planologisch toegestaan op basis van de Zoeterwoudse bestemmingsplannen Meerburgerpolder Zuid en Meerburgerpolder Noord. De aantakking van de Stadhouderslaan op de Hoge Rijndijk vormt daarin momenteel de enige gebiedsontsluiting. Dat maakt dat in juridisch-planologisch opzicht op dit moment moet worden uitgegaan van een situatie waarbij al het verkeer dat naar of vanuit de Meerburgerpolder rijdt, via de Hoge Rijndijk het gebied in- of uitrijdt.

Met behulp van het actuele regionale verkeersmodel (RVMK 2.2) is inzichtelijk gemaakt welke verkeersstromen momenteel over de Stationssingel, Willem van der Madeweg, Fortunaweg en Hoge Rijndijk rijden. Daarnaast is voor een aantal verschillende scenario's in beeld gebracht welke intensiteiten moeten worden verwacht na voltooiing van Verde Vista Meerburg cq na afloop van de plantermijn behorend bij dit bestemmingsplan.

In het verkeersmodel is rekening gehouden met de komst van de Rijnlandroute, de volledige ontwikkeling van Valkenburg (5000 woningen) en het maximale groeiscenario voor het aantal arbeidsplaatsen in het Bio Science Park. In het model zit geen Ringweg-Oost, geen Rijn-Gouwelijn en geen knip in de Hooigracht. Het model komt zodoende overeen met actueel provinciaal en gemeentelijk beleid. In het model is daarnaast uitgegaan van een lichte autonome groei van het autoverkeer, ook al blijkt uit de gemeentelijke verkeerstellingen dat de toename van het autoverkeer sinds 2008 volledig is gestagneerd en plaatselijk zelfs sprake is van een lichte afname van het aantal verkeersbewegingen. Het model vormt in die zin een worst-case-scenario.

In het model is daarnaast uitgegaan van het maximaal verkeersgenererende programma voor Verde Vista Meerburg, zijnde:

  • 245 + 95 woningen in respectievelijk Meerburgerpolder Noord en Meerburgerpolder Zuid
  • 52.500m2 kantoren
  • 4000m2 supermarkt
  • 15.000m2 leisure

Zogezegd is nog onzeker of de supermarktbestemming in werking zal treden, doch in het kader van de voortgang van dit plan is daarvan nu zekerheidshalve en bij wijze van 'worst-case-benadering' wel uitgegaan. Supermarkten trekken aanzienlijk meer verkeer aan dan kantoorruimte, woningen of leisurevoorzieningen met een gelijke oppervlakte.

In de bestaande situatie (2014) wordt het verkeer dat wordt gegenereerd door het onlangs opgeleverde kantoorpand van NEM Energy b.v. en VV Meerburg afgewikkeld via een tijdelijke ontsluiting op de Industrieweg in de Grote Polder, zoals weergegeven in figuur 10. Wanneer ook de overige kavels van Verde Vista Meerburg worden ontwikkeld en het bouwterrein van het bouwconsortium voor de verdiepte A4 aan het Baljuwpad is verdwenen, zal de tijdelijke ontsluitingsweg weer worden opgeheven en wordt de Stadhouderslaan doorgetrokken naar de Hoge Rijndijk. Wanneer de Stationssingel niet zou worden aangelegd ontstaat dan de situatie zoals getoond in figuur 11.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00115-0201_0010.png"

Figuur 10: Weekdagintensiteiten in het uitgangsjaar (2014).

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00115-0201_0011.png"

Figuur 11: Weekdagintensiteiten in definitieve situatie zonder Stationssingel.

Na realisatie van de Stationssingel zal het overgrote deel van het bestemmingsverkeer van en naar Verde Vista Meerburg ook van de nieuwe ontsluiting gebruik maken, omdat die een aanzienlijk kortere route naar de A4 en N11 biedt. Het verkeersmodel bevestigt dat beeld (zie figuur 12). Het model laat echter ook zien dat de aanleg van de Stationssingel sluipverkeer genereert over de Stadhouderslaan, voornamelijk veroorzaakt door mensen die vanuit Zoeterwoude-Rijndijk in de richting van de A4 rijden. Dit sluipverkeer is voor de gemeente Zoeterwoude ongewenst, omdat het het woon- en leefklimaat van bewoners van Verde Vista Meerburg in negatieve zin aantast.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00115-0201_0012.png"

Figuur 12: Weekdagintensiteiten in definitieve situatie zonder maatregelen Stadhouderslaan.

Door de effectieve rijsnelheid over de Stadhouderslaan te beperken tot ca. 20km/u met behulp van snelheidsbeperkende maatregelen als snelheidsdrempels en wegasverschuivingen, wordt het aantrekkelijker via het kruispunt Hoge Rijndijk / Willem van der Madeweg naar de A4 te rijden of via de Burgemeester Smeetsweg naar de N11 te rijden. In het verkeersmodel is dat scenario gesimuleerd door een knip in de Stadhouderslaan aan te brengen (figuur 13).

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00115-0201_0013.png"

Figuur 13: Weekdagintensiteiten in definitieve situatie met maatregelen Stadhouderslaan.

Wanneer de planologische gevolgen van dit bestemmingsplan in beeld moeten worden gebracht, dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de situaties in figuren 11 en 13. Die vergelijking toont dat bewoners aan de Stadhouderslaan Noord, de Hoge Rijndijk (tussen de Stadhouderslaan en Willem van der Madeweg) en het deel van de Willem van der Madeweg tussen de Hoge Rijndijk en Fortunaweg door de aanleg van de Stationssingel minder verkeer voor de deur zullen krijgen. Overige bewoners houden evenveel verkeer als in de nu al planologisch toegestane situatie. Dit draagt er mede aan bij dat de gemeenten Zoeterwoude en Leiden de aanleg van de ontsluiting als zeer wenselijk beschouwen, naast de voordelen voor de bereikbaarheid van bewoners en bedrijven in Viste Verda Meerburg zelf.

Ten behoeve van de beoogde ontsluiting zal een reconstructie van het kruispunt Willem van der Madeweg / Fortunaweg moeten plaatsvinden. Door bureau Goudappel is een kruispuntanalyse uitgevoerd op basis van de 2-uurs ochtend- en avondspitsintensiteiten uit het RVMK 2.2-scenario met snelheidsbeperkende maatregelen in de Stadhouderslaan Noord. Het onderzoeksrapport, getiteld 'Actualisatie kruispuntanalyse Van der Madeweg - Fortunaweg', d.d. 3 juli 2014, kenmerk LD1015/Ssl, is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd. Uit de analyse blijkt dat de beoogde kruispuntinrichting, zoals beschreven in paragraaf 2.3, leidt in het planjaar 2025 tot een cyclustijd van 120 seconden tijdens de avondspits en 114 seconden tijdens de ochtendspits, uitgaande van het zeer onwaarschijnlijke scenario dat zich tijdens iedere cyclus langzaam verkeer (voetgangers en fietsers) aanbiedt vanuit alle rijrichtingen. Een dergelijke cyclustijd met een verzadigingsgraad van 79% wordt op grond van het Leidse beleid (Programma van Eisen Verkeersregel- installaties gemeente Leiden, versie 2.8, d.d. 30 oktober 2012) beoordeeld op het raakvlak van de kwalificaties "normaal belast" en "zwaar belast", in een toetsingskader dat loopt van "licht belast" naar "overbelast". Wanneer zich zoals verwacht niet iedere twee minuten langzaam verkeer aanbiedt vanuit alle richtingen, verschuift de situatie naar een solide plek binnen de kwalificatie "normaal belast".

4.7 Milieu

4.7.1 Bedrijven en milieuzonering

Beleidskader

De Wet ruimtelijke ordening verplicht om, in het kader van 'een goede ruimtelijke ordening', aan te tonen dat toekomstige en bestaande bewoners en gebruikers een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, maar ook dat bestaande bedrijven niet in hun belangen worden geschaad. Hiertoe kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende bedrijfsactiviteit en een milieugevoelige functie noodzakelijk zijn. Die afstand wordt 'milieuruimte' genoemd. Milieuzonering omvat het stelsel van verschillende gradaties van milieuruimte, die rondom verschillende typen bedrijven noodzakelijk is, ingedeeld in zogenaamde milieucategorieën.

Milieuzonering werkt wederkerig. Dat betekent dat nieuwe bedrijven afstand moeten houden tot gevoelige objecten, maar ook dat nieuw te ontwikkelen (gevoelige) objecten voldoende afstand moeten houden tot bestaande bedrijven. Die afstand is noodzakelijk, omdat de bedrijfsvoering van een bestaand bedrijf kan worden aangetast of er hinder kan ontstaan voor bewoners en gebruikers wanneer er onvoldoende afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies bestaat. Ter bepaling van de noodzakelijke afstanden zijn het 'Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer' (oftewel het Activiteitenbesluit) en de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009 leidend.

Onderzoeksresultaten

In het projectgebied worden geen bedrijven en geen gevoelige functies toegestaan, zodat onderlinge hinder door milieubelastende bedrijfsactiviteiten kan worden uitgesloten. Eventuele hinder door de wijziging of toename van verkeersstromen maakt geen onderdeel uit van milieuzonering, maar wordt afgewogen in de paragrafen met betrekking tot verkeer (4.6.2), geluid (4.7.4) en luchtkwaliteit (4.7.5).

4.7.2 Bodem

Beleidskader

Onder het stramien van 'een goede ruimtelijke ordening' geldt dat het gebruik dat planologisch wordt toegestaan voor een bepaald stuk grond moet passen binnen het gebruik dat de bodemkundige staat van de grond toelaat. Zo gelden voor een speelplaats of tuin hogere eisen met betrekking tot de bodemkwaliteit dan voor bijvoorbeeld een bedrijventerrein. Bij elke functiewijziging dient daarnaast aannemelijk te zijn dat geen sprake is van een ernstige verontreiniging van de bodem of het grondwater. In de Wet bodembescherming zijn grenswaarden opgenomen, die bepalen wanneer voor een bepaald gebruik een grondsanering noodzakelijk is (de zogenaamde saneringscriteria) en hoe schoon de grond moet zijn na een saneringsoperatie (ook saneringsdoelstelling genoemd).

Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft het lokale bevoegd gezag de mogelijkheid om bodemkwaliteit binnen haar gebied actief te beheren. Daarbij kan het bevoegd gezag ten aanzien van bodembeheer kiezen voor landelijk geldend generiek beleid of voor zelf opgestelde gebiedsspecifieke beleidsregels. Hangende die keuze geldt in het gebied dat valt onder de bevoegdheid van de Omgevingsdienst West-Holland (voor milieuzaken via mandaat gemachtigd door onder andere de gemeente Leiden) het overgangsbeleid uit het Besluit bodemkwaliteit. Dat betekent dat voorlopig het nu geldende bodembeheerbeleid van kracht is, waarbij geldt dat grondverzet is toegestaan:

  • als de toe te passen grond beter of gelijk in kwaliteit is als de ontvangende bodem;
  • als de toe te passen grond beter of gelijk in kwaliteit is dan de op de betreffende plek geldende bodemfunctieklasse.

Onderzoeksresultaten

Het plangebied is reeds volledig bestemd voor verkeer, zij het dat ter plaatse van de bestemming 'Verkeer-Snelweg' uitsluitend gemotoriseerd verkeer op de rijksweg A4 is toegestaan, en niet op overkluizingen over die snelweg. Door nu ook verkeer over het (in bouwkundige zin) al vergunde viaduct toe te staan, veranderen de kwaliteitseisen met betrekking tot de milieuhygiënische bodemgesteldheid niet: de bestemming blijft 'Verkeer-Snelweg'. In het kader van de verbreding en verdiepte aanleg van de A4 is de bodemkwaliteit, voor zover dat nodig was, al in overeenstemming gebracht met de eisen daaraan. Voor het project geldt bovendien dat geen grond afgevoerd hoeft te worden. Dat maakt dat ook een partijkeuring in dit geval niet noodzakelijk is.

4.7.3 Externe veiligheid

Beleidskader

Externe veiligheid heeft betrekking op het gebruik, de productie, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen. De overheid stelt grenzen aan de risico's die rondom inrichtingen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen toelaatbaar zijn. Die normen zijn voor inrichtingen (bedrijven) opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor transport van gevaarlijke stoffen in de circulaire 'Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen' (cRvgs) en voor het transport in leidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen deze beleidskaders staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.

Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die voortdurend op die plaats aanwezig is. Het PR kan op een kaart worden weergegeven met zogenaamde risicocontouren. Dat zijn lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Binnen de 10-6 contour, welke als wettelijke norm fungeert, mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkte kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als richtwaarde.

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Het GR kan niet op een kaart worden weergegeven, maar wordt weergegeven in grafieken waarop de kans op een ongeval (f) wordt afgezet tegen het aantal slachtoffers (N): de zogenaamde fN-curve. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt doorgaans begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald), ofwel door de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

In het Bevi, het Bevb en de cRvgs is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Deze verantwoordingsplicht houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot de planologische keuzes, die gevolgen heeft voor het groepsrisico, moet worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of (de wijziging van) het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht, waarbij onderwerpen als bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid bij de afweging dienen te worden betrokken. In het Bevi en de cRvgs zijn bepalingen opgenomen waaraan deze verantwoording dient te voldoen.

Onderzoeksresultaten

Met dit bestemmingsplan worden geen milieu-inrichtingen toegestaan die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en er worden geen functies toegestaan waar personen langdurig verblijven. Daarnaast ziet het project niet op de aanleg of verlegging van kabels en leidingen die vallen onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Over de Willem van der Madeweg en de Stationssingel zullen geen gevaarlijke stoffen worden getransporteerd.

Gevaarlijke stoffen in de categorie LT3 (toxische vloeistoffen) worden wel getransporteerd over de A4, al heeft het project geen gevolgen voor het groepsrisico dat vanuit de risicobron A4 voortvloeit. Dat groepsrisico neemt immers niet toe, omdat het aantal langdurig in het effectgebied van de A4 aanwezige personen niet wijzigt: het project draagt uitsluitend bij aan de mogelijkheid om de Willem van der Madeweg sneller te bereiken vanuit Verde Vista Meerburg en vice versa.

4.7.4 Geluid

Beleidskader

Wet geluidhinder

De op 1 januari 2007 vastgestelde Wet geluidhinder (Wgh) schrijft voor dat elke planologische maatregel waarmee nieuwe gevoelige functies worden toegestaan binnen de geluidszone van een weg of spoorweg, een akoestisch onderzoek bevat. Ook het planologisch toestaan van voorzieningen die gepaard gaan met wegreconstructies dienen te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Uit het onderzoek moet blijken of de geldende voorkeursgrenswaarde voor geluid op de gevels van de gevoelige functies worden gehaald. Wanneer die voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegen niet wordt gehaald na een wegreconstructie én de reconstructie zorgt voor een toename van de heersende geluidbelasting of toegestane geluidbelasting op basis van een eventueel eerder Besluit hogere waarde (al naar gelang lager is) met meer dan 1,5 dB, dan is sprake van een zogenaamde 'reconstructiesituatie'. Wanneer uit akoestisch onderzoek blijkt dat sprake zal zijn van een dergelijke reconstructiesituatie, moet op basis van de Wgh worden onderzocht of redelijkerwijs toepasbare maatregelen de geluidbelasting kunnen terugbrengen, zodat niet langer sprake is van een reconstructiesituatie.

Wanneer, ook na de toepassing van redelijkerwijs toepasbare maatregelen, zoals de aanleg van stiller asfalt, het verlagen van de maximumsnelheid of het bouwen van geluidsschermen, niet aan een toename van maximaal 1,5 dB ten opzichte van de heersende geluidbelasting of eerder vastgestelde hogere waarden kan worden voldaan, kan het bevoegd gezag een (nieuwe) hogere waarde vaststellen tot 5 dB boven de heersende belasting of eerder vastgestelde hogere waarde. Daarbij mag de maximale ontheffingswaarde van 63 dB niet worden overschreden. Die geluidbelasting wordt als maximaal aanvaardbare geluidbelasting gezien.

De bevoegdheid tot het stellen van hogere waarden is in Leiden gemandateerd aan de Omgevingsdienst West-Holland. Voor het uitvoeren van die taak is door de Omgevingsdienst een set richtlijnen vastgesteld, die aangeven wanneer hogere waarden worden verleend. Die richtlijnen bevatten 5 dB strengere normen dan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder, met uitzondering van onder andere plaatsen langs drukke verkeersroutes en in de binnenstad van Leiden. Daarnaast geldt op basis van de richtlijnen dat nieuwe woningen langs wegen met een geluidsbelasting van meer dan 53 dB op één of meerdere gevels ook minimaal één geluidsluwe gevel dienen te hebben, met een buitenruimte. Voor woningen langs spoorwegen geldt datzelfde bij een geluidsbelasting hoger dan 58 dB. Wanneer dat niet haalbaar is, zal zogenaamde 'akoestische compensatie' moeten plaatsvinden, waarbij de buitenruimte bijvoorbeeld af te dichten is met schuifbare geluidwerende puien.

In de Wgh (artikel 99, lid 2) is bepaald dat er naast het wettelijke reconstructieonderzoek ook aandacht moet zijn voor het zogenaamde uitstralingseffect, oftewel de effecten die voortvloeien uit een met het project gepaard gaande toename van het verkeer op wegen die niet fysiek gereconstrueerd worden. Voor de toetsing van het uitstralingseffect wordt aangesloten bij de normstelling in de Wgh voor reconstructiesituaties.

Wet ruimtelijke ordening

Wegen die deel (gaan) uitmaken van een 30km-gebied vallen niet onder de Wgh en hoeven niet te voldoen aan de verschillende grenswaarden, ook niet wanneer sprake is van een wegreconstructie. Wanneer de uitvoering van een bestemmingsplan echter aannemelijkerwijs tot significante wijzigingen in verkeersintensiteiten leidt of de aanleg van een nieuwe 30km-weg tot gevolg heeft, is het inzichtelijk maken van de gevolgen voor geluidhinder nog steeds nodig vanuit het toetsingsstramien van 'een goede ruimtelijke ordening'.

Onderzoeksresultaten

Geluidhinder is voor dit bestemmingsplan op drie manieren relevant. Ten eerste leidt het bestemmingsplan tot de uitbreiding van een 30km-weg (de Stationssingel / Molentocht), hetgeen gevolgen kan hebben voor de geluidbelasting op de gevels van omliggende bestaande en planologisch toegestane woningen. Daarnaast is een reconstructie van de Willem van der Madeweg nodig ter plaatse van het kruispunt met de Fortunaweg, waarvoor eveneens geldt dat dit gevolgen kan hebben voor de geluidbelasting op omliggende woningen. De aanleg van de Stationssingel leidt daarnaast tot een herverdeling van het verkeer over bestaande wegen, zoals toegelicht in paragraaf 4.6.2, zodat ook het zogenaamde uitstralingseffect relevant is.

Voor wat betreft het uitstralingseffect als gevolg van de aanleg van de Stationssingel, kan op basis van een vergelijking tussen de planologisch toegestane situatie (figuur 11) en de beoogde nieuwe situatie (figuur 13) ook zonder onderzoek worden gesteld dat de geluidbelasting op omliggende woningen zal afnemen, in plaats van toenemen. Op de bestaande wegen waar de verkeersintensiteit verandert, te weten de Stadhouderslaan Noord, de Hoge Rijndijk (tussen Stadhouderslaan en Willem van der Madeweg) en de Willem van der Madeweg (tussen Fortunaweg en Hoge Rijndijk), neemt het verkeer immers af.

Alhoewel de bovenstaande vergelijking voor de gemeenten Leiden en Zoeterwoude maatgevend is voor de beoordeling van de wenselijkheid tot aanleg van de Stationssingel, vereist de Wet geluidhinder dat de drie genoemde effecten (uitbreiding 30km-weg, reconstructie Willem van der Madeweg en het uitstralingseffect) worden onderzocht op basis van een vergelijking tussen de bestaande situatie in het uitgangsjaar (2014) en het planjaar (2024), ongeacht de al vaststaande toename van de verkeersintensiteiten door de reeds toegestane ontwikkeling van een nieuwe wijk.

Alle drie bovengenoemde effecten zijn daarom door bureau Rho onderzocht. Het bijbehorende onderzoeksrapport, getiteld 'Leiden, Verbindingsweg Meerburgerpolder, akoestisch onderzoek', d.d. 11 februari 2014, kenmerk 063800.18284.00, is als bijlage bijgevoegd bij dit bestemmingsplan. In het onderzoek is uitgegaan van het in paragraaf 4.6.2 genoemde scenario met snelheidsbeperkende maatregelen in de Stadhouderslaan Noord. In alle rekenresultaten is rekening gehouden met de aftrek ex art. 110g Wgh.

Uit het onderzoek blijkt dat de maximale geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op het nieuw aan te leggen stuk van de Stationssingel / Molentocht op de omliggende bestaande en toegestane nieuwe woningen maximaal 47 dB bedraagt, zodat de voorkeursgrenswaarde uit het Bgh niet wordt overschreden. Er is dan ook per definitie sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat.

Uit de berekeningen gericht op de effecten van de reconstructie blijkt dat de geluidbelasting op de bestaande woningen aan de Vitruviusstraat met maximaal 1,26 dB toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie in het uitgangsjaar. Formeel is dan ook geen sprake van een reconstructiesituatie. Daarbij wordt nog eens benadrukt dat de Willem van der Madeweg niet dichter bij de woningen komt te liggen en dat het grootste deel van de toename van de geluidbelasting voortkomt uit de toename van het verkeer, als gevolg van de ontwikkeling van Verde Vista Meerburg en de aangenomen autonome groei van het verkeer. De effecten van de wegreconstructie zelf vormen slechts een klein deel van de berekende geluidstoename.

Voor wat betreft de formele toetsing van het uitstralingseffect beredeneert Rho dat de toename van het verkeer in vergelijking tussen het uitgangsjaar en planjaar nergens meer dan 11% is. Pas bij een toename van het verkeer met 20% wordt een geluidstoename van 1 dB bereikt.

4.7.5 Luchtkwaliteit

Beleidskader

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer, titel luchtkwaliteitseisen (ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd). De Wet luchtkwaliteit bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) (jaargemiddelde) en fijn stof (PM10 en PM2,5) (jaar- en daggemiddelde) van belang. In de directe omgeving van fabrieken en tankstations kunnen ook van andere stoffen verhoogde concentraties voorkomen, maar in de omgeving van het plangebied zijn dergelijke bronnen niet aanwezig.

De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de volgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden – met enkele uitzonderingen – voor de buitenlucht.

Tabel 1.1 Relevante luchtkwaliteitsnormen

Stof   Toetsing van   Grenswaarde   Geldigheid  
Stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   60 µg/m3
 
2010 tot en met 2014  
  jaargemiddelde concentratie   40 µg/m3
 
vanaf 2015  
Fijn stof (PM10)*   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m3   vanaf 11 juni 2011  
  24-uursgemiddelde concentratie   max. 35 keer p/jaar meer dan 50 µg/m3   vanaf 11 juni 2011  
Fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg/m3   vanaf 1 januari 2015  

*Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wet luchtkwaliteit behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007)

Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. In artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer staat opgesomd wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Dan moet aannemelijk worden gemaakt, dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • een project draagt slechts in 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;
  • een project is opgenomen in, of past binnen, het NSL of een regionaal programma van maatregelen.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Onderzoeksresultaten

Om te bepalen of aan de vereisten uit de Wet luchtkwaliteit wordt voldaan is onderzoek verricht door de Omgevingsdienst West-Holland, met behulp van het CAR II-programma (Calculation of Air pollution Road traffic-programma II). CAR II is een wettelijk goedgekeurd standaard rekenprogramma voor luchtkwaliteit in binnenstedelijke situaties met enige vorm van bebouwing. De voor dit onderzoek relevante wegen liggen binnen de gemeenten Leiden en Zoeterwoude en worden begrensd door bebouwing. Het CAR II-programma is daarom de geëigende tool voor luchtkwaliteitsberekeningen in de betreffende omgeving.

De berekeningen zijn uitgevoerd langs de maatgevende wegvakken van de Stationssingel / Molentocht, de Willem van der Madeweg en de Hoge Rijndijk. Conform de rekenmethodiek uit de Regeling Beoordeling 2007 zijn de concentraties berekend op 10 meter uit de wegrand. Wanneer daar wordt voldaan aan de grenswaarden wordt automatisch ook voldaan ter plaatse van de omliggende woningen, aangezien de afstand van de woningen tot aan de wegrand van de onderzochte wegen in dit geval telkens groter is dan 10 meter. De concentraties luchtverontreinigende stoffen worden immers lager naarmate de afstand tot de weg toeneemt.

Het onderzoek heeft zich toegespitst op de jaren 2016 en 2020, en voor dat laatste jaar zowel op het scenario dat geen snelheidsbeperkende maatregelen worden toegepast op de Stadhouderslaan (scenario 1) als het scenario dat er wel maatregelen worden genomen (scenario 2). Zogezegd wordt dat tweede scenario door beide gemeenten beoogd. Bij luchtkwaliteitsonderzoek is in tegenstelling tot verkeersonderzoek en akoestisch onderzoek niet het planjaar (2024) maatgevend, maar het jaar waarop het project wordt opgeleverd. De wetgever geeft vanwege de almaar schoner wordende auto's ieder jaar lagere wettelijke emissieparameters, die maken dat het maatgevende jaar het jaar van projectoplevering is.

2016 is aannemelijkerwijs het eerst mogelijke jaar dat het deel van het programma in Verde Vista Meerburg dat al is aanbesteed (18000m2 kantoor, 4000m2 supermarkt en 110 starterwoningen) wordt opgeleverd. 2020 is het eerstmogelijke jaar dat heel Verde Vista Meerburg gereed is, rekening houdend met de noodzaak tot aanbesteding van de nog niet uitgegeven bouwkavels en een bouw- en bouwvoorbereidingstijd van drie jaar.

Voor de berekeningen voor het jaar 2020 is uitgegaan van de verkeerscijfers voor het jaar 2024 en 2025. Gebruik van de intensiteiten in 2024 en 2025 vormt een 'worst-case-scenario'. De intensiteiten zijn in 2024 immers iets hoger dan in 2020, vanwege een aangenomen lichte autonome groei van het verkeer. De gebruikte weekdaggemiddelde intensiteiten zijn getoond in tabel 1.2. Ze zijn gelijk aan de intensiteiten gebruikt voor het verkeers- en akoestisch onderzoek en zijn gestoeld op de uitgangspunten beschreven in paragraaf 4.6.2.

Tabel 1.2 Verkeersintensiteiten beide scenario's (mvt/weekdag)

Locaties   2016   2020 - scenario 1   2020 -scenario 2  
Willem van der Madeweg oost   22500   22500   24500  
Willem van der Madeweg west   22700   25500   25700  
Hoge Rijndijk   8800   9230   9100  
Stationssingel / Molentocht   2200   6600   5800  

Naast de in tabel 1.2 getoonde verkeersgegevens is bij de berekeningen uitgegaan van de in tabel 1.3 weergegeven invoergegevens.

Tabel 1.3: Overige invoergegevens

Locaties   RD-coördinaten   Voertuig- verdeling
l/mz/z
(%)  
Wegtype   Snel- heids- type   Bomen- factor   Afstand
tot de
wegas  
  x   y            
Willem van der Madeweg oost   95593   462438   88/10/2   4   e   1   15  
Willem van der Madeweg west   95223   462205   88/10/2   4   e   1   15  
Hoge Rijndijk   95846   462426   91/6/3   3a   e   1   14  
Stationssingel / Molentocht   95388   462149   90/9/1   3b   c   1   14  

In de onderstaande tabel zijn de resultaten van de berekeningen weergegeven. De bijdrage van de snelweg A4 is in deze berekende concentraties opgenomen. Er is geen aftrek van zeezout toegepast. De concentraties PM2,5 kunnen niet met CAR II worden berekend, al geldt voor wegverkeer dat wanneer aan de grenswaarde voor PM10 wordt voldaan ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan.

Tabel 1.4: Berekende concentraties

Locaties   NO2 concentratie
(µg/m3)  
PM10 concentratie
(µg/m3)  
PM10: aantal overschrijdingen daggemiddelde  
  2016   2020
Sce. 1  
2020
Sce. 2  
2016   2020
Sce. 1  
2020
Sce. 2  
2016   2020
Sce. 1  
2020 Sce. 2  
Willem van der Madeweg oost   36,0   29,9   30,3   25,7   24,6   24,7   13   11   11  
Willem van der Madeweg west   37,3   31,6   31,6   25,9   25,0   25,0   14   12   12  
Hoge Rijndijk   32,4   26,3   26,3   24,7   23,5   23,5   11   9   9  
Stationssingel / Molentocht   33,1   25,8   26,1   24,7   25,0   25,0   11   8   8  

Uit de berekeningen blijkt dat in zowel 2016 als 2020 wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden, zoals getoond in tabel 1.1. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is tevens getoetst aan het aan de wensbeelden voor luchtkwaliteit uit de Duurzaamheidsagenda. Aan die wensbeelden voor luchtkwaliteit uit de Duurzaamheidsagenda wordt voldaan.

4.8 Milieueffectrapportage

Beleidskader

De nationale m.e.r.-regelgeving is mede een uitvloeisel van een tweetal Europese richtlijnen: de m.e.r.-richtlijn en de smb-richtlijn (Strategische milieubeoordeling). De implementatie van deze Europese richtlijnen is aan te treffen in:

  • paragraaf 2.2, hoofdstuk 7 en paragraaf 14.2 van de Wet milieubeheer;
  • het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.)

Deze wetgeving tezamen bepaalt of voor een project of plan een MER (Milieueffectrapport) moet worden opgesteld. Uit het MER moet blijken of het project relevante negatieve gevolgen voor het milieu heeft.

In de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. Het onderscheid tussen deze twee bijlagen is dat er voor categorieën uit bijlage C direct sprake is van een milieueffectrapportage-plicht (m.e.r.-plicht), wanneer de activiteiten de genoemde drempelwaarden overstijgen. Bij projecten met een programma boven de drempelwaarden in bijlage D moet eerst beoordeeld worden of er een m.e.r. noodzakelijk is: de zogenaamde "m.e.r.-beoordeling". Dat geldt ook voor projecten die vallen onder een categorie in bijlage D, met een programma onder de drempelwaarde, al is de omvang en opbouw van een dergelijke beoordeling bij die laatste gevallen vormvrij. Voor projecten die vallen onder bijlage D is dus pas na het uitvoeren van een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling duidelijk of er een MER moet worden opgesteld. Wanneer het project helemaal niet valt onder de categorieën in bijlage C of D, is geen (vormvrije) m.e.r.-beoordeling noodzakelijk.

Onderzoeksresultaten

In de zin van het Besluit m.e.r. maakt dit bestemmingsplan de wijziging cq verlenging van een (in planologisch opzicht) bestaande straat mogelijk. De Stationssingel / Molentocht is immers al toegestaan voor zover het het Zoeterwoudse deel betreft.

De wijziging of uitbreiding van een autosnelweg of autoweg is op basis van het Besluit m.e.r. m.e.r.-plichtig voor zover de wijziging of uitbreiding betrekking heeft op een tracélengte van 10 kilometer of meer en m.e.r.-beoordelingsplichtig bij een tracé van 5 kilometer of meer. Wijzigingen of uitbreidingen van wegen die niet als autoweg of autosnelweg kwalificeren zijn bovendien m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer sprake is van de verlegging of verbreding van bestaande wegen van twee rijstroken of minder tot wegen met vier of meer rijstroken.

De Stationssingel kwalificeert niet als autoweg en wordt bovendien een tweebaansweg, met een lengte die aanzienlijk korter is dan 5 kilometer. Het project valt dan ook niet onder de categorieën in de C- en D-lijsten van het Besluit m.e.r., zodat een m.e.r.-beoordeling formeel achterwege kan blijven. De gemeente Leiden acht de gevolgen voor het milieu bovendien voldoende onderzocht in de voorgaande sectorale hoofdstukken, met betrekking tot de aspecten geluidhinder, luchtkwaliteit en verkeerskundige doorstroming.

4.9 Water

4.9.1 Beleidskader

Nationaal Waterplan 2009-2015

Het Nationaal Waterplan is een structuurvisie die in december 2009 door het Rijk is vastgesteld als opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding en de belangrijkste kaders voor de landelijke waterhuishouding beschrijft. Het Nationaal Waterplan richt zich met name op landelijke watersystemen en het bieden van ruimte voor die systemen op de tijdstippen dat ruimte nodig is, bijvoorbeeld met behulp van de beschikbaarstelling van uiterwaarden bij grote rivieren. Het Nationaal Waterplan heeft geen direct raakvlak met dit bestemmingsplan, omdat in het plangebied geen bovenlokale watersystemen aanwezig zijn.

Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015

In het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland is de provinciale sturingsvisie met betrekking tot de waterhuishouding in de provincie voor de periode tot 2015 aangegeven. De provinciale rol in het waterveld spitst zich met name toe op kaderstelling en toezicht. Voor de provincie Zuid-Holland zijn vier kernopgaven geformuleerd, waar het provinciale waterbeleid zich met name op richt. De vier kernopgaven zijn in het waterplan vervolgens verder uitgewerkt en betreffen:

  • het waarborgen van de waterveiligheid;
  • het realiseren van mooi en schoon water;
  • de ontwikkeling van een duurzame (zoet)watervoorziening;
  • het realiseren van een robuust en veerkrachtig watersysteem.

Waterbeheerplan 2010-2015

Het plangebied voor dit bestemmingsplan valt geheel binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het beheer van een deel van de watergangen en de bijbehorende kunstwerken in het plangebied, en heeft in het kader van die taak beleidsregels vastgesteld in het zogenaamde Waterbeheerplan. Onder het motto 'droge voeten en schoon water' staat het werk van het hoogheemraadschap in het teken van drie hoofddoelen: veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water, inclusief goed beheer van de afvalwaterketen. Het zwaartepunt ligt bij de verbetering van regionale keringen, implementatie van de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Bestuursakkoord Water, renovatie van boezem- en poldergemalen en het uitvoeren van het reguliere baggerprogramma voor polder en boezem.

Keur en Beleidsregels 2009

Per 22 december 2009 is een nieuwe Keur in werking getreden, evenals nieuwe Beleidsregels, die in 2011 geactualiseerd zijn. De beleidsmatige uitgangspunten en ambities uit het bovengenoemde Waterbeheerplan 2010-2015 zijn in de Keur vertaald in bindende regels voor burgers en gemeenten, om het hoogheemraadschap gereedschap te geven de beleidsdoelstellingen te kunnen naleven, laten naleven en handhaven.

De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor:

  • waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden),
  • watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten en beken),
  • andere waterstaatswerken (onder andere bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).

De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als het hoogheemraadschap daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Watervergunning op grond van de Keur. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de bijbehorende 'Beleidsregels en Algemene Regels Inrichting Watersysteem 2011 Keur' is onder andere bepaald in welke gevallen een Watervergunning wordt afgegeven, om ontheffing te verlenen van een verbodsbepaling in de Keur.


Handreiking Watertoets

Om te kunnen borgen dat gemeenten bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen of het verlenen van omgevingsvergunningen ter afwijking van een bestemmingsplan worden gehouden aan de regels uit de Keur, is in artikel 3.1.1 Bro de verplichting opgenomen voor gemeenten om nieuwe bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen ter toetsing aan het waterschap voor te leggen. Deze toets wordt ook wel de 'watertoets' genoemd. De Handreiking Watertoets, die in december 2011 door het hoogheemraadschap is vastgesteld, bevat richtlijnen over de waterparagraaf in ruimtelijke besluiten en de manier waarop deze wordt getoetst door het waterschap.

Het Hoogheemraadschap van Rijnland biedt gemeenten de gelegenheid de planeigenschappen op een digitaal formulier in te vullen, waarna een digitale watertoets moet uitwijzen of het bestemmingsplan, het wijzigingsplan of de omgevingsvergunning een 'groot waterbelang' omvat en ook feitelijk contact met de afdeling plantoetsing van het hoogheemraadschap dient te worden opgenomen.

Verbreed gemeentelijke rioleringsplan 2007-2015

De functie van riolering is het beschermen van de volksgezondheid, het tegengaan van wateroverlast en het beschermen van het milieu. Vanwege het belang van de functie van riolering, de economische waarde van het rioolstelsel en de interacties tussen riolering, wegen en groen, is het voor de gemeente van belang een goede integrale beleidsafweging te maken. De gemeente Leiden heeft daarom in 2009 het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan vastgesteld. In tegenstelling tot het eerdere gemeentelijke rioleringsplan zijn in dit 'verbrede' plan ook de zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater opgenomen. Die taken vallen sinds de inwerkingtreding van de 'Wet verankering en bekostiging gemeentelijke watertaken' in 2008 ook onder de gemeenten.

Het gemeentelijke rioleringsplan bevat onder andere de doelstelling om het hemelwater en afvalwater los te koppelen bij nieuwe ontwikkelingen of wanneer onderhoud van het bestaande riool loskoppeling toelaat. In tegenstelling tot gemengde rioolsystemen worden het hemelwater (regenval) en afvalwater bij losgekoppelde rioolsystemen apart opgevangen en wordt het hemelwater afgevoerd naar het oppervlaktewater, terwijl het afvalwater naar de rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI) wordt getransporteerd. Dat maakt dat minder water door de RWZIs hoeft te worden verwerkt, hetgeen kostenbesparend en duurzamer is.

4.9.2 Onderzoeksresultaten

Het plangebied ligt temidden van de Meer- en Roomburgerpolder, die tot 1972 werd bemalen door de inmiddels ontmantelde en verplaatste Meerburgermolen. In dat jaar werd bemaling van de polder overgenomen door een elektrisch gemaal, dat het water vanuit de polder eveneens in de Meerburgerwatering pompte. De watering is onderdeel van het boezemgebied van Rijnland, en staat in directe verbinding met de Oude Rijn.

Bij de aanleg van de wijk Roomburg is een aanzienlijk stuk van het noordelijke deel van de polder bij het boezemgebied getrokken. De sloten die langs park De Bult en langs de Besjeslaan zijn gegraven, zijn in directe verbinding met het Rijn- en Schiekanaal gesteld en omzoomd door waterkeringen. Het gebied tussen de Minervalaan, Senecastraat, Concordiastraat, Willem van der Madeweg en Drususlaan is nog wel onderdeel van de polder.

In het kader van de ontwikkeling van Verde Vista Meerburg wordt ook aan de zuidkant van de snelweg een stuk van de aanvankelijke polder bij het boezemgebied getrokken. De waterkering wordt daartoe verplaatst naar de Stadhouderslaan en de verlegde sportvelden voor VV Meerburg en de beoogde woningen ten zuiden van de Stadhouderslaan worden omzoomd door sloten die in verbinding staan met de Meerburgerwatering. De verlegging van de waterkering is al opgenomen in de Legger van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het gebied ten noorden van de Stadhouderslaan, waaronder het plangebied behorend bij dit bestemmingsplan, blijft onderdeel van de polder.

Voor een goede waterhuishouding wordt de tunnelbak van de verdiepte A4 aan beide zijden geflankeerd door een aantal poldersloten. De aanleg daarvan vloeit voort uit het Tracébesluit A4/Cronesteyn en de plannen voor Verde Vista Meerburg, en is reeds goedgekeurd door het Hoogheemraadschap van Rijnland in het kader van de watertoets voor beide plannen. De bouw van het viaduct over de A4 en aanleg van de Stationssingel is daarbij betrokken. Dit bestemmingsplan leidt zodoende niet tot een toename van de verharding of een wijziging in het oppervlak aan open water, ten opzichte van de al eerder in het kader van de Keur verleende vergunning V55931 van 20 februari 2013. In het bestemmingsplan wordt daarnaast geen programma toegevoegd dat afvalwater produceert en zodoende van invloed is op het functioneren van het riool.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de in de vorige hoofdstukken toegelichte beoogde ruimtelijke situatie in het plangebied juridisch is vertaal in planregels en de bijbehorende verbeelding.

De regels bevatten bepalingen voor het gebruik van de gronden het oprichten van bebouwing op of onder die gronden. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels en vervult een functie in de visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers én gemeente bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch gezien ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

5.2 Opzet en volgorde van de regels

De regels zijn, conform de SVBP2012, ondergebracht in een viertal hoofdstukken:

  • Hoofdstuk 1: Inleidende regels;
  • Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels;
  • Hoofdstuk 3: Algemene regels;
  • Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels.

Hierna wordt kort ingegaan op de inhoud van de regels per hoofdstuk.

5.3 Uitleg van de regels

5.3.1 Inleidende regels

Begrippen (artikel 1)

In de begrippenlijst zijn begrippen omschreven om interpretatieverschillen te voorkomen. De begripsbepalingen zijn niet uitputtend bedoeld. Enkel de belangrijkste en doorgaans onbekende begrippen zijn opgenomen in dit artikel. Wanneer een begrip niet opgenomen is in dit eerste artikel en er ontstaat een interpretatieverschil, dan is het normale taalgebruik zoals vastgelegd in het Van Dale-woordenboek maatgevend.

Wijze van meten (artikel 2)

De wijze van meten beschrijft hoe de genoemde maatvoeringen in de diverse bestemmingsbepalingen gemeten dienen te worden.

5.3.2 Bestemmingsregels

Verkeer (artikel 3)

Het kruispunt tussen de Willem van der Madeweg en de Fortunaweg, waarop ook de beoogde Stationssingel wordt aangesloten, evenals de bermen, naastgelegen fietspaden en trottoirs, hebben de bestemming 'Verkeer' gekregen. Binnen de bestemming is langzaam verkeer, gemotoriseerd verkeer en openbaar vervoer toegestaan met de bijbehorende voorzieningen, waaronder wegen, fietspaden, trottoirs, bermen en bouwkundige voorzieningen ter regulering van het verkeer, zoals stoplichten, verkeersborden en lantaarnpalen. Ook groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen zijn toegestaan, waaronder duikers, kabels- en leidingen en waterpartijen.

In tegenstelling tot de aanvankelijke bestemming 'Verkeer', dat op basis van het bestemmingsplan 'A4/Cronesteyn' op de grond lag, is in deze bestemming geen specifieke regeling over het aantal toegestane rijbanen opgenomen. Aan weerszijden van het kruispunt blijft immers de verkeersbestemming uit het voorgaande bestemmingsplan van kracht, waardoor geborgd is dat het aantal rijbanen op de Willem van der Madeweg beperkt blijft tot 2x1 rijbanen. Daarbij worden voorsorteerstroken niet meegerekend. De dubbele rijbanen voor rechtuitrijdend verkeer, die de Willem van der Madeweg aan weerszijden van het kruispunt krijgt over een lengte van enkele honderden meters, worden gezien als voorsorteerstroken. Even verderop, nog ruimschoots voor de kruispunten met de De Heyderweg en Hoge Rijndijk, voegt de Willem van der Madeweg zich immers weer tot twee maal één rijbaan.

Verkeer - Snelweg (artikel 4)

De gronden die in het bestemmingsplan 'A4/Cronesteyn' reeds de bestemming 'Verkeer-Snelweg' hadden, hebben die bestemming ook nu weer gekregen. Binnen de bestemming is een (verdiepte) snelweg toegestaan met alle bijbehorende voorzieningen, conform het 'Tracébesluit A4 Burgerveen-Leiden (2009)'. In aanvulling op de vigerende planologische regeling is ook het gebruik van een overkluizing cq viaduct over de snelweg ten behoeve van gemotoriseerd en langzaam verkeer toegestaan, zodat de Stationssingel kan worden aangelegd. De Stationssingel mag op basis van de regels uit maximaal 2x1 rijbaan bestaan, waarbij ook hier voorsorteerstroken buiten beschouwing blijven bij het bepalen van het aantal aanwezige rijbanen.

Waarde - Archeologie 5 (artikel 5)

Conform het gemeentelijke archeologiebeleid zijn de binnen het plangebied voorkomende archeologische verwachtingswaarden als archeologische dubbelbestemming opgenomen. In dit plan betreft dat de gronden ter plaatse van de bestemming 'Verkeer', bij de Willem van der Madeweg. Hier heeft geen archeologisch onderzoek plaatsgevonden op basis waarvan de aanwezigheid van archeologische waarden kon worden uitgesloten. Een dergelijk onderzoek is nog niet noodzakelijk geweest, omdat de beoogde reconstructie van het kruispunt niet gepaard zal gaan met bodemingrepen over de gestelde oppervlakte en diepte, waarvoor een onderzoek noodzakelijk is.


Het tracé van de snelweg na reconstructie wordt uitgezonderd van deze dubbelbestemming, zoals dat ook reeds het geval is in het vigerende bestemmingsplan 'A4/Cronesteyn'. Op basis van archeologisch onderzoek in het kader van het Tracébesluit was het gebied al vrijgegeven van nader archeologisch onderzoek.

5.3.3 Algemene regels

Antidubbeltelregel (artikel 6)

De antidubbeltelregel bepaalt dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft.

De antidubbeltelregel is opgenomen in het Bro2008 met de verplichting deze over te nemen in het bestemmingsplan. De Wro bevat een algemeen verbod om de gronden en bebouwing in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken. Dit hoeft dus niet in de regels te worden opgenomen. Hetzelfde geldt voor de strafbepaling.

Algemene bouwregels (artikel 7)

De algemene bouwregels bevatten bepalingen over ondergronds bouwen. Ondergronds bouwen is toegestaan op plaatsen waar dat ook bovengronds is toegestaan. Op basis van dit artikel geldt dat de wanden, keldervloer en andere onderdelen van de tunnelbak van de A4 mogen worden gebouwd. Bovengronds zijn hier immers ook bouwwerken toegestaan. Voor het ondergronds bouwen geldt in tegenstelling tot het bovengronds bouwen geen maximale dieptemaat.

Algemene afwijkingsregels (artikel 8)

Op grond van de algemene afwijkingsregels kan afgeweken worden van het bestemmingsplan in verschillende specifieke gevallen. Het betreft hier bijvoorbeeld het afwijken van de maatvoering, overschrijding van bouwgrenzen en ondergeschikte dakopbouwen.

Overige regels (artikel 9)

De overige regels verwijzen naar andere wetgeving die relevant is voor het bouwen, zoals de bouwverordening.

5.3.4 Overgangs- en slotregels

Overgangsregels (artikel 10)

Het overgangsrecht is evenals de antidubbeltelregel opgenomen in het Bro2008 met de verplichting deze over te nemen in het bestemmingsplan. De overgangsregels bevatten bepalingen omtrent het voortzetten van gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mits dat gebruik wel was toegestaan onder het voorheen geldende planologische regime.

Eenzelfde regeling is opgenomen voor bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering zijn, dan wel gebouwd kunnen worden krachtens een bouwvergunning of omgevingsvergunning. Indien zo'n bouwwerk afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, het bouwwerk

    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

Slotregels (artikel 11)

In de slotregels worden de regels van dit bestemmingsplan aangehaald.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Het onderhavige bestemmingsplan heeft uitsluitend tot doel om de aanleg en het gebruik van de Stationssingel, de beoogde primaire ontsluitingsroute voor de nieuwe wijk Verde Vista Meerburg, planologisch te faciliteren. De aanleg van een dergelijke ontsluitingsweg valt niet onder de gevallen genoemd in artikel 6.2.1 Wro. De vaststelling van een exploitatieplan is dan ook niet vereist.

De kosten voor de aansluiting worden gedekt uit de exploitatie voor het project W4. De partijen betrokken bij de verbreding en verdiepte inpassing van de A4 alsmede de ontwikkeling van de bij het project behorende deelgebieden (waaronder Verde Vista Meerburg), zijn op basis van de onderlinge Overeenkomst W4 gehouden een deel van de opbrengsten uit de exploitatie van de verschillende deelgebieden in een ontwikkelingsreserve voor de aanleg van gemeenschappelijke voorzieningen te storten, waaruit onder meer de aanleg van de beoogde ontsluitingsweg zal worden betaald en waaruit de bouw van het viaduct zelf reeds is betaald.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Algemeen

Een bestemmingsplan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zijn. Dat wil zeggen dat de voorgenomen ontwikkelingen, die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan, zijn besproken met belanghebbenden, zodat het bevoegd gezag een goede afweging kan maken tussen eventuele conflicterende ruimtelijke belangen. Hiertoe wordt een bestemmingsplan pas vastgesteld na het doorlopen van enkele informatie- en participatiefasen.

6.2.2 Vooraankondiging en vooroverleg

Overeenkomstig het gestelde in artikel 1.3.1 Bro is eerst een vooraankondiging over de opstelling van dit bestemmingsplan gedaan om belanghebbenden te informeren. Gelijktijdig is het plan bij de provincie en het Hoogheemraadschap van Rijnland aangemeld voor vooroverleg, en heeft overleg plaatsgevonden met de gemeente Zoeterwoude, in het kader van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

6.2.3 Zienswijzen

Na vrijgave van het ontwerp bestemmingsplan door het College van Burgemeester en Wethouders van Leiden wordt het ontwerp voor een periode van zes weken ter inzage gelegd voor het indienen van zienswijzen. Alle zienswijzen die tijdens die termijn zijn verstuurd worden betrokken bij de uiteindelijke vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad. Zienswijzen kunnen de gemeenteraad ertoe bewegen het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen.

Voordat het bestemmingsplan aan de gemeenteraad wordt aangeboden ter vaststelling, worden de zienswijzen alvast gebundeld en in concept beantwoord door het College in een aparte zienswijzennota of in deze paragraaf. De collegebeantwoording van de zienswijzen wordt voorafgaand aan de behandeling door de raad verstuurd aan de indieners van een zienswijze.