direct naar inhoud van 4.4 Ecologie
Plan: Haagwegkwartier Noordwest
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0546.BP00034-0205

4.4 Ecologie

De Flora- en Faunawet stelt ontwikkelaars verplicht bij ruimtelijke ontwikkelingen na te gaan of er bedreigde plant- en diersoorten aanwezig zijn in het projectgebied. Een wijziging van deze wet in februari 2005 stelt gemeenten in staat een gemeentelijke gedragscode voor ecologisch beleid vast te stellen. Als één van de eerste gemeenten in Nederland heeft de gemeente Leiden een dergelijk document opgesteld. Dit document is door het Ministerie van LNV goedgekeurd.

In de 'Gedragscode voor Ruimtelijke Ontwikkelingen in Leiden' is het beleid uit de Flora- en Faunawet vertaald naar gemeentelijk niveau, en is een inventarisatie gemaakt van algemeen voorkomende bedreigde plant- en diersoorten binnen de gemeentegrenzen. Daarnaast is gemeentelijk beleid vastgesteld als kader voor ruimtelijke ontwikkelingen. Dit beleid schrijft onder andere voor hoe onderzoek naar de aanwezigheid van bedreigde soorten in specifieke plangebieden moet worden uitgevoerd en op welke manier met de eventuele aanwezigheid van die soorten moet worden omgegaan. De gemeente Leiden hanteert de Gedragscode als vereist toetsingskader bij alle bouwaanvragen voor nieuwbouwprojecten.

In het kader van het voorontwerp bestemmingsplan Haagwegkwartier is op 28 september 2008 in opdracht van de gemeente Leiden een rapport uitgebracht “Natuurtoets Flora- en Faunawet ten behoeve van ontwikkelingen in het Haagwegkwartier". Het betreft een natuurinventarisatie ten behoeve van de sloop van bebouwing, de renovatie van de sportvelden en realisatie van woningbouw in het Haagwegkwartier. Het onderzoeksterrein is gelegen binnen de kilometerhokken 92/ 462+463.

Conclusies Flora- en Faunaonderzoek Haagwegkwartier (december 2009):

Het literatuuronderzoek, de habitatbeoordeling en de aanvullende veldinventarisaties zijn in samenhang beoordeeld met betrekking tot de aspecten welke relevant zijn in het kader van de Ff-wet. Op basis hiervan is vastgesteld welke beschermde soorten er op de werklocaties kunnen worden verwacht, voor welke soorten nadere veldinventarisatie vereist is en welke soorten vervolgens zijn aangetroffen (tabel 1 blz.23). Voorts is vastgesteld met welke bedreiging of verstoring door de voorgenomen werkzaamheden er rekening moet worden gehouden.

Hieruit zijn de volgende conclusies te trekken:

1. Beleidsbasis.

Er is uitsluitend soortbescherming in het kader van de Ff-wet in het geding: er is geen enkele relatie met mogelijk beschermde gebieden.

2. Gewone dwergvleermuis.

Er is geheel géén gebruik in de vorm van vaste verblijfplaatsen aangetroffen, doch langs het plangebied is zeer beperkt foerageergebruik van Gewone dwergvleermuis vastgesteld: dit is van zodanig beperkte aard dat hiervoor géén 'verklaring van geen bezwaar' (hierna vvgb) vereist wordt.

3. Broedvogels.

Er maken in ieder geval algemene broedvogels gebruik van de aanwezige begroeiing om er te broeden: hiervoor geldt een algemene gedragscode. Er zijn echter géén soorten vastgesteld waarvan het nest strikt jaarrond beschermd is, dan wel soorten die jaarlijks hetzelfde nest gebruiken. Wel is op het dak een kennelijk paartje Scholekster vastgesteld: indien er grind op het platte dak van het ROC aanwezig is zou dit als nestellocatie gebruikt kunnen worden: hiermee dient in de broedtijd rekening te worden gehouden.

4. Overige ontheffingsplichtige soorten.

Te verwachten ontheffingsplichtige muurplanten of waterorganismen zijn geheel niet aangetroffen.

5. Overige beschermde soorten.

Voor het overige zijn van de beschermde soorten slechts algemeen voorkomende zoogdieren en amfibieën te verwachten waarvoor géén vvgb vereist is (tabel 1 AMvB, landelijk vrijgesteld). Hiervoor geldt slechts de algemene zorgplicht.

Uitvoeringseisen naar aanleiding van het onderzoek:

1. Natuurbeleid

Buiten de Flora- en faunawet is er géén ánder vigerend soorten- of gebiedenbeleid voor het plangebied van toepassing .

2. Te verwachten planten en dieren

Behalve onbeschermde en beschermde soorten van tabel 1 AMvB, zijn in het werkgebied als juridisch zwaarder beschermde soorten slechts broedende vogels te verwachten, deze zijn strikt beschermd.

3. Te verwachten effecten op kritische soorten

Met verwijderen van bomen, struiken en andere vegetatie en overige potentieel verstorende werkzaamheden tijdens het broedseizoen, kunnen broedende vogels worden verstoord.

Deze ingrepen zijn in strijd met de Flora- en faunawet indien géén afdoende maatregelen worden genomen of voorwaarden in acht worden genomen om negatief effect op broedende vogels strikt te voorkomen.

4. Consequenties broedende vogels

Natuurschade aan broedende vogels kan worden voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren, dan wel preventieve maatregelen uit te voeren (zie F&F-rapport): hiervoor is géén vvgb vereist. Het broedseizoen is van ca. 1 maart tot half juli.

5. Overige juridische gevolgen

Er is gezien de onderzoeksbevindingen géén toetsingsprocedure of vvgb voor de werkzaamheden vereist.

Wel blijft handhaving in het kader van de Ff-wet van toepassing voor broedvogels en de wettelijke zorgplicht.

6. Voorwaarden Ff-wet m.b.t. andere dieren

Met het toepassen van de overige mitigerende maatregelen (zie F&F-rapport) kan het grootste deel van de natuurschade aan niet-ontheffingsplichtige soorten worden voorkómen waarmee de wettelijke zorgplicht zo optimaal mogelijk wordt ingelost

7. Uitvoeringscondities:

a) Bij de start van de werkzaamheden dient aan alle preventieve en/of compenserende voorwaarden en maatregelen te zijn voldaan en dient te worden gewerkt zoals in de mitigerende maatregelen is aangegeven.

b) Alle bij de werkzaamheden betrokkenen dienen afdoende op de hoogte te zijn van de mitigerende maatregelen en voorwaarden en de daarbij aangegeven wijze van werken. Zonodig dienen werknemers daartoe voorlichting te verkrijgen.