direct naar inhoud van Artikel 13 Verkeer - Verblijfsgebied
Plan: Hogewoerd e.o.
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0546.BP00050-0202

Artikel 13 Verkeer - Verblijfsgebied

13.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. voorzieningen voor het langzaam verkeer en voor het gemotoriseerd verkeer met overwegend een wijk en buurtfunctie, zoals buurttoegangswegen, woonstraten, winkelstraten, voet en fietspaden;
  • b. groenvoorzieningen, bermen en watergangen;
  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. terrassen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'terras'
  • e. nutsvoorzieningen;
  • f. fietsenstallingen, abri's, telefooncellen, straatmeubilair en dergelijke;
  • g. speel- en verblijfsvoorzieningen ;
  • h. boven - en ondergrondse inzamelpunten voor huishoudelijk afval t.w.gescheiden inzameling van papier, glas, kleding, blik, kunststof en huishoudelijk restafval.

13.2 Bouwvoorschriften
13.2.1 Gebouwen

Binnen deze bestemming mogen uitsluitend gebouwen van ondergeschikte aard worden gebouwd zoals een fietsenstalling, abri tot een grondoppervlak elk van maximaal 25 m2 en met hoogte tot maximaal 4 m.

13.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Binnen deze bestemming mogen bouwwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 3 meter bedragen;
  • b. kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mogen maximaal 6 meter hoog zijn.
  • c. Voor het bouwen van ondergrondse inzamelpunten als bedoeld in artikel 13.1 onder g geldt dat de bouwdiepte niet meer dan 3 meter mag bedragen.

13.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de situering en de hoogte van bouwwerken, indien dit noodzakelijk is ten behoeve van de bezonningssituatie, (bestaande) (boom)beplanting, de ligging van leidingen, de waterhuishouding, de situering van parkeerplaatsen, de bereikbaarheid van hulpdiensten en dergelijke, dan wel indien dit uit een oogpunt van stedenbouwkundige of ruimtelijk/functionele kwaliteit, dan wel ter bescherming van de cultuurhistorische waarden wenselijk is. Voorts kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. een samenhangend straat en bebouwingsbeeld;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de milieusituatie;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden

13.4 Afwijking van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde onder 13.2.1 en toestaan dat een gebouw een grotere grondoppervlakte verkrijgt dan 25 m 2 per gebouw, voorzover dat ondergronds plaatsvindt tot een grondoppervlakte van maximaal 50 m2 per ondergronds gebouw, mits geen onevenredige aantasting plaats vindt van:

1.het straat- en bebouwingsbeeld;

2.de verkeersveiligheid;

3.de sociale veiligheid;

4.de milieusituatie;

5.de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

13.5 Specifieke gebruiksregels
13.5.1 Algemeen

Het is verboden de in deze bestemming begrepen gronden en de daarop voorkomende opstallen te gebruiken of in gebruik te geven of te laten voor een doel of op een wijze strijdig met deze bestemming.

13.5.2 Standplaatsen

Standplaatsen voor kleine etenswaren, zoals ijs en snacks of vergelijkbare goederen gelden als bijbehorende voorzieningen binnen de bestemming verkeer en verblijf, voorzover zij voor vergunningverlening op basis van de Algemeen Plaatselijke Verordening in aanmerking komen.

13.6 Afwijking van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid 13.5, indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

13.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
13.7.1 Vergunningplichtige werken of werkzaamheden

Het is verboden op of in de in het plan begrepen gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de navolgende werken en/of werkzaamheden (geen bouwwerken zijnde) uit te voeren:

  • a. het rooien of vellen van monumentale bomen en andere beeldbepalende individuele bomen of bomen deel uitmakend van een boomgroep, bomenrij of boomstructuur;
  • b. het aanbrengen van asfalt of daarmee gelijk te stellen bestratingmaterialen op de gronden bestemd voor “Vekeer -Verblijf ”, met uitzondering van fietspaden;
  • c. het verwijderen of veranderen van stoepen, hardstenen stoepranden, stoeppalen, waterpompen en daarmee gelijk te stellen historische elementen in of grenzend aan het openbaar gebied;
13.7.2 Toelaatbaarheid
  • a. De in artikel 13.7.1 bedoelde werken en/of werkzaamheden zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de met het beschermd stadsgezicht verbonden cultuurhistorische waarden dan wel de mogelijkheden voor herstel van die waarden niet onevenredig worden verkleind.
  • b. het rooien, vellen of beschadigen van bomen en andere opgaande beplanting noodzakelijk is in verband met ernstige hinder, gevaar of ziekte en mits herplant verzekerd is;
  • c. aangetoond kan worden dat zulks in het belang van een goede ruimtelijke inrichting van het gebied is gewenst en mits verplanting of herplant is verzekerd;
13.7.3 Uitzonderingen op de omgevingsvergunningenplicht

Geen omgevingsvergunning is vereist voor de in dit artikel bedoelde werken en/of werkzaamheden die:

a. betrekking hebben op normaal onderhoud, beheer of gebruik overeenkomstig de bestemming;

b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan

c. van zeer geringe omvang, met inbegrip van de sub a, bedoelde onderhoudswerken ten behoeve van de verzorging van bomen en andere opgaande beplanting