direct naar inhoud van 2.1 Geschiedenis
Plan: Hogewoerd e.o.
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0546.BP00050-0101

2.1 Geschiedenis

2.1.1 Ontstaansgeschiedenis van Leiden

Na de vorming van de strandwallen en een geleidelijke zeespiegelstijging, vanaf circa 5000 jaar geleden, werd het Hollandse landschap steeds meer afgezonderd van de directe invloeden van de zee. Na het steeds verder dichtslibben van riviermondingen in de strandwallen, verzoette het milieu en ontstond langzaam een dik veenpakket: het Holland Laagpakket. Rondom Leiden bleef de Oude Rijn een grote rol spelen in de vorming van de ondergrond. De rivier verlegde haar oevers regelmatig, en zette aan weerszijden grote hoeveelheiden klei en zand af. Achter deze oeverafzettingen ontstonden relatief hoog gelegen kreek- en geulsystemen, waar eveneens klei en zand werd afgezet.

Deze oeverafzettingen langs de Oude Rijn en aangetakte kreken vormden vanwege de hogere ligging en stevigere ondergrond van oudsher ideale vestigingsplaatsen voor ijzertijdnederzettingen.

De oudst bekende vermelding van bewoning stamt uit het jaar 860 na Christus. De dijknederzetting werd destijds aangeduid als Leithon. De eerste bebouwing werd opgericht aan de voet van de dijk op de zuidelijke oever van de Rijn, ter plaatse van de huidige Breestraat. Op het punt waar de twee Rijntakken samenvloeiden werd in dezelfde tijd een verdedigingsheuvel, een zogenaamde "motte", opgeworpen. Op de heuvel werd rond het jaar 1200 de nu nog bestaande burcht gebouwd.

De stad ontstond op een kruispunt van een aantal belangrijke water- en landwegen. De Nieuwe en de Oude Rijn voegden zich hier samen tot één rivier. De Leidse Vliet en de Mare stroomden hier in de Rijn uit. De stad had een centrale functie voor het omliggende platteland als markt- en handelscentrum.

Al snel kreeg men te maken met ruimtegebrek in de stad. In de middeleeuwen zouden uiteindelijk vier stadsvergrotingen plaatsvinden: de Hoge Woerd, de uitleg in de Waard, de uitleg in de Mare en tenslotte de uitleg van het Nieuwland en Rapenburg in 1386.

Aan de oostzijde van de Mare (nu Lange Mare) lag een zelfstandige woonkern. Aan de westzijde van de Mare lag verspreide bebouwing langs de Maredijk en de weg over de Mors. Deze bebouwing werd in 1355 gedeeltelijk binnen de stadsgrenzen gebracht. Om de stadsuitbreidingen aan te laten sluiten op de oude stad werden nieuwe bruggen tussen de stadsdelen aangelegd.

Als gevolg van de bevolkingsgroei begon men tegen het einde van de 17de eeuw de raamlanden in het Nieuwland te bebouwen. Door de groeiende welvaart van de stad was dit echter niet voldoende. De stad werd in de daaropvolgende periode verder uitgebreid. Na enkele kleinere uitbreidingen volgde in 1611 een grotere uitbreiding, ten noorden van de bestaande stad, gevolgd door meerdere stadsuitbreidingen. Na deze uitbreidingen was het gebied binnen de singels grotendeels voltooid.

In de 18de eeuw liep de welvaart sterk terug. Leiden bleef echter zijn functie als streekcentrum vervullen. Tot het laatste kwart van de 19e eeuw kwam het niet tot grote uitbreidingen buiten de singels. Langs de uitvalswegen, de Rijnoevers, De Maredijk en de Singels werden in de eerste helft van de 19e eeuw vooral buitenhuizen en bedrijven als houtzagerijen gebouwd. Tegen het eind van de eeuw werden vooral de zuidelijke singels steeds meer bebouwd met losse villa's of aaneengeschakelde huizen voor de rijkere standen. De eerste stedenbouwkundig geordende uitbreiding van Leiden buiten de singels was de wijk Vreewijk vanaf 1882.

Na de opkomst van de sociale woningbouwverenigingen breidde Leiden zich verder uit. Vanaf de jaren '10 van de vorige eeuw kwamen verschillende uitbreidingen tot stand in de Kooi, in Noord, in de Tuinstadwijk, in het Haagwegkwartier en in de Rijndijkbuurt. De wijken in het noorden waren veelal bedoeld voor de arbeiders, terwijl de uitbreidingen in het zuiden veelal werden gebouwd voor de middenklasse en de welgestelden. Pas in de periode van de Wederopbouw volgden ook aan de zuidzijde uitbreidingen met sociale woningbouw.

De uitbreidingen in de Vogelwijk en het Poelgeest- en Houtkwartier waren een direct gevolg van de grenswijziging van 1920 die dit gebied bij de gemeente Leiden trok. De tramlijn die langs de Rijnsburgerweg liep zorgde voor een goede verbinding met het centrum van de stad.

2.1.2 Geschiedenis van het plangebied

Cultuurhistorische en archeologische karakteristiek van de Hogewoerd

De Hogewoerd is een van de uitvalswegen langs de Rijn en bevindt zich op de (deels opgehoogde) oeverwal van de rivier. Al in de Romeinse tijd was dit traject een doorgaande route. Opgravingen ca. 500 meter ten westen van de locatie hebben de sporen aangetoond van een inheems-Romeinse nederzetting. Deze nederzetting lag vermoedelijk direct langs de limesweg, de weg die in de Romeinse tijd langs de noordgrens van het Rijk liep. Alhoewel verwacht wordt dat de limesweg onder of vlakbij de Hogewoerd liep, is deze tijdens archeologische begeleidingswerkzaamheden in 1986 niet aangetroffen. Kenmerkend voor de limes is de lintbebouwing die langs de weg lag. Ook in Leiden zal dergelijke bebouwing aanwezig geweest zijn.

Vanaf de middeleeuwen werd de Hogewoerd een belangrijke verkeersweg in de richting van Utrecht. De andere kant op loopt de dijk verder via de Breestraat en het Noordeinde. Al op oude kaarten is (lint)bebouwing langs de Rijn zichtbaar. Een gedeelte van het plangebied, begrensd door het Gangetje, de Korenvaarstraat, het Levendaal de Kraaierstraat en de Nieuwe Rijn kan beschouwd worden als eerste stadsuitbreiding van de oude stad. De stad Leiden zoals we die nu kennen is in een aantal stappen tot stand gekomen. Het uitbreiden van de stad was een enorme investering voor het stadsbestuur. De bestaande stadsverdediging moest worden gesloopt en opnieuw opgebouwd. Er werd pas overgegaan tot stadsuitbreiding als het echt niet langer meer kon. Voor dat het zover kwam, was er buiten de stadsgrenzen al langzaamaan bebouwing ontstaan. Zo ook in het geval van de Hoge woerd. In de middeleeuwen (waarschijnlijk einde van de 13de eeuw) was een voorstad met bewoning ontstaan op de Hoge woerd. Dit was een hoger gelegen gebied, wat het heel geschikt maakte voor bewoning. Het ontstane stedelijk weefsel was geënt op het bestaande landschap en is niet planmatig opgezet. Het resultaat was een intensief bebouwd stadsdeel met zijn verkavelingsstructuur en een veelheid aan stegen. Het gebied was omsloten door het water van de Rijn en het Levendaal. Door een brug, de Hogewoerdsbrug over de Vestgracht was de voorstad verbonden met de oude stad. Bij de stadsuitleg van 1386-89 werd de bestaande voorstad opgenomen in de stad. Met deze grote middeleeuwse stadsuitleg kreeg Leiden de omvang die zij tot in de 17de eeuw zou behouden. De stadsgrens liep tot ongeveer halverwege de huidige Hogewoerd en werd ter hoogte van de Kraaierstraat gemarkeerd door een stadspoort, de Hogewoerdspoort.

De Jorissteeg leidde via de St. Jorispoort naar een brug over het Levendaal die toegang gaf tot de st. Jorisdoelen. Deze kleine poort verloor door de middeleeuwse stadsuitbreiding zijn functie en werd daarom in de 14de eeuw gesloopt.

Het westelijke deel van het Levendaal is al in de 13e eeuw gegraven als Vestgracht van de voorstad op de Hogewoerd. Waarschijnlijk is het Levendaal ontstaan uit een verbreding van een bestaande watering. Met de stadsuitbreiding van 1386 kwam het Levendaal in de stad te liggen en werd een woongracht. Deze latere gracht was smaller dan de oorspronkelijke vestgracht. De gracht werd in 1935 gedempt. In de bodem kunnen resten aanwezig zijn van deze oude vestgracht, kademuren en de brug die over het Levendaal lagen.

De Oranjeboomstraat was in de middeleeuwen nog niet aanwezig. Deze straat is pas in 1909 aangelegd. Tot die tijd was het terrein bebouwd: tot 1452 lagen hier de St. Jorisdoelen, daarna werden er woonhuizen gebouwd. Bij archeologisch onderzoek ten westen van de Oranjeboomstraat zijn hiervan resten aangetroffen. In 1985 is op de hoek van de Oranjeboomstraat-Levendaal een opgravingen uitgevoerd waarbij enkele beerputten uit de 15e eeuw zijn aangetroffen. In 1994 heeft een archeologisch onderzoek plaatsgevonden op de hoek van de Oranjeboomstraat-Catharijnestraat. Hierbij zijn enkele kuilen en beerputten met afval van bewoning en ambachtelijke activiteiten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd gedocumenteerd.

Tegen het einde van de 16de eeuw, toen de economische voorspoed de bevolking gestaag deed groeien begonnen de middeleeuwse grenzen steeds meer te knellen. Er was te weinig ruimte om de toenemende bevolking te huisvesten en ook de industrie had geen uitbreidingsmogelijkheden meer. Goede redenen dus voor het stadsbestuur om over te gaan tot opnieuw een stadsuitbreiding. Dit vond plaats in een aantal vergrotingen, waarvan de laatste plaatsvond in 1659. Deze uitbreiding betrof het gebied ten zuiden van de haven en ten oosten van de huidige Herengracht tot aan de huidige singels. Bij deze uitbreiding kwam het oostelijk deel van de Hoge Woerd binnen de stadsgrenzen te liggen. Zoals gebruikelijk bij 17de-eeuwse stadsuitbreidingen werd deze niet meer omsloten door muren, maar door een vestingstelsel met bolwerken. De stadspoort op de Hogewoerd ter plaatse van de Kraaierstraat werd verplaatst naar het Hogewoerdsbolwerk. Deze bestond uit een binnen- en een buitenpoort. Aan de singel werd bij de poort een haventje gemaakt. De buitenpoort werd tussen 1863 en 1867 gesloopt. De binnenpoort werd in 1876 gesloopt. Bij een archeologische begeleiding in 1986 van rioleringswerkzaamheden op de Hogewoerd, zijn resten van de oude Hogewoerdspoort aangetroffen. Dit betrof de stadspoort uit de tijd voor de stadsuitleg van 1658. Naast funderingsresten is er ook een zwaardschede aangetroffen.

Karakteristiek in dit gebied is de planmatige opzet. Los van de oorspronkelijke waterlopen en verkavelingsstructuren werd een regelmatige en efficiënte indeling gemaakt. Al het werk werd keurig ingemeten en gedocumenteerd. Een groot verschil dus met de het oudste deel van de Hogewoerd met zijn kleine percelen met dichte bebouwing en vele stegen. De nieuwe aanleg heeft ruimere percelen en kent ook meer representatieve bebouwing. De volkswoningbouw met rug aan rug-woningen op kleine percelen concentreerde zich op het bouwblok gelegen tussen het Levendaal, Geregracht en de Singel. Eind van de 20ste eeuw heeft hier op grote schaal stadsvernieuwing plaatsgevonden.

Een geheel eigen karakteristiek heeft de bebouwing aan de Utrechtse Veer. Deze is onlosmakelijk verbonden met het scheepvaartverkeer in de richting Utrecht dat hier zijn vertrekpunt had.

Na 1670 raakte Leiden in verval. Het inwonertal daalde steeds verder en er werd op grote schaal gesloopt. Pas na 1850 krabbelde de stad weer een beetje op. In deze tijd ontstonden de eerste fabrieken. De kleinschalige huisindustrie die vaak verbonden was aan de textielnijverheid maakte in de loop van de 19de eeuw plaats voor meer grootschalige en diverse industrieën. Ook in het plangebied is een aantal van dit soort fabriekscomplexen terug te vinden en dan met name aan het Levendaal. Deze grote fabriekspanden zijn inmiddels niet meer in functie en zijn ofwel afgebroken ofwel herbestemd. De dekenfabriek van Wijk, gelegen tussen de Hogewoerd het Levendaal werd in 1988 ingrijpend verbouwd tot supermarkt en wooncomplex. Zeepfabriek Sanders aan het Levendaal werd eind 20ste eeuw gesloopt om plaats te maken voor een supermarkt.

Een belangrijke 19de-eeuwse ontwikkeling in het gebied was het slechten van de verdedigingswerken. Onder leiding van de gedreven stadsarchitect Salomon van der Paauw werden tussen 1830 en 1834 werklozen aan het werk gezet om de verdedigingswerken af te breken en hier een openbaar park aan te leggen. Het park was toegankelijk via de Hogewoerdsepoort en via een brug over de Binnenvestgracht bij de Kraaierstraat. Het werd een aangename plek in de stad en toen de Hogewoerdsepoort in 1867 werd afgebroken en de Vierde Binnenvestgracht werd gedempt verrezen langs de binnenrand van het Plantsoen woonhuizen voor vermogende Leidenaars.

Ook een ander werkverschaffingsproject heeft zijn sporen nagelaten in het plangebied. In de jaren '30 van de 20ste eeuw werd het Levendaal gedempt. Deze ingreep ging samen met het verbreden van de doorgang naar de Utrechtsebrug, waardoor het Plantsoen daar rigoureus doormidden werd gesneden. De tot voorheen rustige stadsgracht Levendaal veranderde hierdoor in een drukke verkeersweg. De grootste stedenbouwkundige ingreep is echter die in de noord-zuid richting: Watersteeg, St. Jorissteeg en Oranjeboomstraat. Door het dempen van het water en het slopen van bouwblokken is de oorspronkelijke hiërarchie in het plangebied verdwenen. De Hogewoerd is veranderd van een belangrijke toegangsweg met veel winkels, waar zelfs de Blauwe tram doorheen reed, in een autoluwe verkeersroute.De oorspronkelijke karakteristiek van dit gebied met dichte bebouwing en veel stegen en waterlopen is nu doorsneden door een brede verkeersader die een barrière vormt tussen de verschillende bouwblokken.

2.1.3 Demografische gegevens

Leiden

De gemeente Leiden ligt in de Randstad en behoort tot één van de grootste steden van Zuid-Holland. De stad Leiden telt circa 117.145 inwoners (peildatum 1 januari 2010). Ongeveer Ongeveer 11,9% van de inwoners van Leiden is 65 jaar of ouder. Dit percentage ligt laag, vergeleken met andere steden in Nederland. Dit is grotendeels te verklaren door de vele studenten die in Leiden wonen. Bovendien telt Leiden relatief veel allochtone jongeren. Ongeveer 21,0% van de Leidse bevolking is jonger dan 20 jaar. De totale beroepsbevolking bedraagt circa 67,1% van het totale inwonertal.

Hogewoerd e.o.

Uit het GBA komt naar voren dat op 1 januari 2010 in het plangebied 1.829 Leidenaren woonden, 34 meer dan tien jaar eerder.Er wonen veel mensen in de studentenleeftijd: bijna de helft (47%) is een twintiger; tien jaar geleden was net iets meer dan de helft (52%) een twintiger. Acht procent is jonger dan twintig (was 7% in 2000) en 44% is dertig jaar of ouder (was 40% in 2000).

In Hogewoerd zijn drie op elke vijf bewoners (61%) tussen de 20 en 34 jaar oud, nog een heel stuk hoger dan in Leiden als geheel (waar dat met ruim een kwart - 27% - al erg hoog is ten opzichte van het Nederlands gemiddelde van 18%).

De 1.829 Leidenaren die op 1 januari 2010 in het plangebied wonen, wonen op 773 verschillende adressen, gemiddeld 2,37 bewoners per adres net iets meer dan in Leiden totaal (2,30 bewoners per adres).

In het plangebied wonen relatief weinig gezinnen met kinderen (8,3% van de adressen tegenover 28,1% als Leidse gemiddelde).

In dit gebied komt ook veel kamerbewoning voor; zo wonen op 29 (4%) van de 773 adressen acht of meer alleenstaanden. In totaal wonen daar 371 personen, dat is een vijfde van het totaal aantal bewoners van het gebied.

Tabel 1 Kenmerken van de bevolking in HogeWoerd e.o. en Leiden, 1 jan 2010

    HogeWoerd e.o.     Leiden  
kenmerk     aantal   %     aantal   %  
             
totaal     1.829   100%     117.145   100%  
             
sekse              
mannen     848   46%     57.084   49%  
vrouwen     981   54%     60.061   51%  
             
leeftijd              
0 t/m 19     152   8%     24.474   21%  
20 t/m 64     1.526   83%     78.286   67%  
65+     151   8%     14.385   12%  
             
herkomst*              
Nederland     1.359   75%     84.952   72%  
niet-westers land     152   8%     17.423   15%  
westers land     318   17%     14.770   13%  
             
burgerlijke staat              
ongehuwd     1.435   78%     65.761   56%  
gehuwd / partnerschap     265   14%     38.253   33%  
gescheiden     74   4%     8.091   7%  
weduwstaat     55   3%     5.040   4%  
             
             

Bron: GBA

* herkomst: iemand is van buitenlandse herkomst als minimaal een van zijn/haar ouders is geboren buiten Nederland.