direct naar inhoud van 4.3 Cultuurhistorie
Plan: Hogewoerd e.o.
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0546.BP00050-0202

4.3 Cultuurhistorie

4.3.1 Cultuurhistorische en archeologische karakteristiek

De Hogewoerd is een van de uitvalswegen langs de Rijn en bevindt zich op de (deels opgehoogde) oeverwal van de rivier. Al in de Romeinse tijd was dit traject een doorgaande route. Opgravingen ca. 500 meter ten westen van de locatie hebben de sporen aangetoond van een inheems-Romeinse nederzetting1 . Deze nederzetting lag vermoedelijk direct langs de limesweg, de weg die in de Romeinse tijd langs de noordgrens van het Rijk liep. Alhoewel verwacht wordt dat de limesweg onder of vlakbij de Hogewoerd liep, is deze tijdens archeologische begeleidingswerkzaamheden in 1986 niet aangetroffen2 . Kenmerkend voor de limes is de lintbebouwing die langs de weg lag. Ook in Leiden zal dergelijke bebouwing aanwezig geweest zijn.

Vanaf de middeleeuwen werd de Hogewoerd een belangrijke verkeersweg in de richting van Utrecht. De andere kant op loopt de dijk verder via de Breestraat en het Noordeinde. Al op oude kaarten is (lint)bebouwing langs de Rijn zichtbaar. Een gedeelte van het plangebied, begrensd door het Gangetje, de Korenvaarstraat, het Levendaal de Kraaierstraat en de Nieuwe Rijn kan beschouwd worden als eerste stadsuitbreiding van de oude stad. De stad Leiden zoals we die nu kennen is in een aantal stappen tot stand gekomen. Het uitbreiden van de stad was een enorme investering voor het stadsbestuur. De bestaande stadsverdediging moest worden gesloopt en opnieuw opgebouwd. Er werd pas overgegaan tot stadsuitbreiding als het echt niet langer meer kon. Voor dat het zover kwam, was er buiten de stadsgrenzen al langzaamaan bebouwing ontstaan. Zo ook in het geval van de Hogewoerd. In de middeleeuwen (waarschijnlijk einde van de 13de eeuw) was een voorstad met bewoning ontstaan op de Hoge woerd. Dit was een hoger gelegen gebied, wat het heel geschikt maakte voor bewoning. Het ontstane stedelijk weefsel was geënt op het bestaande landschap en is niet planmatig opgezet. Het resultaat was een intensief bebouwd stadsdeel met zijn verkavelingsstructuur en een veelheid aan stegen. Het gebied was omsloten door het water van de Rijn en het Levendaal. Door een brug, de Hogewoerdsbrug over de Vestgracht was de voorstad verbonden met de oude stad. Bij de stadsuitleg van 1386-89 werd de bestaande voorstad opgenomen in de stad. Met deze grote middeleeuwse stadsuitleg kreeg Leiden de omvang die zij tot in de 17de eeuw zou behouden. De stadsgrens liep tot ongeveer halverwege de huidige Hogewoerd en werd ter hoogte van de Kraaierstraat gemarkeerd door een stadspoort, de Hogewoerdspoort.

De Jorissteeg leidde via de St. Jorispoort naar een brug over het Levendaal die toegang gaf tot de st. Jorisdoelen. Deze kleine poort verloor door de middeleeuwse stadsuitbreiding zijn functie en werd daarom in de 14de eeuw gesloopt.

Het westelijke deel van het Levendaal is al in de 13e eeuw gegraven als Vestgracht van de voorstad op de Hogewoerd. Waarschijnlijk is het Levendaal ontstaan uit een verbreding van een bestaande watering3 . Met de stadsuitbreiding van 1386 kwam het Levendaal in de stad te liggen en werd een woongracht. Deze latere gracht was smaller dan de oorspronkelijke vestgracht. De gracht werd in 1935 gedempt. In de bodem kunnen resten aanwezig zijn van deze oude vestgracht, kademuren en de brug die over het Levendaal lagen.

De Oranjeboomstraat was in de middeleeuwen nog niet aanwezig. Deze straat is pas in 1909 aangelegd. Tot die tijd was het terrein bebouwd: tot 1452 lagen hier de St. Jorisdoelen, daarna werden er woonhuizen gebouwd. Bij archeologisch onderzoek ten westen van de Oranjeboomstraat zijn hiervan resten aangetroffen4 . In 1985 is op de hoek van de Oranjeboomstraat-Levendaal een opgravingen uitgevoerd waarbij enkele beerputten uit de 15e eeuw zijn aangetroffen. In 1994 heeft een archeologisch onderzoek plaatsgevonden op de hoek van de Oranjeboomstraat-Catharijnestraat5 . Hierbij zijn enkele kuilen en beerputten met afval van bewoning en ambachtelijke activiteiten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd gedocumenteerd6 .

Tegen het einde van de 16de eeuw, toen de economische voorspoed de bevolking gestaag deed groeien begonnen de middeleeuwse grenzen steeds meer te knellen. Er was te weinig ruimte om de toenemende bevolking te huisvesten en ook de industrie had geen uitbreidingsmogelijkheden meer. Goede redenen dus voor het stadsbestuur om over te gaan tot opnieuw een stadsuitbreiding. Dit vond plaats in een aantal vergrotingen, waarvan de laatste plaatsvond in 1659. Deze uitbreiding betrof het gebied ten zuiden van de haven en ten oosten van de huidige Herengracht tot aan de huidige singels. Bij deze uitbreiding kwam het oostelijk deel van de Hoge Woerd binnen de stadsgrenzen te liggen. Zoals gebruikelijk bij 17de-eeuwse stadsuitbreidingen werd deze niet meer omsloten door muren, maar door een vestingstelsel met bolwerken. De stadspoort op de Hogewoerd ter plaatse van de Kraaierstraat werd verplaatst naar het Hogewoerdsbolwerk. Deze bestond uit een binnen- en een buitenpoort. Aan de singel werd bij de poort een haventje gemaakt. De buitenpoort werd tussen 1863 en 1867 gesloopt. De binnenpoort werd in 1876 gesloopt7 . Bij een archeologische begeleiding in 1986 van rioleringswerkzaamheden op de Hogewoerd, zijn resten van de oude Hogewoerdspoort aangetroffen8 . Dit betrof de stadspoort uit de tijd voor de stadsuitleg van 1658. Naast funderingsresten is er ook een zwaardschede aangetroffen.

Karakteristiek in dit gebied is de planmatige opzet. Los van de oorspronkelijke waterlopen en verkavelingsstrucuren werd een regelmatige en efficiënte indeling gemaakt. Al het werk werd keurig ingemeten en gedocumenteerd. Een groot verschil dus met de het oudste deel van de Hogewoerd met zijn kleine percelen met dichte bebouwing en vele stegen. De nieuwe aanleg heeft ruimere percelen en kent ook meer representatieve bebouwing. De volkswoningbouw met rug aan rug-woningen op kleine percelen concentreerde zich op het bouwblok gelegen tussen het Levendaal, Geregracht en de Singel. Eind van de 20ste eeuw heeft hier op grote schaal stadsvernieuwing plaatsgevonden.

Een geheel eigen karakteristiek heeft de bebouwing aan de Utrechtse Veer. Deze is onlosmakelijk verbonden met het scheepvaartverkeer in de richting Utrecht dat hier zijn vertrekpunt had.

Na 1670 raakte Leiden in verval. Het inwonertal daalde steeds verder en er werd op grote schaal gesloopt. Pas na 1850 krabbelde de stad weer een beetje op. In deze tijd ontstonden de eerste fabrieken. De kleinschalige huisindustrie die vaak verbonden was aan de textielnijverheid maakte in de loop van de 19de eeuw plaats voor meer grootschalige en diverse industrieën. Ook in het plangebied is een aantal van dit soort fabriekscomplexen terug te vinden en dan met name aan het Levendaal. Deze grote fabriekspanden zijn inmiddels niet meer in functie en zijn ofwel afgebroken ofwel herbestemd. De dekenfabriek van Wijk, gelegen tussen de Hogewoerd het Levendaal werd in 1988 ingrijpend verbouwd tot supermarkt en wooncomplex. Zeepfabriek Sanders aan het Levendaal werd eind 20ste eeuw gesloopt om plaats te maken voor een supermarkt.

Een belangrijke 19de-eeuwse ontwikkeling in het gebied was het slechten van de verdedigingswerken. Onder leiding van de gedreven stadsarchitect Salomon van der Paauw werden tussen 1830 en 1834 werklozen aan het werk gezet om de verdedigingswerken af te breken en hier een openbaar park aan te leggen. Het park was toegankelijk via de Hogewoerdspoort en via een brug over de Binnenvestgracht bij de Kraaierstraat. Het werd een aangename plek in de stad en toen de Hogewoerdspoort in 1867 werd afgebroken en de Vierde Binnenvestgracht werd gedempt verrezen langs de binnenrand van het Plantsoen woonhuizen voor vermogende Leidenaars.

Ook een ander werkverschaffingsproject heeft zijn sporen nagelaten in het plangebied. In de jaren '30 van de 20ste eeuw werd het Levendaal gedempt. Deze ingreep ging samen met het verbreden van de doorgang naar de Utrechtsebrug, waardoor het Plantsoen daar rigoureus doormidden werd gesneden. De tot voorheen rustige stadsgracht Levendaal veranderde hierdoor in een drukke verkeersweg. De grootste stedenbouwkundige ingreep is echter die in de noord-zuid richting: Watersteeg, St. Jorissteeg en Oranjeboomstraat. Door het dempen van het water en het slopen van bouwblokken is de oorspronkelijke hiërarchie in het plangebied verdwenen. De Hogewoerd is veranderd van een belangrijke toegangsweg met veel winkels, waar zelfs de Blauwe tram doorheen reed, in een autoluwe verkeersroute.De oorspronkelijke karakteristiek van dit gebied met dichte bebouwing en veel stegen en waterlopen is nu doorsneden door een brede verkeersader die een barrière vormt tussen de verschillende bouwblokken.

4.3.2 Monumenten en beeldbepalende panden

De gemeente Leiden hanteert de Monumentenverordening 2008. Deze verordening geeft regels over hoe om te gaan met gemeentelijke monumenten. In het plangebied komen zeer veel monumenten voor, zowel op Rijks-als gemeentelijk niveau. Op verschillende plaatsen komen ook nog beeldbepalende panden voor.

De bescherming van de monumenten is geregeld in de Monumentenwet of de gemeentelijke verordening.
De bescherming van de beeldbepalende panden is geregeld in dit bestemmingsplan.

Bij deze toelichting is een lijst opgenomen, waarin alle panden met een cultuur historische status staan vermeld. De panden, die de status beeldbepalend (ten tijde van dit bestemmingsplan) hebben, zijn bovendien aangegegeven als karakteristiek op de verbeelding. Deze panden worden hieronder apart vermeld.

De beeldbepalende panden in het plangebied zijn:

Barbarasteeg   1,2,3,4,5,7,8,9,11   Bolwerkstraat   10
 
Geregracht   3,3a,b,c,d,5,19      
Hogewoerd   11, 13, 19, 27, 29, 53, 99, 99a, 101, 107, 107a, 109, 134,146, 146a 148, 148a, 148b, 155, 155a,155b, 158A, 166, 166a, 187, 187a, 189, 189 a   Koenesteeg   4  
Korevaarstraat   2c t/m 8a, even 16 t/m 26 even      
Kraaierstraat   21 en 21 a,b,c   Levendaal   27,27a,b,96a, 98, 98a, 104, 104a, 116, 122, 132, 132a, 138, 138a, 140, 140a,b,c,d,e,f,g,h,j,k, 142,142a t/m j, 144, 144a t/m j, 146, 146 a t/m j, 148, 148a t/m d, 150a t/m d, 152, 156, 158, 164, 164a, 164b, 170, 170a, en b, 176 en 176a, 178 en 178a  
Nieuwebrugsteeg   7   Rijnstraat   2,6,8,8a,b,c,11a t/m k  
Spilsteeg   2, 3, 4, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 19, 23   Sint Jorissteeg   15  
Utrechtse Veer   3, 17   Veerstraat   30, 31  
Watersteeg   1, 2 B, 3   Wielmakersteeg   2,4  

Het aantal beeldbepalende panden betreft slechts een klein deel van de 576 panden met status in de wijk. De meeste panden zijn rijks- of gemeentelijk monument in het plangebied.

4.3.3 Beschermd stads- of dorpsgezicht

Onderdeel Beschermd stadsgezicht

Een belangrijk uitgangspunt van het onderhavige bestemmingsplan, is dat het kenmerkende karakter van deze wijk als onderdeel van het beschermd stadsgezicht behouden blijft. De Hogewoerd e.o. neemt daar zijn eigen plaats in, zoals bijkt uit bijgaande passages uit het aanwijzingsbesluit uit het beschermd stadsgezicht.
Rond 1250 liggen burgerlijke en grafelijke nederzetting binnen een gezamenlijke omgrachting, het Rapenburg en de Steenschuur. De burgernederzetting is geconcentreerd langs de Breestraat, het grafelijke gebied is gelegen tussen de Langebrug en de omgrachting en is slechts spaarzaam bebouwd. Daarbuiten heeft zich een voorstadje ontwikkeld langs het westelijk gedeelte van de Hogewoerd.

De laatste middeleeuwse stadsuitleg wordt begonnen in 1386. Dit is de grootste uitbreiding geweest binnen de huidige singels. Leiden heeft er gedurende 2 eeuwen genoeg aan gehad. Het nieuwe stadsdeel sluit in het oosten aan bij het voorstadje aan de Hogewoerd en beslaat het terrein tussen Rapenburg-Steenschuur en Geregracht-Witte Singel. Het grafelijke hof verliest door deze uitbreiding zijn perifere ligging in het stedelijk gebied, als gevolg waarvan een functieverandering ten behoeve van de burgernederzetting en een gedeelte herverkaveling plaatsvindt. Het Rapenburg wordt van stadsgracht het hoofdelement van de laatste stadsuitleg, als oriënteert de bebouwing op het terrein van het grafelijke hof zich in eerste instantie nog op de Papegracht en het Pieterskerkhof. De aard van de middeleeuwse uitbreidingen wordt sterk bepaald door de beperkte mogelijkheden van een uitgebreide, weinig gefortuneerde weversbevolking.

In het zuidelijk deel van de 17e-eeuwse uitleg is de Hoge Woerd als oude toegangsweg naar de stad van belang. Profiel en bebouwing van deze deels al in de middeleeuwen binnen de stadsvesten getrokken dijkstraat zijn van geringere allure dan van de Breestraat. De straat is smaller, de perceelsbreedte is kleiner. De historisch-ruimtelijke waarde van straat en bebouwing is nog zeer hoog. De woonbebouwing langs de Vierde Binnenvestgracht is karakterbepalend voor het historisch karakter van Leiden als typische industriestad. De bebouwing is zeer homogeen en bestaat uit smalle panden van grotendeels één bouwlaag met een kapverdieping, waarvan de nok loodrecht op de straat staat, achter een klok- of een tuitgevel. Het profiel van de gracht is door demping en bebouwing in essentie gewijzigd. De wallen ten zuiden en oosten van deze voormalige gracht zijn in de tweede helft van de vorige eeuw “geplantsoeneerd”. De op de gedempte gracht en langs de zuidoostzijde van de Zoeterwoudsesingel in diverse neostijlen verrezen bebouwing vormt met haar tuinaanleg een eenheid met de tot plantsoen getransformeerde omwalling en is een karakteristiek voorbeeld van 19e-eeuwse stedelijke ontwikkeling.