direct naar inhoud van Ruimtelijke onderbouwing
Plan: Vlietweg 28
Status: ontwerp
Plantype: omgevingsvergunning
IMRO-idn: NL.IMRO.0546.OV00016-0201

Ruimtelijke onderbouwing

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op 27 december 2012 is namens Stoeterij van Haastert een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor de bouw van een mestopslag. De stoeterij, gevestigd op het perceel Vlietweg 28, betreft een paardenpension. De aanvraag voor een mestopslag vormt een reactie op een controlebrief van de Omgevingsdienst West-Holland, waarmee het bedrijf werd aangeschreven omdat de huidige mestopslag niet aan de daarvoor geldende regels voldoet.

Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan alleen worden verleend als deze voorzien is van een goede ruimtelijke onderbouwing. Met onderhavige ruimtelijke onderbouwing, zoals bedoeld in artikel 5.20 Besluit omgevingsrecht (Bor), behorend bij de omgevingsvergunning voor de realisatie van het bouwplan wordt op alle van belang zijnde aspecten ingegaan en een passend planologisch kader geboden.

1.2 Begrenzing Plangebied

Het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning heeft betrekking op het plangebied zoals weergegeven in de bijlage plancontour bij de omgevingsvergunning. Het plangebied beslaat een deel van het kadastraal perceel sectie V, nummer 2314.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Voor het plangebied, zoals aangegeven en toegelicht in paragraaf 1.2, vigeren op dit moment de volgende bestemmingsplannen:

Naam bestemmingsplan   Vastgesteld   Onherroepelijk  
Oostvlietpolder   20 januari 2004   19 november 2008  


De aanvraag is strijdig met het vigerende bestemmingsplan Oostvlietpolder. De beoogde mestopslag is deels geprojecteerd op gronden met de bestemming 'Woondoeleinden 2 (W2)' en deels op gronden met de bestemming 'Uit te werken gebied voor groenzone en woondoeleinden (UGW)'. Op gronden met bestemming 'Woondoeleinden 2' zijn uitsluitend eengezinswoningen en meergezinswoningen toegestaan, met bijbehorende voorzieningen als bijgebouwen, tuinen, erven, parkeervoorzieningen, etc. Een mestopslag past niet in dat toegestane gebruik en is derhalve op dit aspect in strijd met het vigerende bestemmingsplan.

Op gronden met de 'bestemming UGW' is hetzelfde gebruik als bij de bestemming 'Woondoeleinden 2 (W2)' toegestaan, met dien verstande dat daar een bouwverbod geldt, totdat een uitwerkingsplan rechtskracht heeft verkregen. Niet alleen geldt daar zodoende een bouwverbod, maar het gebruik als mestopslag is ook daar strijdig met het vigerende bestemmingsplan.

Het bestemmingsplan biedt geen mogelijkheid tot toepassing van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Het oprichten van het beoogde bouwwerk valt niet onder de limitatieve lijst van categorieën in art. 4 van bijlage II, Bor, waarvoor het bevoegd gezag van art. 2.12, lid 1, onder a, onder 2 Wabo gebruik kan maken. Toepassing van art. 2.12, lid 1, onder a, onder 3 biedt daarom de enige mogelijkheid om van het vigerende bestemmingsplan af te wijken en de aangevraagde vergunning te verlenen.

Onderstaand een uitsnede van de betreffende locatie uit de verbeelding van het bestemmingsplan Oostvlietpolder.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.OV00016-0201_0001.png"

Hoofdstuk 2 Beschrijving van de omgevingsvergunning

2.1 Het plangebied

De boerderij Vlietweg 28 is een monument en ligt achter het bebouwingslint van de Vlietweg op de rand van de Oostvlietpolder. De Oostvlietpolder is een laatste resterend agrarisch gebied van het Leidse grondgebied bestaande uit een weidelandschap met lange diepe weilandpercelen en sloten. In het open weidelandschap bevinden zich 2 grote volkstuincomplexen met individuele tuinpercelen met huisjes en opgaande begroeiing die een meer groene gesloten indruk geven en het polderlandschap in een soort van landschappelijke kamers indelen. De Vlietweg is het oorspronkelijke bebouwingslint vanuit waar de polder is ontgonnen. Het bebouwingslint bestaat uit losstaande en 2-onder-1-kapwoningen en voormalige agrarische gebouwen van boerderijen en landarbeidershuisjes. Op sommige plekken zijn er doorsteekjes met watergangen en landwegen die van de Vlietweg zicht op het open polderlandschap geven. Restanten van het voormalige agrarische gebruik zjin enkele boerderijen die deels nog agrarisch in gebruik zijn en deels niet. Vlietweg 28 is een voormalige boerderij dat bij het hoofdgebouw in gebruik is als woonboerderij. De voormalige hooiberg is dichtgebouwd. De overige gebouwen als stallen en schuren zijn in gebruik als paardenpension.

2.2 Beschrijving van het plan

Het plan betreft de plaatsing van een mestopslag voor de paarden die gestald staan in de stoeterij aan de Vlietweg 28 in de Oostvlietpolder. Deze paarden worden onder andere gebruikt voor recreatief gebruik als toerritjes maken. De mestopslag is een inherent onderdeel van iedere stoeterij.

De aangevraagde nieuwe mestopslag is feitelijk een open, half-verdiepte en waterdichte bak met een oppervlak van 96m². De keermuren die de bak omzomen reiken tot 1,1 onder maaiveld en 0,8 meter boven maaiveld. Plaatselijk is de keermuur iets lager uitgevoerd, zodat mest in de mestopslag kan worden gekiept door middel van een kruiwagen.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan beleidsstukken van de gemeente voor zover deze relevant zijn voor het plangebied en de voorgenomen ontwikkeling. Aangegeven zal worden hoe het voorgenomen plan, past binnen de genoemde beleidskaders.

Aangezien het plan geen raakvlakken heeft met ruimtelijk beleid op nationaal- en provinciaal niveau (de omvang van het plan is te klein om daadwerkelijk op rijks- en provinciale belangen van invloed te zijn), zullen deze beleidsstukken niet worden genoemd in dit hoofdstuk.

3.2 Gemeentelijk beleid

3.2.1 Structuurvisie Leiden 2025

De Structuurvisie Leiden 2025 is op 1 december 2011 vastgesteld. De structuurvisie schetst de gewenste ruimtelijke ontwikkeling en structuur van de stad tot 2025. Het document wijst ontwikkelingslocaties aan met het beoogde type woonmilieu per locatie en het benoemt belangrijke infrastructurele projecten en andere ruimtelijke ontwikkelingen, zoals de vorming van een groen singelpark enecologische verbindingszones tussen de bestaande parken.

Ook is in de structuurvisie nadrukkelijk de ambitie neergelegd om de Oostvlietpolder niet alleen groen te houden, maar ook geleidelijk om te vormen tot een natuur- en recreatiegebied. Als laatste groene polder binnen de gemeentegrenzen ziet de raad de Oostvlietpolder als het belangrijkste groengebied waar de Leidenaar het drukke stadsleven kan ontvluchten.

Om de transformatie naar een recreatieve, groene polder handen en voeten te geven, is in de structuurvisie benoemd dat de polder zal worden opgebouwd uit zogenaamde casco's, die worden afgebakend door slootjes, hagen, bomen en ontsluitingswegen en zelf weer bestaan uit kleinere uitsparingen of 'kamers'. De kamers worden ieder gevuld door een onderneming die de aantrekkelijkheid van de Oostvlietpolder kunnen vergroten, doordat zij bijdragen aan de recreatieve beleving van het poldergroen.

De gevestigde stoeterij is bij uitstek een gewenst bedrijf, omdat het een link legt tussen het agrarische karakter van de Oostvlietpolder en de recreatieve beleving daarvan, door middel van het aanbieden van mogelijkheden tot paardrijden. Een mestopslag is een inherent onderdeel van de bedrijfsvoering van de stoeterij en derhalve een noodzakelijke ontwikkeling.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden de in dit bestemmingsplan gemaakte keuzes gemotiveerd. Per sectoraal onderwerp is een paragraaf opgenomen, waarin eerst kort het toetsingskader, bijvoorbeeld een wet of beleid, wordt aangegeven. Daarna worden de voor dit plan uitgevoerde onderzoeken besproken, gevolgd door een conclusie.

4.2 Archeologie

4.2.1 Beleidskader
4.2.1.1 Gemeentelijk beleid

De gemeente Leiden heeft een rijk bodemarchief. In de afgelopen decennia is bij tientallen opgravingen vastgesteld dat het onderzoek van de archeologische resten die in de bodem verborgen liggen een van de belangrijkste bronnen van kennis over de bewoningsgeschiedenis van de regio rondom Leiden vormt. De doelstelling van het gemeentelijk archeologiebeleid is om de archeologische bronnen zo verantwoord mogelijk te beschermen.

Voor dit gebied geldt het bestemmingsplan Archeologie. Dit bestemmingsplan heeft twee doelen. Het eerste doel is het opnemen van de bescherming van archeologisch erfgoed in de vigerende bestemmingsplannen van Leiden die deze bescherming nog niet bevatten. Het tweede doel is dat dit bestemmingsplan zorgt voor eenduidige regels voor bescherming van archeologische waarden in de moderne plannen die al een eigen methodiek hebben.

Waarneming archeologie

Indien in het plangebied de bodem wordt verstoord, kan het voorkomen dat tijdens of na de werkzaamheden een archeologische waarneming plaatsvindt. Deze waarneming wordt verricht als onderdeel van de gemeentelijke onderzoeksagenda en wordt uitgevoerd door een archeoloog van de gemeente Leiden. De kosten van dit onderzoek komen niet voor rekening van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer dient op grond van artikel 57 van de Monumentenwet wel de gelegenheid te bieden tot het uitvoeren van deze werkzaamheden. De initiatiefnemer meldt de aanvang van de werkzaamheden dientengevolge uiterlijk drie weken van tevoren aan de gemeente Leiden.

4.2.2 Onderzoeksresultaten

Het plan voor het bouwen van een mestopslag op het perceel Vlietweg 28 ligt in een zone waarvoor op grond van het Paraplubestemmingsplan Archeologie de dubbelbestemming Waarde- Archeologie 5 geldt (gebied met een hoge archeologische verwachting buiten de singels). De voor Waarde-Archeologie 5 aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. In dit gebied gelden voor ruimtelijke plannen de volgende criteria: archeologisch onderzoek moet plaatsvinden, indien de bodem wordt verstoord over een oppervlakte van meer dan 250 m2 en dieper dan 50 cm.

Volgens het bouwplan zal de bodem verstoord worden over een oppervlak van ca. 96 m2. Omdat de geplande grondverstoring het oppervlaktecriterium niet overschrijdt, is de activiteit 'het uitvoeren van een werk' in de omgevingsvergunning niet noodzakelijk.

4.3 Cultuurhistorie

4.3.1 Beleidskader

Monumentenverordening

De gemeente Leiden heeft een eigen Monumentenverordening. In deze verordening is de procedure voor aanwijzing tot gemeentelijk monument en een lijst van aangewezen gemeentelijke monumenten opgenomen. Van elk monument op de lijst is een redengevende omschrijving vermeld.

 
Nota cultureel Erfgoed

De Nota Cultureel Erfgoed Leiden, Ontdekkingen van de stad. Beleidsnota Monumenten, Bouwhistorie en Archeologie 2005-2015 is vastgesteld door de gemeenteraad op 20 december 2005. Leiden heeft een rijk cultureel erfgoed dat beschermt en benut dient te worden. Hoe er omgegaan wordt met de historische structuren, de historische bebouwing en met het archeologisch bodemarchief staat beschreven in de nota. Eén van de uitgangspunten is dat het rijke cultuurerfgoed zowel boven als onder de grond zorgvuldig beheerd moet worden voor nu en voor de volgende generaties. Door te zorgen voor een kwalitatief goede inzet van cultuurhistorie in ruimtelijke en stedelijke ontwikkelingen, krijgt het erfgoed een nieuwe toekomst.

4.3.2 Onderzoeksresullaten

Het agrarisch complex Vlietweg 28 betreft een gemeentelijk monument bestaande uit een boerderij met een zomerhuis. Achter de boerderij bevindt zich een hooiberg en aan de zuidzijde verschillende bijgebouwen. Het agrarisch complex, met name de boerderij met hoge dwars geplaatste opkamer, is door de teruggeplaatste situering in de polder beeldbepalend vanuit het zuiden. Vanaf de Vlietweg gaat het gebouw deels schuil achter de bebouwing langs de weg.

De mestopslag, noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, wordt op het terrein naast de paardenstallen geplaatst. Dit is op ruime afstand van de monumentale boerderij en het zomerhuis. De mestopslag heeft dan ook geen ruimtelijke invloed op de monumentale waarden van de boerderij.

4.4 Ecologie

4.4.1 Beleidskader

Het opstellen van de Gedragscode voor ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden is het directe gevolg geweest van een wijziging in de Flora- en faunawet in 2005. Deze wijziging maakte het mogelijk voor gemeenten om een Gedragscode op te stellen, waarna bij naleving van de Gedragscode niet langer ontheffingen van de Flora- en faunawet zouden hoeven worden aangevraagd. In de Gedragscode is in overleg met het toenmalige Ministerie van LNV een set van goedgekeurde maatregelen opgenomen om de bescherming van bedreigde soorten te garanderen.

 
Daarnaast zijn in de Gedragscode de gemeentelijke uitgangspunten in het kader van het 'Ecologische toetsingskader voor stedelijke projecten' (2003) verwerkt. De regels in de Gedragscode zijn gebaseerd op de metingen van het Stadsnatuurmeetnet. In de Gedragscode staat een overzicht van voorkomende bedreigde plant- en diersoorten in Leiden, en staan regels met betrekking tot het aanwijzen van alternatieve locaties voor habitats en herplanting van gekapte bomen.

Vanuit de gedachte dat voor de wet alle dieren intrinsieke waarde hebben en dat de mens daar niet onzorgvuldig mee mag omspringen is de zorgplicht in artikel 2 van de wet opgenomen. De zorgplicht houdt in dat iedereen 'voldoende zorg' in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende (en dus niet alleen de beschermde) dieren en planten en hun leefomgeving. Dit is een algemene gedragseis die voor iedereen geldt.

4.4.2 Onderzoeksresultaten

Uit het stadsnatuurnet en de Gedragscode voor ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden volgt dat in de Oostvlietpolder er beschermde dier- of plantensoorten voorkomen. Er zijn echter geen directe aanwijzingen voor het onderzoeken van de aanwezige flora en fauna onderzoek in het desbetreffende plangebied. Momenteel is op locatie al een gegraven mestput met afdekzeil aanwezig. De containers die zich bevinden aan de zijkant van de mestput hebben geen kieren of gaten waarin vleermuizen zich eventueel zouden willen huisvesten. Ook worden er geen bomen gekapt en er wordt niet in water geroerd. Gelet op bovenstaande uiteenzetting is er geen directe aanleiding dat er natuurwaarden in het geding zijn.

Mocht echter tijdens de werkzaamheden toch vaste rust- en verblijfplaatsen worden tegenkomen (bijv. van vleermuizen of vogels) dan zal de aanvrager dit melden aan de gemeente en dient te worden onderzocht of de werkzaamheden effect hebben op voorkomende beschermde dier- of plantensoorten. Mocht vervolgens uit het ecologisch onderzoek blijken dat een negatief effect op een of meerdere beschermde soorten niet is uit te sluiten, dan zal er alsnog een ontheffing (Flora- en faunawet) worden aangevraagd.

4.5 Kabels en leidingen

Als bijlage bij de omgevingsvergunning is een overzicht te zien van de ligging van de kabels en leidingen in (de omgeving van) het plangebied. Op de ocatie van het plan zijn kabels en leidingen aanwezig die als huisaansluitingen dienen, maar daar worden bij de uitvoering van de werkzaamheden geen problemen mee verwacht. Indien er kabels en leidingen moeten worden verlegd, dan zal er overlegd worden met de betrokkenen.

4.6 Milieu

De Omgevingsgdienst West Holland beoordeelt en toetst plannen aan de hand van een aantal milieuaspecten; bodem, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bedrijven en milieuzonering en duurzaamheid. De aspecten geluid, externe veiligheid en milieueffectbeoordeling zijn voor dit plan niet aan de orde. Onderstaand wordt apart ingegaan op de aspecten bedrijven en milieuzonering, bodem en luchtkwaliteit.

4.6.1 Bedrijven en milieuzonering

De omgeving van de Vlietweg 28 kan worden getypeerd als een gemengd gebied (bron: VNG uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', 2009).

Het betreft hier een bedrijf voor het houden van paarden (SBI-2008: 0143). Deze valt onder categorie 3.1 met een milieuzonering van 50 meter. De dichtstbij gelegen woning (Vlietweg 26) ligt op ongeveer 80 meter van de mestopslag. Op ongeveer 75 meter van de mestopslag ligt een woonboot. Vooral geur speelt hierbij een rol.

Op basis van artikel 3.46, lid 1, sub b van het Activiteitenbesluit milieubeheer moet de afstand tussen de mestput en een woning van een derde minimaal 50 meter bedragen (buiten de bebouwde kom). Gelet op bovenstaande genoemde afstanden wordt hier ruimschoots aan voldaan.

De volgende bedrijven en/of activiteiten zijn aanwezig in de buurt van het plangebied:

Bedrijf/activiteit   Adres   SBI-1993   Milieu cat.   Minimale gewenste afstand tot woningen   Huidige Afstand tot het plangebied  
Bio Flora Vitamines   Vlietweg 26 LEIDEN   461   1   0 m   70 m  
Tuinbouwbedrijf P. Overbeek   Vlietweg 28A LEIDEN   011, 012, 013.3   2   10 m   0 m  
A.S. de Wit   Vlietweg 44 LEIDEN   0141, 0142   3.2   50 m   80 m  
           

Naast het plangebied ligt het tuinbouwbedrijf P. Overbeek. Omdat het plangebied een bedrijf betreft is de milieuzonering niet van belang voor de beoordeling. Het bedrijf vormt geen belemmering voor het plangebied. Ook vormt het plangebied geen belemmering voor de bedrijvigheid in de omgeving.

Wet milieubeheer

Het bedrijf aan de vlietweg 28 is een type B bedrijf en valt onder het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien er in de inrichting van de bedrijfsvoering niets gewijzigd wordt en de mestopslag in het kader van het handhavingsproces bij de Omgevingsdienst al bekend is, is een melding in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet nodig.

4.6.2 Bodem

Van deze locatie zijn bij de Omgevingsdienst  geen bodemonderzoeken bekend. Omdat de mest van de stoeterij jarenlang niet in een waterdichte mestopslag is opgeslagen, is de kans groot dat het agrarisch perceel doordrongen is van meststoffen. Voor eventuele woningbouw of gebruik ten behoeve van andere gevoelige functies zou de grond op bodemverontreiniging moeten worden onderzocht. De stoeterij zelf ondervindt echter geen hinder door de eventueel vervuilde grond. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 is derhalve niet noodzakelijk.

4.6.3 Luchtkwaliteit

De oude mestopslag voldoet niet aan de milieu- eisen. Voor de bedrijfsvoering van de stoeterij dient er een nieuwe mestopslag te komen die wel voldoet aan de milieu- eisen.

De mestopslag heeft een inhoud van 170 m3 en is bestemd voor de mest van de paarden in de stoeterij. Deze mestopslag voldoet door middel van wanden en een vloeistofdichte bodem aan de daarvoor geldende milieu- eisen .

Daarbij ligt de locatie voor de mestopslag op ongeveer 80 m van de woning Vlietweg 26 en op 75 meter van een woonboot. Zoals al onder het hoofdstuk Bedrijven en milieuzonering aangegeven is deze afstand tot de woningen ruim voldoende.

4.7 Milieueffectrapportage

Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.)

In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling uitgevoerd moet worden als een project belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Het gaat dan om een project dat genoemd is in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r. In dit geval wordt het plan niet genoemd in deze bijlage. Een m.e.r. beoordeling of plan M.E.R. is niet nodig.

4.8 Stedenbouwkundige inpassing

De mestopslag is als agrarische functie passend bij de stoeterij aan de Vlietweg 28.

De mestopslag ligt half verdiept op het perceel, waarbij de keermuren slechts 80 centimeter boven het maaiveld uitkomen. De mestopvang heeft een zeer beperkte ruimtelijke impact, die geen enkele afbreuk doet aan het groene karakter van de Oostvlietpolder of het cultuurhistorische karakter van de monumentale boerderij.

De mestopslag belemmert niet de mogelijkheid om voor de percelen van naburige grondeigenaren een uitwerkingsplan vast te stellen dat woningbouw toelaat, zoals gesteld in de kaders voor het 'Uit te werken gebied voor Groenzone en Woondoeleinden' uit het vigerende bestemmingsplan Oostvlietpolder.

Vanaf de Vlietweg is de mestopslag niet waarneembaar door ligging achter het bebouwingslint en de aanwezige agrarische gebouwen, zoals een kassencomplex. De opslag is ook relatief laag als bouwwerk. Ook vanaf het volkstuinencomplex en de Europaweg zal de mestopslag nauwelijks zichtbaar zijn. Het is onderdeel van het gebouwenensemble van de voormalige boerderij en ligt op voldoende afstand van het monumentale deel van de boerderij. Het voegt zich in de ruimtelijke compositie van het erf-ensemble van de boerderij. De landschappelijke openheid blijft voldoende in stand.

Het bouwwerk is minder dan een meter hoog en zal daardoor geen visuele hinder opleveren in zon- en daglichttoetreding voor omwonenden. Ook het uitzicht en privacy van omwonenden wordt er niet door belemmerd.

4.9 Water

4.9.1 Beleidskader

Waterplan Leiden

Met het Waterplan Leiden (2007) hebben de gemeente Leiden en het Hoogheemraadschap van Rijnland afgesproken om gezamenlijk knelpunten in het watersysteem efficiënter op te lossen, kansen te benutten en andere te inspireren om 'Leiden Waterstad' nog beter op de kaart te zetten. Het Hoogheemraadschap van Rijnland is de waterbeheerder van onder andere de gemeente Leiden en is belast met het waarborgen van de kwaliteit van het water. Het Hoogheemraadschap hanteert bij nieuw ingediende plannen een oppervlaktecriterium van 500 m². Dit houdt in dat als er sprake is van 500 m² of meer nieuw te verharden oppervlak, er dan watercompensatie is vereist. Het verharde oppervlak dient dan in het plangebied of elders te worden gecompenseerd.

Onderzoeksresultaten

Aangezien er in dit geval geen sprake is van een (toename) van verhard oppervlak van meer dan 500 m², is er geen watercompensatie vereist.

Hoofdstuk 5 Procedurele aspecten

5.1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Op grond van artikel 2.10, lid 1 onder c Wabo dient een omgevingsvergunning geweigerd te worden indien deze in strijd is met het bestemmingsplan. De omgevingsvergunning kan in geval van strijdigheid met het bestemmingsplan slechts worden verleend na het voeren van een procedure tot afwijking van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12 Wabo. Hierbij gelden drie mogelijkheden:

1. indien in het bestemmingsplan een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid wordt gegeven dan kan deze toegepast worden op grond van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 1º van de Wabo;

2. indien het bestemmingsplan geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid biedt, maar bij algemene maatregel van bestuur (Besluit omgevingsrecht) afgeweken kan worden dan kan deze toegepast worden op grond van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 2º van de Wabo;

3. indien aan geen van bovenstaande voldaan kan worden, maar de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat, dan kan een procedure ex artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3º van de Wabo doorlopen worden.

5.2 Procedure

De ingediende aanvraag om omgevingsvergunning is op meerdere punten strijdig met het vigerende bestemmingsplan Oostvlietpolder. Voor dit bouwplan is in het Besluit Omgevingswet (Bor) geen mogelijkheid opgenomen voor een buitenplanse afwijking.

Daarmee is de juiste juridische - planologische procedure voor het mogelijk maken van het ingediende bouwplan, het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º van de Wabo (en de uitgebreide procedure als bedoeld in de Awb).

Het betreft een uitgebreide procedure. Dit houdt in dat het ontwerpbesluit met deze ruimtelijke onderbouwing zes weken ter inzage wordt gelegd voor het indienen van zienswijzen. Iedereen kan gedurende die termijn een zienswijze indienen. De zienswijzen worden beantwoord in een zienswijzennota. Als gevolg van ingediende zienswijzen kan een omgevingsvergunning worden geweigerd. De aanvrager kan dan een aangepaste aanvraag indienen.

Geven de zienswijzen geen aanleiding de omgevingsvergunning te weigeren of worden er geen zienswijzen ingediend, dan kan direct na de ter inzage legging van het ontwerpbesluit de omgevingsvergunning worden verleend.

Tegen het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning kan rechtstreeks beroep worden aangetekend bij de rechtbank gedurende een termijn van zes weken na publicatie van de vergunning. De omgevingsvergunning treedt in werking één dag na afloop van de beroepstermijn, mits er beroep is ingesteld of een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend. Dan treedt de omgevingsvergunning pas in werking op het moment dat op het beroep of het verzoek om voorlopige voorziening is besloten.

5.3 Verklaring Van Geen Bedenkingen

Op grond van artikel 6.5, eerste lid Bor is een zogenaamde verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist bij toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° Wabo. Met een dergelijke verklaring kan de gemeenteraad, alhoewel zij niet het bevoegd gezag is voor het nemen van een besluit op de aanvraag, toch haar goedkeuring of afkeuring uitspreken over een plan. Een dergelijke instemming heeft een bindende status: het College kan een omgevingsvergunning niet verlenen zolang de gemeenteraad geen verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven.

In Leiden is door de gemeenteraad op grond van artikel 6.5, derde lid een lijst van categorieën vastgesteld waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist. De gemeenteraad heeft daarmee willen bewerkstelligen dat voor kleine en niet maatschappelijk gevoelige projecten geen tussenkomst van de gemeenteraad is vereist, en bij grote en wel maatschappelijk gevoelige projecten wél instemming van de gemeenteraad is vereist.

Het onderhavige plan betreft een bouwwerk geen gebouw zijnde. Derhalve is geen verklaring van geen bedenkingen vereist.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Aan een project of een bouwplan zijn twee gemeentelijke exploitatiebijdragen verbonden, namelijk:

- de kosten voor het opstellen van gemeentelijke ruimtelijke plannen ten behoeve van het exploitatiegebied (art. 6.2.4, lid h Bro);

- de kosten van tegemoetkoming van schade, bedoeld in artikel 6.1 van de wet (art. 6.2.4, lid l Bro), ten behoeve van mogelijke planschade;

Voor de verantwoording van de bovenstaande gemeentelijke exploitatiebijdragen is het opstellen van een exploitatieplan of anterieure overeenkomst bij het onderhavige bouwplan niet noodzakelijk, omdat:

- de gemaakte kosten in het kader van het opstellen van ruimtelijke plannen, zoals deze ruimtelijke onderbouwing, worden verhaald op basis van de gemeentelijke legesverordening.

- de mogelijke planschadekosten worden verhaald op de ontwikkelaar op basis van een getekende planschadeovereenkomst.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Algemeen
6.2.2 Vooroverleg

Het bevoegd gezag is op grond van artikel 6.18 Bor verplicht tijdens de voorbereiding van een omgevingsvergunning die wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 Wabo, overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor onderhavig plan worden daarom het Hoogheemraadschap van Rijnland, de Provincie Zuid-Holland en de VROM-inspectie op de hoogte gebracht van de plannen voor het ter inzage leggen van het plan.

De gemeente is conform artikel 3.1.1 Bro jo artikel 3.19 Wabo in overleg getreden met het Hoogheemraadschap van Rijnland waaruit een positief wateradvies is voortgekomen.

Op grond van artikel 6.12 Wabo zal de ontwerp omgevingsvergunning naar Gedeputeerde Staten worden gezonden. Naar verwachting zijn hier geen provinciale belangen betrokken.

In de brief kenmerk IENM/BSK-2011/168837 heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu aangegeven alleen vooroverleg te willen voeren over de 13 nationale belangen, zoals deze in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte zijn verwoord. Dit bouwplan raakt niet aan een nationaal belang, zodat vooroverleg achterwege kan blijven

6.2.3 Zienswijzen

Via publicaties in de Staatscourant en de Stadskrant zal de termijn van terinzage legging van de ontwerp omgevingsvergunning Vlietweg 28 worden aangekondigd. Een ieder wordt tijdens deze periode van zes weken in de gelegenheid gesteld om een zienswijze tegen het voorgenomen plan kenbaar te maken.