direct naar inhoud van Artikel 15 Wonen
Plan: Hogewoerd e.o.
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0546.BP00050-0202

Artikel 15 Wonen

15.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. woondoeleinden in de vorm van eengezinshuizen, gestapelde woningen, wooneenheden en bijzondere woongebouwen;

met de daarbij behorende:

  • b. tuinen, erven, stoepen, paden, straten, groenvoorzieningen, water, speelruimte en leidingen;
  • c. de bijbehorende bergingen, aanbouwen en in de bestemming passende andere bijgebouwen, aanbouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde.

15.2 Bouwregels
15.2.1 Aaneengesloten bebouwing

De hoofdgebouwen dienen te worden gebouwd in aaneengesloten bebouwing.

15.2.2 Situering gebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:

De zijgevels van de hoofdgebouwen dienen te worden geplaatst overeenkomstig de op de kaart aangegeven zijdelingse perceelscheidingen, met dien verstande dat als deze ontbreken de zijgevels in de bestaande situatie geplaatst zullen worden.

15.2.3 Hoogte hoofdgebouwen
  • a. De goothoogte van hoofdgebouwen mag niet hoger zijn dan ter plaatse van de aanduiding maximale goothoogte' is aangegeven;
  • b. De bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet hoger zijn dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' is aangegeven;
  • c. Indien op de kaart geen maximale bouwhoogte is aangegeven, mag de bouwhoogte van hoofdgebouwen met een kap niet meer dan 3,5 meter meer bedragen dan de goothoogte.
  • d. Voor zover het gebouwen met een bestaande kap hoger dan 3,5m betreft en die een status hebben als rijks- of gemeentelijk monument dan wel beeldbepalend pand geldt een maximale bouwhoogte gelijk aan de bestaande hoogte.
15.2.4 Hoogte aanbouwen en bijgebouwen

De bouwhoogte van aanbouwen en tegen het hoofdgebouw aangebouwde bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 0,25 meter boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw bedragen. De hoogte van vrijstaande bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 3 meter.

15.2.5 Bebouwingspercentage
  • a. Het bebouwingsvlak mag voor 100% worden bebouwd.
  • b. Per bouwperceel mag ten hooste 30% van de niet als bebouwingsvlak aangeduide gronden worden bebouwd met aanbouwen en bijgebouwen, met dien verstande dat:
  • in totaal niet meer dan 35 m2 van de betreffende gronden door deze gebouwen mag worden ingenomen;
  • door een aanbouw de bebouwingsgrens met maximaal 2,5 meter mag worden overschreden.

c. In afwijking van het bepaalde in lid 15.2.5.b mogen de niet als bebouwingsvlak aangeduide gronden niet worden bebouwd met aanbouwen en bijgebouwen, indien de betreffende gronden op de verbeelding zijn voorzien van de aanduiding 0%.

d. In afwijking van het bepaalde in lid 15.2.5..b mogen de niet als bebouwingsvlak aangegeven gronden met meer dan 30 % worden bebouwd met aanbouwen en bijgebouwen, voorzover op de verbeelding een afwijkend percentage staat aangegeven tot maximaal dit percentage;

15.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende bepaling:

de hoogte van de overige bouwwerken – geen gebouwen zijnde – mag maximaal 3 meter bedragen.

15.2.7 Beeldbepalende panden

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de situering en maatvoering van bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' indien en voor zover dat noodzakelijk is om de karakteristieke waarden van bouwwerken te beschermen.

15.2.8 Dakterrassen

a. op een aanbouw aan een hoofdgebouw dat (mede) voor woondoeleinden is bestemd en wordt gebruikt mag een dakterras worden gerealiseerd met daaromheen een afrastering mits de hoogte daarvan niet meer bedraagt dan:
1. 2 meter, voor het deel op de aanbouw vanaf de achtergevel tot maximaal vier meter uit deze achtergevel;
2. voor het overige maximaal 1,20 meter,

b. Het is niet toegestaan bij andere dan gestapelde woningen een dakterras te realiseren op hoofdgebouwen of op daken van aanbouwen in meer dan twee bouwlagen dan wel deze daken als dakterras te gebruiken.

15.2.9 Ondergronds bouwen

Op het ondergronds bouwen is het bepaalde in artikel 21 van toepassing.

15.2.10 Onderdoorgang

Ter plaatse van de op de verbeelding aangegeven onderdoorgangen mag op de begane grond geen bebouwing worden opgericht tot de onderkant van de vloer van de eerste verdieping.

15.2.11 Kappen
  • a. Kap

Indien een bestaand hoofdgebouw is voorzien van een kap, dient een kap te worden gehandhaafd.

  • b. Nokrichting

De bestaande nokrichting van hoofdgebouwen die met een kap zijn afgedekt, dient te worden gehandhaafd.

15.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan:

15.3.1 Goot- en/of bouwhoogte

de goot- en/of bouwhoogte van gebouwen indien dit in verband met de in de omgeving aanwezige bebouwing en het in acht nemen van de waarden van het beschermd stadsgezicht wenselijk dan wel noodzakelijk is, met dien verstande dat:
1. de goot- en/of bouwhoogte in de voorgevelbouwgrens maximaal 1 meter verlaagd mag worden;
2. de goot- en of bouwhoogte van gedeelten van hoofdgebouwen aan de achterzijde met maximaal 3 meter mag worden verlaagd indien dit in verband met de bezonning en de bruikbaarheid van aangrenzende gebouwen en/of percelen noodzakelijk is.

15.3.2 Situering bouwwerken

de situering van bouwwerken indien dit noodzakelijk is ten behoeve van de bezonningssituatie, de privacy, de bereikbaarheid voor de brandweer en andere hulpdiensten en dergelijke, dan wel indien dit uit een oogpunt van stedenbouwkundige of ruimtelijk-functionele kwaliteit dan wel ter bescherming van de cultuurhistorische waarden wenselijk is.

15.3.3 Situering van aanbouwen en bijgebouwen

de situering en de goot- en/of bouwhoogte van aanbouwen en bijgebouwen, indien over een lengte van meer dan 2,5 meter in de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd, teneinde te waarborgen dat de op te richten bebouwing geen onevenredig nadelige veranderingen teweegbrengt in de bezonningssituatie op de aangrenzende erven of tuinen en in de lichttoetreding van het naastgelegen hoofdgebouw, met dien verstande dat:

a. daardoor de gebruikswaarde van het te bebouwen erf niet onevenredig wordt geschaad;

b. de goot- of boeibordhoogte van (delen van) gebouwen niet wordt teruggebracht tot minder dan 2,5 meter;

c. geen inbreuk wordt gemaakt op het bepaalde in de overige voorschriften ten aanzien van het ten hoogste te bebouwen gedeelte van de gronden.

15.3.4 Goothoogte hoofdgebouwen

de goothoogte van aan elkaar grenzende panden om te voorkomen dat voor de desbetreffende gevelwand onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de met het beschermd stadsgezicht verbonden cultuurhistorische waarden.

15.3.5 Afmetingen hoofdgebouwen

de afmetingen van hoofdgebouwen, indien deze grenzen aan hoofdgebouwen die aangemerkt zijn als rijks- of gemeentelijk monument met dien verstande dat de goot- en/of bouwhoogte niet meer dan 20% mag afwijken van de goot – en/of bouwhoogte van genoemde monumenten, een kap zal worden toegepast en de kapvorm en nokrichting in overeenstemming zullen zijn met de kapvorm en nokrichting van de monumenten.

15.3.6 Diepte van aanbouwen

de diepte van aanbouwen gerekend vanuit de achtergevel, waarbij geëist kan worden dat deze diepte beperkt wordt tot maximaal 5 meter in verband met de openheid van een binnenterrein.

15.3.7 Toepassen kappen

het afdekken van een nieuw hoofdgebouw met een kap of een daarmee vergelijkbare dak- beëindiging indien het te vervangen hoofdgebouw plat was afgedekt en het in verband met de visuele kwaliteit en de cultuurhistorische waarden van de omgeving van het pand wenselijk is dat een vervangend pand met een kap wordt afgedekt.

15.3.8 Beeldbepalende panden

de situering en maatvoering van bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' indien en voor zover dat noodzakelijk is om de karakteristieke waarden van bouwwerken te beschermen.

15.3.9 Parcellering

het in acht nemen van de historische parcellering dan wel een daarmee vergelijkbare indeling van percelen langs openbaar gebied, indien sprake is van het vervangen van bebouwing of het splitsen van panden in smallere eenheden, waarbij geëist kan worden dat aangesloten wordt bij de in het desbetreffende gebied voorkomende kavelbreedte.

15.3.10 Gevelindeling

het in acht nemen van een verticale gevelindeling, indien dit gewenst of noodzakelijk is in verband met het straatbeeld waarbinnen de desbetreffende bebouwing wordt opgericht of verbouwd.

15.3.11 Bescherming archeologische waarden.

ten aanzien van bouwwerken in gebieden met een archeologische waarde en/of hoge archeologische verwachting als bedoeld in artikel 17, indien uit onderzoek is gebleken op de locatie van het bouwplan archeologische overblijfselen ter plaatse bewaard dienen te blijven, waarbij het bouwplan dienovereenkomstig aangepast dient te worden.

15.4 Afwijking van de bouwregels
15.4.1 Beeldbepalende panden

Het bevoegd gezag kan afwijken van het in artikel 15.2.7 opgenomen verbod, mits vooraf advies is gevraagd aan de gemeentelijke adviescommissie ruimtelijke kwaliteit.

15.4.2 Splitsen van hoofdgebouwen

Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in artikel 15.2.2 ten behoeve van het verticaal splitsen van hoofdgebouwen mits de breedte afgestemd zal worden op de heersende perceelbreedten in het desbetreffende gedeelte van de binnenstad en de breedte van een hoofdgebouw in ieder geval niet minder dan 4 meter zal bedragen.

15.4.3 Hoogte van de erfafscheiding aan de wegzijde

Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in 15.2.6 ten behoeve van de bouw van erfafscheidingen langs de wegzijde tot maximaal 2,5 meter.

15.4.4 Hoger gelegen dakterras

Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in artikel 15.2.9 ten behoeve van de realisering voor een grotere hoogte van een terrasafscheiding en voor een hoger gelegen dakterras met de bijbehorende daar omschreven terrasafscheiding op een aanbouw of binnen het hoofdgebouw, mits de bezonning, en de privacy van aangrenzende of nabijgelegen gebouwen en open terreinen niet in onevenredige mate worden aangetast en daarnaast de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en het daklandschap niet worden aangetast.

15.4.5 Hogere kap

Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid 15.2.3 voor een hogere kap bij nieuwbouw of voorzover een kap ontbreekt, indien een dergelijke hogere kap goed past in het kapprofiel van de betreffende gevelwand, geen onevenredige benadeling in de belichting en bezonningssituatie voor de omgeving veroorzaakt en beperkt blijft tot een verhoging van maximaal 6 m gerekend vanaf de maximaal toegestane goothoogte.

15.4.6 Verhoging aanbouwen en bijgebouwen met kap

Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid 15.2.4 voor de verhoging van:

a. een aanbouw met een kap over een lengte van maximaal 2,5 m voorbij de achtergevel bouwgrens, mits deze verhoging niet onevenredig nadelig is voor de lichttoetreding in aangrenzende tuinen;

b. een bijgebouw met een kap, mits deze goed aansluit bij de architectuur van het hoofdgebouw en niet onevenredig nadelig is voor de lichttoetreding in aangrenzende tuinen .

15.4.7 Vergroting aanbouwen en bijgebouwen

Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid 15.2.5.b voor een uitbreiding van de maximaal bebouwde oppervlakte tot maximaal 50 m2 en een overschrijding van de bebouwingsgrens door een aanbouw tot maximaal 4 m, mits zulks niet ten koste gaat van de lichtinval en bezonning bij aangrenzende percelen en het bebouwingspercentage van 30%, zoals bedoeld in lid 15.2.5.b niet wordt overschreden.

15.5 Specifieke gebruiksregels
15.5.1 Algemeen

Het is verboden de in deze bestemming begrepen gronden en de daarop voorkomende opstallen te gebruiken of in gebruik te geven of te laten voor een doel of op een wijze strijdig met deze bestemming.

15.5.2 Aan-huis-verbonden beroep of bedrijf

Binnen de bestemming 'Wonen' is de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen of bedrijf toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:

  • a. De omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bebouwing tot een maximum van 30 m².
  • b. Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken.
  • c. De activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner(s).
  • d. Detailhandel is niet toegestaan
  • e. bij een aan-huis-verbonden bedrijf dient de activiteit milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de woonomgeving, Daarbij geldt dat deze past in milieucategorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.
15.5.3 Gebruik bijgebouwen

Bijgebouwen mogen niet voor commerciële doeleinden of als zelfstandige woning gebruikt worden.

15.5.4 Bijzondere woongebouwen

Bijzondere woongebouwen zijn slechts toegestaan ter plaatse, waar deze reeds ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan al aanwezig waren in het plangebied.

15.5.5 Eengezinshuizen

Ter plaatse van de aanduiding (sw-eg) zijn uitsluitend eengezinshuizen toegestaan.

15.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
15.6.1 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Het is verboden op of in de in het plan begrepen gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een karakteristiek en beeldbepalend pand geheel of gedeeltelijk te slopen. Een vergunning wordt slechts verleend indien er voor hetzelfde pand een omgevingsvergunning voor een afwijking als bedoeld in artikel 15.4.1.kan worden verleend

15.6.2 Uitzondering

Geen omgevingsvergunning is vereist voor de in dit artikel bedoelde werken, die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.