direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Kikkerpolder & Da Vinci
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0546.BP00106-0202

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op 11 oktober 2012 heeft de gemeenteraad van Leiden het bestemmingsplan 'Leiden Noordwest' vastgesteld. In de uitspraak van 4 september 2013 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS, 2012119955/1/R4) een aantal onderdelen van het bestemmingsplan 'Leiden Noordwest' vernietigd en bepaald dat voor deze onderdelen binnen een jaar een nieuw besluit genomen moet worden.

Een deel van de vernietigde onderdelen heeft betrekking op het Sportpark Kikkerpolder en het Da Vinci College. Concreet dient een nieuw besluit genomen te worden op de bouwhoogtes van het Da Vinci College en de bouwmogelijkheden in de Kikkerpolder.

Onderhavig bestemmingsplan Kikkerpolder & Da Vinci heeft als doel de bestemming van de binnen het plan gelegen gronden en de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvan juridisch-planologisch vast te leggen. Wat betreft de bestemmingsregeling is aangesloten is bij de Leidse standaard en de SVBP2012.

1.2 Begrenzing van het plangebied

Het plangebied ligt in het noordwesten van Leiden. Het plangebied bestaat uit twee delen. Het ene deel betreft de sportvelden in de Kikkerpolder, die begrensd worden door de Oegstgeesterweg in het noorden en oosten, de Groene Maredijk in het zuiden en de Leidse Hout aan de westzijde.

Het andere deel van het plangebied betreft de locatie van het Da Vinci college, gelegen tussen de Kagerstraat, Zweilandlaan, Poelwetering en Agnes-locatie. Op onderstaande afbeeldingen is de ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00106-0202_0001.png"  
Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied  
afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00106-0202_0002.png"  
Afbeelding 1.2: Begrenzing van het plangebied  

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Voor het plangebied vigeert het bestemmingsplan "Leiden Noordwest" met in acht neming van de uitspraak van de Raad van State op 4 september 2013. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad op 11 oktober 2012. Voor onderhavige bestemmingsplanprocedure zijn de volgende onderdelen, waarover de Raad van State heeft geoordeeld dat er een nieuw besluit genomen moet worden, van toepassing:

  • de aanduidingen "maximale bouwhoogte (m) = 7", maximale bouwhoogte (m) = 13" en "maximale bouwhoogte (m) = 14" voor het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" voor het gebied omsloten door Kagerstraat, Zweilandlaan, Mariënpoelstraat en Eijmerspoelstraat;
  • de aanduiding "bouwvlak" voor het plandeel met de bestemming "Sport" op het sportterrein Kikkerpolder I en II.

Voornoemde onderdelen vallen (grotendeels) binnen de plangrenzen van het bestemmingsplan 'Kikkerpolder & Da Vinci. Dit betekent dat onderhavig bestemmingsplan expliciet voorziet in een juridisch-planologische heroverweging zoals bedoeld in de uitspraak van bestemmingsplan "Leiden Noordwest".

Ingevolge het bestemmingsplan "Leiden Noordwest" zijn binnen het plangebied thans de bestemmingen 'Sport' en 'Maatschappelijk' aan de orde. Ook de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 5' en 'Waarde - Archeologie 6' zijn binnen het plangebied opgenomen.

Verder zijn binnen het plangbied de gebiedsaanduidingen 'vrijwaringszone - molenbiotoop' en 'vrijwaringszone - landgoedbiotoop' opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00106-0202_0003.png"   Blad 2 (onder)  
Blad 1 (boven)   afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00106-0202_0004.png"  
Afbeelding 1.3: Uitsnedes plankaart "Leiden Noordwest"  

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt beschreven en nader toegelicht welke ontwikkelingen worden beoogd. In hoofdstuk 3 wordt het relevante beleid, dat als basis dient voor dit bestemmingsplan, besproken. In hoofdstuk 4 worden de verschillende omgevingsonderzoeken en de milieuaspecten behandeld. In hoofdstuk 5 wordt beschreven hoe het beleid en de ontwikkelingen vertaald worden in een juridische regeling. De uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan wordt behandeld in hoofdstuk 6.

Hoofdstuk 2 Plantoelichting

2.1 Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de kenmerken van de omgeving van het plangebied en gaat in op de wijze waarop de nieuwe regeling voor het plangebied tot stand is gekomen, mede met het oog op de uitspraak van de Raad van State van 4 september 2013.

2.2 Bestaande situatie

2.2.1 Sportvelden Kikkerpolder

Op het terrein in de Kikkerpolder, gelegen ten zuiden van de Oegstgeesterweg, zijn 5 voetbalvelden en een honkbalaccommodatie aanwezig, inclusief de bijbehorende parkeervoorzieningen, tribunes, kantines, kleedruimten en materiaalopslag. Het terrein wordt door een watergang doorsneden. Beide delen zijn door een bruggetje met elkaar verbonden.

In het bestemmingsplan "Leiden Noordwest" was voor het gehele sportpark Kikkerpolder een bouwvlak opgenomen, waarvan in totaal 7% bebouwd mocht worden. Dit onderdeel is in de uitspraak van de Raad van State vernietigd.

2.2.2 Da Vinci College

Het Da Vinci College aan de Kagerstraat is gelegen in het Houtkwartier. Deze wijk heeft een groen karakter, o.a. door de Poelwetering met zijn groene oevers, gelegen aan de zuidoostzijde van het Da Vinci College.

De feitelijke bouwhoogtes van het Da Vinci Collge variëren van 9 tot 13 meter. In het bestemmingsplan "Leiden Noordwest" was een ruim bouwvlak om de bebouwing getrokken met een maximale toegestane bouwhoogte van 14 meter voor het gehele bouwvlak. Dit onderdeel is in de uitspraak van de Raad van State vernietigd.

2.3 Ontwikkelingen

2.3.1 Inleiding

Als gevolg van voornoemde uitspraak van de ABRvS dient in de eerste plaats een nieuwe bebouwingsregeling voor de bestemming 'Sport' in de Kikkerpolder opgenomen te worden. Hierbij is tevens gekeken naar concrete plannen voor een sportzaal in de Kikkerpolder.

In de tweede plaats dient een heroverweging op de maximale toegestane bouwhoogtes voor het Da Vinci College genomen te worden. Indirect is hierbij ook gekeken naar de omvang van het bouwvlak en concrete bouwplannen van het Da Vinci College.

2.3.2 Sportzaal Kikkerpolder

Achtergrond

Lokalen voor bewegingsonderwijs zijn een 'voorziening huisvesting onderwijs' en zodoende maken zij onderdeel uit van de zorgplicht die vanaf 1 januari 1997 door het Rijk is gedecentraliseerd naar de gemeente.

Uit analyse is gebleken dat voor de scholen in het Houtkwartier in totaal zes nieuwe gymnastieklokalen nodig zijn. Vanwege de uitvoering van het project 'Dieperhout' moeten drie gymnastieklokalen worden gesloopt. Daarnaast moet het vrijstaande gymnastieklokaal van het Da Vinci College worden vervangen vanwege de ouderdom, matige kwaliteit en resterende levensduur. Het vijfde noodzakelijke gymnastieklokaal vervangt het nu in de Kikkerpolder aanwezige tijdelijke gymnastieklokaal. Het zesde gymnastieklokaal is noodzakelijk, omdat op grond van de genormeerde behoefte zowel de basisschool Woutertje Pieterse, de school voor speciaal basisonderwijs de Vlieger, de school voor praktijkonderwijs het Waterland als ook de in het Houtkwartier gevestigde scholen voor voortgezet onderwijs binnen de verwijsafstand te weinig capaciteit hebben om hun behoefte aan lessen lichamelijke oefening te kunnen opvangen.

Vanaf 2004 zijn meerdere locaties in beeld geweest om de noodzakelijke gymzalen te realiseren. Uiteindelijk zijn qua geschiktheid de oostelijke Agnes-locatie (onderdeel van bestemmingsplan Dieperhout e.o.) en de Kikkerpolder overgebleven.

Na vaststelling van de 'Nota van uitgangspunten multifunctionele sportaccommodaties Kikkerpolder' (RV 10.081) van 30 september 2010, is een locatieonderzoek uitgevoerd naar de mogelijke locaties in de Kikkerpolder. Uit dit onderzoek bleek dat meer dan twee gymnastieklokalen voor onderwijs en sport in de Kikkerpolder ten koste gaat van een voetbalveld. In verband met de huidige bespeling en de behoefte bij de daar gevestigde voetbalverenigingen is het onmogelijk een voetbalveld in te leveren. Daarnaast is het in strijd met het eerder door de gemeenteraad besloten uitgangspunt dat de bouw van een multifunctionele accommodatie niet ten koste mag gaan van het buitensportareaal. Voor de scholen komt daar bij dat, als er meer groepen naar de Kikkerpolder moeten voor hun lessen bewegingsonderwijs, er meer verlies aan lestijd optreedt door het noodzakelijke overbruggen van de afstand. Ook is de huidige Groene Maredijk niet geschikt om door grote groepen scholieren tegelijkertijd te laten gebruiken. Tenslotte wordt bij een sporthal op het voetbalveld de landgoedbiotoop doorkruist.

Op 4 april 2013 heeft de gemeenteraad het 'Kaderbesluit sportvoorzieningen Houtkwartier en Kikkerpolder' (RV13.0023) vastgesteld. De gemeenteraad is akkoord gegaan met het voorstel om in het Houtkwartier twee sportzalen te realiseren (capaciteit vier gymzalen) en in de Kikkerpolder één sportzaal (capaciteit twee gymzalen). Tevens is op 4 april 2013 het 'Uitvoeringsbesluit Sportzaal Kikkerpolder' (RV13.0029) vastgesteld.


Beoogde ontwikkeling

De nieuwe sportzaal (met een equivalent van 2 gymzalen) wordt voorzien op de locatie nabij het hoofdveld van UVS, waar thans een opslagloods van het sportbedrijf aanwezig is. Deze loods zal worden gesloopt en in de nieuwe sportzaal worden geïntegreerd. Door het multifunctioneel bouwen kunnen naast onderwijs ook sportverenigingen gebruik maken van de sportzaal. De maximale bouwhoogte van de sportzaal bedraagt 9 meter. De bestaande bebouwing binnen de bestemming Sport is verder conserverend bestemd.

Stedenbouwkundige beschrijving

De Kikkerpolder moet een gebied blijven met een open karakter, als contrast met het overwegend bebouwde gebied van het Houtkwartier. Historisch gezien is dit een logisch contrast, omdat de Maredijk als verdediging is aangelegd tegen het wassende water van de Mare. Dit contrasterende beeld in stand houden komt de beleving van het landschap ten goede.

De sportvelden zorgen voor het grootste deel van de openheid. Deze openheid ondersteunt ook de landgoedbiotoop van Oud Poelgeest. Alleen noodzakelijke facilitaire voorzieningen voor de sportfunctie zijn hier op z'n plaats en dan zo gesitueerd dat deze zo min mogelijk de openheid in de weg zitten.

Een bundeling van de sportzaal met de bestaande facilitaire voorzieningen bij het hoofdveld van UVS verdient dan de voorkeur. Hierdoor wordt een compacte bebouwingsreeks gerealiseerd in de beschutting van de begroeiing langs de Maredijk en aan de rand van de openheid. De centrale as van de parkeerplaatsen tussen de sportvelden blijft hierdoor open en overeind als onderscheidende langzaam verkeerroute van de Maredijk naar de Oegstgeesterweg. En is er voldoende open gebied rondom landgoed Oud Poelgeest om deze goed manifest te laten zijn. Tevens ligt deze locatie relatief ver (330 meter) van de molenbiotoop van de Kikkermolen, waardoor de voor een sportzaal noodzakelijke hoogte van 9 meter hier haalbaar is. Belangrijk aandachtspunt bij de uitwerking van het plan is dat de materialisatie van het sportgebouw harmonieert met de groene omgeving.

2.3.3 Da Vinci College

Achtergrond

Het Da Vinci College heeft bij de gemeente Leiden een aanvraag ingediend voor nieuwbouw aan het bestaande schoolgebouw aan de Kagerstraat. Deze bebouwing is noodzakelijk omdat de huidige noodlokalen op het schoolplein moeten worden verwijderd en omdat een aantal leslokalen in het souterrain van het gebouw niet aan de huidige eisen voldoet. De uitbreiding is voor het jaar 2014 opgenomen in het door de gemeenteraad vastgestelde 'Integraal Huisvestingsplan voor het onderwijs 2012-2027' (d.d. 24 mei 2012, RV12.0018). De aanvraag voor de financiering van de uitbreiding is na controle van de relevante gegevens (o.a. verwachte leerlingenaantallen) goedgekeurd en opgenomen op het door het college en raad vastgestelde 'Programma 2014 onderwijshuisvesting' (d.d. 19 december 2013, RV 13.0124).


Beoogde ontwikkeling

Het Da Vinci College heeft de wens om op eigen terrein nieuwe bebouwing te realiseren tegen het bestaande gebouw aan, ter vervanging van de huidige noodlokalen en de lokalen in het souterrain. Concreet wordt een bouwmogelijkheid opgenomen tegen het bestaande gebouw aan de zijde van de Zweilandlaan, waar qua bouwhoogte (9m) aangesloten wordt bij de hoogte van het aangrenzende deel. Ook wordt een bouwmogelijkheid opgenomen aan de pleinzijde, tegen het bestaande gebouw aan met een maximale bouwhoogte van 10m.

Naast bovengenoemde ontwikkeling, wordt het plandeel verder conserverend bestemd, met dien verstande dat bestaande hoogtes als maximale hoogtes worden bestemd en enkele ongebruikte bouwmogelijkheden komen te vervallen. Tevens is een klein deel gemeentegrond naast de Poelwetering groen bestemd, met aansluitend een wijzigingsbevoegdheid naar groen, om een wandelpad langs de Poelwetering te kunnen realiseren, mocht de bebouwing in die zone in de toekomst gesloopt worden.

Stedenbouwkundige beschrijving

Het beleid voor de Houtkwartier zoals dat is vastgelegd in het 'Beeldkwaliteitplan Houtkwartier Leiden' (zie Bijlage 1) is onder meer dat woningen meer in het midden worden gesitueerd en schoolgebouwen meer aan de rand, zodat een ruimtelijk duidelijk en aansprekend hart van de wijk ontstaat. Het beeldkwaliteitplan dient dan ook als onderliggend toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen. Diverse inrichtingsprincipes en esthetische aspecten zijn hier vastgelegd. De supervisor die hiertoe is aangesteld toetst de plannen op basis van het beeldkwaliteitplan.


Wat betreft het Da Vinci college is het volgende van belang:

  • 1. Bebouwing is georiënteerd op het openbaar gebied;
  • 2. De oever van de Poelwetering moet op termijn openbaar worden met een (wandel)route;
  • 3. Goede afstemming met de plannen voor het schoolgebouw van het naastliggende Driestarcollege en de sportzalen;
  • 4. De uitbreiding moet de molenbiotoop van de Maredijkmolen zo veel mogelijk ontzien.


Ad1

Er is sprake van een continu karakter met variatie van het schoolcomplex. Het complex moet een interessant beeld opleveren naar de Zweilandlaan onder meer door toegangen, doorkijken en een mooie plastiek. Tussen trottoir en gevel dient een groenstrook van minimaal 10 meter over te blijven. Voor het Da Vinci college zijn de profielen in het Beeldkwaliteitplan van de Kagerstraat, de Zweilandlaan en de Poelwetering van belang.


Ad2

Op langere termijn is het streven om van de oever van de Poelwetering met een wandelroute te maken van de Eijmerspoelstraat tot de Zweilandlaan. In voorliggend bestemmingsplan wordt hier op voorgesorteerd, zoals aangegeven onder het kopje 'beoogde ontwikkeling'.


Ad3

Om het bouwveld waar de scholen en de sportzalen zijn gesitueerd een eenheid met variatie te laten zijn, heeft er afstemming tussen de beide planningsprocessen plaatsgevonden.


Ad4

De uitbreidingen moeten aansluiten bij de bestaande hoogtes van het Da Vinci College om de molenbiotoop te ontzien. Hier wordt verder op ingegaan in paragraaf 4.3.4.

Conclusie

Bovenstaande uitgangspunten zijn verwerkt in voorliggend bestemmingsplan.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

Dit hoofdstuk gaat in op het beleidskader dat van belang is voor de functionele en ruimtelijke aspecten die worden vastgelegd in dit bestemmingsplan en waarbinnen de voorziene ontwikkelingen in het plangebied moeten passen. Het relevant beleid wordt per beleidsterrein weergegeven, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen Europees, nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk.

3.1 Ruimtelijk

3.1.1 Nationaal

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die op 13 maart 2012 is vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Milieu, vormt de nieuwe, overkoepelende rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. De SVIR 'Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig' vervangt een groot aantal beleidsstukken, waaronder de Nota Ruimte en diverse planologische kernbeslissingen. Specifieke structuurvisies met een hoger detailniveau, zoals het Structuurschema Elektriciteitsvoorziening III en het Nationaal Waterplan, blijven naast de SVIR bestaan.

Het rijksbeleid richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen, zoals de hoofdnetwerken voor personen- en goederenvervoer, energie, natuur, waterveiligheid, milieukwaliteit en bescherming van het werelderfgoed. Het beleid met betrekking tot verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk, onder het motto ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’, over aan provincies en gemeenten. Alleen in de stedelijke regio’s rond de mainports Amsterdam en Rotterdam maakt het Rijk afspraken met decentrale overheden over de programmering van verstedelijking. Overige sturing op verstedelijking, zoals afspraken over binnenstedelijk bouwen, rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering, laat het Rijk los. Er is enkel nog sprake van een ‘ladder’ voor duurzame verstedelijking (gebaseerd op de ‘SER-ladder’), die op 1 oktober 2012 is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. In het mobiliteitsbeleid komt de gebruiker centraal te staan en wordt de samenhang tussen de verschillende modaliteiten en tussen ruimtelijke ontwikkeling en mobiliteit versterkt.

Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, doormiddel van een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Om dit doel te bereiken, werkt het Rijk samen met andere overheden. In de SVIR zijn ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028 geformuleerd. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd:

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur;
  • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Er zijn 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd, die bijdragen aan het realiseren van de drie hoofddoelen. Het betreft onder meer het borgen van ruimte voor de hoofdnetwerken (weg, spoor, vaarwegen, energievoorziening, buisleidingen), het verbeteren van de milieukwaliteit, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke ontwikkeling, ruimte voor behoud van unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten en ruimte voor een nationaal netwerk voor natuur.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2012)

In de realisatieparagraaf van de SVIR zijn per nationaal belang de instrumenten uitgewerkt die worden ingezet om de belangen te beschermen. Eén van de belangrijkste instrumenten is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is de juridische vertaling van de kaderstellende uitspraken die in de SVIR zijn geformuleerd en stelt beperkingen aan de besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen en werken op die manier door tot het niveau van de lokale besluitvorming. Bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming gevraagd. Dit moet met behulp van de ladder van duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Deze verplichte toetsing is vastgelegd in het Barro. Het Barro verwijst naar het Bro waarin geformuleerd is dat deze toetsing een procesvereiste is bij alle nieuwe ruimtelijke besluiten en plannen ten aanzien van bijvoorbeeld kantoorlocaties en woningbouwlocaties. Gemotiveerd dient te worden hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt ten aanzien van het ruimtegebruik.

Duurzame verstedelijking (2012)

In het Besluit ruimtelijke ordening is sinds 1 oktober 2012 de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:

  • 1. voorziet de voorgenomen stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte;
  • 2. kan binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio in de behoefte worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins;
  • 3. wanneer blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld (m.a.w. zorgen voor optimale inpassing en bereikbaarheid).

De ontwikkelingen die in onderhavig bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt betreffen lokale aangelegenheden, waarvan de behoefte in de plantoelichting is onderbouwd. De planlocaties bevinden zich binnen bestaand stedelijk gebied, waar op de betreffende gronden enerzijds aanbouw (Da Vinci College) en anderzijds sloop en nieuwbouw (sportzaal) plaatsvindt.

Geconcludeerd wordt dat in onderhavige situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling en het bestemmingsplan is daarmee dan ook in lijn met de regels zoals opgenomen in het Barro en Bro.

Nationaal Milieubeleidsplan 4 (2001)

In 2001 verscheen de kabinetsnota 'Een wereld en een wil: werken aan duurzaamheid', beter bekend als het vierde Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4). In dit beleidsplan licht het kabinet het te voeren milieubeleid toe. De belangrijkste doelstelling van het beleidskader is om van Nederland een duurzaam land te maken, waarin milieulasten worden verminderd. Daartoe stelt het marges op het gebied van CO2-uitstoot, luchtvervuiling, bodemvervuiling, geluidsoverlast en veiligheid. Een belangrijk speerpunt daarin is bijvoorbeeld de bevordering van het gebruik van alternatieve energiebronnen als wind- en zonenergie en het ontwikkelen van schonere vervoersmiddelen en productieprocessen.

Op het gebied van de ruimtelijke ordening stelt het Nationaal Milieubeleidsplan eisen aan de inrichting van het land, bijvoorbeeld met regelgeving over milieuzoneringen en het efficiënter inrichting van verkeersstromen om (auto)verkeer terug te dringen.

De verschillende milieuaspecten komen in paragraaf 4.4 van deze toelichting aan bod.

Conclusie

De in onderhavig bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen zijn in overeenstemming met het geldende nationale beleid.

3.1.2 Provinciaal en regionaal

Provinciale Structuurvisie "Visie op Zuid-Holland, Ontwikkelen met schaarse ruimte" (2010, jaarlijks geactualiseerd)

Op 2 juli 2010 is de structuurvisie 'Visie op Zuid-Holland' vastgesteld door Provinciale Staten. In de structuurvisie worden de provinciale belangen benoemd en is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om deze belangen te behartigen. De structuurvisie is zelfbindend voor de provincie. Het toetsingskader voor gemeenten is uitgewerkt in de provinciale verordening. De kern van de structuurvisie is het versterken van samenhang, herkenbaarheid en diversiteit binnen Zuid-Holland. Dit draagt bij aan een goede kwaliteit van leven en een sterke economische concurrentiepositie. Duurzame ontwikkeling en klimaatbestendigheid zijn belangrijke pijlers. De structuurvisie wordt jaarlijks geactualiseerd.

Gestreefd wordt naar een samenhangend stedelijk en landschappelijk netwerk. Goede bereikbaarheid en een divers aanbod van woon- en werkmilieus in een aantrekkelijk landschap met ruimte voor water, landbouw en natuur zijn daarin kenmerkende kwaliteiten. In de structuurvisie is aangegeven welke zaken de provincie Zuid-Holland van provinciaal belang acht. Hiervoor zijn vijf integrale hoofdopgaven benoemd:

  • aantrekkelijk en concurrerend internationaal profiel;
  • duurzame en klimaatbestendige deltaprovincie;
  • divers en samenhangend stedelijk netwerk;
  • vitaal, divers en aantrekkelijk landschap;
  • stad en land verbonden.

In de structuurvisie is de ruimtelijke hoofdstructuur van Zuid-Holland in het jaar 2020 vastgelegd. De hoofdstructuur wordt gevormd door drie eenheden: het stedelijk gebied in het westen en midden van de provincie, het landelijk gebied in het oosten, noorden en zuiden van de provincie en de Zuidvleugelgroenstructuur die het stedelijk netwerk en het landelijk gebied verbindt. Sturing vindt plaats op basis van ruimtelijke kwaliteiten en ruimtelijke functies, die op een kwaliteitskaart en een functiekaart in beeld zijn gebracht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00106-0202_0005.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00106-0202_0006.png"  
Afbeelding 3.1 Uitsnedes kwaliteitskaart en functiekaart Provinciale Structuurvisie  

Het plangebied is op de kwaliteits- en functiekaart behorende bij de visie aangemerkt als Stads- en dorpsgebied met hoogwaardig openbaar vervoer, alsmede Gevarieerd en verbindend vrijetijdslandschap. Het uitgangspunt voor de leef-, werk en woonomgeving voor dergelijke gebieden is bundeling van verstedelijking. Zuid-Holland richt zich op een betere relatie tussen infrastructuur en verstedelijking, het onderling afstemmen van de verschillende voorzieningen en intensivering van het stedelijk gebied, vooral in de invloedssfeer van hoogwaardig openbaar vervoer. In het vrijetijdslandschap draait het om de recreatieve beleving van de provincie.

De beoogde ontwikkelingen zijn volledig in lijn met de Structuurvisie, doordat de beoogde ontwikkelingen in bestaand stedelijk gebied ingepast worden. De sportzaal draagt daarnaast bij aan de vrijetijdsmogelijkheden.

Verordening Ruimte (2010, jaarlijks geactualiseerd)
In de Verordening Ruimte zijn regels opgenomen waaraan gemeentelijke bestemmingsplannen moeten voldoen. Op basis van de provinciale belangen, zoals benoemd in de structuurvisie, zijn in de verordening voor diverse aspecten regelingen opgenomen. Er gelden onder meer regels voor de nieuwbouw van woningen, kantoren, bedrijventerreinen en detailhandel, voor agrarische bedrijven, voor de ecologische hoofdstructuur en voor molenbiotopen. De Verordening Ruimte wordt, net als de provinciale structuurvisie, periodiek geactualiseerd. De Actualisering 2012 is op 30 januari 2013 door Provinciale Staten vastgesteld. In deze actualisering zijn de hoofdlijnen, hoofdopgaven en provinciale belangen van het ruimtelijk beleid grotendeels ongewijzigd gebleven.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is een artikel opgenomen over de ladder van duurzame verstedelijking. Het is wenselijk om te benadrukken dat toepassing van de ladder ook een provinciaal belang is. In de actualisering 2012 is de toepassing van de "duurzaamheidsladder" op een centrale plek in de verordening gezet als algemeen uitgangspunt voor bestemmingsplannen.

In artikel 2 lid 2 wordt concreet bepaald dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een nieuwe ontwikkeling met wonen, bedrijven, zelfstandige kantoren, detailhandel en andere stedelijke voorzieningen, rekening houdt met een aantal aspecten. Zo dienen locaties voor herstructurering, intensivering of transformatie binnen bestaand of stedelijk dorpsgebied te worden benut.

Bij onderhavige ontwikkelingen is hiervan sprake; door de geplande ontwikkelingen wordt de ruimte in het stedelijk gebied optimaal benut en wordt voldaan aan de provinciale eisen met betrekking tot duurzame verstedelijking. Te meer, omdat de geplande ontwikkelingen worden gerealiseerd op locaties waar nu ook al sprake is van bebouwing.

Onderhavig bestemmingsplan bevindt zich binnen de bebouwingscontouren zoals aangegeven in de Verordening Ruimte. Voor het plan zijn met name de regels van belang die betrekking hebben op molenbiotopen, landgoedbiotopen en duurzame verstedelijking. In paragraaf 4.3.4 van deze toelichting wordt ingegaan op de molenbiotopen en de gevolgen voor het plan. In paragraaf 4.3.5 wordt nader ingegaan op de landgoedbiotoop. In paragraaf 3.1.1 is ingegaan op duurzame verstedelijking.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00106-0202_0007.png"  
Afbeelding 3.2 Uitsnede Bebouwingscontourenkaart Provinciale Verordening Ruimte  

Regionale Structuurvisie Holland Rijnland (2009)

De gemeente Leiden maakt deel uit van de regio Holland-Rijnland. De Regionale Structuurvisie Holland-Rijnland is een beleidsdocument opgesteld door het samenwerkingsorgaan Holland-Rijnland. De regionale structuurvisie schetst, op een lager ruimtelijk schaalniveau dan de provinciale structuurvisie, een beeld van de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied dat zich uitstrekt tussen de gemeenten Noordwijk, Nieuwkoop, Rijnwoude en Voorschoten, waarin Leiden het stedelijke middelpunt is.

Op 24 juni 2009 is de Regionale Structuurvisie vastgesteld door het Algemeen Bestuur van Holland Rijnland. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is sinds1 juli 2008 van kracht en verplicht gemeenten, provincies en het Rijk een structuurvisie vast te stellen voor hun grondgebied. Regio's zijn niet verplicht om een structuurvisie op te stellen, maar mogen dat wel. Dit houdt in dat de regionale structuurvisie geen wettelijk karakter heeft. Wel bindt de structuurvisie de deelnemende gemeenten om afspraken uit dit document uit te voeren. Als gemeenten van deze afspraken willen afwijken, moeten zij op regionaal niveau een oplossing vinden.

Het voornaamste doel van het beleid in de regionale structuurvisie is een juiste balans te vinden tussen het behoud van het unieke karakter van de regio, met haar bollenlandschap en historische kernen en steden, en de wenselijke toekomstige ontwikkelingen. Met de regionale structuurvisie hebben de Holland Rijnland-gemeenten de koers uitgezet voor de ruimtelijke inrichting van de gelijknamige regio. In de visie is een aantal keuzes gemaakt die de samenhang tussen de grote deelgebieden van de regio verbeteren: bollenstreek, kustzone, stedelijk gebied en Veenweide en Plassen.

De regio zet in op het optimaal houden van onderwijs- en sportvoorzieningen. Leiden vervult daarin een centrumrol. De ontwikkelingen in onderhavig bestemmingsplan dragen daaraan bij.

Conclusie

De ontwikkelingen in onderhavig bestemmingsplan zijn in overeenstemming met het geldende provinciale en regionale beleid.

3.1.3 Gemeentelijk

Structuurvisie Leiden 2025 (2009, herzien in 2011)

Op 17 december 2009 heeft de Gemeenteraad de Structuurvisie Leiden 2025 vastgesteld. De structuurvisie is op 1 december 2011 herzien. De Oostvlietpolder heeft met deze herziening van de Structuurvise Leiden 2025 een "groene invulling" gekregen.

De Structuurvisie bouwt voort op het Structuurplan Boomgaard van Kennis en de in 2004 vastgestelde Ontwikkelingsvisie: Leiden stad van ontdekkingen. De Structuurvisie is hiervan de ruimtelijke vertaling. Daarnaast is bij het opstellen van de Leidse Structuurvisie gebruik gemaakt van de Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland. De prioriteiten die in de Regionale Structuurvisie voor Leiden zijn benoemd, vormen het uitgangspunt van de Leidse Structuurvisie.

De Structuurvisie gaat uit van het bestaande beleid. Het is niet de bedoeling om oude discussies over te doen of nieuwe te starten. De uitgangspunten van Structuurvisie zijn de Ontwikkelingsvisie, het resultaat van de stadsgesprekken in 2004, en de Regionale Structuurvisie die het resultaat is van het regionale overleg over ruimtelijke prioriteiten voor de regio. Daarnaast zijn gesprekken gestart met partijen en partners in de stad om hun ruimtelijke ambities en verwachtingen voor de komende 15 jaar te inventariseren. Dat heeft geleid tot een Structuurvisie met de volgende ambities:

  • de historische binnenstad wordt beter op de kaart gezet;
  • het Bio Science Park en de kenniseconomie worden verder ontwikkeld;
  • de bereikbaarheid wordt verbeterd;
  • de groene en blauwe structuren in en rondom de stad worden versterkt en verbonden;
  • de kansen die zich in het Stationsgebied, Transvaal/Vondellaan en op De Waard aanbieden worden benut om met wonen en werken een bijdrage te leveren aan de versterking van de kennisstad.
afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00106-0202_0008.png"  
Afbeelding 3.3: Uitsnede structuurvisiekaart 'Structuurvisie Leiden 2025'  

De Kikkerpolder is gelegen binnen de groenstructuur. Het Da Vinci college ligt in een lichtgrijs gebied. Voor deze gebieden geldt dat het beleid dat is vastgelegd in structuurplan 'Boomgaard van Kennis' wordt bevestigd en met de structuurvisie opnieuw wordt vastgesteld.

De ontwikkelingen die onderhavig bestemmingsplan mogelijk maken, passen goed binnen de ontwikkelingswens van de structuurvisie. Daarnaast voorziet de planvorming in het versterken van de groenstructuur, mede door middel van de 'Groene Ruggengraat'. De voorgenomen ontwikkelingen zijn daarmee in lijn met de structuurvisie.

Boomgaard van Kennis (1995)


Het Structuurplan van Leiden 'Boomgaard van Kennis' is vastgesteld in 1995 en beschrijft in hoofdlijnen de meest gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Leiden. Het is bedoeld als sturingskader voor op te stellen bestemmingsplannen. De drie pijlers zijn de versterking van de kennisintensieve werkgelegenheid, het gebruik van de monumentale binnenstad en het bieden van gevarieerde woonmilieus. Ook hier is geconstateerd dat in het stedelijk gebied van Leiden nagenoeg geen ruimte meer is voor geschikte bouwlocaties. Bij het binnenstedelijk realiseren van (woning)bouwopgaven wordt dus gestreefd naar doelmatig ruimtegebruik en een verbetering van de stedenbouwkundige vervlechting en ruimtelijke kwaliteit.


De pijlers worden uitgewerkt aan de hand van de volgende thema's:

  • de stedelijke contour;
  • de stadsgebieden;
  • de stedelijke zones;
  • de groenstructuur;
  • de schaalniveaus;
  • de intensivering van functies;
  • fietsverkeer;
  • openbaar vervoer;
  • autoverkeer.


In het structuurplan wordt aandacht geschonken aan de belangrijke functie van de binnenstad. Deze binnenstad wordt gekenmerkt door een middeleeuwse en 17e eeuwse stadsplattegrond, omgeven door een groene singel, met daarbinnen een stelsel van grachten en een groot aantal monumenten.


Conclusie

De ontwikkelingen, die in onderhavig bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, zijn niet in strijd met de Structuurvisie Leiden en Boomgaard van Kennis.

Beeldkwaliteitplan Houtkwartier Leiden (2012)

Om de nieuwe ontwikkelingen goed te integreren in de omgeving is het Beeldkwaliteitplan Houtkwartier Leiden opgesteld (Bijlage 1). Dit plan is op 11 oktober 2012 vastgesteld door de gemeenteraad. Het beeldkwaliteitplan is deels vervangend vastgesteld voor de thans vigerende Welstandnota en heeft daarmee doorwerking gekregen bij de toetsing van omgevingsvergunningen.

Het beeldkwaliteitplan biedt een raamwerk waarin de ruimtelijke samenhang en continuïteit wordt gewaarborgd in het Houtkwartier. In het raamwerk van het Houtkwartier is een aantal parallelle lijnen van belang: de Boerhaavelaan, de Mariënpoelstraat en de Kagerstraat. Deze structuur blijft gehandhaafd en wordt versterkt. Daarnaast stelt het beeldkwaliteitplan een nieuwe groene ruggengraat voor, die dwars op voornoemde lijnen staat en een verbinding vormt met de Leidse Hout.

Voor wat betreft de bebouwing zijn er per straat uitgangspunten geformuleerd die aansluiting zoeken bij de bestaande kwaliteiten. Dit heeft geleid tot de definitie van 7 principes van het Houtkwartier. Nieuwe ontwikkelingen moeten aan deze principes voldoen.

  • 1. Voordeuren zijn gericht op de openbare ruimte. De openbare ruimte is de identiteitsdrager van het Houtkwartier en daarom moet alle bebouwing georiënteerd zijn op de openbare ruimte.
  • 2. Parkeren vindt plaats aan het oog onttrokken op uitgeefbaar gebied, niet in de openbare ruimte. Nieuwe ontwikkelingen mogen de parkeerproblematiek niet verergeren en de auto mag niet verder het beeld in de openbare ruimte gaan domineren.
  • 3. Woningen hebben een voortuin, overige gebouwen een groene voorzone. Het groene karakter van de wijk wordt daarmee gewaarborgd.
  • 4. Materialisatie van de bebouwing is in baksteen. Het merendeel van de bebouwing in het Houtkwartier is gematerialiseerd in baksteen, door dit ook in nieuwe ontwikkelingen voor te schrijven wordt de eenheid in de wijk gewaarborgd.
  • 5. Bebouwing heeft een continu karakter met variatie. Het vooroorlogse deel van het Houtkwartier wordt gekenmerkt door een hoge mate van eenheid en een continu karakter met subtiele variatie, door middel van details. Deze details en de uitstraling van de bestaande bebouwing dient op een hedendaagse manier vertaald te worden in de nieuwe ontwikkelingen.
  • 6. Verbijzonderingen op de hoeken, die zijn georiënteerd op beide zijden. De hoeken zijn belangrijk in het beeld van de wijk, ze definiëren de verschillende onderdelen van het raamwerk. Blinde gevels en schuttingen komen niet voor. Gebouwen op de hoek zijn altijd tweezijdig georiënteerd.
  • 7. Kwalitatieve verbijzonderingen in hoogte. De bouwhoogten in het Houtkwartier sluiten aan bij de Hoogbouwvisie van de gemeente. Hierin staat dat het Houtkwartier een laagbouwgebied is met een maximale basishoogte van 15 meter met incidentele accenten tot 30 meter. De hoogteaccenten moeten een kwalitatieve verbijzondering opleveren. De hoogbouw moet in vorm en materiaal geheel aansluiten bij de continuïteit van de rest van het profiel en het Houtkwartier.

In paragraaf 2.3.3 is stilgestaan bij de relevante karakteristieken uit het Beeldkwaliteitplan Houtkwartier Leiden ten aanzien van het plandeel voor het Da Vinci College. Kortheidshalve wordt naar de betreffende paragraaf verwezen voor een nadere beschrijving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00106-0202_0009.png"  
Afbeelding 3.4: groene structuur van het Houtkwartier  

Conclusie

De stedenbouwkundige randvoorwaarden uit het Beeldkwaliteitplan zijn (daar waar jurdisch-planologisch gezien mogelijk) gehanteerd bij het opstellen van de regels en verbeelding van onderhavig bestemmingsplan voor wat betreft de locatie Da Vinci College.

Het Beeldkwaliteitplan is daarnaast deels vervangend vastgesteld voor de Welstandnota. Dit betekent dat de welstandsrelevante onderdelen van het Beeldkwaliteitplan het welstandskader vormen voor aanvragen om omgevingsvergunningen ten aanzien van het Da Vinci College. Op deze wijze worden de gewenste welstandsaspecten van de beoogde ontwikkelingen gewaarborgd.

3.2 Sectoraal

3.2.1 Overig relevant beleid

Sportnota "Verleiden tot bewegen"

Als opvolger van de sportnota Startschot die tot 2010 gold, is de Sportnota "Verleiden tot bewegen", bestaande uit de Kadernota 2013-2018 en het Sportaccommodatieplan 2013-2025 op 20 december 2012 door de gemeenteraad vastgesteld. Leiden wil een breed gedragen sportbeleid hebben waarbij sportplezier, gezondheid en sociale samenhang hoog in het vaandel staan. Voor iedereen moet het mogelijk zijn te bewegen of te sporten in georganiseerd en ongeorganiseerd verband. Doel is dat in 2016 75% (nu 64%) van de bevolking voldoet aan de beweegnorm conform het Olympisch Plan. Voldoende, goede en toegankelijke en goed over de stad verspreide sportvoorzieningen aansluitend bij de behoefte zijn hierbij een belangrijke voorwaarde. Dat vraagt om goed onderhoud van bestaande accommodaties en tijdige vervanging van verouderde voorzieningen door moderne. Verbetering van het sportaccommodatiebeleid wordt nagestreefd door het invoeren van een “gezonde” meerjaren investeringssystematiek waarbij zo goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van de ruimtelijke mogelijkheden. Daarom is in het Sportaccommodatieplan een ruimtelijke visie op sportcomplexen/sportaccommodaties opgenomen.

Vanwege de beperkte financiële mogelijkheden en de weinige beschikbare en geschikte locaties wordt in het Sportaccommodatieplan waar mogelijk een win-win-situatie tussen onderwijs en sport gecreëerd om zowel de scholen goede faciliteiten te bieden voor onderwijs in lichamelijke oefening, als voor de sportverenigingen training- en wedstrijdmogelijkheden te bieden.

Conclusie

De sportzaal die mogelijk wordt gemaakt in dit bestemmingsplan draagt bij aan het vergroten van het aanbod van maatschappelijke dienstverlening in Leiden. De sportzaal kan ook voor meerdere doeleinden gebruikt worden. Tijdens schooltijden ten behoeve van bewegingsonderwijs en buiten schooltijden door sportverenigingen.

3.2.2 Milieu

Milieubeleidsplan 2003-2010 en duurzaamheidsagenda 2010-2014 

Duurzaamheidsagenda Leiden en regionaal klimaatbeleid

Het algemene kader voor het milieu- en duurzaamheidsbeleid van de gemeente Leiden staat in de Duurzaamheidsagenda “Samenwerken en Verbinden”. De Duurzaamheidagenda Leiden kent een directe relatie met de ruimtelijke ordening waar het gaat om de doelstellingen voor duurzaam bouwen, duurzame inrichting van gebieden en duurzame stedenbouw. Ook het klimaatbeleid heeft een directe relatie met de ruimtelijke ordening. Daarom zijn ook de doelstellingen uit het Regionaal Klimaatbeleid Holland Rijnland relevant bij ruimtelijke ontwikkelingen. In het onderstaande is dit nader uitgewerkt.

Duurzame stedenbouw

Duurzame stedenbouw is vooral het inspelen op de kansen van de nieuwe bouwlocatie. Juist door in een vroegtijdig stadium aandacht te besteden aan de specifieke kenmerken en mogelijkheden van een bouwlocatie kan er voor gezorgd worden dat een aantrekkelijke woon- en voorzieningenomgeving ontstaat. De gemeente Leiden hanteert hiertoe het Regionaal Beleidskader Duurzame Stedenbouw (RBDS). Dit instrument is bedoeld om de milieuambities en andere duurzaamheidaspecten een volwaardige plaats te geven in de ontwikkeling van ruimtelijke plannen voor gebieden groter dan 1 hectare. Duurzaamheid is hierbij ruim gedefinieerd als 'People, Planet, Profit' (PPP). Dit betekent dat naast ambities op het gebied van milieu ook maatschappelijke/sociale en economische ambities een plek hebben gekregen in het beleid. Onderdeel van het RBDS is een ambitietabel.

DuBoPlus-Richtlijn

De gemeente Leiden hanteert als uitgangspunt bij bouwprojecten (woningbouw, utiliteitsbouw en de grond-, weg- en waterbouw voor zowel nieuwbouw als renovatie) de Regionale DuBoPlus Richtlijn 2008 als duurzaam bouwen-maatlat. De nagestreefde kwaliteit en duurzaamheid van het project kunnen op basis van een overeenkomst tussen de gemeente en de ontwikkelaar geborgd te worden.

Voor de woning- en utiliteitsbouw worden de duurzame prestaties berekend met het instrument de GPR-Gebouw, waarbij de resultaten worden gepresenteerd in een schoolcijfer (1-10). Een 7 is de regionale norm. De ontwikkelaar informeert de gemeente met een GPR-Gebouw berekening (meest recente versie) of gelijkwaardig of aan de regionale ambitie wordt voldaan. Hiertoe ontvangt de ontwikkelaar van de gemeente een gratis sublicentie GPR-Gebouw. Voor de grond-, weg- en waterbouw geldt een maatregelenchecklist met vaste (altijd doen) en keuzemaatregelen. Aan de hand van deze maatregelenchecklist wordt de projectambitie samengesteld, geconcretiseerd en getoetst.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan de omgevingsaspecten en milieuhygiënische aspecten die van belang zijn bij de ontwikkeling van een bestemmingsplan. Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient te worden verantwoord welke keuzes zijn gemaakt en wat de gevolgen van deze keuzes zijn. Hierbij is van belang dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

4.2 Archeologie

4.2.1 Beleidskader

Europees en nationaal

Wet op de Archeologische Monumentenzorg (2007)
In 1992 werd in Valetta door de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen het 'Europees Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed', beter bekend onder de naam 'Verdrag van Malta', ondertekend.

De wet tot goedkeuring van het verdrag is aangenomen door het Nederlands parlement en op 9 april 1998 in het Staatsblad gepubliceerd. Na enkele malen uitstel is het wetsvoorstel in april 2006 door de Tweede Kamer aangenomen en in december van dat jaar door de Eerste Kamer bekrachtigd. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is op 1 september 2007 in werking getreden.

Met de nieuwe Wet op de Archeologische Monumentenzorg is het accent komen te liggen op het streven naar het behoud en beheer van archeologische waarden in de bodem (in situ) en het beperken van (de noodzaak van) archeologische opgravingen. Uitgangspunt van het nieuwe beleid is tevens het principe 'de verstoorder betaalt'. Bij het voorbereiden van werkzaamheden die het bodemarchief kunnen verstoren (zoals de aanleg van een weg, een nieuwe woonwijk, een bedrijventerrein), dient onderzocht te worden of daardoor archeologische resten verstoord kunnen worden (dat kan bijvoorbeeld door booronderzoek of sleuvenonderzoek - beide na een gedegen bureauonderzoek).

Als uit het onderzoek blijkt dat er archeologische waarden aanwezig zijn en deze niet ter plaatse behouden kunnen blijven, dan dient de initiatiefnemer van het werk de kosten die gepaard gaan met het opgraven en conserveren van de plaats te dragen.

Met de introductie van de nieuwe wet zijn de kerntaken en bestuurlijke verantwoordelijkheden van gemeenten veranderd. Eén van de belangrijkste consequenties is, dat gemeenten een centrale rol is toegekend in de bescherming van archeologisch erfgoed. In de wet is bepaald, dat gemeenten door inzet van een planologisch instrumentarium het archeologisch belang dienen te waarborgen. Bescherming van het archeologisch erfgoed kan onder meer vorm krijgen door in bestemmingsplannen regels ter bescherming van bekende en te verwachten archeologische waarden op te nemen.

Provinciaal

Het beleid van de Provincie Zuid-Holland richt zich, conform het Rijksbeleid en de WAMZ op het behouden van archeologische waarden op de plaats waar de waarden zijn aangetroffen. Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient onderzoek te worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied.

Gemeentelijk

Nota Cultureel Erfgoed Leiden (2005)

Het archeologisch beleid van de gemeente Leiden - vastgelegd in de Nota Cultureel Erfgoed, vastgesteld door de raad op 20 december 2005 - is er op gericht de in de grond aanwezige archeologische waarden zoveel mogelijk te behouden. Wanneer dat niet mogelijk blijkt moet de aanwezige archeologie veilig worden gesteld door middel van opgravingen.

De gemeente Leiden heeft een rijk bodemarchief. In de afgelopen decennia is bij tientallen opgravingen vastgesteld dat het onderzoek van de archeologische resten die in de bodem verborgen liggen, één van de belangrijkste bronnen van kennis over de bewoningsgeschiedenis van de regio rondom Leiden vormt. De doelstelling van het gemeentelijk archeologiebeleid is om de archeologische bronnen zo verantwoord mogelijk te beschermen. De erosie van het bodemarchief is ondanks alle inspanningen tot behoud van archeologische resten immers nog steeds erg groot. Dit betekent dat bij toekomstige ontwikkelingen verstoring van de diepere ondergrond uit archeologisch oogpunt zoveel mogelijk dient te worden vermeden. Waar dit niet mogelijk is, zal in de gebieden waar waardevolle, informatieve archeologische resten verloren dreigen te gaan, voorafgaand aan de geplande bodemingreep verantwoord onderzoek dienen plaats te vinden.

Leiden heeft negen verschillende 'waarderingsgebieden', waar verschillende regimes gelden naar aanleiding van de archeologische waarde of de archeologische verwachtingswaarde.

Voor acht waarderingsgebieden wordt in opzet dezelfde planregel gebruikt, waarin een omgevingsvergunningstelsel is opgenomen. De verschillen tussen de waarderingsgebieden zitten in de oppervlakten en diepte van bodemverstoring vanaf wanneer een "omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden" dient te worden aangevraagd. Voor 'Waarde - Archeologie 1' geldt de aanlegvergunningsplicht niet, omdat het een beschermd archeologisch rijksmonument betreft, waarop de regels van de Monumentenwet 1988 van toepassing zijn. Voor verstoring van de bodem op die locaties is een monumentenvergunning vereist.

De negen waarderingsgebieden zijn:

Waarde archeologie 1   Archeologisch rijksmonument  
Waarde archeologie 2   Gebied van archeologische waarde
binnen de singels  
Waarde archeologie 3   Gebied van archeologische waarde
buiten de singels  
Waarde archeologie 4   Gebieden met een hoge archeologische verwachting binnen de singels  
Waarde archeologie 5   Gebieden met een hoge archeologische verwachting buiten de singels  
Waarde archeologie 6   Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting  
Waarde archeologie 7   Gebieden met een lage archeologische verwachting  
Waarde archeologie 8   De Romeinse Limeszone, bescherming conform de Verordening Ruimte  
Waarde archeologie 9   AMK-terreinen, bescherming conform de Verordening Ruimte  

Voor het plangebied geldt op grond van de archeologische waardenkaart deels 'Waarde archeologie 5' en deels 'Waarde Archeologie 6' (zie onderstaande afbeelding).

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00106-0202_0010.jpg"

Afbeelding 4.1: Uitsnede archeologische waardenkaart

4.2.2 Situatie plangebied

Op grond van de archeologische waardering in het plangebied dient een "omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden" te worden aangevraagd voor werkzaamheden dieper dan 50 cm en over een (totale) oppervlakte groter dan 250 m² (Waarde archeologie 5) respectievelijk dieper dan 75 cm en over een (totale) oppervlakte groter dan 500 m².

Locatie Da Vinci College

De nieuwe bebouwingsmogelijkheden hebben samen een grotere oppervlakte dan 500 m2.

In 2010 en 2011 is in de directe omgeving van het plangebied archeologisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 2 en Bijlage 3). Uit de onderzoeken blijkt dat de toplaag van het gehele onderzochte gebied bestaat uit een geheel verstoorde laag met een dikte van minimaal 1,5 meter. Hieronder is komklei aangetroffen, dat reikt tot circa 2,8 tot 3,0 m onder maaiveld. Het laaggelegen komgebied vormde in het verleden een ongunstige vestigingslocatie en bovendien is tijdens het veldonderzoek geconstateerd dat de bodem tot diep in de klei is verstoord. Onder de klei is veen aanwezig dat op veel plaatsen geërodeerd is. Directe aanwijzingen dat het veen geschikt is geweest voor bewoning, in de vorm van een veraarde toplaag, zijn niet aangetroffen. Ook zijn geen archeologische indicatoren in het veen aangetroffen.

Gezien de landschappelijk ongunstige ligging, de hoge mate van erosie, het ontbreken van archeologische resten en het voorkomen van bestaande bebouwing, worden in dit deel van het plangebied geen archeologische waardevolle resten verwacht.

Locatie Kikkerpolder

De sportzaal heeft een grotere oppervlakte dan 250 m2. De verwachting is dat een diepere fundering dan 50 cm niet noodzakelijk is. Bovendien is op de locatie reeds een materiaalopslag aanwezig, waardoor het zeer waarschijnlijk is dat de ondergrond reeds verstoord is en de bouw van de sportzaal derhalve geen gevolgen heeft voor de archeologische waarde in het plangebied.

Conclusie

Gezien de landschappelijk ongunstige ligging, de hoge mate van erosie, het ontbreken van archeologische resten en het voorkomen van bestaande bebouwing, worden in dit deel van het plangebied geen archeologische waardevolle resten verwacht.

Melding toevalsvondst

Ingeval toch archeologische resten worden aangetroffen dient dit op grond van artikel 53 van de Monumentenwet onmiddellijk te worden gemeld aan de Minister van OC&W, door tussenkomst van de Unit Monumenten en Archeologie van de gemeente. De vondst dient gedurende 6 maanden, te rekenen vanaf de datum van de melding, ter beschikking te worden gesteld of gehouden voor wetenschappelijk onderzoek

Waarneming archeologie

Indien in het plangebied de bodem wordt verstoord, kan het voorkomen dat tijdens of na de werkzaamheden een archeologische waarneming plaatsvindt. Deze waarneming wordt verricht als onderdeel van de gemeentelijke onderzoeksagenda en wordt uitgevoerd door een archeoloog van de gemeente Leiden. De kosten van dit onderzoek komen niet voor rekening van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer dient op grond van artikel 57 van de Monumentenwet wel de gelegenheid te bieden tot het uitvoeren van deze werkzaamheden. De initiatiefnemer meldt de aanvang van de werkzaamheden dientengevolge uiterlijk drie weken van tevoren aan de gemeente Leiden.

4.3 Cultuurhistorie

4.3.1 Beleidskader

Nationaal

Besluit ruimtelijke ordening

In 2010 is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. In een bestemmingsplan moet een paragraaf worden opgenomen met “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden”. Naast archeologische waarden moeten ook cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk worden meegewogen bij de voorbereiding van bestemmingsplannen.

Monumentenwet (1988)

Een deel van het culturele erfgoed wordt beschermd via de Monumentenwet (1988). Deze wet geeft het Rijk de mogelijkheid om objecten met een leeftijd hoger dan 50 jaar aan te wijzen als rijksmonument. Rijksmonumenten worden wettelijk beschermd via het vergunningenstelsel en bij restauratie zijn financiële middelen beschikbaar. De Monumentenwet geeft daarnaast de mogelijkheid tot aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten. Onder stads- en dorpsgezicht worden groepen van onroerende zaken bedoeld die een bijzondere eigenschap hebben en in welke zich één of meer monumenten bevinden. Daarnaast is ook de bescherming van archeologische monumenten geregeld in de Monumentenwet.

De Monumentenwet richt zich vooralsnog voornamelijk op objectbescherming. Wijzigingen in het monumentenstelsel zijn aangekondigd door het Rijk maar zijn nog niet omgezet in wetgeving. Wel is duidelijk dat verankering van cultuurhistorie in ruimtelijke ontwikkelingen door middel van de ruimtelijke ordening een belangrijke rol zal gaan spelen. Wanneer het gewenst is dat monumenten gebruikt worden voor het stimuleren van ontwikkelingen, zal de gemeente andere instrumenten een rol moeten laten spelen. De Monumentenwet geeft aan gemeenten de vrijheid om zelf monumenten aan te wijzen en een monumentenlijst op te stellen. Een gemeentelijk monument mag jonger zijn dan 50 jaar.

Gemeentelijk

Nota Cultureel Erfgoed Leiden (2005)

In december 2005 heeft de gemeente Leiden de Nota Cultureel Erfgoed vastgesteld. Daarin is in 43 beleidsvoornemens het Leids erfgoedbeleid vastgelegd voor de periode 2005 - 2015. Centraal in de nota staat het uitgangspunt dat cultuurhistorie een plaats moet krijgen in ruimtelijke ontwikkelingen als inspiratiebron. Cultuurhistorie is een belangrijke drager van kwaliteit en identiteit voor alle delen van de stad. Met het onderkennen van de waarde van cultuurhistorie voor ruimtelijke ontwikkelingen is ook het behoud van deze waarden gediend aangezien een goede functie het behoud van waarden op de lange duur waarborgt. Om dit te bereiken dient een cultuurhistorische paragraaf deel uit te maken van alle nieuwe bestemmingsplannen (beleidsvoornemen 2).

Naast de aanwijzing van gemeentelijke monumenten hanteert de gemeente Leiden nog het instrument van Beeldbepalende Panden. Doel daarvan is de bijdrage aan de beeldkwaliteit van de openbare ruimte door de aanwezige historische bebouwing te borgen. De aanduiding en bescherming van de beeldbepalende panden wordt, indien relevant, geregeld in het betreffende bestemmingsplan. De bescherming strekt zich niet uit tot het interieur van de betreffende panden maar heeft alleen betrekking op het volume, de hoofdvorm en het aanzicht. In de welstandsnota zijn aanvullende criteria opgenomen die toezien op de kwaliteit van materiaal en detaillering van de straatgevels en het dak.

Monumentenverordening en monumentenlijst (2009)

De gemeente Leiden hanteert de Monumentenverordening 2009. Deze verordening geeft regels over hoe om te gaan met gemeentelijke monumenten. De bescherming van de monumenten is geregeld in de Monumentenwet of de gemeentelijke verordening.

Binnen het plangebied zijn geen monumenten of beeldbepalende panden gelegen.

4.3.2 Beschrijving van het plangebied

Het plangebied ligt aan de noordgrens van de gemeente Leiden. De Poelwetering en de Maredijk zijn herkenbare middeleeuwse lineaire structuren De Poelwetering vormt nog een grotendeels gave historische structuur met een sterke ruimtelijke betekenis. De Maredijk is door de ligging in de Leidse Hout en de 17e eeuwse kanalisering van de Mare, gaaf bewaard gebleven en heeft nog grotendeels het middeleeuws profiel. Daarmee is de Maredijk een waardevol cultuurhistorisch element.

De bebouwing van het gebied was tot begin 19e eeuw beperkt tot enkele boerderijen, de benodigde poldermolens en een aantal speelhuizen. Van de middeleeuwse kastelen zoals Paddepoel zijn dan al geen gebouwde resten meer zichtbaar.


Pas na de grenswijziging van 1920 begint de verstedelijking in dit deel van Leiden op gang te komen. Een andere belangrijke ruimtelijke ontwikkeling uit deze periode is de aanleg van het park de Leidse Hout. Na vele vruchteloze pogingen wordt in 1928 begonnen met de aanleg van het naar Leidse begrippen grootschalige volkspark naar ontwerp van K.C. van Nes. Bijzonder zijn de voor een volkspark kenmerkende functiemenging van sport, spel, evenementen en recreatie en de aanleg volgens de plantengeografie. Dat laatste heeft tot gevolg dat de beplanting is aangepast op de dwars door het park lopende overgang tussen strandwal en veenweidegebied. In de functionele aanleg is de oude polderverkaveling goed herkenbaar in de bestaande sloten en het waterbeheersingsysteem.


Het ontwerp van de Leidse Hout komt tot stand in samenwerking met het bureau Grandpré Molière, Verhagen en Kok. Dit stedenbouwkundig bureau krijgt in 1925 de opdracht voor het in 1933 vastgestelde nieuwe uitbreidingsplan. In dit plan wordt de grootstedelijke visie uit 1907 ingeruild voor de tuinstadgedachte. De bestaande straten worden opgenomen in een nieuw plan waarin grondgebonden woningen en zorgvuldig ingepast openbaar-en privégroen een hoofdrol spelen. Ook vormen bestaande landschapselementen weer een inspiratiebron. Zo blijft de Maredijk gehandhaafd en wordt een grens van de wijk.


Het 'Plan 1933' wordt in dit deel van de stad maar zeer gedeeltelijk uitgevoerd. De economische crisis vertraagt een voortvarende bouw van duurdere woningen. Wel wordt er, in plaats van een rij woonhuizen, aan de Mariënpoelstraat de R.K. St.Bonaventura HBS gebouwd. De sterk veranderde maatschappelijk situatie van na 1945 maakt aanpassing van het Plan '33 na de oorlog onvermijdelijk. Zo is het gebrek aan moderne schoolgebouwen voor het voortgezet onderwijs zo groot dat de wijk in de eerste plaats gezien wordt als bouwlocatie voor een aantal grote schoolgebouwen die in de jaren 50 en 60 tot stand komen. Voorbeelden zijn het Agnescollege, de Uitgebreid Technische School en de Meisjes HBS aan de Kagerstraat.

Conclusie

De bouwmogelijkheden die binnen voorliggend bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt zijn, gezien de situering en omvang, niet van dien aard dat de aanwezige cultuurhistorische waarden worden aangetast.

4.3.3 Beschermd stadsgezicht

Het plangebied bevindt zich niet in een gebied dat aangewezen is als beschermd stadsgezicht.

4.3.4 Molenbiotoop

Beleidskader

Provinciaal

In de Provinciale Verordening Ruimte is regelgeving opgenomen voor de omgeving van traditionele molens. Het gaat in dit kader om het garanderen van de vrije windvang en het zicht op de molen. Dit betekent dat beperkingen moeten worden gesteld aan de hoogte van bebouwing en beplanting. Onderscheid wordt in de verordening gemaakt tussen molens met een normale molenbiotoop en molens met een bijzondere molenbiotoop. De categorie 'molens met een bijzondere molenbiotoop' omvat enkele incomplete molens, opnieuw opgebouwde molens en verplaatste molens. Hiervoor hebben gemeenten meer beleidsvrijheid om af te wijken van de provinciale regels.

De molenbiotoop van gewone molens heeft een omvang van 400 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de molen. In de verordening is bepaald waaraan bestemmingsplannen moeten voldaan voor wat betreft de maximale hoogte van nieuwe bebouwing en beplanting. Voor het bepalen van de maximale bouwhoogte is onderscheid gemaakt in molens die binnen de bebouwingscontour van het stedelijk gebied zijn gelegen en molens die daarbuiten zijn gelegen.

Situatie windvang plangebied

In het plangebied zijn de molenbiotopen van drie molens aanwezig: de Kikkermolen, Maredijkmolen en Molen De Herder. In 2010 heeft de provincie Zuid-Holland alle molens en bijbehorende molenbiotopen geïnventariseerd (Molenbiotoopinventarisatie Zuid-Holland 2010). Per molen is een biotooprapport met bijbehorende kaarten opgesteld.

Het college van burgemeester en wethouders heeft in 2009  het besluit algemene beleidsuitgangspunten molenbiotopen vastgesteld (B&W 09.1253). Het gaat om de molenbiotopen van Maredijkmolen, Stadsmolen, Kikkermolen en Roodenburgermolen (alle rijksmonumenten). Met betrekking tot de Maredijkmolen zijn groenbeheermaatregelen getroffen ten dienste van de molenbiotoop. Ten aanzien van de in 2009 gemaakte groenbeheerafspraken is al veel gerealiseerd. Door het Sportbedrijf van de gemeente Leiden is de aanwezige beplanting op de kop van het parkeerterrein verwijderd; door Stedelijk Beheer zijn bomen, niet zijnde eiken op de kop van de Zweilandlaan en Oegstgeesterweg verwijderd en is de onderbegroeiing onder de eiken op de koppen van de Zweilandlaan en Oegstgeesterweg teruggezet. Tevens zijn de populieren voor de praktijkschool verwijderd.

Onderzoek

Adviesbureau Peutz heeft onderzoek gedaan naar de invloed van de bouw van de sportzaal in de Kikkerpolder (Bijlage 4 Windvangonderzoek Kikkerpolder) en de bouwmogelijkheden van het Da Vinci College (Bijlage 5 Windvangonderzoek Da Vinci College). Hieronder worden de conclusies van de onderzoeken beknopt weergegeven.

Sportzaal Kikkerpolder

Binnen 400 meter van de geplande sportzaal is de Kikkermolen gelegen. De overige molens in Leiden zijn op een afstand van meer dan 400 meter gesitueerd, waardoor een nadere beoordeling van deze molenbiotopen overbodig is.

Met een afstand tussen de Kikkermolen en de nieuwbouw Sportzaal Kikkerpolder van 330 meter is volgens de molenbiotoop een maximale bouwhoogte toegestaan van 11,5 meter +NAP. Dit komt overeen met een bouwhoogte van 12,1 meter ten opzichte van maaiveldniveau. Op 400 meter van de molen is een maximale bouwhoogte van 13,8 meter +NAP toegestaan. De berekende hoogte van de molenbiotoop wordt met een de maximaal toegestane bouwhoogte van 9 meter ten opzichte van maaiveld derhalve niet overschreden.

Er is dan ook geen verdere beoordeling noodzakelijk.

Bouwmogelijkheden Da Vinci College

De Maredijkmolen en molen De Herder liggen binnen een afstand van 400 meter van het Da Vinci College. De Kikkermolen en overige molens in Leiden zijn op een afstand van meer dan 400 meter gesitueerd, waardoor een nadere beoordeling van deze molenbiotopen overbodig is.


Maredijkmolen

Door de beperkte hoogte van het wiekenkruis van de Maredijkmolen vindt door vrijwel alle geplande bouwdelen tot 400 meter afstand een overschrijding plaats van de maximaal toegestane bouwhoogte van de molenbiotoop. In de bestaande bebouwingssituatie, alsmede in ruimere mate in de mogelijke situatie volgens het vigerende bestemmingsplan, is eveneens sprake van een overschrijding van de maximale hoogte zoals toegestaan volgens de molenbiotoop.

Uitgaande van de langjarige windstatistiek zoals berekend voor de molenlocatie bedraagt het windaanbod uit de sector corresponderend met de geplande bebouwing in het plangebied 5,9% van het totale windaanbod van de Maredijkmolen. Circa 29% hiervan valt binnen de grenswaarden waarbij molenbedrijf mogelijk is. Het gaat daarbij om 87 uren per jaar, dit komt overeen met 1,0% van de tijd. De geplande bebouwing heeft ten opzichte van een onbelemmerde situatie derhalve maximaal 1,0% van de tijd invloed op de windvang van de Maredijkmolen. De werkelijke invloed, in vergelijking met een bebouwingssituatie die is toegestaan volgens de molenbiotoop, alsmede rekening houdende met de bestaande cq. mogelijke bebouwing en begroeiing binnen deze sector, waarbij reeds een overschrijding van de biotoop plaats vindt, zal in de praktijk ruim lager uitvallen dan de vermelde 1%.

Tevens dient opgemerkt te worden dat in het windvangonderzoek, voor het bouwdeel aan de schoolpleinzijde, uitgegaan is van een bouwhoogte van 13 meter. In het bestemmingsplan is de maximaal toegestane bouwhoogte voor dit deel gelijkgesteld aan de bestaande bouwhoogte, te weten maximaal 10 meter. De effecten van de nieuwbouw zullen dus nog geringer zijn dan in het onderzoek wordt gesteld.

Molen De Herder

De molenbiotoop van molen De Herder wordt niet overschreden door de geplande uitbreiding van het Da Vinci College.


Verzoek ontheffing Verordening Ruimte molenbiotopen

Op 9 juli 2013 heeft de gemeente Leiden aan de provincie Zuid-Holland verzocht om ontheffing te verlenen van de Verordening Ruimte met betrekking tot de molenbiotopen van de Maredijkmolen en molen De Herder. Onderdeel van dit verzoek is een pakket voorgestelde compensatiemaatregelen voor de inrichting en beheer van de openbare ruimte rond de Maredijkmolen.

De provincie Zuid-Holland heeft geconstateerd dat het voorgestelde compensatieplan voldoet aan de uitgangspunten van de Verordening Ruimte en dat geen sprake is van strijdigheid met het beleid van de provincie inzake de molenbiotoop. De ontwikkelingen in het plangebied kunnen daarom zonder ontheffing van de Verordening Ruimte ontwikkeld worden (zie Bijlage 6).

Conclusie

De beoogde bouw van de sportzaal in de Kikkerpolder heeft geen invloed op de molenbiotoop van de Kikkermolen.

De molenbiotoop van molen De Herder wordt niet overschreden door de geplande uitbreiding van het Da Vinci College.

Voor de Maredijkmolen vindt door vrijwel alle geplande bouwdelen tot 400 meter afstand een overschrijding plaats van de maximaal toegestane bouwhoogte van de molenbiotoop. In de bestaande bebouwingssituatie, alsmede in ruimere mate in de mogelijke situatie volgens het vigerende bestemmingsplan, is eveneens sprake van een overschrijding van de maximale hoogte zoals toegestaan volgens de molenbiotoop.

In het windvangonderzoek is voor het bouwdeel aan de schoolpleinzijde gerekend met een bouwhoogte van 13 meter. In het bestemmingsplan is de maximale bouwhoogte gelijkgesteld met de bestaande bouwhoogte, maximaal 10 meter. De effecten van de nieuwbouw zullen dus nog geringer zijn dan in het onderzoek wordt gesteld.

Gezien de reactie van de provincie Zuid-Holland is er geen strijdigheid met het provinciaal beleid.

4.3.5 Landgoedbiotoop

Het toetsingskader betreft de landgoedbiotopencontouren zoals opgenomen in de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland. Binnen het plangebied ligt de landgoedbiotoop Oud-Poelgeest. Deze is opgenomen in voorliggend bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling van de sportzaal is gelegen buiten de landgoedbiotoop.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00106-0202_0011.png"  
Afbeelding 4.2: Ligging Landgoedbiotoop Oud-Poelgeest  

4.4 Milieu

4.4.1 Milieueffectrapportage

De milieueffectrapportage is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de 'moederprocedure'. Dit is de procedure op grond waarvan de besluitvorming plaatsvindt, bijvoorbeeld de bestemmingsplanprocedure, of een milieuvergunningsprocedure.

In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling uitgevoerd moet worden als een project belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Het gaat dan om een project dat genoemd is in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r. Hieronder valt onder andere een stedelijk ontwikkelingsproject.

Binnen voorliggend bestemmingsplan zijn twee ontwikkelmogelijkheden opgenomen: de bouw van een sportzaal en bouwmogelijkheden voor het Da Vinci College ter vervanging van tijdelijke lokalen. Vanwege de grootte (ver onder de drempelwaarde uit D 11.2), aard (bouw sportzaal/verbouwing school) en ligging (stedelijk gebied) van de plannen is de verwachting dat deze geen belangrijke nadelige gevolgen met zich meebrengen voor het milieu. Een formele m.e.r.-beoordeling is niet nodig. De milieueffecten worden voldoende beschreven in de toelichting van het bestemmingsplan.

4.4.2 Bodem

Landelijk wettelijke kader

Wet ruimtelijke ordening

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent voor de bodem (grond en grondwater) dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming dienen te zijn. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

In de Wabo staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat:

  • er is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging;
  • het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan;
  • er een melding is gedaan van een voornemen tot saneren.

Wet bodembescherming (Wbb)

Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet Bodembescherming. In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium.

Besluit bodemkwaliteit (Bbk)

Het Besluit bodemkwaliteit geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe bouwprojecten, zoals woningen en wegen. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd.

In het besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie.

Lokaal bodembeleid

Het Bbk biedt de mogelijkheid om ten aanzien van bodembeheer te kiezen voor een landelijk geldend "generiek beleid", dan wel zelf "gebiedsspecifiek" beleid op te stellen.

Voor het plangebied is door de gemeente Leiden gekozen voor het generieke beleid. Op klassenniveau is dat "Wonen" geworden. Dat betekent dat toe te passen grond gelijk of beter in kwaliteit (op klassenniveau) moet zijn aan zowel de kwaliteit van de ontvangende bodem, als van de bodemfunctieklasse. Deze laatste in weergeven op de door B&W vastgestelde Bodemfunctieklassenkaart (zie de website van de Omgevingsdienst).

Situatie plangebied

Locatie Sportzaal Kikkerpolder

Ter plaatse van de aangegeven locatie zijn bij de Omgevingsdienst West-Holland bodemgegevens bekend. Het betreft een partijkeuring en een verkennend bodemonderzoek (Bijlage 7 en Bijlage 8). De bodem is licht verontreinigd met molybdeen. In het grondwater is een matige verontreiniging aan nikkel aangetroffen. Hiervoor is geen locatiespecifieke oorzaak aan te wijzen. Daarnaast is in het grondwater een lichte verhoging aan barium aangetroffen. Op de locatie is geen asbest aangetroffen. De locatie wordt geschikt geacht voor de realisatie van de sportzaal. Mocht er grond worden aan- of afgevoerd, dan moet dit plaatsvinden volgens de door de overheid gestelde regels. In het bijzonder wordt gewezen op het Besluit bodemkwaliteit.


Locatie Da Vinci college

Ter plaatse van de aangegeven locaties zijn bij de Omgevingsdienst West-Holland bodemgegevens bekend. Het betreft een verkennend bodemonderzoek (Bijlage 9). De bodem is licht verontreinigd met diverse zware metalen. Het grondwater is lokaal licht verontreinigd met barium, molybdeen en xylenen. Op de locatie is geen asbest aangetroffen. De locaties worden geschikt geacht voor de uitbreidingen. Aandacht dient geschonken te worden aan een tot op heden niet gelokaliseerde ondergrondse tank. Indien deze tank zich bevindt op de uit te breiden locaties, dient deze verwijderd te worden. Mocht er grond worden aan- of afgevoerd, dan moet dit plaatsvinden volgens de door de overheid gestelde regels. In het bijzonder wordt gewezen op het Besluit bodemkwaliteit.


Conclusie

De op beide locaties uitgevoerde bodemonderzoeken zijn toereikend. De bodemkwaliteit is geschikt voor de voorgenomen bestemmingen. Wel dient op beide locaties rekening te worden gehouden met het Besluit bodemkwaliteit indien er grond word aan- of afgevoerd. Ten aanzien van het Da Vinci College wordt nog opgemerkt dat, wanneer er zich een ondergrondse tank bevindt op de uit te breiden locatie, deze verwijderd moet worden.

4.4.3 Bedrijven en milieuzonering

Landelijke wet-/regelgeving en instrumentarium

De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Die afstand moet ook weer niet onnodig groot zijn, omwille van een efficiënt ruimtegebruik. Indien nieuwe milieugevoelige bestemmingen, zoals bijvoorbeeld woningen of scholen, mogelijk worden gemaakt in de nabijheid van bestaande bedrijven dan dient de geluidruimte die het bedrijf heeft op basis van een algemene maatregel van bestuur (AMvB), of zoals vastgelegd in de omgevingsvergunning, te worden gerespecteerd.

Bij het toestaan van nieuwe bedrijven of andere functies dient rekening gehouden te worden met de milieuruimte die in de toekomst nodig is. Hierbij kunnen de richtlijnen in de VNG uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009; hierna: VNG-uitgave) gehanteerd worden om de afstand te bepalen tussen woningen en de verschillende bedrijfscategorieën. Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt ondermeer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). Een indicatie van richtafstanden bij verschillend bedrijfstypes is weergegeven in onderstaande tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00106-0202_0012.png"  


In gebieden met functiemenging, zoals binnensteden, kunnen sommige soorten bedrijven aanpandig of inpandig aan woningen grenzen. Dit is in dat soort gebieden vaak al de praktijk.


Situatie plangebied

Bouw sportzaal

Volgens de VNG-uitgave kan een sportzaal/-hal beschouwd worden als categorie 3.1 (SBI 931 A). Ten opzichte van woningen moet hierbij worden uitgegaan van een richtafstand van 50 meter in een gemengd gebied. Het bouwplan voldoet in ruime mate aan deze richtafstand.


Uitbreiding Da Vinci College

Volgens de VNG-uitgave kan een school beschouwd worden als categorie 2 (SBI 852, 8531). Het gebied rondom het Da Vinci College kan beschouwd worden als een gemengd gebied. Ten opzichte van woningen moet voor categorie 2 worden uitgegaan van een richtafstand van 10 meter in een gemengd gebied. Het bouwplan voldoet aan deze richtafstand.


Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt gezien de afstanden geen belemmering.

4.4.4 Luchtkwaliteit

Landelijk Beleid en Regelgeving

Op basis van hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer is het nodig een planontwikkeling te toetsen aan luchtkwaliteitseisen. Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden, met als doel om alle overschrijdingen van de luchtkwaliteitsnormen op te lossen. Het NSL omvat een omvangrijk pakket maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren.

In het NSL is gewaarborgd dat vanaf 11 juni 2011 aan de Europese grenswaarden voor fijn stof (PM10) wordt voldaan, en vanaf 1 januari 2015 aan de Europese grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2). Tot deze momenten heeft Nederland uitstel gekregen van de Europese unie om aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof te voldoen.

Een ruimtelijke ontwikkeling kan vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit doorgang vinden indien wordt voldaan aan één van de volgende punten:

  • a. Er is geen sprake van normoverschrijding;
  • b. Er is per saldo sprake van een verbetering (saldo-benadering);
  • c. Het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit;
  • d. Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).


Alleen projecten die 'niet in betekende mate' (NIBM) bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging wanneer aannemelijk is (door berekening of motivering) dat de 3% grens niet wordt overschreden. Deze grens is 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Dit criterium is een 'of-benadering', wanneer een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.

De 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld:

  • woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen;
  • kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.


Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)

De 'Wet luchtkwaliteit' vormt de Nederlandse uitwerking van de Europese normen voor de luchtkwaliteit. Op grond van de Europese regelgeving moet vanaf 2005 overal in Europa worden voldaan aan de grenswaarde voor fijn stof. Voor stikstofdioxide geldt de grenswaarde vanaf 2010. In ons land is het niet gelukt om overal aan de grenswaarden te voldoen. Daarom heeft Nederland om uitstel verzocht. Op 7 april 2009 heeft de Europese Commissie het gevraagde uitstel gegeven. De jaargemiddelde norm voor fijn stof moet uiterlijk in juni 2011 gehaald zijn en de daggemiddelde en jaargemiddelde norm voor NO2 uiterlijk op 1 januari 2015. Om deze normen te halen is een maatregelenpakket opgesteld, dat in een samenwerkingsprogramma van de rijksoverheid en de lagere overheden wordt uitgevoerd. Dit pakket wordt het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) genoemd. Het NSL is op 1 augustus 2009 van kracht geworden en vormt de kern van de Wet luchtkwaliteit. Het NSL is een bundeling van alle ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit 'in betekenende mate' verslechteren en alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het Rijk coördineert het programma. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in besluiten (algemene maatregelen van bestuur) en ministeriële regelingen. Hiervan zijn de volgende van belang.


Besluit gevoelige bestemmingen

Met het Besluit gevoelige bestemmingen wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale wegen en rijkswegen beperkt. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof en stikstofdioxide. Gevoelige bestemmingen zijn gedefinieerd als gebouwen met de bijbehorende terreinen van scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen en vergelijkbare functies. Woningen worden hier niet toe gerekend. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitonderzoek nodig is, namelijk 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg.

Wanneer in de onderzoekszone de grenswaarden voor fijn stof of stikstofdioxide (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo'n plek de vestiging van de gevoelige bestemming niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan.


Regionaal beleidskader

Regionaal beleidskader Duurzame Stedenbouw

Het Regionaal beleidskader Duurzame Stedenbouw (RBDS) gaat voor luchtkwaliteit uit van de ambitie van de Duurzaamheidsagenda 2011-2014. Deze ambitie is, dat op het merendeel van de plaatsen waar mensen wonen, sporten of anderszins langdurig verblijven, de concentratie aan luchtverontreinigende stoffen in 2011 beduidend lager is dan de toegestane grenswaarden.


Regionaal Samenwerkingsverband Luchtkwaliteit

In het Regionale Samenwerkingsverband Luchtkwaliteit Zuid Holland is een aantal maatregelen ingebracht, die in de regio Holland Rijnland worden uitgevoerd. Deze maatregelen zijn opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De uitvoering van deze maatregelen worden gecoördineerd door de Omgevingsdienst West-Holland.


Situatie binnen het plangebied

De ontwikkeling van de sportzaal in de Kikkerpolder en de bouwmogelijkheden van het Da Vinci College dragen "niet in betekenende mate" bij aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden.

Om desondanks inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van het plan kunnen de concentraties uit de digitale monitoringstool, die behoort bij het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) worden gebruikt. Uit de monitoringstool blijkt dat de concentraties stikstofdioxide en fijn stof in 2015 ter plaatse van de dichtst bijgelegen drukke doorgaande weg, de Oegstgeesterweg, respectievelijk 25,5 µg/m3 en 22,3 µg/m3 (zonder zeezoutaftrek) bedragen. Hiermee wordt voldaan aan de ambitie uit de duurzaamheidsagenda 2011-2014 en het RDBS. Het plan voldoet dus aan de Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteitseisen.

Overigens is in dit geval wel sprake van een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen, maar provinciale wegen en rijkswegen zijn verder weg gelegen dan de toetsafstanden van de plannen.


Conclusie

Er zijn geen belemmeringen voor de ontwikkelingsplannen met betrekking tot de luchtkwaliteit.

4.4.5 Geluidhinder

Landelijke wet-/regelgeving en beleid

Wet geluidhinder

Bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan is het conform de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan de akoestische situatie.

Als een plangebied geheel of gedeeltelijk binnen de onderzoekszone van een verkeersweg, een spoorweg, of een gezoneerd industrieterrein valt, moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige objecten (bijvoorbeeld scholen en ziekenhuizen) binnen die geluidszone. Een bestemmingsplan kan pas worden vastgesteld indien de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige functies voldoet aan de voorkeursgrenswaarden genoemd in de Wgh, of indien een besluit is genomen waarin hogere waarden zijn vastgesteld. Voor dit laatste geeft de Wgh een maximale ontheffingswaarde. Voordat een hogere waarde kan worden vastgesteld, dienen eerst maatregelen onderzocht te worden om de geluidbelasting terug te dringen.

Voor wegen die deel (gaan) uitmaken van een 30 km-gebied geldt dat akoestisch onderzoek in principe niet uitgevoerd hoeft te worden op grond van de Wgh. Ook voor deze wegen is het noodzakelijk om een beeld van de geluidsituatie te hebben, ten einde te kunnen beoordelen of de plannen niet strijdig zijn met een goede ruimtelijke ordening.

Indien er fysieke wijzigingen plaatsvinden aan zoneringsplichtige wegen moet onderzocht worden of sprake is van een reconstructie in de zin van de Wgh. Dit onderzoek richt zich met name op bestaande woningen en andere geluidgevoelige objecten.

Met betrekking tot industrielawaai geldt dat alleen een geluidszone moet worden vastgesteld voor een bedrijventerrein waarop -bedrijven die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken- mogen worden gevestigd. Omdat dergelijke bedrijven zich hier niet mogen vestigen wordt aan de zonering industrielawaai geen nadere aandacht besteed. Hierna wordt wel aandacht besteed aan het geluid van de positief bestemde bedrijven.


Wet milieubeheer/Activiteitenbesluit milieubeheer

Het Activiteitenbesluit milieubeheer dat gebaseerd is op de Wet Milieubeheer is op 1 januari 2008 in werking getreden en bevat algemene milieuregels voor bedrijven. Vrijwel alle artikelen betreffende het aspect geluid staan in afdeling 2.8 "Geluidhinder" van Hoofdstuk 2. "Algemene regels ten aanzien van alle activiteiten" van het Activiteitenbesluit.


Lokale wet-/regelgeving en beleid

Geluidsnota Leiden 2004

Leiden heeft in 2004 de Geluidsnota Leiden vastgesteld. Met deze geluidsnota is voor het eerst het gemeentelijk geluidbeleid, ook het gedeelte zoals dat al jaren werd uitgevoerd, formeel vastgelegd. Dit geluidsbeleid maakt lokaal differentiëren mogelijk en levert zo een passend geluidsniveau per gebied op.


Richtlijnen voor het vaststellen van hogere waarden Wet geluidhinder

De Omgevingsdienst West-Holland voert namens de aangesloten gemeenten de procedure hogere waarde uit. Het bestuur van de Omgevingsdienst heeft richtlijnen vastgesteld, die als kader dienen bij het beoordelen van verzoeken van gemeenten om een hogere waarde. Deze richtlijnen hanteren 5 dB lagere normen dan het maximum dat op grond van de Wgh mogelijk is. Deze richtlijn sluit daarmee aan bij het Milieubeleidsplan van de aangesloten gemeenten.


Geluidskaart Leiden (2012), actieplan Leiden (2013)

In het kader van de EU-richtlijn Omgevingslawaai heeft Leiden een geluidskaart en actieplan gemaakt om de situatie met betrekking tot geluidsproductie in beeld te brengen. De richtlijn richt zich vooral op het vaststellen, beheersen en waar nodig gewenst verlagen van geluidsniveaus in de leefomgeving. Het toepassingsgebied beperkt zich tot een aantal gedefinieerde geluidsbronnen, te weten weg- en railverkeer en luchtvaart van een zekere omvang, alsmede specifieke vastgelegde industriële activiteiten.

Situatie binnen het plangebied

Sportzaal Kikkerpolder

Een sportzaal is geen geluidgevoelige bestemming in de zin van de Wgh. Gezien de ligging van de sportzaal ten opzichte van andere geluidgevoelige objecten levert deze geen geluidhinder op naar de omgeving.


Bouwmogelijkheden Da Vinci College

Een school is volgens de Wgh een geluidgevoelige bestemming. Aangezien in voorliggend bestemmingsplan nieuwe bouwmogelijkheden zijn opgenomen voor het Da Vinci College, is onderzocht (Bijlage 10) welke geluidsbronnen hinder veroorzaken naar deze nieuwe bouwdelen toe. Het gaat hierbij om verkeerslawaai afkomstig van de Oegstgeesterweg en Zweilandlaan. Daarnaast is gekeken naar het geluid afkomstig van het railverkeer op de spoorbaan Leiden-Amsterdam.


Wegverkeer

De berekende geluidbelasting Lden op de nieuwe gevels bedraagt:

  • ten hoogste 50 dB vanwege de Oegstgeesterweg (na aftrek 5 dB art. 110g Wgh)
  • ten hoogste 56 dB vanwege de Zweilandlaan (na aftrek 5 dB art. 110g Wgh)


Vanwege het wegverkeerslawaai van de Oegstgeesterweg wordt de voorkeurswaarde (vk) met 2 dB en vanwege de Zweilandlaan met 8 dB overschreden. Voor deze overschrijding moet een hogere waarde worden vastgesteld. Het ontwerpbesluit hogere waarde zal gelijktijdig met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage worden gelegd.


Railverkeer

De geluidbelasting als gevolg van de spoorlijn Leiden-Amsterdam bedraagt ten hoogste 53 dB. De voorkeurswaarde van de Wet geluidhinder vanwege het railverkeerslawaai wordt niet overschreden.

Overig

Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt nog opgemerkt dat de met de nieuwe bebouwingsmogelijkheden de eventuele geluiduitstraling vanaf de school (schoolpleingeluiden) naar de omgeving niet zal wijzigen. De nieuwbouw dient ter vervanging van noodlokalen en tijdelijke lokalen in de kelder van de school. Het aantal leerlingen neemt derhalve niet toe. Bovendien liggen de woningen op voldoende afstand van het plangebied


Conclusie:

Er moet een hogere waarde worden vastgesteld vanwege het wegverkeerslawaai van de Oegstgeesterweg en de Zweilandlaan en de geluidwering van de gevel moet worden afgestemd op de gecumuleerde waarde van het wegverkeerslawaai. Het ontwerp besluit hogere waarde ligt gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage.

4.4.6 Externe veiligheid

Landelijk Beleid en Regelgeving

Externe veiligheidsbeleid heeft betrekking op het gebruik, productie, opslag en transport van gevaarlijke stoffen. De overheid stelt grenzen aan de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen. De grenzen zijn vertaald in een norm voor het plaatsgebonden risico (PR), en een oriëntatiewaarde en verantwoordingsplicht voor het groepsrisico (GR).

Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi).

Voor het transport van gevaarlijke stoffen zijn de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Circulaire RNVGS) en de Nota vervoer gevaarlijke stoffen (2006) van toepassing.

Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).


Plaatsgebonden risico

Het PR kent een grenswaarde van 10-6 per jaar voor nieuwe situaties. Binnen de PR 10-6 contour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde en in nieuwe situaties moet in beginsel ook aan deze waarde worden voldaan.


Belemmeringenstrook buisleidingen

De bedoeling is dat alle PR 10-6 contouren rondom buisleidingen teruggebracht worden tot een afstand binnen de zgn. belemmeringenstrook, dit is de strook van 5 meter aan weerszijden van de leidingen die moet worden vrijgehouden ten behoeve van onderhoud en werkzaamheden aan de buisleiding. In de belemmeringenstrook mag niet gebouwd worden, tenzij met toestemming (via een ontheffing of een aanlegvergunning) van burgemeester en wethouders. Werkzaamheden in deze strook mogen alleen worden uitgevoerd door of met instemming van de leidingbeheerder. De ligging van de leidingen en de belemmeringenstrook is op de verbeelding vastgelegd.


Verantwoordingsplicht groepsrisico

Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting in situaties waarin zich een ramp met gevaarlijke stoffen voordoet. De verantwoordingsplicht is erop gericht om een weloverwogen afweging te maken over de risico's in relatie tot de (ruimtelijke) ontwikkelingen in het plangebied.

Het groepsrisico wordt vergeleken met de oriëntatiewaarde: de kans op een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers van 10-5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 dodelijke slachtoffers van 10-7 per jaar, en met de kans op 1000 of meer dodelijke slachtoffers van 10-9 per jaar. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico ligt voor het transport van gevaarlijke stoffen en buisleidingen echter een factor 10 lager dan voor inrichtingen.

In de verantwoording van het groepsrisico worden onderwerpen behandeld die van belang zijn bij het maken van een afweging over het risico en de ruimtelijke situatie. Het groepsrisico wordt kwantitatief beoordeeld. Daarnaast komen ook planologische aspecten aan de orde en de mogelijkheden tot rampenbestrijding (zie ook Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico voor inrichtingen).


Provinciaal Beleid

De provincie Zuid Holland ambieert een veilig Zuid-Holland. In de provinciale structuurvisie (PSV) staat als provinciaal belang genoemd het 'beschermen van grote groepen mensen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen'. De provincie wil voorkomen dat risicovolle activiteiten gevestigd worden in de omgeving van grote groepen mensen of dat een nieuwe ontwikkeling gepland wordt binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Het is niet altijd te voorkomen dat dit soort functies gecombineerd worden en het groepsrisico toeneemt. In dat geval vraagt de provincie van de verantwoordelijke bestuurders dat zij een verantwoording groepsrisico schrijven: een heldere en transparante toelichting waarin zij uitleggen waarom deze ontwikkeling op deze locatie noodzakelijk is. Op basis van een verantwoording groepsrisico moet aannemelijk worden gemaakt dat op termijn in de eindsituatie wordt voldaan aan de oriëntatiewaarde.


Regio Holland-Rijnland

De regio Holland-Rijnland heeft in 2008 een Omgevingsvisie externe veiligheid opgesteld. In deze omgevingsvisie heeft de regio een beslismodel opgesteld op basis van zonering van het groepsrisicodiagram (het fN-diagram, f= kans op calamiteit, N=aantal slachtoffers ).

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00106-0202_0013.png"  
Afbeelding 4.3: Groepsrisicodiagram  


Het model gaat uit van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. Aan de zones in het diagram zijn verschillende handelswijzen gekoppeld. Als de groepsrisicocurve voor een bepaalde activiteit of ruimtelijke ontwikkeling in een bepaalde zone uitkomt, volgt uit het beslismodel onder welke voorwaarden de activiteit of ruimtelijke ontwikkeling is toegestaan.


Situatie binnen het plangebied


Sportzaal Kikkerpolder

Het plan ligt niet in het invloedsgebied van een bedrijf waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of geproduceerd. Ook ligt het niet in een invloedsgebied van een spoorlijn, waterweg of buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen.

De locatie ligt in het effectgebied van de A4, maar wel een op ruime afstand van ca. 3.700 meter. Vanwege het transport van toxische vloeistoffen van categorie LT3 heeft de A4 (of: categorie LT2 heeft de N206), een effectgebied van meer dan 4 kilometer. Het plan, namelijk realisatie van een sportzaal, heeft geen effect op de hoogte van het groepsrisico of op andere externe veiligheidsaspecten zoals bereikbaarheid, capaciteit hulpverleningsdiensten of zelfredzaamheid.


Bouwmogelijkheden Da Vinci College

Het plan ligt niet in het invloedsgebied van een bedrijf waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of geproduceerd. Ook ligt het niet in een invloedsgebied van een spoorlijn, waterweg of buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen.

De locatie ligt in het effectgebied van de A4, maar wel een op ruime afstand van ca. 3.650 meter. Vanwege het transport van toxische vloeistoffen van categorie LT3 heeft de A4 (of: categorie LT2 heeft de N206), een effectgebied van meer dan 4 kilometer. Het plan, namelijk. verbouwen van het DaVinci College heeft daar geen effect op de hoogte van het groepsrisico of op andere externe veiligheidsaspecten zoals bereikbaarheid, capaciteit hulpverlenings-diensten of zelfredzaamheid.

In de nabijheid van het plangebied is een propaanreservoir aanwezig bij een molen. Volgens het RRGS geldt een afstand van 165 meter tot de begrenzing van het 1% letaliteitsgebied. Een klein deel van de bestaande bebouwing van het Da Vinci College ligt binnen deze afstand. De nieuwe bebouwingsmogelijkheden vallen hier buiten. De personendichtheid binnen de school neemt niet toe of af, noch vindt er een verschuiving plaats van de personendichtheid plaats.


Conclusie

Voor beide ontwikkelmogelijkheden is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor het realiseren van de betreffende plannen.

4.5 Water

Deze waterparagraaf bestaat uit respectievelijk: beleidskader, het waterbeheer en hoe de watertoets wordt ingevuld, de beschrijving van het huidige watersysteem en de vertaling van het beleid naar het bestemmingsplan.

4.5.1 Beleidskader water

Europees en nationaal

Europese kaderrichtlijn water (2000)
Deze kaderrichtlijn Water beoogt het instrumentarium te bieden om oppervlaktewater en grondwater in zowel kwalitatief als kwantitatief opzicht te beschermen en te verbeteren. Ook het bevorderen van een duurzaam watergebruik, op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen, en de afzwakking van de gevolgen van overstromingen en perioden van droogte vormen belangrijke doelstellingen. Om deze doelen te realiseren, reikt de richtlijn diverse instrumenten aan zoals maatregelenprogramma's, stroomgebiedbeheersplannen, monitoringverplichtingen en economische analyses van het watergebruik inclusief de kostenterugwinning van waterdiensten.

Nationaal Waterplan 2009 - 2015 (2009)
In december 2009 heeft het kabinet het Nationale Waterplan vastgesteld. Het Nationale Waterplan is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid. In de Waterwet is vastgelegd dat het rijk dit plan eens in de zes jaar opstelt. Het is de opvolger van de vierde Nota waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Op basis van art. 2.3 Wro heeft de Minister de bevoegdheid om ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening structuurvisies vast te stellen. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening is het Nationale Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens structuurvisie.

De Vierde Nota waterhuishouding ging uit van integraal waterbeheer en een watersysteembenadering. Dit wordt met het nationaal waterplan voortgezet. Met het waterplan wordt ingezoomd op verschillende vlakken. Voor een duurzaam waterbeleid is het belangrijk om water de ruimte te geven en waar mogelijk mee te bewegen met en gebruik te maken van natuurlijke processen, zoals nu al gebeurt bij Ruimte voor de Rivier. Het rijk vindt het daarbij van belang dat bij alle wateropgaven en -maatregelen maximaal wordt mee gekoppeld met andere opgaven en maatregelen. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het ook van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn.

Provinciaal en regionaal

Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 (2009)

Het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 is op 11 november 2009 vastgesteld door Provinciale Staten. In het waterplan is de provinciale sturingsvisie voor de periode tot 2015 aangegeven. De provinciale rol in het waterveld spitst zich met name toe op kaderstelling en toezicht. Voor de provincie Zuid-Holland zijn vier kernopgaven geformuleerd, waar het provinciaal waterbeleid zich met name op richt. De vier kernopgaven zijn in het waterplan vervolgens verder uitgewerkt in diverse beleidsthema's. De vier kernopgaven zijn:

  • waarborgen van de waterveiligheid;
  • realiseren van mooi en schoon water;
  • ontwikkeling van een duurzame (zoet)watervoorziening;
  • realiseren van een robuust en veerkrachtig watersysteem.

Het waarborgen van de veiligheid heeft betrekking op overstromingen en wateroverlast. Uitgangspunten zijn risicobeheersing en het voorkomen van afwenteling op andere gebieden. Hiertoe zijn onder meer afspraken gemaakt over versterking van de kustbescherming en de versterking van rivierdijken.

Voor de kernopgave mooi en schoon water zijn de chemische en ecologische kwaliteit van het water van belang. Ook het behoud van een goede zwemwaterkwaliteit speelt hierbij een rol. De diversiteit en aantrekkelijkheid van het landschap in Zuid-Holland heeft veel te maken met de aanwezigheid van water.

Het ontwikkelen van een duurzame zoetwatervoorziening heeft onder meer gevolgen voor de bescherming van bestaande drinkwaterbronnen en de verdeling van het drinkwater over verschillende watergebruikers. Door droogte en/of verzilting kan een tekort ontstaan aan zoet water. De opgave is een duurzame situatie te creëren, waarin het watersysteem en de ruimtelijke functies zodanig op elkaar zijn afgestemd dat waterbeheer 'zo eenvoudig mogelijk' is.

Voor het realiseren van een robuust en veerkrachtig watersysteem ziet de provincie met name toe op goed operationeel waterbeheer door de waterschappen. Het oppervlaktewatersysteem in Zuid-Holland is een uniek systeem dat het resultaat is van eeuwenlang 'polderen' in het deltalandschap. Het systeem functioneert nog steeds, maar staat onder druk en vraagt aanpassingen en meer ruimte om ook op termijn goed te kunnen blijven functioneren. De toenemende verstedelijking heeft gevolgen voor de afvoer van water, waardoor aanpassingen van het watersysteem noodzakelijk zijn.

Keur en Beleidsregels 2009, geactualiseerd 2011

Per 22 december 2009 is een nieuwe Keur in werking getreden, alsmede nieuwe Beleidsregels die per 27 mei 2011 geactualiseerd zijn. Een nieuwe Keur is nodig vanwege de totstandkoming van de Waterwet en daarmee verschuivende bevoegdheden in onderdelen van het waterbeheer. Verder zijn aan deze Keur bepalingen toegevoegd over het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem. De “Keur en Beleidsregels” maken het mogelijk dat het Hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor:

  • Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden),
  • Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken),
  • Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).

De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Watervergunning op grond van de Keur. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Beleidsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt.

Waterbeheerplan van Rijnland
Voor de planperiode 2010 - 2015 zal het Waterbeheerplan (WBP) van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het nieuwe WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering.
De drie hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn en blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelstijging. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen.

Waterplan Leiden

Leiden en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Leiden heeft haar ontwikkeling historisch gezien zelfs te danken aan water. Het is nu een stad met veel oppervlaktewater, waaronder de Oude Rijn die dwars door de stad loopt. Het doel van het opstellen van het waterplan is tweeledig. Met het waterplan wordt beoogd om met de partners voor het waterbeheer een visie op integraal waterbeheer in de stad Leiden uit te werken en gezamenlijk beleid te ontwikkelen. Aan de hand van de visie moeten projecten gerealiseerd worden en een uitvoeringsprogramma opgesteld worden. Dit is gericht op een duurzaam watersysteem voor Leiden, waarbij het beleid, de maatregelen en het beheer tussen de verschillende waterbeherende overheden zowel bestuurlijk als technisch goed op elkaar zijn afgestemd. 

Het waterplan Leiden is opgesteld door de Gemeente Leiden en Hoogheemraadschap van Rijnland gezamenlijk. De belangrijkste maatregelen zijn:

  • De gemeente Leiden heeft een speciale watercoördinator.
  • De gemeente Leiden heeft op haar website een waterloket.
  • Het stimuleren van het vasthouden van water en het verbinden of verruimen van watergangen.
  • Onderzoek naar het opnieuw opengraven van de Lange en de Stille Mare.
  • Onderzoek flexibel peilbeheer en verbetering waterspeelplaats in park Cronesteyn.
  • Aanleg natuurvriendelijke oevers.
  • Waar mogelijk afkoppelen regenwater van riolering.
  • Verruimen van duikers.

Handreiking Watertoets (2011)

De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het kader van het vooroverleg conform artikel 3.1.1 van het Bro is de waterbeheerder overlegpartner bij hetopstellen van bestemmingsplannen. Om problemen met wateroverlast te voorkomen, om een goede waterkwaliteit te waarborgen en om de beleving van water voor burgers te vergroten, is het watertoetsproces in het leven geroepen. Het doel van het watertoetsproces is om in een zo vroeg mogelijk stadium rekening te houden met water in ruimtelijke plannen en besluiten. In de startovereenkomst Waterbeleid voor de 21e eeuw en in het Nationaal Bestuursakkoord Water hebben de gezamenlijke overheden bepaald dat water een sturend principe moet zijn in de ruimtelijke ordening. De watertoets is het proces waarbij de waterbeheerder (in dit geval het Hoogheemraadschap van Rijnland) en de initiatiefnemer van het ruimtelijke plan (bijvoorbeeld gemeente, projectontwikkelaar, particulier) samenwerken. Het samenwerkingsproces moet uiteindelijk leiden tot een zogenaamde 'waterparagraaf' die onderdeel uitmaakt van het uiteindelijke plan of besluit.

In de Handreiking Watertoets van het Hoogheemraadschap van Rijnland (2011) zijn richtlijnen gegeven voor het opnemen van de waterparagraaf in bestemmingsplannen. Het beleid zoals vastgelegd in de Handreiking bevat onder meer aanbevelingen/richtlijnen voor de taakverdeling tussen gemeenten en waterbeheerders, de karakterisering van watersytemen, en het water in relatie tot functies en (gewenste) ruimtelijke ontwikkelingen.

4.5.2 Beschrijving watersysteem

In voorliggend bestemmingsplan zijn geen watergangen opgenomen. In de directe omgeving van het plangebied is de Poelwetering een primaire watergang. Langs de oostzijde van de Zweilandlaan ligt een boezemwatergang. De Kikkerpolder ligt achter deze boezemwatergang. Het peil in de polder ligt op -1,47 meter N.A.P. Tussen de Kikkerpolder en deze boezemwatergang ligt een regionale kering.

4.5.3 Waterkwaliteit

De kwaliteit van het water in Leiden wordt gemeten door het Hoogheemraadschap van Rijnland. De waterkwaliteit in de omgeving is matig, net als in het overgrote deel van Leiden. Stoffen die een aandachtspunt vormen zijn fosfaat, stikstof, zuurstof en zware metalen (kopper en nikkel). De concentraties van deze stoffen liggen boven de MTR-waarden (Maximaal Toelaatbaar Risico). De MTR waarden zijn streefwaarden. Op dit moment kunnen grote delen van Zuid- en Noord-Holland niet aan deze waarden voldoen. Mogelijke oorzaken van de matige waterkwaliteit zijn inlaatwater, riooloverstorten en diffuse verontreinigingen zoals bestrijdingsmiddelen en afstroming van vervuild oppervlak.

4.5.4 Watercompensatie

Toename van verharding dient conform de eisen van het hoogheemraadschap van Rijnland gecompenseerd te worden. Een toename van het verharde oppervlak kan er toe leiden dat afvoerproblemen ontstaan en het regenwater sneller dan in de huidige situatie naar het hoofdoppervlaktewater zal afstromen waardoor de druk op het grotere watersysteem toeneemt. Dit is onwenselijk.

Het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland is dat gedempt water wordt gecompenseerd door het graven van een gelijke hoeveelheid. De toename van verharding (vanaf 500 m2) moet worden gecompenseerd door van iedere vierkante meter extra verharding 15% extra functioneel open water te graven. Functioneel houdt in dat het open water in open verbinding met het overige oppervlaktewater binnen het watersysteem staat. In eerste instantie dient compensatie plaats te vinden binnen het plangebied. Wanneer het niet mogelijk is de compensatie binnen het plangebied te compenseren, kan ook binnen hetzelfde peilgebied water worden gegraven. Mits er geen wateroverlast in het plangebied ontstaat.

Sportzaal Kikkerpolder

Het plan voor een sportzaal in de Kikkerpolder is ter advies voorgelegd aan het hoogheemraadschap. Aangegeven is dat de toename van de verharding met 15% te graven oppervlaktewater gecompenseerd moet worden binnen het zelfde peilgebied.

De toename verharding bedraagt circa 870 m2 (bouw sportzaal - sloop materiaalopslag). Er dient dus circa 130m² (15% oppervlaktewater gecompenseerd te worden. Binnen het peilgebied zijn voldoende potentiële watergangen aanwezig die eventueel gedeeltelijk verbreed kunnen worden.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat bij de uitwerking van een concreet bouwplan voor de sportzaal bekeken zal worden hoeveel compensatie exact noodzakelijk is en of een vegetatiedak kan worden toegepast, waardoor wellicht minder compensatie noodzakelijk is.

Bouwmogelijkheden Da Vinci College

Ten opzichte van de bestaande bebouwing zijn in voorliggend bestemmingsplan de volgende uitbreidingsmogelijkheden voor het Da Vinci College opgenomen:

  • aan de zijde van de Zweilandlaan 306 m2;
  • aan de pleinzijde 272 m2.


Het schoolplein is momenteel al volledig verhard en bovendien staan daar momenteel noodlokalen met een oppervlakte van totaal 545 m2 die zullen worden verwijderd. De toename aan verharding is daarmee niet groter dan 500 m2 en watercompensatie is dan ook niet noodzakelijk.


Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect water de realisatie van de beoogde ontwikkelingen niet in de weg staat.

4.6 Ecologie

4.6.1 Beleidskader
4.6.1.1 Europees en nationaal beleid

Flora- en faunawet

Werkzaamheden die worden uitgevoerd om ontwikkelingen mogelijk te maken, kunnen mogelijk aanwezige natuurwaarden verstoren of aantasten. Om deze reden dient, in het kader van de Flora- en faunawet, een ecologische toets uit te worden gevoerd om het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de aanwezige natuurwaarden inzichtelijk te kunnen maken. In het kort komen verplichtingen in het kader van de Flora en faunawet op het volgende neer:

  • onderzoeken of er beschermde planten of dieren voorkomen in het te ontwikkelen gebied;
  • voorkómen van verstoring van deze beschermde planten en dieren;
  • eventueel vóóraf bieden van een alternatief voor de gevonden soorten (bijvoorbeeld in de vorm van vervangende verblijfplaatsen);
  • eventueel aanvragen van een ontheffing met een gedegen ecologische onderlegger en/of compensatieplan.

De flora- en faunawetgeving is sinds februari 2005 gewijzigd. Hierbij is het beschermingsregime voor algemeen voorkomende soorten verlicht en kan het aanvragen van ontheffingen voor een aantal beschermde soorten worden voorkomend als gewerkt wordt volgens een gedragscode. De gemeentelijke Gedragscode voor ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden en het daarbij horende ecologische toetsingskader geeft inzicht in de diverse verplichtingen die dit met zich meebrengt en kan op elk stedelijk project worden toegepast.

De Flora- en faunawetbeschermt een groot aantal bijzondere en minder bijzondere inheemse plant- en diersoorten. De verstoring van (vaste rust- en verblijfsplaatsen van) deze soorten is in beginsel verboden. Er kan een ontheffing van zulke verboden worden gegeven wanneer de gunstige staat van instandhouding van de soort(en) niet in gevaar komt.

Voor algemene soorten is een vrijstelling van kracht van deze ontheffingsplicht voor ruimtelijke ontwikkelingen. De zorgplicht uit de Wet blijft voor deze soorten wel van kracht: bij werkzaamheden moet zoveel mogelijk voorkomen worden dat schade toegebracht wordt aan beschermde soorten.

Voorzover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische zaken, Landbouw en Innovatie (ELI). Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:

  • er sprake is van een wettelijk geregeld belang (waaronder het belang van land- en bosbouw, bestendig gebruik en ruimtelijke inrichting en ontwikkeling);
  • er geen alternatief is;
  • geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.


Ecologische hoofdstructuur

Het beschermingsregime voor gebieden die vallen onder de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) vloeit voort uit het Natuurbeleidsplan uit 1991 en de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Het is in de Nota Ruimte op nationaal niveau en vervolgens door de provincies op provinciaal niveau nader uitgewerkt. Bescherming van deze gebieden is op planologische basis en er wordt van uitgegaan van het "Nee, tenzij"-regime en compensatiebeginsel. Het ruimtelijk beleid voor de EHS is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden. Daarom geldt in de EHS het "nee, tenzij"- regime. Indien een voorgenomen ingreep de "nee, tenzij"-afweging met positief gevolg doorloopt kan de ingreep plaatsvinden, mits de eventuele nadelige gevolgen worden gemitigeerd en resterende schade wordt gecompenseerd. Indien een voorgenomen ingreep niet voldoet aan de voorwaarden uit het "nee, tenzij"-regime dan kan de ingreep niet plaatsvinden.

Natuurbeschermingswet 1998

De gebiedsbescherming is geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998 en de Nota Ruimte. Onder deze bescherming vallen de volgende gebiedsoorten: Natura 2000-gebieden (dit zijn gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn), Beschermde Natuurmonumenten en gebieden ter uitvoering van verdragen en andere internationale verplichtingen (zoals wetlands), worden ook beschermd op basis van de Natuurbeschermingswet 1998.

De uitgevoerde toetsing betreft het vaststellen of het projectgebied in of in de omgeving van een beschermd natuurgebied ligt en of er sprake is van een negatief effect op de beschermde natuurwaarden.

4.6.1.2 Provinciaal en regionaal beleid

Landschapsbeleidsplan Leidse regio en Warmond 2002

Het regionale landschapsbeleidsplan heeft meerdere doelstellingen. Aangegeven moet worden hoe de agrarische, ecologische, recreatieve, cultuurhistorische en visueel - ruimtelijke kwaliteiten van het landschap behouden, versterkt of ontwikkeld kunnen worden op een zodanige manier, dat een meerwaarde ontstaat op regionaal niveau. Daarnaast moet er een landschappelijk raamwerk worden ontworpen, waarin functies als landbouw, natuur, waterbeheer, recreatie en mogelijkheden voor verstedelijking duidelijk zijn gepositioneerd. Ook een optimale wisselwerking tussen stedelijke en landelijke gebieden moet worden aangegeven. De relatie stadland, de voedingsaders voor natuur in de stad, moet worden geoptimaliseerd en worden beschermd.

4.6.1.3 Gemeentelijk beleid

Kaderstelling Bomenbeleid (2004 - 2014; actualisatie Bomennota 1993)

De Bomennota heeft vier hoofddoelstellingen voor het ruimtelijk, beheersmatig en juridisch beleid: het aanvullen van structuurvormende bomenrijen, het beschermen van bomen (Bomenverordening), het verbeteren van groeiplaatsomstandigheden van bomen, het versterken van stad-land relatie door sortimentskeuze van bomen.


Ecologisch Beleidsplan Leiden (1998)

Het uitgangspunt van het Ecologisch Beleidsplan Leiden (EBL) is om de natuur mee te laten tellen als bewoner van de stad. Hierbij moeten de kansen om de natuur de stad in te halen optimaal worden benut en bedreigingen voor die natuur zoveel mogelijk worden beperkt, rekening houdend met de multifunctionaliteit van de stad en haar stedelijk groen.

De hoofddoelstellingen van het ecologisch beleidsplan zijn:

  • Het complementeren dan wel opstellen van een gebiedsdekkend plan voor een duurzame ecologische groenstructuur van 'groene' en 'blauwe' verbindingen vanuit het buitengebied de stad in.
  • Door middel van inrichting, communicatie en regelgeving de Leidse Ecologische Structuur (LES) versterken.
  • Profielen, beheermethoden en sortimentskeuze koppelen aan de LES.


Gedragscode Ruimtelijke Ontwikkeling & Inrichting

De Flora- en Faunawet stelt gemeenten verplicht bij ruimtelijke ontwikkelingen na te gaan of er bedreigde plant- en diersoorten aanwezig zijn in het projectgebied. Een wijziging van deze wet in februari 2005 stelt gemeenten in staat een gemeentelijke gedragscode voor ecologisch beleid vast te stellen. Als één van de eerste gemeenten in Nederland heeft de gemeente Leiden een dergelijk document opgesteld. Dit document is door het Ministerie van LNV goedgekeurd. Dit document, de 'Gedragscode voor ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden' (vastgesteld door B en W op 1 november 2005), is bij B en W-besluit van 4 december 2012 komen te vervallen en vervangen door de gedragscode 'Ruimtelijke Ontwikkeling & Inrichting'. Deze gedragscode is opgesteld door Stadswerk, goedgekeurd per 1 januari 2011 en geldig tot en met 2015.

Deze gedragscode dient als leidraad voor ruimtelijke projecten waarbij sprake is van een functieverandering of werkzaamheden waarbij sprake is van een ruimtelijke verandering (zoals sloop, grondwerk of bouw). Het volgen van de gedragscode bij ruimtelijke ontwikkelingen minimaliseert de kans op conflicten met de Flora- en Faunawet.

4.6.2 Situatie plangebied

Ligging ten opzichte van beschermde gebieden

Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied bevindt zich op circa 5 km afstand ten westen van het plangebied. Het betreft Meijendal en Berkheide.

Ten noorden van de Oegstgeersterweg ligt een EHS-gebied. Gezien de beperkte ontwikkelingen en de afstand van de beoogde nieuwe sportzaal en de bouwmogelijklheden voor het Da Vinci College tot dit EHS-gebied, worden geen negatieve effecten op de hier aanwezige flora en fauna verwacht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00106-0202_0014.png"  
Afbeelding 4.4: EHS in de omgeving van het plangebied  

Sportzaal Kikkerpolder

Op de locatie waar de sportzaal is gesitueerd bevinden zich momenteel een opslagloods van het sportbedrijf en enkele bomen. De constructie en materialisering van de te slopen loods is ongeschikt als verblijfplaats van beschermde soorten, waaronder vleermuizen.

Tevens zal een aantal bomen verdwijnen als gevolg van de planontwikkeling. Gezien de ligging van deze bomen en het aantal bomen in de directe omgeving is het niet aannemelijk dat een eventuele fourageerroute van beschermde vleermuizen wordt verstoord.

Da Vinci College

Ter plaatse van de nieuwe bouwmogelijkheden voor het Da Vinci College bevindt zich alleen aan de voorzijde, tussen de school en de Zweilandlaan, een grasveldje waar mogelijk beschermde plantensoorten aanwezig kunnen zijn.

Naar aanleiding van de nieuwbouw van het Driestar College is in 2010 een flora- en faunaonderzoek onderzoek uitgevoerd (Bijlage 11), waarbij ook de locatie van het Da Vinci College is betrokken. Uit het onderzoek blijkt dat er geen aanwijzingen zijn dat beschermde plantensoorten voorkomen binnen de grens van het onderzoeksgebied. De Wilde kievitsbloem (Fritillaria meleagris) wordt volop aangeplant in bermen in de stad. Landelijk is de soort zeer bedreigd en zeldzaam geworden. Binnen de grens van het onderzoeksgebied ontbreekt deze soort. Binnen het onderzoeksgebied zijn geen locaties gevonden voor (beschermde) muurflora. Strikt beschermde plantensoorten, zoals de in Leiden plaatselijk voorkomende Gele helmbloem (Pseudofumaria lutea), worden niet in een natuurlijke hoedanigheid binnen het onderzoeksgebied verwacht.

Het genoemde onderzoek is in mei 2010 uitgevoerd. Aangezien binnen het onderzoeksgebied sind die tijd niets is veranderd aan de ruimtelijke situatie, wat betreft begroeiing en bebouwing, is geen aanleiding om bovenstaande conclusies te herzien.

Conclusie

Gelet op het voorstaande wordt gesteld dat het aspect flora en fauna de uitvoering van de gewenste ontwikkelingen niet in de weg staat.

4.7 Verkeer

4.7.1 Beleidskader

Nationaal beleid

Nota Mobiliteit (2004)

De Nota Mobiliteit geeft de hoofdlijnen van het nationale verkeers- en vervoersbeleid. Door in het ruimtelijk beleid uit te gaan van de beschikbare infrastructurele capaciteit en door meer rekening te houden met de gevolgen voor verkeer en vervoer kunnen regio's extra mobiliteit voorkomen. De decentrale overheden zijn verantwoordelijk voor de planologische doorwerking van de risicozones. Zij nemen de risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen mee in het ruimtelijk beleid en maken de afwegingen. Van de decentrale overheden wordt bovendien verwacht dat zij vanuit hun eigen verantwoordelijkheid gesignaleerde problemen eerst op lokaal dan wel regionaal niveau oplossen.

Regionaal en gemeentelijk beleid

Regionaal Verkeer en Vervoerplan/Uitwerkingsplan 2008-2015 (2008)

Begin juli 2002 is het ontwerp Regionaal Verkeer en Vervoerplan (RVVP) verschenen. In dit RVVP met de titel "De Regio's Verbonden" wordt aangegeven wat de komende jaren het beleid zal zijn voor de Leidse Regio, de Duin en Bollenstreek en de Provincie Zuid-Holland. Met het plan wil men vraagstukken aanpakken die op het gebied van mobiliteit een bijdrage leveren aan een goed klimaat om te wonen, werken en ondernemen in de regio.

Ten aanzien van het plangebied zijn de volgende aandachtsvelden van belang:

  • 1. Mobiliteit en ruimte; dit aandachtsveld stelt de volgende doelen:
    • a. betere afstemming van de ruimtelijke ontwikkelingen en de vervoersnetwerken;
    • b. bundeling van activiteiten op locaties die goed bereikbaar zijn met de vervoermiddelen die daarbij horen; in dit geval het openbaar vervoer;
    • c. een uitgekiende ruimtelijke ordening, zodat gebruik van fiets en openbaar vervoer gestimuleerd worden.
  • 2. De fiets; dit aandachtsveld stelt de volgende doelen:
    • a. meer gebruik van de fiets in stedelijke gebieden;
    • b. gebruik van fiets als voor- en natransport bij het openbaar vervoer.
  • 3. Openbaar vervoer; dit aandachtsveld stelt de volgende doelen:
    • a. een snel en hoogwaardig verbindend regionaal hoofdnet (RijnGouweLijn);
    • b. het hoofdnet en het onderliggend netwerk moeten afzonderlijk en eenduidig herkenbaar zijn.

Het regionale Verkeer en Vervoersplan is uitgewerkt in Uitwerkingsplannen. Het Uitwerkingsplan 2008-2015 benoemt de concrete acties en projecten voor de periode 2008-2010 met een doorkijk naar 2015. Het doel van het Uitwerkingsplan is het een afgewogen regionaal maatregelenprogramma verkeer en vervoer waar alle betrokken partijen achter staan en dat betaalbaar is en realistisch.

In het Uitvoeringsprogramma zijn projecten en aandachtsgebieden opgenomen variërend van concrete projecten die reeds gestart zijn of binnenkort starten, tot bestuurlijke toezeggingen en "zachte" aspirant projecten. Concreet voor Leiden zijn de verbreding van de A4 en de Rijnlandroute belangrijke projecten. Beide projecten bevinden zich buiten het plangebied.

Het Uitvoeringsprogramma stimuleert verder "Duurzaam veilig"-projecten (o.a. aanleg 30 km/u gebieden) en verkeerseducatie. Het Uitvoeringsprogramma maakt zich sterk voor verbetering van fietsvoorzieningen in de vorm van het vervolmaken van een regionaal fietsnetwerk, het optimaliseren van het fietsnetwerk met name voor afstanden tot 7,5 km, het verbeteren van de overstapmogelijkheden tussen fiets en openbaar vervoer en het stimuleren van de fiets als alternatief voor de auto. Ook streeft het Uitvoeringsprogramma naar een versterking, verbetering en uitbreiding van het openbaar vervoer in de regio.

Kadernota bereikbaarheid (2009)

De Kadernota bereikbaarheid is door de gemeenteraad van Leiden vastgesteld op 29 mei 2009. Hierin worden ontwikkelingsplannen ter verbetering van het vervoersnetwerk in Leiden voorgesteld. Ook wordt een lange termijn visie bereikbaarheid (2025) gepresenteerd. In deze visie wordt geschetst hoe het verkeerssysteem in Leiden het best georganiseerd zou kunnen worden met als doel om de stad op de lange termijn optimaal te kunnen ontwikkelen en bereikbaar te houden. De doorgaande wegen binnen het plangebied worden niet specifiek benoemd in de Kadernota.

GVVP, Leiden, Stad in beweging (2006)

Leiden is strategisch gelegen als schakelpunt tussen de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad. Dat blijkt ook uit de mobiliteitscijfers. De gemiddelde Leidenaar maakt 10% meer verplaatsingen dan personen in vergelijkbare sterk stedelijke gemeenten. Om dit zowel nu als in de toekomst vlot en veilig te kunnen blijven doen zijn diverse inspanningen nodig

Omdat het verkeers- en vervoersbeleid in Leiden verwerkt is in een groot aantal deelplannen is het integraal verkeers- en vervoersbeleid opgesteld. Hierin is de onderliggende visie verwoord, wordt de samenhang met andere vakdisciplines aangegeven, komen alle vervoerswijzen aan bod en is een actieplan opgesteld voor uitwerking van het beleid. Nadrukkelijk is daarbij gekeken naar de verwachtingen voor de toekomst. Centraal binnen het plan staat het stimuleren van duurzame mobiliteit. Dat wil zeggen dat door de te nemen maatregelen enerzijds de noodzakelijke bereikbaarheid van voorzieningen met verschillende vervoerswijzen is gewaarborgd en anderzijds een bijdrage wordt geleverd aan een kwalitatief goede leefomgeving. De mobiliteitsvraag wordt gefaciliteerd uit oogpunt van vitaliteit en economie. Echter, Leiden als historische stad en verblijfsplaats, waar de netwerkstructuur en de openbare ruimte niet optimaal zijn ontwikkeld op het massale autogebruik van de nieuwe tijd, noodzaakt wel tot een beheerste groei van de mobiliteit.

4.7.2 Situatie plangebied

Bouwmogelijkheden Da Vinci College

De bouwmogelijkheden voor het Da Vinci College dienen ter vervanging van enerzijds bestaande lokalen in de kelder die niet meer aan de huidige eisen voldoen en anderzijds noodlokalen op het schoolplein. Het betreft hier dus geen uitbreiding van het Da Vinci college in de zin van uitbreiding van leerlingenaantallen. Er is derhalve in beginsel geen sprake van extra verkeersbewegingen.

Verkeersstudies Houtkwartier

In het kader van het bestemmingsplan 'Dieperhout e.o.' zijn diverse verkeersstudies verricht naar de effecten van de in dat bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen. In deze studies zijn voor wat betreft de autonome situatie de verkeersbewegingen die toe te schrijven zijn aan het Da Vinci College ook meegenomen. De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen bouwmogelijkheden hebben gezien het voorgaande geen gevolgen voor dan wel invloed op de uitkomsten van de uitgevoerde verkeersstudies.

Sportzaal Kikkerpolder

In opdracht van de gemeente Leiden is door Megaborn (GLd1308-02, 7 januari 2014, zie Bijlage 12) onderzocht wat de gevolgen van een sportzaal in de Kikkerpolder zijn voor de intensiteiten en verkeersafwikkeling op de Groene Maredijk en de doorstroming op de Oegstgeesterweg.

Uit de berekeningen blijkt dat het bouwen van de sportzaal (twee gymzalen) in geen geval tot een ander resultaat leidt voor de verkeersafwikkeling op de Oegstgeesterweg, dan wanneer de sportzaal niet gebouwd zou worden. Uitgaande van het worst-case-scenario waarin iedereen tegelijk op zondagmiddag wegrijdt, blijkt dat er geen onwenselijke wachttijden langer dan 20 seconden ontstaan. Aangezien het ontstaan van een onwenselijk lange wachttijd zeer onwaarschijnlijk is, zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk op dit kruispunt.

Conclusie

Concluderend kan worden gesteld, dat de ontwikkelingsmogelijkhden die in onderhavig bestemmingsplan zijn opgenomen, qua mutaties in verkeersintensiteiten niet zullen leiden tot onaanvaardbare situaties.

4.8 Parkeren

4.8.1 Beleidskader

Nota Beleidsregels Parkeernormen Leiden

Op 28 februari 2012 is door het College van B&W een set beleidsregels vastgesteld, die voorschrijven hoe de gemeente toepassing geeft aan de bepalingen in de bouwverordening ten aanzien van het parkeren. De beleidsregels bevatten parkeernormen voor allerlei verschillende functies, met bijbehorende bezettingspercentages per dagdeel, en stellen plantoetsers op die manier in staat te bepalen wat de parkeerbehoefte vanuit een ontwikkeling precies is.

Artikel 1 van de beleidsregels luidt als volgt: "Indien een ruimtelijke activiteit daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het terrein waar die activiteit plaatsvindt of dat bij die activiteit behoort. De vereiste ruimte heeft alleen betrekking op een nieuw ontstane parkeerbehoefte".

4.8.2 Situatie plangebied

Inleiding

Daadwerkelijke toetsing aan het gemeentelijke parkeerbeleid vindt plaats wanneer een concrete aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend. In voorliggend bestemmingsplan is onderzocht of voor de opgenomen bouwmogelijkheden redelijkerwijs voldaan kan worden aan de parkeernota.

Sportzaal Kikkerpolder

Centraal op het Sportpark Kikkerpolder zijn parkeerplaatsen aanwezig. Aan beide zijdes van de weg kunnen twee rijen auto's geparkeerd worden. Volgens de NEN-normen betreft het circa 240 parkeerplaatsen.

Voor sportvelden geldt een parkeernorm van 27 parkeerplaatsen (p.p.) per hectare. De sportvelden rond het parkeerterrein beslaan circa 5 hectare. De totale parkeerbehoefte van de sportvelden komt daarmee op 5 x 27 = 135 p.p.

De sportzaal wordt hoofdzakelijk overdag gebruikt voor onderwijsdoeleinden, maar kan ook door sportverenigingen worden gebruikt. Daarom geldt voor het berekenen van de parkeerbehoefte de norm voor 'sporthal met wedstrijdfunctie'. Binnen het gebied 'schil van Leiden' betreft de parkeernorm in dit geval 2,2 p.p./100 m2 bvo. Op basis van een sportzaal met een oppervlakte van circa 1060 m2 bvo levert dit een parkeervraag van 23 p.p. op. Deze toename kan binnen de aanwezige parkeerplaatsten worden opgevangen.

Bouwmogelijkheden Da Vinci College

Voor scholen wordt de parkeerbehoefte berekend op basis van het aantal leslokalen. In de zone 'schil', bedraagt deze 0,8 p.p. per leslokaal. Bij de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt rekening gehouden met de parkeervraag van de bestaande situatie. Uitgangspunt is dat de parkeervraag van het laatste legale gebruik van het gebouw of terrein wordt afgetrokken van de berekende parkeervraag van de nieuwe situatie.

Tijdelijk gebruik ter overbrugging van een permanent gebruik wordt buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van het laatste legale gebruik. De tijdelijkebebouwing (6 lokalen) op het schoolplein mogen derhalve niet meegenomen worden in de berekening van de parkeerbehoefte.

In de kelder bevinden zich momenteel 4 leslokalen. Deze voldoende niet meer aan de huidige eisen en zullen een andere functie krijgen.

De exacte invulling van de nieuwe bebouwingsmogelijkheden is nog niet bekend. Het aantal mogelijke leslokalen wat hierin gerealiseerd kan worden ligt tussen de 2 en 10. De worst-case benadering gaat er derhalve uit van een toename van maximaal 6 lokalen cq. maximaal 4,8 parkeerplaatsen (6 * 0,8). Het uitgangspunt is de noodzakelijke parkkeerplaatsen te realiseren in de directe nabijheid van de school. Dit zal moeten worden uitgewerkt bij een concrete aanvraag voor

In het parkeerbeleid is opgenomen dat het bevoegd gezag o.a. in de volgende gevallen geheel of gedeeltelijk kan afwijken van het bepaalde in artikel 1 van de beleidsregels:

  • als de parkeereis niet hoger uitvalt dan tien parkeerplaatsen in de zone 'schil';
  • bij ruimtelijke activiteiten met maatschappelijke en culturele functies, waaronder basis-, voortgezet en speciaal onderwijs.


Conclusie

Uit de parkeerdoorrekening blijkt dat voldaan kan worden aan de parkeernota. Met betrekking tot de parkeerdruk zijn er geen negatieve effecten te verwachten. Bij de uitwerking van concrete bouwaanvragen zal blijken wat de exacte parkeereisen zijn.

4.9 Kabels & Leidingen

Voor leidingen waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, zoals aardgasleidingen met een druk van meer dan 16 bar en brandstofleidingen, zijn regels opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dergelijke leidingen moeten conform het bepaalde in het Bevb in bestemmingsplannen worden voorzien van een beschermende regeling. Naast deze leidingen kan echter ook sprake zijn van andere kabels en leidingen, waaraan geen (of beperkte) externe veiligheidsrisico's zijn verbonden, maar die wel planologisch relevant zijn. Het betreft onder andere hoogspanningsverbindingen en rioolpersleidingen. Ook voor dergelijke leidingen dient in bestemmingsplannen een passende regeling te worden opgenomen.

Conclusie

In het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig uit het Bevb of andere kabels en leidingen die een belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke bestemmingen.

Dit bestemmingsplan bestaat, conform de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening, uit een verbeelding, regels en een toelichting. De (digitale) verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

Met betrekking tot de verbeelding en de planregels kan verder worden opgemerkt dat deze voldoen aan de SVBP 2012.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de aanleiding, onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen.

5.2 Regels

De regels van dit bestemmingsplan zijn, conform de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012), ondergebracht in vier hoofdstukken.

  • Hoofdstuk 1: inleidende regels;
  • Hoofdstuk 2: bestemmingsregels;
  • Hoofdstuk 3: algemene regels;
  • Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels.

Hierna wordt kort ingegaan op de inhoud van de regels per hoofdstuk.

5.2.1 Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Het hoofdstuk met inleidende regels bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van de regels. Het tweede artikel betreft de wijze van meten. In dit artikel is onder andere beschreven hoe de maximale goot- en bouwhoogte en het maximum bebouwingspercentage moeten worden bepaald.

5.2.2 Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels

In dit hoofdstuk wordt per bestemming bepaald wat voor gebruik is toegestaan en wat er mag worden gebouwd. Aanvragen voor een omgevingsvergunning zullen aan deze regels worden getoetst. Indien een dergelijke aanvraag past binnen de gebruiksregels en de bebouwingsregels van een bestemming, dan wordt in de regel zonder meer een omgevingsvergunning verleend. In paragraaf 5.3 wordt ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen.

5.2.3 Hoofdstuk 3: Algemene regels

In hoofdstuk 3 zijn algemene regels opgenomen. Deze regels gelden voor meerdere bestemmingen. Het betreft de volgende soort regels.

  • Anti-dubbeltelregel: deze regeling bepaalt dat grond die al een keer is meegenomen bij het toestaan van een bouwplan, niet nogmaals kan worden meegerekend bij de toetsing van een ander bouwplan.
  • Algemene bouwregels: hier is een bepaling opgenomen met betrekking tot ondergronds bouwen, die geldt voor het bouwen binnen alle bestemmingen. In deze regel is aangegeven dat waar bovengronds bebouwing is toegestaan, ook ondergronds mag worden gebouwd. Indien ondergrondse bebouwing wordt gerealiseerd op een locatie waar geen bovengrondse bebouwing aanwezig is, telt de ondergrondse bebouwing wel mee bij het bepalen van de oppervlakte van de bebouwing. Aansluitend aan ondergrondse bouwwerken mogen toegangen tot ondergrondse bouwwerken worden gerealiseerd. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om de inrit van een ondergrondse parkeergarage, die conform deze regeling buiten het bouwvlak respectievelijk de aanduiding voor een parkeervoorziening mag worden gerealiseerd.
  • Algemene aanduidingsregels: hier zijn regels opgenomen voor de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone - molenbiotoop' en 'Vrijwaringszone - landgoedbiotoop'.
  • Algemene afwijkingsregels: hierin is bepaald waarvoor het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan verlenen om af te wijken van de regels;
  • Overige regels: hierin worden overige regels gesteld en wordt geregeld dat als naar andere wettelijke regelingen wordt verwezen, geduid wordt op de regelingen zoals die luidden op het tijdstip van het terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan.
5.2.4 Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 4 bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Hierin is bepaald dat legaal gerealiseerde bouwwerken die niet voldoen aan het (nieuwe) bestemmingsplan mogen worden gehandhaafd. Ook voor strijdig gebruik is een dergelijke regeling opgenomen. Het tweede artikel bevat de slotregel.

5.3 Bestemmingen

5.3.1 Sport

Bestemmingsomschrijving

Gronden met de bestemming 'Sport' zijn bestemd voor sport- en recreatieve voorzieningen en ondersteundende horeca in horecacategorie l en ll en de daarbij behorende parkeervoorzieningen, voorzieningen voor laden en lossen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Alleen ter plaatste van de aanduiding 'sportzaal' is een sportzaal toegestaan.


Bouwregels

Gebouwen en overkappingen moeten binnen het bouwvlak worden gerealiseerd. De bouwvlakken mogen helemaal worden bebouwd. Op de verbeelding is per bouwvlak met de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' de maximale toegestane bouwhoogte opgenomen. Voor de bestaande bebouwing is het bouwvlak strak om de bebouwing gelegd en zijn de bestaande hoogtes als maximaal toegestaan opgenomen.

Voor de beoogde sportzaal is een bouwvlak opgenomen met een bouwhoogte van 9 meter. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erfafscheidingen, vlaggenmasten, ballenvangers, lichtmasten en reclameborden mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak opgericht worden. Voor deze bouwwerken maximale hoogtes opgenomen.


Gebruiksregels

In het bestemmingsplan is aangegeven dat voorzieningen binnen de bestemming 'Sport' ook ten behoeve van onderwijs mogen worden gebruikt.

5.3.2 Maatschappelijk

Bestemmingsomschrijving

Gronden met de bestemming 'Maatschappelijk' zijn bestemd voor onderwijs, culturele instellingen, jeugd- en kinderopvang, openbare dienstverlening en verenigingsleven met de daarbij behorende voorzieningen, zoals (ondergrondse) parkeervoorzieningen, voorzieningen voor laden en lossen, voorzieningen voor verkeer en verblijf, speelvoorzieningen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.


Bouwregels

Gebouwen en overkappingen moeten binnen het bouwvlak worden gerealiseerd. De bouwvlakken mogen helemaal worden bebouwd. Op de verbeelding is per bouwvlak met de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' de maximale toegestane bouwhoogte opgenomen. Tevens zijn er specifieke bouwregels voor de sportvoorzieningen opgenomen

Buiten de bouwvlakken zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan zoals erfafscheidingen en vlaggenmasten. Voor deze bouwwerken zijn regels voor wat betreft de hoogte opgenomen.


Wijzigingsbevoegdheid

Voor de gronden langs de Poelwetering is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om ter plaaste van de aanduiding de bestemming te wijzigen naar 'Groen'. Dit om in de toekomst een wandelpad langs de Poelwetering te kunnen realiseren. De wijziging mag de belangen van derden niet onevenredig schaden.

5.3.3 Groen

Bestemmingsomschrijving

Gronden aangewezen voor 'Groen' zijn bestemd voor groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, voorzieningen voor langzaam verkeer en verblijf, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, in- en uitritten, hondenuitlaatplaatsen, en kunstobjecten.

Bouwregels

Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden opgericht. Wel zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erfafscheidingen en vlaggenmasten, toegestaan. In de bouwregels zijn de maximaal toegestane hoogten voor deze bouwwerken vastgelegd.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

De gemeenteraad heeft het programma onderwijshuisvesting in 2007 vastgesteld. In dit programma is uitbreiding van capaciteit voor bewegingsonderwijs meegenomen. De realisatie van een sportzaal in de Kikkerpolder (twee gymnastiekzalen) is hierin meegenomen. De middelen hiervoor worden vanuit het budget voor onderwijshuisvesting beschikbaar gesteld. De meerkosten doordat er een sportaccommodatie wordt gerealiseerd, worden gefinancierd uit de middelen voor sport in de gemeentebegroting.

De bouwmogelijkheden voor het Da Vinci College zijn op verzoek van het Da Vinci College in voorliggend bestemmingsplan opgenomen. Uitvoering van deze plannen komt voor rekening van het Da Vinci College.

Grondexploitatiewet

Overeenkomstig artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), dienen gemeentelijke kosten die worden gemaakt bij de uitvoering van bepaalde bouwplannen te worden verhaald. Wettelijk gezien dient hiervoor een exploitatieplan opgesteld te worden. De Wro biedt de mogelijkheid hiervan af te zien, als het kostenverhaal anderszins is verzekerd.

De gemeente Leiden is eigenaar van de gronden op Sportpark Kikkerpolder. Dit betekent dat voor deze gronden kostenverhaal anderszins verzekerd is, bijvoorbeeld via gronduitgifte.

De bouwmogelijkheden voor het Da Vinci College vallen niet onder de Grondexploitatiewet, aangezien de totale uitbreidingsmogelijkheden kleiner zijn 1000 m2 bvo.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Inspraak

De aanleiding voor het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is de uitspraak van 4 september 2013 waarin de ABRvS een aantal onderdelen van het bestemmingsplan 'Leiden Noordwest' vernietigt en bepaalt dat voor deze onderdelen binnen een jaar een nieuw besluit genomen moet worden.

Op grond van de reeds doorlopen procedure voor het bestemmingsplan 'Noordwest' en gezien de door de ABRvS gestelde termijn is er voor gekozen geen voorontwerp bestemmingsplan op te stellen en de inspraakprocedure achterwege te laten.

Vooroverleg

Op grond van art. 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van bestemmingsplannen overleg gepleegt te worden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Bij het opstellen van zowel het bestemmingsplan 'Leiden Noordwest' als voorliggend bestemmingsplan 'Kikkerpolder & Da Vinci' heeft reeds overleg met de betrokken partijen plaatsgevonden.

Verdere procedure

Het ontwerpbestemmingsplan 'Kikkerpolder & Da Vinci' zal de procedure van artikel 3.8 en verder van de Wet ruimtelijke ordening doorlopen. Dat betekent onder andere dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage zal liggen voor het indienen van zienswijzen.

De resultaten van deze procedure zullen te zijner tijd in deze toelichting worden vermeld.