direct naar inhoud van 4.4 Milieu
Plan: Hogewoerd e.o.
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0546.BP00050-0101

4.4 Milieu

In deze paragraaf komt eerst het beleid van de verschillende milieu aspecten aan bod. Daarna wordt dit per onderdeel beschreven.

4.4.1 Beleidskader
4.4.1.1 Europees en nationaal

Nationaal Milieubeleidsplan 4 (2001)

Voor een groot aantal knelpunten kan nog niet aan de minimale milieukwaliteitcondities worden voldaan. Daarom krijgt het stedelijk gebied in het Nationaal Milieubeleidsplan 4 (NMP 4) extra aandacht. Het gaat om gezondheidsverlies door luchtvervuiling (NO2 en fijn stof), geluidhinder of te grote risico's op calamiteiten.

Volgens het NMP 4 staat de kwaliteit van de leefomgeving onder druk door een opeenstapeling van milieuproblemen, die onder andere veroorzaakt worden door de intensiteit van het verkeer, de ouderdom van de bebouwing, de bedrijvigheid en de beperkte aanwezigheid van groen. Om de milieukwaliteit van de stad te vergroten moeten lawaai, lucht, bodem- en (grond)waterverontreiniging worden aangepakt.

Flora- en faunawet

Werkzaamheden die worden uitgevoerd om ontwikkelingen mogelijk te maken, kunnen mogelijk aanwezige natuurwaarden verstoren of aantasten. Om deze reden dient, in het kader van de Flora- en faunawet, een ecologische toets uit te worden gevoerd om het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de aanwezige natuurwaarden inzichtelijk te kunnen maken. In het kort komen verplichtingen in het kader van de Flora en faunawet op het volgende neer:
- onderzoeken of er beschermde planten of dieren voorkomen in het te ontwikkelen gebied;
- voorkómen van verstoring van deze beschermde planten en dieren;
- eventueel vóóraf bieden van een alternatief voor de gevonden soorten (bijvoorbeeld in de vorm van vervangende verblijfplaatsen);
- eventueel aanvragen van een ontheffing met een gedegen ecologische onderlegger en/of compensatieplan.
De flora- en faunawetgeving is sinds februari 2005 gewijzigd. Hierbij is het beschermingsregime voor algemeen voorkomende soorten verlicht en kan het aanvragen van ontheffingen voor een aantal beschermde soorten worden voorkomend als gewerkt wordt volgens een gedragscode. De gemeentelijke Gedragscode voor ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden en het daarbij horende ecologische toetsingskader geeft inzicht in de diverse verplichtingen die dit met zich meebrengt en kan op elk stedelijk project worden toegepast.

4.4.1.2 Provinciaal en regionaal

Regionaal Milieubeleidsplan (2003-2010)

De landelijke doelstelling uit het NMP 4 is ook de doelstelling voor de bij de Milieudienst aangesloten gemeenten. De doelstelling is: 'een gezond en veilig leven, in een aantrekkelijke leefomgeving, te midden van een vitale natuur, zonder de mondiale diversiteit aan te tasten of natuurlijke hulpbronnen uit te putten, hier en nu en elders en later'. Enkele relevante beleidsuitgangspunten uit het concept Milieubeleidsplan zijn:

- Water, natuur, groen, energie en openbaar vervoer zijn sturende elementen bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. De landschappelijke onderlegger, inclusief bodemtypologie, het watersysteem, en natuur- en landschappelijke waarden vormen het hoofduitgangspunt voor de inrichting van de ruimte. Zo wordt er niet gebouwd in waardevolle gebieden zoals de ecologische structuur en juist wel op locaties waar veel mensen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer.

- Herstructureren van woon- en werkgebieden heeft voorrang op uitbreiden.

- Waar mogelijk worden intensief- en meervoudig ruimtegebruik sterk bevorderd. In stedelijke gebieden wordt gedacht aan gestapelde bouw, in randmilieus kan worden gedacht aan 'compacte buurten in het groen'.

- Bestaande bedrijventerreinen worden zo duurzaam mogelijk (her)ingericht. Tenminste is er sprake van parkmanagement, aandacht voor energie, water en inpassing natuur- en cultuurwaarden.

4.4.1.3 Gemeentelijk

Geluidskaart Leiden (2007)

In het kader van de EU-richtlijn Omgevingslawaai heeft Leiden een geluidskaart en actieplan gemaakt om de geluidssituatie in beeld te brengen. De richtlijn richt zich vooral op het vaststellen, beheersen en waar nodig gewenst verlagen van geluidsniveaus in de leefomgeving. Het toepassingsgebied beperkt zich tot een aantal gedefinieerde brontypen, te weten schadelijke en hinderlijke effecten door weg- en railverkeer en luchtvaart van een zekere omvang, alsmede specifieke vastgelegde industriële activiteiten.

Uit de geluidskaarten blijkt dat er in Leiden een relatief beperkt deel van de bevolking blootgesteld is aan ernstige geluidhinder. Het binnenstedelijk wegverkeer vormt verreweg de belangrijkste bron en leidt bij circa 3.300 woningen tot geluidsbelastingen met een gezondheidsrisico. In het actieplan worden de acties beschreven die de gemeente wil uitvoeren in de planperiode 2008 - 2013, om deze situatie te verbeteren. Leiden wil de geluidbelasting terugbrengen door in de eerste plaats maatregelen aan de bron te nemen. Dat zijn maatregelen die leiden tot minder verkeer én tot verkeer dat minder geluid produceert.

Zulke maatregelen worden ook in het kader van de luchtkwaliteit al overwogen.

Voor geluid denkt de gemeente aan toepassing van stille wegdekken op knelpuntsituaties. Als zo'n stil wegdek wordt aangelegd op het moment dat een wegdek tóch al aan vervanging toe is, zijn de kosten beperkt.

Spoorweglawaai leidt in Leiden ook tot ernstige geluidhinder, maar de prioriteit daarvan is duidelijk ondergeschikt aan die van wegverkeer.

Het geluid van bedrijven vormt in Leiden geen knelpunt.

Vliegtuiglawaai wordt in Leiden wel als bron van geluidhinder ervaren, veroorzaakt door vliegverkeer van en naar de luchthaven Schiphol. De maatregelen om deze hinder te reduceren vallen buiten de competentie van de gemeente. Daarom komen deze maatregelen in het actieplan niet aan de orde.

Geluidsnota Leiden (2004)

Met de vaststelling van de geluidsnota in 2004 heeft het gemeentebestuur van Leiden het beleid ten aanzien van geluidhinder vastgesteld. Geluid wordt sinds die vaststelling als speerpunt voor het milieubeleidsplan beschouwd, integraal aangepakt en het beleid wordt

gebiedsgericht ingevuld. Uitgangspunt van die geluidsnota uit 2004 is, dat er voor ieder gebiedstype een passend geluidsniveau is vastgesteld. In het drukke, levendige centrum is dit vanzelfsprekend een ander geluidsniveau dan in een rustige woonwijk. Per gebiedstype is er in de geluidsnota een bovengrens vastgesteld, die de gemeente niet wil overschrijden. Daarmee legt de geluidsnota vooral vast, hoe de gemeente in toekomstige situaties met geluid wil omgaan en biedt de geluidsnota een beoordelingskader voor de bestaande situaties in de stad.

Besluit bodemkwaliteit (2008)

Medio 2008 is het Besluit bodemkwaliteit van kracht geworden. Dit vervangt het Bouwstoffenbesluit en de Vrijstellingsregeling grondverzet. Het besluit biedt de mogelijkheid om ten aanzien van bodembeheer te kiezen voor een landelijk geldend 'generiek beleid', dan wel zelf 'gebiedsspecifiek' beleid op te stellen. Hangende deze keuze geldt in het gebied van de Milieudienst West-Holland het 'overgangsbeleid' uit het Besluit bodemkwaliteit. Dat betekent dat voorlopig het nu geldende bodembeheerbeleid nog van kracht is. Voorlopig geldt derhalve nog dat grondverzet is toegestaan:

  • Als de nu nog geldende bodemkwaliteitskaarten dat toestaan.
  • Op basis van het 'één op één beleid' beleid uit de regionale nota Bodembeheerbeleid.
    Dat behelst dat grondverzet altijd is toegestaan als de toe te passen grond beter van kwaliteit is als de ontvangende bodem en de toe te passen kwaliteit voldoet aan de bodemgebruikswaarde die hoort bij de functie (bestemming) van de locatie.

Zodra de definitieve keuze is gemaakt ten aanzien van het nieuwe beleid en dit bestuurlijk is vastgesteld vervalt het overgangsbeleid.

Luchtkwaliteitsplan 2005-2010

De rapportage luchtkwaliteit van 2003 heeft laten zien dat in Leiden sprake is van een plandrempeloverschrijding van één van de stoffen uit het Besluit luchtkwaliteit, de jaargemiddelde stikstofdioxideconcentratie.

In het 'Luchtkwaliteitsplan Leiden 2005-2010', vastgesteld op 31 januari 2006, wordt een overzicht gegeven van de maatregelen die in de gemeente Leiden al uitgevoerd zijn, en nog moeten worden uitgevoerd om in 2010 wél aan de eisen van het Besluit luchtkwaliteit te voldoen. Een berekening van het effect van deze maatregelen toont aan dat mits het beleid ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd, de luchtkwaliteit zodanig zal verbeteren dat in 2010 waarschijnlijk aan de grenswaarde zal worden voldaan.

In het Luchtkwaliteitsplan Leiden 2005-2010 wordt op basis van berekeningen geconcludeerd dat als gevolg van reeds of bijna vastgesteld beleid, de luchtkwaliteit in de gemeente zal verbeteren. Met uitzondering van de Plesmanlaan zullen alle in het beleid onderzochte gevoelige locaties in 2010 voldoen aan stikstofdioxidenorm. Op de Plesmanlaan zullen aanvullende maatregelen genomen moeten worden indien de aanleg van de eventuele Rijnlandroute niet voldoende verbetering bewerkstelligt.

Op de Hooigracht, Kooilaan, Langegracht, Morsweg en Willem de Zwijgerlaan zal in 2010 nog sprake zijn van een overschrijding van de daggemiddelde norm voor fijnstof. Het Luchtkwaliteitplan Leiden benoemt een aantal mogelijke maatregelen om ook met betrekking tot fijnstof in 2010 te kunnen voldoen aan de gestelde norm. Het gaat bijvoorbeeld om het instellen van een groene golf, een zuiniger gemeentelijke wagenpark en diverse bewustwordingscampagnes. De komende periode zal worden benut voor onderzoek naar de wenselijkheid en haalbaarheid van de maatregelen, en toepassing ervan.

Het Luchtkwaliteitsplan Leiden 2005-2010 geeft aan dat ook aandacht moet worden besteed aan het voorkomen van nieuwe knelpunten. Voor bestemmingsplannen die ontwikkelingen mogelijk maken geldt dat per plan een luchtkwaliteitsonderzoek moet plaatsvinden. In het geval van overschrijdingen kunnen oplossingen gevonden worden in de maatregelen uit het Luchtkwaliteitsplan. Daarnaast wordt ernaar gestreefd om op locaties waar veel mensen wonen of zich voornamelijk gevoelige groepen (ouderen, zieken, kinderen) bevinden, of bij sportterrein waar mensen zich intensief fysiek inspannen, uit te gaan van luchtkwaliteitwaarden die aanmerkelijk lager liggen dan de wettelijke grenswaarden.

Notitie Speelruimte voor de Jeugd in Leiden (2006) en Speelruimtebeleidsplan (1995; evaluatie 2000)
Doelstellingen van het Speelruimtebeleidsplan zijn o.a.een kwalitatieve en kwantitatieve verdeling van speelvoorzieningen over de stad, het creëren van ruimte voor jongeren (12-18 jaar), meer avontuurlijke speelplekken en ook om de scheiding tussen openbare speelplekken en speeltuinen op te heffen.

Gedragscode voor ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden (2005)
Deze Gedragscode voor ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden dient als leidraad voor ruimtelijke projecten waarbij sprake is van een functieverandering of werkzaamheden waarbij sprake is van een ruimtelijke verandering (zoals sloop, grondwerk of bouw). Het volgen van de gedragscode bij ruimtelijke ontwikkelingen minimaliseert de kans op conflicten met de Flora- en faunawet. Het Ecologisch toetsingskader voor stedelijke projecten (2003) en het Stadsnatuurmeetnet vormen de basis van de Gedragscode.

Algemeen relevant groenbeleid

Het groenbeleid van de gemeente Leiden is onder andere vastgelegd in de Bomennota (1993) en de Kaderstelling Bomenbeleid 2004 - 2014 (actualisatie Bomennota), het Speelruimtebeleidsplan (1995; evaluatie 2000) en het Ecologisch Beleidsplan Leiden (EBL 1998; uitvoeringsprogramma 2002 en 2006). Leiden hanteert een groennorm van 75 m² per woning en een boomnorm van 0,9 boom per woning bij ontwikkelingen. Het volgen van de Gedragscode voor Ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden minimaliseert de kans op conflicten met de Flora- en faunawet. In 2008 is het uitvoeringsplan GroenActiePlan (GAP) vastgesteld.

Kaderstelling Bomenbeleid (2004 - 2014; actualisatie Bomennota 1993)
De Bomennota heeft vier hoofddoelstellingen voor het ruimtelijk, beheersmatig en juridisch beleid: het aanvullen van structuurvormende bomenrijen, het beschermen van bomen (Bomenverordening), het verbeteren van groeiplaatsomstandigheden van bomen, het versterken van stadland relatie door sortimentskeuze van bomen.

Ecologisch Beleidsplan Leiden (1998)
Het uitgangspunt van het Ecologisch Beleidsplan Leiden (EBL) is om de natuur mee te laten tellen als bewoner van de stad. Hierbij moeten de kansen om de natuur de stad in te halen optimaal worden benut en bedreigingen voor die natuur zoveel mogelijk worden beperkt, rekening houdend met de multifunctionaliteit van de stad en haar stedelijk groen.

De hoofddoelstellingen van het ecologisch beleidsplan zijn:
"Het complementeren dan wel opstellen van een gebiedsdekkend plan voor een duurzame ecologische groenstructuur van 'groene' en 'blauwe' verbindingen vanuit het buitengebied de stad in".
"Door middel van inrichting, communicatie en regelgeving de Leidse Ecologische Structuur (LES) versterken".
"Profielen, beheermethoden en sortimentskeuze koppelen aan de LES".

4.4.2 Bodem

Door de Milieudienst is een inventarisatie gemaakt van de meest relevante bodemgegevens uit het plangebied. Deze is weergegeven in bijlage 3. Gebleken is dat van het grootste deel van het plangebied de bodemkwaliteit niet bekend is. In het gebied liggen enkele locaties die vanuit de Wet Bodembeschemrming relevant zijn. Deze zogenaamde Wbb-locaties zijn nog niet allemaal afdoende gesaneerd.

De locaties waarvan bekend is dat de bodem ernstig vervuild is, zijn:

  • Hogewoerd 32: De sterke verontreiniging is nog in onderzoek, maar levert geen directe risico's op.
  • Hogewoerd 93-95: Het saneringsplan voor het verwijderen van de verontreiniging is inmiddels ingediend en goedgekeurd. De sanering zelf dient nog uitgevoerd te worden door de eigenaar van het perceel.
  • Hogewoerd 164: De verontreiniging van de locatie zelf is gesaneerd. Onder het wegdek is de verontreiniging nog in onderzoek. De isolatie, in de vorm van het wegdek, zorgt ervoor dat de risico's minimaal zijn. Gemeente Leiden zal het verdere vervolg bekijken en eventueel stappen ondernemen om de verontreiniging te saneren.
  • Levendaal 126-128/ Dwarsbolwerkstraat 2-4: Er zijn in de jaren '90 verontreinigingen met minerale olie aangetroffen onder het wegdek. Deze verontreinigingen in het grondwater zijn nog in onderzoek. Het wegdek vormt de isolatie van de verontreiniging. Hierdoor zijn de humane risico's minimaal. Gemeente Leiden zal het verdere vervolg in de gaten houden en eventueel stappen ondernemen om de verontreiniging in kaart te brengen en te verwijderen.

De locaties Hogewoerd 8-10, Hogewoerd 148, Hogewoerd 158, Levendaal 71-79 en Levendaal 80 zijn gesaneerd en worden als afgerond beschouwd.

Verspreid over het plangebied is een aantal tanks aanwezig. Hiervan zijn enkele conform KIWA-richtlijnen/ BOOT gesaneerd. Van anderen is geen informatie bekend. De in bijlage 3 weergegeven locaties onder het kopje Historisch bedrijvenbestand zijn geselecteerd op basis van potentieel risico (NSX score hoger dan 300).

Over het algemeen geldt dat een bodemonderzoek noodzakelijk is bij het wijzigen van de bestemming, de aanvraag van een bouwvergunning of graafwerkzaamheden. Ernstige, maar niet spoedeisende bodemverontreiniging hoeft alleen te worden gesaneerd bij (her)ontwikkeIing van een locatie. Spoedeisende en daarmee zeer risicovolle bodemverontreiniging dient uiterlijk in 2011 (bij humane risico's) dan wel 2015 (bij ecologische en/of verspreidingsrisico's) aangepakt te zijn Van de eerste groep is in het plangebied vrijwel zeker geen sprake. Bij de Milieudienst loopt momenteel nog een (landelijk gecoördineerd) project om inzicht te krijgen in het totaal aantal spoedlocaties in Leiden. Tot slot wordt opgemerkt dat indien er grond wordt afgevoerd of toegepast op de locatie, dit conform de van overheidswege gestelde regels dient plaats te vinden. In het bijzonder wordt gewezen op het Besluit bodemkwaliteit. (zie Bijlage 3 voor de volledige lijst met bodeminventarisaties).

4.4.3 Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht wanneer de locaties binnen de onderzoekszones van wegen, spoorwegen of gezoneerde industrieterreinen vallen. Ook voor 30 km/uur-wegen geldt een onderzoeksplicht in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

Voorliggend bestemmingsplan legt de bestaande situatie vast. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt ten behoeve van geluidsgevoelige functies. De ontwikkelingen die mogelijk zijn gemaakt via een vrijstellingsprocedure en die zijn opgenomen in dit bestemmingsplan, zijn in het kader van de gevoerde vrijstelling getoetst aan de geluidsnormen. Een akoestisch onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder hoeft daarom niet te worden uitgevoerd.

4.4.4 Luchtkwaliteit

Volgens de Wet milieubeheer is het nodig een planontwikkeling te toetsen aan luchtkwaliteitseisen. Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden, met als doel om alle overschrijdingen van de luchtkwaliteitsnormen op te lossen. Het NSL omvat een omvangrijk pakket maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren.

Alleen projecten die 'niet in betekende mate' (NIBM) bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging wanneer aannemelijk is (door berekening of motivering) dat de 3% grens niet wordt overschreden. Deze grens is 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Dit criterium is een 'of-benadering', wanneer een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechterd het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.

De 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld:

  • a. woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen;
  • b. kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.

Dit bestemmingsplan maakt geen directe ontwikkelingen mogelijk, waardoor de luchtkwaliteit ter plaatse niet zal verslechteren. Derhalve is geen nadere verantwoording noodzakelijk naar het aspect luchtkwaliteit. Voor nieuwe ontwikkelingen geldt dat moet worden aangetoond dat de luchtkwaliteit niet verslechterd, of dat deze vallen in de NIBM-categorie.

4.4.5 Externe veiligheid

Externe veiligheid is in geringe mate relevant voor het bestemmingsplan. Uit de onderstaande figuur, afkomstig uit de provinciale risicokaart, kan worden afgeleid dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00050-0101_0003.png"

  • 1. het plangebied ligt niet in het effectgebied van bedrijven waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of geproduceerd. De dichtstbijzijnde EV relevante bedrijven liggen op meer dan 900 meter afstand (de IJshal, E.on, LUMC);
  • 2. het plangebied ligt op meer dan 1400 meter van de N206 (Churchilllaan), de locatie ligt buiten het effectgebied van de N206;
  • 3. de dichtstbijzijnde hoge drukaardgasleiding ligt op meer dan 800 meter afstand;
  • 4. het plangebied ligt op 1400 meter van de A4. Over de A4 worden toxische vloeistoffen van de categorie LF3 getransporteerd. Deze stoffen hebben een effectgebied van circa negen kilometer, zodat het plangebied Hogewoerd wel in het effectgebied van de A4 ligt.

Uit een risicoberekening van AVIV blijkt dat het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde ligt. Bestemmingsplan Hogewoerd wordt een conserverend bestemmingsplan en zal geen invloed hebben op de hoogte van het groepsrisico.

De conclusie is dan ook dat externe veiligheid geen belemmering is voor het plan.

4.4.6 Bedrijven en milieuzonering

De toelaatbaarheid van bedrijvigheid kan worden gekoppeld aan de methodiek van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering editie 2009'. In deze publicatie is een bedrijvenlijst opgenomen, die informatie geeft over de milieukenmerken van typen bedrijven. De lijst is opgenomen in bijlage 1. Vervolgens wordt in de lijst op basis van een aantal indicatoren (waaronder geluid, stof, gevaar en verkeer) een indicatie gegeven van de afstanden tussen bedrijfstypen en een rustige woonwijk waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Deze afstand is gebaseerd op de grootste indicatieve afstand van de diverse indicatoren.

De lijst is algemeen aanvaard als uitgangspunt bij het opstellen van bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen, zoals onder meer blijkt uit jurisprudentie van de Raad van State. De milieuzonering is erop gericht een ruimtelijke scheiding aan te brengen tussen milieubelastende en milieugevoelige activiteiten. Van de in de brochure opgenomen lijst mag echter niet zondermeer gebruik worden gemaakt. Deze VNG-brochure heeft een indicatief en globaal karakter en dient als een hulpmiddel om te komen tot een goede afweging voor ruimtelijke ontwikkelingen.

In bijlage 2 is een lijst met in het plangebied gelegen vestigingen met milieuplichtige activiteiten weergegeven. De laatste kolom van de tabel geeft de milieucategorie op basis van bovenstaande VNG-publicatie. Uit de tabel blijkt dat er in het gebied uitsluitend vestigingen uit categorie 1 en 2 voorkomen. De meeste milieuplichtige vestigingen vallen in categorie 1. Het bestemmingsplan betreft een conserverend plan, waarin geen ontwikkelingen worden meegenomen. Bij eventuele nieuwe ontwikkelingen dient te worden getoetst aan de richtafstanden uit de VNG-brochure. In onderstaande tabel is aangegeven om welke richtafstanden het gaat.

Richtafstand (in meters) tot omgevingstype  
categorie   rustige woonwijk en rustig buitengebied   gemengd gebied  
1   10   0  
2   30   10  

4.4.7 Duurzaamheid

De gemeente Leiden vindt het duurzaam ontwikkelen van het stedelijke gebied belangrijk. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling wordt er naar gestreefd de schade aan het milieu en de menselijke gezondheid op korte en lange termijn zoveel mogelijk te beperken. Zij wil daarmee de kwaliteit en duurzaamheid van de stedelijke ontwikkeling op een zo hoog mogelijk niveau brengen.

Duurzame stedenbouw/gebiedsontwikkeling

Duurzame stedenbouw/gebiedsontwikkeling is vooral het inspelen op de kansen van de nieuwe bouwlocatie. Juist door in een vroegtijdig stadium aandacht te besteden aan de specifieke kenmerken en mogelijkheden van de bouwlocatie kan er voor gezorgd worden dat een aantrekkelijke woon- en voorzieningenomgeving ontstaat. De gemeente Leiden hanteert als uitgangspunt bij ruimtelijke plannen voor gebieden > 1 hectare hiertoe het Regionaal Beleidskader Duurzame Stedenbouw (RBDS). In het RBDS staat het beleid van de gemeente voor duurzame stedenbouw. Dit instrument is bedoeld om de milieuambities en andere duurzaamheidaspecten een volwaardige plaats te geven in de ontwikkeling van ruimtelijke plannen Duurzaamheid is hierbij ruim gedefinieerd als 'People, Planet, Profit' (PPP). Dit betekent dat naast ambities op het gebied van milieu ook maatschappelijke/sociale en economische ambities een plek hebben gekregen in het beleid.

Een ambitietabel maakt deel uit van het RBDS. Hierin is van elk duurzaamheidaspect een basisambitie (gemeentelijk beleid) en een extra ambitie geformuleerd.

De gemeente is verantwoordelijk voor het invullen van de ambitietabel. Alle relevante basisambities én minimaal een extra ambitie van één duurzaamheidthema worden in het ontwerp uitgewerkt. Uit de ingevulde tabel moet blijken of er aan het RBDS wordt voldaan.

DuBoPlus-Richtlijn

De gemeente Leiden hanteert als uitgangspunt bij bouwprojecten (woningbouw, utiliteitsbouw en de grond-, weg- en waterbouw voor zowel nieuwbouw als renovatie) de Regionale DuBoPlus Richtlijn 2008 als duurzaam bouwen-maatlat. De nagestreefde kwaliteit en duurzaamheid van het project worden op basis van een overeenkomst tussen de gemeente en de ontwikkelaar geborgd.

Voor de woning- en utiliteitsbouw worden de duurzame prestaties berekend met het instrument de GPR-Gebouw en de resultaten gepresenteerd in een schoolcijfer (1 -10). Een 7 is de regionale norm. De ontwikkelaar informeert de gemeente met een GPR-Gebouw berekening (meest recente versie of gelijkwaardig) of aan de regionale ambitie wordt voldaan. Hiertoe ontvangt de ontwikkelaar van de gemeente een gratis sublicentie GPR-Gebouw.

Voor de grond-, weg- en waterbouw geldt een maatregelenchecklist met vaste- (altijd doen) en keuzemaatregelen. Aan de hand van deze maatregelenchecklist wordt de projectambitie samengesteld, geconcretiseerd en getoetst.

Klimaatprogramma

In 2008 heeft de gemeente Leiden in samenwerking met de Milieudienst het Plan van aanpak regionaal Klimaatprogramma 2008-2012 Holland Rijnland en Rijnstreek vastgesteld.

Voor het Klimaatprogramma Holland Rijnland en Rijnstreek wordt de klimaatambitie van het kabinet als uitgangspunt genomen. In de CO2-kansenkaart is berekend, dat de kabinetsambitie een concrete CO2-reductiedoelstelling van 600 kiloton in 2030 voor onze regio betekent.

Dit klimaatbeleid is breed opgezet en bestrijkt onder meer de volgende doelgroepen: 'Woningen'; 'Bedrijven'; 'Duurzame energieproductie'; 'Bouwers en projectontwikkelaars' en 'Mobiliteit'. Dit programma kent onder meer een relatie met ruimtelijke ordening, doordat bij ontwikkelingen vanaf 50 woningen of 5.000 m2 BVO bedrijfsgebouwen de kansen voor CO2-reductie in aanmerking genomen dienen te worden en vanaf 200 woningen of 20.000 m2 BVO bedrijfsgebouwen een energievisie ontwikkeld dient te worden. Doel hierbij is om te komen tot 18 -100 % reductie van de CO2-uitstoot, afhankelijk van de schaal van de ruimtelijke ontwikkeling.